Het thema van de Maand van de Geschiedenis 2021 is Aan het werk! Elke dag plaatsen we een artikel over een uitgelicht archiefstuk met een link naar dit thema of laten we het werk achter de schermen bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe zien.


Vandaag: Visserij in Harderwijk en Elburg

De Zuiderzee
De binnenzee speelde een rol bij de handel, zoals dat van de steden Elburg, Harderwijk en Kampen die af en aan bij de Hanze hoorden. En waar water is, is vis en dus werd er gevist op de Zuiderzee.

In de middeleeuwen werd er voornamelijk steur en zalm gevangen. Deze soorten werden echter steeds minder gevangen door overbevissing. Dat was een gevolg van de bevolkingsgroei. Pietermannen, fint, baars, spiering en brasem waren populair om te vangen. Vanaf eind 15e eeuw steeg het zoutgehalte van het water, hoewel er veel rivieren uitmondden in de Zuiderzee zoals de IJssel en het Zwarte Water. De zoetwatervis verdween voor een groot deel en zoutwatervissen zoals haring en ansjovis rukten op.

Visserij in Harderwijk en Elburg
Eind achttiende en begin negentiende eeuw was de Zuiderzeevisserij erg belangrijk voor Nederland. Haring en ansjovis waren de belangrijkste handelswaar. Echter was het bestaan van de Zuiderzeevissers onzeker. Het kon behoorlijk spoken op de Zuiderzee, maar ook liepen de vangsten langzaam terug.

In de eerste helft van de negentiende eeuw bestond de vissersbevolking in Harderwijk uit zo’n 10 tot 15 procent van de bevolking. Helaas nam de visvangst snel af. De Noordse haring bleef weg en waar eerder in een etmaal ca. 10.000 haringen werden gevangen, liep dat in 1839 terug naar zo’n twaalf tot twintig.
In 1847 had Harderwijk een nog een vissersvloot van 57 schepen. Elburg viste met een vloot van 13 botters en vijf kleine scheepjes. De vissers van Elburg waren voor het merendeel behoeftig, zo werd opgemerkt in 1889.

Soorten vissers
Men viste in het voorjaar op bot, dan tot het dichtvriezen van de zee op haring. In de zomer was het doel vooral garnalen, aal en – als ze zich lieten zien – ansjovis.
Als de zee in de winter was dichtgevroren werd er aan het zogenaamde ‘spiering kloppen’ gedaan. Er werden bijten in het ijs gehakt, waarna een net werd neergelaten. Vervolgens werd er hard op het ijs geklopt. De vissen die door de kou op de bodem rustten, schrokken dan op en kwamen in het net terecht. Met een slee op glijders werd de vis naar de wal vervoert. Het spiering kloppen was geen ongevaarlijke bezigheid, want het ijs kon breken. Ook was de kou erg doordringend, vanwege de ijskoude wind die er dan op de Zuiderzee stond.

IJsselmeer en droogmaking Flevoland
In 1932 was de Afsluitdijk klaar en bestond de Zuiderzee niet meer. Vanaf toen werd door de Elburgers en Harderwijkers op het IJsselmeer gevist. De eerste jaren viel de visvangst tegen, omdat de zoutwatervis verdween. Door het brakke water waren er in de eerste jaren grote muggenplagen, wat ervoor zorgde dat de paling zich vestigde in het IJsselmeer. De visserij richtte zich nu daarop en leefde even weer op. Na de droogmaking van Flevoland was het voor de vissers van beide steden niet haalbaar om nog verder te vissen.