Het thema van de Maand van de Geschiedenis 2021 is Aan het werk! Elke dag plaatsen we een artikel over een uitgelicht archiefstuk met een link naar dit thema of laten we het werk achter de schermen bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe zien.

 
Vandaag: Eekschillen

“NUNSPEET. Ouder gewoonte zijn van hier de eekschillers weer vertrokken, ditmaal een 80-tal gezinnen. Straks klinkt in Drenthe en Friesland weer het eentonig geklop.”
Dit kleine, tweeregelige berichtje in het Overveluwsch Dagblad van 14 mei 1924 luidt het jaarlijks terugkerende ritueel van de eekschillers in.

Het eekschillen was bedoeld voor de leerindustrie. De schillen van de eik bevatten diverse looistoffen, waardoor het leer niet bederft en soepel blijft. Voor de Tweede Wereldoorlog was eekschillen een belangrijke inkomstenbron voor dagloners en landarbeiders. Het eekschillen was in beginsel een typisch Veluws beroep, omdat in deze contreien veel bosbouw voorkwam. Ook vond het eekschillen plaats in de grote loofbossen in Drenthe en Friesland. De eekschillers pakten aan het einde van het voorjaar hun hele hebben en houwen op en vertrokken via Elburg met de boot naar Lemmer om in Friesland en Drenthe te gaan ‘houten’. Voor de armen was het eken een relatief goede mogelijkheid om veel geld te verdienen.

Het eken op zich was erg zwaar werk. Er werd door de mannen gewerkt van vier uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds. De vrouwen en kinderen begonnen iets later. Ook op zaterdag werd er tot zes uur ’s avonds gewerkt. De zondag was een rustdag.
De mannen kapten de stammen, de vrouwen en kinderen klopten de stammetjes, zodat de schors eraf viel.
Het kloppen gebeurde in en kuil, zodat men niet de hele dag gebogen stond. Zodra er wat ruimte ontstond in het bos werd er een eekveldje aangelegd. Daarvoor werd een kuil gegraven van zo’n 60 centimeter diep. Op de rand van de kuil werd een stuk stam van een beuk ingegraven. De helft van de stam kwam nog boven de grond uit. Daarop werd geklopt. Het kloppen zelf moest voorzichtig gebeuren, omdat de schors anders beschadigde. Een paar klappen op de uiteinden van de stammetjes was voldoende om de schors los te kloppen.

De schors werd vervolgens verkocht aan de leerlooierijen, de talmhoutstammetjes werden gebruikt voor het roken van vis, maar ook als brandhout en de grotere stammen werden in Limburg gebruikt ten behoeve van de mijnbouw.
De leefomstandigheden van de eekschillers waren slecht. In Nunspeet woonden ze vooral op de Zoom, lopend van Hulshorst tot het oude industrieterrein. Eind mei werden de huisjes dichtgespijkerd en vertrokken de bewoners naar Drenthe of Friesland. Daar huisden ze tot Sint Jan (rondom 24 juni) in de bossen. Vaak werd er een kuil gegraven en werd er een soort hut gebouwd met behulp van zeildoek, plaggen of stukken hout. Ook de ‘daglonerskoe’, de geit, verhuisde voor die tijd mee. Met het hele gezin én de geit sliepen ze ’s nachts in de hut. Per week kon een gezin van vijf ongeveer 35 gulden verdienen.
Na St. Jan was de schors moeilijker te eken en liepen de afgekapte stammen uit. Dan pakten de eekschillers hun boeltje weer op en gingen naar huis.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam er op de Veluwe meer werkgelegenheid in de landbouw en in de industrie en was het voor veel gezinnen niet meer nodig om te verhuizen. Ook werd het loofbos verdrongen door het veel sneller groeiende naaldbos. Een andere reden om niet meer te eken was de uitvinding van technische looistoffen, waardoor de schors niet meer nodig was.

Ook heden ten dage is het eken te herkennen. Zo heeft Nunspeet de Eekschillersweg. Natuurkenners kunnen nog altijd aan de groei van de stammen zien of er vroeger in het bos eekschillers zijn geweest. In het openluchtmuseum te Arnhem wordt het eekschillen nog met enige regelmaat gedemonstreerd.