Een legerplaats vol burgers

De legerplaats bij Oldebroek was een uitstekende plaats om vluchtelingen op te vangen. De gebouwen stonden immers leeg omdat onze militairen de grenzen moesten bewaken. De vluchtelingen konden hier worden ondergebracht in de houten barakken en loodsen en in de stallen voor de paarden.

Op 26 augustus 1914 werd Hendrik Muller benoemd tot regeringscommissaris met de opdracht de legerplaats in te richten als vluchtelingenkamp. De eerste honderden vluchtelingen arriveerden twee dagen later. Spoedig zouden meer dan duizend mensen hier onderdak vinden.

Muller was de baas over het kamp. Hij kreeg de beschikking over 150 huzaren, militairen te paard, om het kamp te bewaken. De vluchtelingen mochten niet vrij het kamp in en uit lopen. Eigenlijk werden ze gewoon gevangen gehouden.

De Nederlandse leiding van het vluchtelingenkamp werd ondergebracht in de officierswoningen op de Wolberg. De vluchtelingen sliepen in de barakken en de paardenstallen. De paardenboxen waren de slaapkamers, de ruiven werden als kast gebruikt. Men sliep op een dikke laag stro die op de stenen was gelegd.

Bij het begin van de oorlog dacht men dat de oorlog slechts enkele weken of maanden zou duren. Toen duidelijk werd dat de oorlog veel langer zou gaan duren, besloot men de opvang van de vluchtelingen te verbeteren. Er werden speciale kampen, vluchtoorden, ingericht. Ook in Nunspeet kwam zo’n vluchtoord.