Het thema van de Maand van de Geschiedenis 2021 is Aan het werk! Elke dag plaatsen we een artikel over een uitgelicht archiefstuk met een link naar dit thema of laten we het werk achter de schermen bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe zien.

 
Vandaag: Zuiderzeesteunwet

In 2018 was het honderd jaar geleden dat de Zuiderzeewet werd aangenomen. Deze raamwet liep tot 2005 en had als doel dat de Zuiderzee werd afgesloten en dat een deel van die zee werd drooggelegd.

Het afsluiten van de Zuiderzee had een enorme impact op de dorpen en steden gelegen aan de Zuiderzeekust. Hoewel in Gelderland niet een groot percentage van de beroepsbevolking visser was, was dat voor (met name) de steden Harderwijk en Elburg toch wel anders.1

De vissers van Harderwijk en Elburg visten op zoutwatervis en de handel draaide daar ook om. De Zuiderzeewet en de afsluiting van de Zuiderzee zouden daarom ook de doodsteek kunnen betekenen. Het water zou bij afsluiting immers zoet worden, wat betekende dat de zoutwatervis zou uitsterven.
De Harderwijker Eibert den Herder, secretaris van de Harderwijkse vissersvereniging, was een fervent tegenstander van de afsluiting. Hij liet op eigen kosten een film produceren rondom de visserij op de Zuiderzee. De film verscheen in 1931. Het mocht niet meer baten, want de aanleg van de Afsluitdijk was al vergevorderd en werd op 28 mei 1932 voltooid, waarmee de afsluiting een feit was.

De visserij ging over op zoetwatervis. Hoewel het opduiken van paling in het zoete IJsselmeer een grote meevaller was, raakten sommige vissers toch hun bestaan kwijt.
Voor die mensen was de Zuiderzeesteun opgezet. In artikel 3 van die wet was vastgelegd dat: “bij de wet worden geregeld en vastgesteld de maatregelen ter tegemoetkoming aan de Zuiderzee visschersbevolking, wegens de schade welke de afsluiting mocht berokkenen: de Zuiderzeesteun.”

In totaal waren in er in Elburg in 1926 nog 64 schippers en 75 knechten, dus 139 Zuiderzeevissers in totaal.2 Uit de archiefstukken blijkt echter dat mensen die in aanmerking voor de steun kwamen, daar wat achterdochtig tegenover stonden. Het gemeentebestuur legt daar ook de nadruk op in hun antwoord naar de commissie. Steun was in eerste instantie ook geen zak met geld. Er werden voornamelijk omscholingstrajecten geboden, zo blijkt uit een schrijven van november 1926. De rijkstuinbouwconsulent schrijft daarin dat naar aanleiding van de drooglegging de behoefte wordt gevoeld om tuinbouwvakkennis bij te brengen aan de zonen van de vissers. Hij roept dan ook het gemeentebestuur op om jongens aan te dragen die geschikt zijn voor dit vak.

Het gemeentebestuur van Elburg gaat ook zelf opzoek om de werkloos geworden vissers onder te brengen. Zo is er een schrijven uit 1928, waarin de bestuurders de gloeilampenfabriek Philips in Eindhoven vragen of het mogelijk is daar enige arbeidskrachten te plaatsen: “Onder deze Zuiderzeevisschers zijn verscheidene jonge, gezonde lieden, die niets liever zuden willen dan een ander beroep te kiezen, daar toch het visschersbedrijf voor hun geen toekomst meer biedt. (…) Nu is het ons bekend dat in uw bedrijf steeds vraag is naar goed arbeidskrachten.”
Op 20 februari 1928 komt, helaas, een onbevredigend antwoord: “In antwoord op uw schrijven dd. 13 deser moeten wij u tot onze spijt mededeelen, dat momenteel geen ongeschoolde arbeiders uit uwe gemeente door ons geplaatst kunnen worden.”

Andere vissers, of gerelateerde beroepsgroepen, nemen het heft in eigen handen. Zo vraagt visventer Van de Kolk op 20 februari 1928 via het gemeentebestuur steun aan om zijn opleidingskosten voor het politiediploma te bekostigen. Echter verandert hij niet veel later van gedachten, want op 7 maart 1928 wordt de aanvraag weer ingetrokken.

Uiteindelijk wordt er tot de drooglegging van Flevoland nog gevist op de Zuiderzee door de Harderwijkse en Elburgse vissers. Daarna is het geen doen meer om op het IJsselmeer te vissen en op de Noordzee wagen de vissers zich liever niet. Sporen van de visserij zijn in beide steden nog goed terug te vinden. Zo liggen er in Elburg nog een aantal botters, is er een botterstichting en is de visafslag nog altijd bewaard gebleven. In Harderwijk is de visafslag ook nog altijd aanwezig en geeft het Bottermuseum een kijkje in de tijd van weleer.

1 P. van Cruyningen, Bedrijf en bestaan. Twee eeuwen economische geschiedenis van Gelderland.
  Zwolle (2014).  P. 58.
2 Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe, toegang 1050-Gemeentebestuur Elburg 1913-1940,
   inventarisnummer 355.