Het thema van de Maand van de Geschiedenis 2021 is Aan het werk! Elke dag plaatsen we een artikel over een uitgelicht archiefstuk met een link naar dit thema of laten we het werk achter de schermen bij het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe zien.

 
Vandaag: Gilden

Je kan niet over het thema ‘aan het werk!’ schrijven, zonder daarbij aandacht te schenken aan de middeleeuwse vorm van beroepsverenigingen, die in vroegere tijden het stadsleven behoorlijk domineerden.

FNV, CNV, Vakbonden, wie kent ze niet. Tijdens de Industrialisatie waren vakbonden belangrijk voor arbeiders. Zij kwamen op voor hun rechten (en plichten), verenigde de werknemers en dwongen werkgevers om de werkomstandigheden te verbeteren. Tot vandaag de dag zijn mensen lid van een vakbond. De vakbonden zijn altijd betrokken bij het maken van een nieuwe CAO.

Ze zijn echter niet de eerste vorm van beroepsverenigingen. Dat zijn de gilden, die veelal in de middeleeuwen werden opgericht. Deze gilden bestonden uit leden die hetzelfde beroep uitoefenen.


Zo had je onder andere in Elburg het schoenmakersgilde, Schipluidengilde (zeelieden) en het kleermakersgilde.
In Harderwijk waren er 15 ambachtsgilden en acht ‘broederschappen’, ook wel geestelijke gilden genoemd. Zo was er het kramergilde, waar ook vrouwen lid van konden worden. Het Sint Eloy, gilde van de smeden, waarvan bij de opheffing in 1798 werd vastgesteld dat dit het oudste gilde van Harderwijk was. Van de geestelijke gilden was het Sint Jorisgilde de belangrijkste en tevens ook het meest rijke gilde. Het stond open voor iedereen die per schip naar het buitenland ging en voor goede burgers die geen handwerk deden en van onbesproken gedrag waren. Door haar rijkdom kon het St. Joris ook leningen verstrekken. Het oudste archiefstuk van het Sint Jorisgilde in ons archief dateert van maart 1575.

Gilden waren niet alleen maar een beroepsvereniging, maar boden ook een sociaal vangnet aan de families die waren aangesloten. Overleed er een kostwinner, of werd deze ziek, dan zorgden de overige leden voor een financiële bijdrage of hulp in andere vorm voor de nabestaanden.
Ook als je het vak wilde leren, kwam je al snel bij het gilde terecht. Als ‘gezel’ kwam je dan bij een gildemeester in de leer. Wanneer je geoefend genoeg was, mocht je een meesterproef afleggen. Wanneer dat succesvol was, mocht je als vakman tot het gilde toetreden en je eigen bedrijf oprichten.

Gilden temperden ook een concurrentiestrijd onder de beroepsgroep. Ze hadden het monopolie op productie in de stad. In sommige steden mocht je niet produceren als je geen gilde lid was.
Op deze manier konden de prijzen hoog worden gehouden. Nadeel was echter dat de prijzen soms kunstmatig hoog werden gehouden, terwijl de kwaliteit van het werk achteruitging.

Lid worden van een gilde kon niet zomaar. De regels van de gilden verschilden per plaats, maar over het algemeen was het wel de bedoeling dat je in de stad woonde waar het gilde was gevestigd. Elk gilde had verder zijn eigen regels. Uiteraard moet je, zoals hierboven, wel een succesvolle meesterproef hebben afgelegd.

Eind achttiende eeuw raakten de gilden in verval. Verschillende gilden werden opgeheven. Met het nieuwe koninkrijk in 1818 werden de gilden definitief afgeschaft en kwam de overgebleven gildekassen en -bezittingen ten goede aan de stadsbesturen.

In het Museum Elburg zijn nog diverse stukken ‘gildezilver’ te bekijken van het Schipluidengilde. Er zijn onder andere gildeschalen, -bekers en kandelaren, maar ook penningen.
                                              
In de depots van Elburg en Harderwijk van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe worden nog diverse stukken van de gilden bewaard, zoals brieven aan de gildemeesters, ledenlijsten, indexen van bezittingen en rekeningen. Deze geven een prachtig inzicht in het gildeleven in de steden Elburg en Harderwijk in de middeleeuwen.