Het thema van de Maand van de Geschiedenis 2021 is Aan het werk! Elke dag plaatsen we een artikel over een uitgelicht archiefstuk met een link naar dit thema of laten we het werk achter de schermen bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe zien.


Vandaag: Legerplaats bij Oldebroek

Van garnizoen naar legerplaats
Met de Frans-Duitse oorlog in 1870 - ‘71 veranderde de oorlogsvoering enorm. Waar oorlogsvoering in eerdere eeuwen vooral man-tot-mangevechten of belegeringen van steden betrof, werd vergeschut de norm vanaf de Frans-Duitse oorlog.
Nederland had een aantal bekende garnizoensplaatsen, zoals Harderwijk en Kampen en had oefenterreinen op het Scheveningse strand, maar deze bleken niet groot genoeg om te oefenen met groter geschut.

Zoektocht naar geschikte terreinen
Door het Ministerie van Oorlog werd daarom een onderzoekscommissie ingesteld. Deze commissie had als opdracht om te onderzoeken welke terreinen in Nederland geschikt waren als oefenterreinen. Deze terreinen moesten vooruitlopen op de toenmalige normen. Er werden daarom vooruitstrevende eisen aan het nieuwe terrein gesteld. Zo moest het domein zeker acht bij twee kilometer beslaan. Op dat terrein moest ook het personeel kunnen legeren. Naast die eisen moest het terrein ook achter de ‘hoofdverdedigingslijn’ liggen en van goede infrastructuur voorzien. Ook moest er vanuit elke richting kunnen worden geschoten.

De commissie vond maar enkele terreinen geschikt. Dat waren de duinen ten noorden van Beverwijk en ten zuiden van het Noordzeekanaal en de heidegronden langs de spoorlijn Nunspeet-Wezep. De duinranden haalden ternauwernood de eisen van het Ministerie. Daarom beveelde de commissie de heidegronden aan, hoewel dat niet achter de linie lag. De voordelen waren echter groter: er was drinkwater, de infrastructuur was goed met de grindweg Elburg-Epe, de spoorlijn Zwolle-Utrecht en de haven van Elburg onder handbereik. En er was plaats op het terrein om de troepen te legeren.
In 1875 werden de percelen aangekocht voor een bedrag van 93.844,40 gulden. In september 1876 besliste de minister dat vanaf de Woldberg richting Kampen en Heerde zou worden geschoten en in 1877 werd besloten om de vaste gebouwen op de Woldberg te bouwen. De legerplaats bij Oldebroek was een feit.

De eerste jaren
In het eerste jaar waren er nog geen vaste gebouwen op de legerplaats, maar bivakkeerde het vaste personeel in tenten. Later werden er gebouwen geplaatst in chalet-stijl, wat het terrein een paviljoen- en parkachtige uitstraling gaf. Door deze unieke bouwstijl hebben enkele gebouwen op het terrein een monumentale status.
Tijdens de schietoefeningen werd er een ballenmast gebruikt, waardoor mensen op het terrein wisten of er (nog) geschoten werd. Dit was voornamelijk bedoeld voor (burger)personeel dat gebruikmaakte van de oude Hessenweg over de Olderbroekse Heide. Deze liep dwars over het schietterrein. Het afsluiten van de weg, maakte het systeem overbodig. Desondanks wordt het nog gehandhaafd.

De Wereldoorlogen
In de Eerste Wereldoorlog werd de legerplaats een opvangplaats voor Belgische vluchtelingen. Na de oorlog werden vele krijgsgevangenen gerepatrieerd uit Duitsland en werd het oefenterrein een doorgangskamp.
In augustus 1939 kwam het bevel om het kamp te ontruimen. Echter werd het in juni 1940 in gebruik genomen door de Duitsers. Het ontkwam toen niet aan bombardementen door de geallieerden.

Heden
Thans is de Legerplaats bij Oldebroek nog steeds in gebruik. Diverse eenheden oefenen op de Olderbroekse en Doornspijkse Heide. Tot 1984 oefende ook de luchtmacht boven het schietterrein. Ook buitenlandse eenheden hebben er geoefend, zoals het Franse leger dat in 1970 nachtkijkers testte.