Het thema van de Maand van de Geschiedenis 2021 is Aan het werk! Elke dag plaatsen we een artikel over een uitgelicht archiefstuk met een link naar dit thema of laten we het werk achter de schermen bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe zien.

Vandaag: Karrediensten van Oldebroek en Doornspijk aan de Stad Elburg.

De verdedigingswallen van Elburg
Voor wie Elburg wel eens een bezoek heeft gebracht, vallen de wallen als eerste op bij het binnengaan van de stad. Een beetje stad had in de middeleeuwen wallen als verdedigingslinie. Vaak ging dit gepaard met een gracht. Later werden de wallen vervangen of gecombineerd met een stenen stadsmuur.

In Elburg zijn ze nog goed te herkennen. Via de wallen kun je om de hele vesting heenlopen. Daarbij valt op dat je goed zicht hebt op het oude schootsveld. Het schootsveld is van oudsher een leeg landschap, zodat men de vijand goed kon zien aankomen en ook kon bestoken met allerhande wapens, vanaf de hoger gelegen wallen.

Deze wallen dienden natuurlijk ook goed te worden onderhouden. Ze waren aan weersveranderingen onderhevig en ook kon het zijn dat er in vredestijd net iets minder onderhoud werd gepleegd dan in dreigende oorlogstijden.

Het feodale stelsel
De leenheer was niet in staat op dit op eigen houtje te doen, maar had boeren die aan hem ‘onderworpen’ waren. Zij mochten als horige of lijfeigene niet zomaar het land verlaten, maar waren verplicht om werk te doen voor de heren. In ruil daarvoor kregen ze bescherming van de heer in oorlogstijd.

Kar- en graafgeld
Aan de andere kant schiep het ook plichten, want Oldebroek moest bijdragen aan de beveiliging van de Stad Elburg. Oldebroek was echter niet altijd gehoorzaam aan Elburg. In 1598 beval Elburg de ingezetenen van Oldebroek om de wallen te komen versterken. De burgemeester van Oldebroek weigerde dit. Het hof van Elburg besliste anders; de Oldebroekers werden verplicht om de werkzaamheden uit te voeren en hun burgemeester werd gevangengenomen.

De beide plaatsen konden hun diensten ook afkopen, maar dan werd het benodigde bedrag voor het versterken van de stad gevraagd. In diverse stadsrekeningen komen we hiervan nog kostenposten tegen. Daarnaast ligt er in het depot te Elburg nog een oorkonde waarin Karel van Gelre in 1519 de richter van het ambt Doornspijk maant om zijn inwoners hun plichten richting de stad Elburg na te laten komen en wel ‘mit waegen end peerden’.

In meerdere steden, zoals Arnhem, komen we kar- en graafgeld tegen. Binnen het Duitse rijk vinden we veel steden terug waarin het kar- en graafgeld in de stadsrekeningen zijn opgenomen. In de middeleeuwen was dit fenomeen daarmee veelvoorkomend.