Korte geschiedenis

Oldebroek

Van der Aa beschrijft in deel 8 van zijn Aardrijkskundig Woordenboek der NederlandenOldebroek als volgt: "Dit dorp heeft zijnen naam te danken aan eenige arme Hollanders, die, na den verschrikkelijken zeevloed van 1170, van tijd tot tijd het land verlaten hadden, en wier landhoeven en bezittingen vermoedelijk door die overstrooming vernield waren.
Deze begaven zich naar de Veluwe, waar zij vernomen hadden, dat zich eenige Friezen in het Veen (naderhand Kamperveen genaamd) als kolonisten hadden nedergezet. Gerhard, Graaf van Gelder, gaf, met toestemming der lands Edelen, aan eenige dier Hollandersvrijheid, om in de woeste onbebouwde streek het Broek of Oldebruch (naderhand Hollanderbroek), grenzende aan het Veen (Kamperveen) en de Wolden (Ooster-Wolden), zich te moogen vestigen, met bepaling, deze broekgronden en woeste velden te bebouwen,en schonk hun daarbij de zelfde voorregten, welke Otto van Gelder, de drie en dertigste Bisschop van Utrecht, aan zijne hoorige lieden in de aangrenzende streken had toegestaan, toen het Veen, benevens Wilsum, bebouwd zoude worden.
In het jaar 1320 ondervonden de ingezetenen van het Hollanderbroek de bijzondere bescherming van Reinald, zoon des Graven van Gelre [...]"

Hiermee beëindig ik het citaat van Van der Aa.
Wat hield nu die bijzondere bescherming van de inwoners van het Hollanderbroek van 24 juni 1320 in? Reinald verstrekte de bewoners een zogenaamde landbrief van, samengevat, de volgende inhoud:

  1. vrijdom van allerhande schatting, dienst, bede en spandiensten, behalve de jaarlijkse tinsen en tienden (korentiend, smalle tiend van veulens, kalveren, zwijnen, lammeren, bijen, ganzen);
  2. het Heerenveld (gezamenlijk te gebruiken algemene grond) beweiden, daaruit turf en leem graven, en de heide maaien;
  3. wegen en wateringen in het broek gebruiken en onderhouden;
  4. aanstellen van een rechter, die over doodslag in het broek gepleegd zal richten zoals in het land gebruikelijk is, mishandeling beboeten, bij beroep overkomen tot het Engelanderholt;
  5. voldoen aan oproep tot "landwere met acht goede knapen om met wapenen op hun eigen kost te dienen".

Na het verstrekken van deze voorrechten komt de naam Oldebroek - in verschillende schrijfvarianten - in de daarop volgende eeuwen nog meer malen voor in oude acten. Op 6 december 1323 verzekert dezelfde Reinald de rechten der ingezetenen van het Hollander-Broek. In 1378 verleent hertog Willem van Gelre veiligheid aan de stad Elburg en omliggende buurschappen waaronder Audenbroeck. Op 21 december 1383 ontsloeg graaf Frederik van Meurs en heer van Baer "zijn keurmedige en horige lieden van den Hollanderbroek tegen betaling, zodat zij zich konden wenden tot welke heer zij wilden".

Toen in 1396 de stad Elburg met een ringmuur werd omgeven, werd Oldebroek aan Elburg dienstbaar. Het voordeel voor de inwoners van Oldebroek was de mogelijkheid om have en goed in geval van vijandelijke aanvallen binnen de muren veilig te kunnen stellen. In 1377 verleende Arnold van Horne, bisschop van Utrecht, vergunning om de Gelderse gracht te graven als grensscheiding tussen Kamperveen en Oosterwolde.

In 1516 trokken de Kampenaren uit wraak tegen de Geldersen op naar Oldebroek en verbrandden de huizen en schuren in het dorp. In 1537 werd op last van hertog Karel een ijzeren kanon gegoten om te worden geplaatst op de wal van Elburg. De kosten hiervan moesten worden opgebracht door de "kerspellieden" van Oldebroek en Doornspijk. Dat Oldebroek niet altijd even gehoorzaam was, moge blijken uit het volgende: op 16 mei 1568 kreeg Elburg toestemming om de ingezetenen van Oldebroek te bevelen de grachten en wallen te helpen opmaken. De burgemeester van Oldebroek weigerde dit op 19 augustus 1598. Vervolgens besliste het hof van Elburg op 28 augustus van dat jaar de Oldebroekers hiertoe te verplichten en de burgemeester werd gevangen gezet.
Als laatste vermelding geven we hier de mededeling dat de graaf van den Berg in 1629 Hattem opeiste. Oldebroek weigerde hieraan gehoor te geven en in reactie hierop werd op 16 augustus van dat jaar de kerk door een korps Kroaten in brand gestoken.
Daar de eerste stukken die in het archief van het richterambt voorkomen dateren uit het midden van de 16e eeuw, beëindigen we hier het kort historisch overzicht van de voorgeschiedenis van dit richterambt.

Het richterambt Oldebroek

De kern van de landsheerlijke taak bestond uit bestuur, rechtspraak, wetgeving en dijkbeheer. De in een ambt benoemde ambtenaren, zoals drost, schout en richter, behartigden de belangen van de landsheer. In de eerste plaats werkten zij echter samen met de geërfden in het ambt. De richter was tevens hulpofficier van de drost van Veluwe. Waarschijnlijk verrichtte hij voor de drost ook werkzaamheden in de omliggende schoutambten.
Het grondgebied van het richterambt Oldebroek was veel kleiner dan de huidige gemeente Oldebroek. Zo hoorden Oosterwolde, Mulligen, Wezep en Hattemerbroek niet onder de jurisdictie.
De werkzaamheden van de richter waren vooral van justitiële aard. Hiernaast voerde hij de bevelen van de drost uit tot handhaving van orde en veiligheid. De richter hield zich ook bezig met het onderhoud van de grote wegen en andere zaken van algemeen belang. Tevens zorgde hij voor publicatie van besluiten van de overheid.

De richter in Oldebroek had, mede door de verworven privileges in de 14e eeuw, een veel zelfstandiger positie dan zijn collega's op de Veluwe. De richter was afkomstig uit de adel en werd benoemd door de hertogen van Gelre en vanaf 1579 door de Staten van Gelderland.
De functie van richter werd veelal verpacht. De richter moest bij zijn aantreden een borg stellen door de betaling van een bepaald bedrag in de landskas. Dit borgtocht stellen was een verplichting daar de richter mede de belasting inde en ook de rechterlijke taak bracht geld op.
Het gericht Oldebroek bestond uit de richter en een zestal door hem benoemde schepenen of gerichtslieden. In dienst van het gericht is aangesteld een secretaris (ook wel geheimschrijver genoemd) en een onderschout. Tevens heeft de richter een vervanger om tijdens zijn afwezigheid de zaken waar te nemen.

Naast de rechterlijke en bestuurlijke taken van de richter, waarover hierna meer, verzorgde de richter in Oldebroek tevens de dijkschouw. Dit blijkt uit het feit dat de richters allen ook de titel dijkgraaf voerden. Over de geschiedenis van de polder Oldebroek en de rol van de richter als dijkgraaf is kort geschreven in de inleiding van de Inventaris van het archief van de voormalige zeepolder/polder Oldebroek 1730-1959. Hoewel in de hier voorliggende inventaris enkele stukken voorkomen met betrekking tot de werkzaamheden van de richter als dijkgraaf, laten we een verdere toelichting hier achterwege en verwijzen kortheidshalve naar bedoelde inleiding.
De taken van het gericht werden veelal uitgevoerd in het richterhuis. Dit huis is gebouwd vlak na 1630 en stond iets ten noordwesten van de Lambertuskerk. De kosten van het ambtshuis kwamen voor rekening van de inwoners van het gericht. In 1748 werd door de ingezetenen geklaagd wegens het leegstaan van het ambtshuis en de kosten van reparatie terwijl de ambtslasten toch werkelijk al hoog genoeg waren (zie inventarisnummer 42). Het heeft dienst gedaan tot 1838 toen een nieuw gemeentehuis werd gebouwd. In het oude richterhuis werd een snelweverij gevestigd.

De rechterlijke taak van de richter

Alvorens wat meer te vertellen over de rechterlijke taak van de richter, allereerst een schets van de rechterlijke situatie in het algemeen.
De rechtsmacht is onder te verdelen in hoge en lage rechtsmacht. Onder hoge rechtsmacht verstaan we zaken zoals moord, verkrachting, brandstichting en dergelijke. Dit wordt ook wel de criminele jurisdictie genoemd. De lage rechtsmacht betreft boetstraffelijke zaken en civiele zaken. Dan spreken we ook nog van voluntaire jurisdictie of vrijwillige rechtspraak. Dit is het op rechtsgeldige wijze vastleggen van handelingen voor derden, zoals bijvoorbeeld de overdracht van onroerend goed.
De richter treedt op als voorzitter van het gericht. De schepenen of gerichtslieden worden door de richter benoemd uit de geërfden. Deze schepenen treden op als oordeelvinders en vonniswijzers. De criminele rechtspraak komt na 1795 alleen nog maar toe aan de nieuw ingestelde rechtbanken. De civiele rechtspraak werd na 1795 nog uitgevoerd door het gericht, vanaf 1802 onder leiding van de scholtis die hulpofficier van de drost was. Per 1 maart 1811 werden de schepenbanken officieel afgeschaft.

Als bijzonderheid voor het richterambt Oldebroek moet hier vermeld worden de ordonnantie om te protocolleren van 7 juni 1666 (zie inventarisnummer 193). Oldebroek was hierin een voorloper op vele gerichten op de Veluwe. Deze plaatselijke ordonnantie werd bekrachtigd door de resolutie van het kwartier op de landdag te Nijmegen in 1675, negen jaar later. De betreffende ordonnantie kan als volgt kort worden samengevat. Richter en schepenen ordonneren dat wegens fraude en bedriegerij alle acten door geërfden gezegeld in verband met onroerend en roerend goed (aliënatien, transporten, rentverschrijvingen, pandtschappen, tuchtingen) geprotocolleerd moeten worden. Alle akten moeten in het vervolg afgeschreven worden met de namen van kopers, verkopers en zegelaars. De ordonnantie zal hiertoe drie zondagen worden afgekondigd en vervolgens worden aangeplakt zodat ieder er rekening mee kan houden. Houdt men zich hier niet aan, dan kan de overeenkomst rechteloos worden verklaard. Men moet aan de inschrijving rechten kunnen ontlenen evenals duidelijkheid verkrijgen over de gepleegde handelingen. Oldebroek was hierin duidelijk vooruitstrevend.

Verder kan nog worden opgemerkt dat in 1701 een plaatselijke resolutie (zie inventarisnummer 29) wordt aangenomen waarin naast bepalingen over de gerichtsjura (betaling van de gerechtskosten) een eed wordt opgenomen voor de schepenen of gerichtslieden die worden aangesteld door de "wettigen officier".

Bestuurlijke situatie in de Franse tijd tot 1814

De bestuurlijke geschiedenis van Oldebroek na 1795 wordt beschreven door J. Tabak in zijn inleiding bij de Inventaris van het archief van het gemeentebestuur van Oldebroek 1795-1813. Hier geef ik voor de overzichtelijkheid nog een korte samenvatting van dit verhaal, daar de richter in de praktijk na 1795 in Oldebroek nog blijft bestaan en het archief van het richterambt pas eindigt in 1811.

Na de Bataafse revolutie in de winter van 1794-1795 vond in februari 1795 de verkiezing van de municipaliteit (gemeenteraad) plaats. Dit betekent het einde van het bewind van de richter. De municipaliteit hield zich bezig met de inning van belasting, kerkelijke zaken, waterschapstaken en lagere rechtspraak inclusief notariaat. De municipaliteit koos een richter die als voorzitter fungeerde bij de uitoefening van de rechtspraak en bij de handhaving van de openbare orde. Vanwege slechte ervaringen met de laatste richter weigerde de municipaliteit in eerste instantie een nieuwe richter aan te stellen. Op 24 maart 1796 werd toch een nieuwe richter benoemd, na enige druk van hogerhand.
Na de staatsgreep in 1798 volgden bestuurlijke veranderingen. Oldebroek werd samen met Doornspijk, Oosterwolde, Elspeet en Ermelo opgenomen in de gemeente Nunspeet. Deze situtatie bleef gehandhaafd tot januari 1799 toen de oude grenzen weer werden hersteld.

In 1801 volgde weer een staatsgreep en de municipaliteit werd vervangen door ambtsbesturen, geleid door de meestvermogenden (geërfden). De nog steeds gehandhaafde secretaris werd benoemd tot schout en kreeg als extra taak de handhaving van de openbare orde. De richter verdween van het bestuurlijke toneel. Ondertussen was van een algemeen kiesrecht bepaald geen sprake en maakten de geërfden en vermogenden de dienst uit. In 1811 werden de gemeente opnieuw samengevoegd door de inlijving van het in 1806 ingestelde Koninkrijk Holland bij het keizerrijk van Napoleon. Zo gingen Oldebroek, Doornspijk en Oosterwolde op in de mairie Doornspijk. In plaats van het ambtsbestuur kwam er een municipale raad. In 1811 kwam ook de scheiding tussen bestuur en rechtspraak/notariaat tot stand. Zo kwamen er afzonderlijke rechtbanken en notarissen. Dit betekende het definitieve einde van de taak van het voormalige richterambt.