Burgemeester Heitinga

P.H.C. Heitinga als burgemeester van Oldebroek tussen 1882 en 1891 (1)

 

Schets van een plattelandsburgemeester in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Welke invloed hadden hij en de overige bestuurders op de plaatselijke politiek en wat hebben zij kunnen doen voor de Oldebroekers?

Paul Heinrich Christiaan Heitinga werd geboren in Driel in de Bommelerwaard op 10 oktober 1833 als zoon van Ede Johannes Heitinga en Sofia Elisabeth Christina Zimmer (2). Zijn vader was geboren in Amsterdam op 31 december 1792 en zijn moeder op 5 mei 1802. Vader Heitinga was vanaf 25 november 1829 schoolonderwijzer, zoals dat in die tijd heette, te Hoenzadriel. Heitinga was nog maar vijf jaar oud toen op 16 juli 1839 zijn moeder overleed. Zijn vader hertrouwde daarna weer. Als jongeman heeft hij meegemaakt dat de school en zijn ouderlijk huis op 26 oktober 1859 tijdens een grote brand te Driel in vlammen opgingen (3). Op 9 december 1861 overleed zijn vader en in het jaar daarna, op 31 mei 1862 vertrok Heitinga naar Jaarsveld.

Over zijn verblijf in Jaarsveld is niet zoveel bekend (4). Op 31 mei 1862 vestigde Heitinga zich aldaar. In het bevolkingsregister wordt hij vermeld als kantoorbediende. Voor Heitinga als inwoner wordt ingeschreven, verzoekt op 19 mei van dat jaar de burgemeester van Jaarsveld zijn ambtsgenoot te Driel hem te informeren over de schutterij-verplichtingen van Heitinga en een getuigschrift van woonplaatsverandering af te geven (5).

Volgens het bevolkingsregister werd Heitinga op 4 februari 1875 uitgeschreven naar Jutphaas.


Carrière te Jutphaas

In de bevolkingsregisters van de gemeente Jutphaas wordt vermeld dat Heitinga zich op 1 februari 1875, komende vanuit Jaarsveld, heeft gevestigd in de gemeente. Hij woont op het adres Nedereind 88 (6).

Op vrijdag 29 januari 1875 wordt Heitinga in een raadsvergadering beëdigd tot secretaris en ontvanger van de gemeente Jutphaas. Burgemeester mr. C.H.F.A. Hooft Graafland neemt hem, na voorlezing van het formulier, de eed af "met opsteking der twee voorste vingers van zijne regterhand". Vervolgens wordt de benoemde gelukgewenst door de burgemeester en de overige raadsleden (7).

Aangezien Heitinga ook is benoemd tot ontvanger "van de belastingen en verdere inkomsten" van de gemeente Jutphaas moet hij hiertoe een borgtocht stellen. Dit gebeurt bij notariële akte voor notaris Voorduin te Schoonhoven (8). In deze akte lezen we dat Adrianus Haalbos Lazonder, landeigenaar te Schoonhoven, zich borg stelt voor Heitinga. De borgstelling bedraagt f 2000,-, waarvoor de borg hypothecair laat inschrijven vijf hectare land in de gemeente Willige Langerak. Op 1 maart van dat jaar wordt Heitinga officieel toegelaten tot de betrekking van ontvanger (9).

Op 21 december 1881 maakt Heitinga zijn laatste raadsvergadering in Jutphaas mee. Over een afscheid wordt in de notulen niet gerept. Wel verkrijgt hij eervol ontslag uit zijn betrekking. De verstrekte borgtocht wordt pas opgeheven na vaststelling van de gemeenterekening over 1882 door Gedeputeerde Staten van Utrecht de dato 17 januari 1884. Zo richt Heitinga zich vanuit Oldebroek op 13 juni 1884 tot zijn voormalige werkgever met het verzoek om hem een "acte van ontheffing van borgstelling" te verlenen(10).


De gemeente Oldebroek in het begin van de jaren tachtig (11)

Tot 1 november 1881 is mr. Carel Johan Richard Nobel burgemeester van Oldebroek (12). Deze welgestelde inwoner van Oldebroek, die woonde op Huize IJsselvliedt, was al burgemeester vanaf december 1851. Een lange periode waarin hij uiteraard een belangrijk stempel heeft gedrukt op het plaatselijke bestuur.

Nobel was niet alleen actief als burgemeester maar was van 1853 tot 1862 ook lid van Provinciale Staten van Gelderland en van 1862 tot 1884 lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal. Om gezondheidsredenen heeft hij aan de Koning zijn ontslag als burgemeester verzocht en ook gekregen. Wel blijft hij tot zijn overlijden op 5 november 1885 lid van de gemeenteraad.

Alvorens in te gaan op de komst van de nieuwe burgemeester, willen we de situatie van de gemeente Oldebroek in het jaar 1881 schetsen aan de hand van het gemeenteverslag over dat jaar.

Op 31 december 1881 bedraagt het totaal aantal inwoners van de gemeente 4931 personen, waarvan 2535 mannen. Dit is een vermindering van het aantal inwoners met het jaar daarvoor. De statistische verklaring hiervoor is een hoog aantal inwoners wat in dat jaar vertrekt uit de gemeente. De aantallen geborenen en overledenen verschillen bijna niet. De jaren na 1881 laten weer een bevolkingstoename zien.

Volgens de kiezerslijsten zijn er in de gemeente 118 kiesgerechtigden voor de Tweede Kamer, een gelijk aantal voor de Provinciale Staten en 241 voor de gemeenteraad. (Ter vergelijking: in 1888 zijn dit er respectievelijk 335, 333 en 331.)

Naast burgemeester Nobel en de wethouders A.J. van Asselt en J. Spijkerboer bestaat de raad uit J. Bakker, K. Berghuis G.Jzn., A. Broekhuis, W. de Heer, H. Immeker, A. van Loo Azn., J. van Putten en J. van Raalte.

Gemeentesecretaris was W. Brummel, J.W. van Asselt was gemeente-ontvanger en enkele raadsleden fungeerden tevens als ambtenaar van de Burgerlijke Stand. In Oldebroek, Wezep en Hattemerbroek waren hoofdonderwijzers, met hiernaast nog vijf onderwijzers. Verder komen we op de lijst van gemeente-ambtenaren tegen de veldwachters D. Mulder en J. van der Beek, gemeentebode en nachtwacht H. Froon, twee doodgravers, twee gemeentelijk aflezers, een klokluider, een arts te Oldebroek en één te Wezep, twee vroedvrouwen en een veearts.

In de vergaderingen van de gemeenteraad wordt naast de financiële aangelegenheden gesproken over verhuur en verkoop van land en heidegrond, onderwijszaken en onderhoud van wegen. De begroting voor 1881 was vastgesteld op f 17.795,48. Uiteindelijk wordt de rekening afgesloten met een batig saldo van f 1.357,64 bij een totaal aan inkomsten van f 21.703,87.

Vermeld wordt dat de toestand van de wegen goed is, evenals die van de begraafplaatsen in Oldebroek en Wezep. Ook de wateren binnen de gemeente worden "zoveel doenlijk in reinen toestand gehouden". In 1881 werden geen besmettelijke ziekten geconstateerd; wel werden 87 personen ingeënt met koepokken.

Het drinkwater wordt vooral verkregen via pompen en uit putten. Wat betreft de brandweer wordt opgemerkt dat deze zeker verbetering behoeft. Er is een brandspuit geplaatst in Oldebroek en een in Wezep. Dit blijkt echter niet afdoende te zijn.

Op 14 oktober 1881 trof een grote ramp de gemeente: 1500 bunder land liep bij westerstorm onder water. De schade aan gewas en veevoeder was zeer groot en werd geschat op f 9300,-, voor die tijd een zeer aanzienlijk bedrag. Voor veel armen was dit werkelijk een ramp. Gelukkig volgde een zachte winter, zodat de ellende enigszins te overzien was. De behoeftigen krijgen brood uitgedeeld, gezorgd wordt voor werkverschaffing in de vorm van veldarbeid en vervaardiging van vloermatten. Ondertussen worden ook de kinderen sterk gestimuleerd om naar school te gaan. Het onderwijs op de vijf scholen in de gemeente wordt als voldoende gekwalificeerd. Het totaalbedrag aan steunverlening bedraagt f 3918,40 aan 41 gezinnen en 8 personen.

Afgezien van de overstroming was de stand van landbouw en veeteelt vrij redelijk te noemen. In totaal werd 1521 hectare land bebouwd en 56 hectare voornamelijk heidegrond werd ontgonnen. De veestapel ziet er in 1881 ongeveer als volgt uit: 515 paarden, 4533 runderen, 1500 schapen, 970 geiten, 1360 varkens, 5000 hoenders, 390 eenden en 1200 bijenkorven.

In de nijverheid valt op te merken dat er een steenbakkerij aan de IJssel is. Verder heeft de gemeente 20 klompenmakers, 18 metselaars, 17 bakkers en evenzoveel timmerlieden, 11 kleermakers en 55 andere ambachtslieden.

De verbinding met Zwolle, alleen via het zogenaamde Katerveer mogelijk, wordt zeer gebrekkig genoemd. Naast de bestaande spoorbrug zou een gewone brug gebouwd moeten worden die in een grote behoefte zou voorzien.

Tot zover een overzicht van de toestand van de gemeente op het moment dat burgemeester Heitinga naar Oldebroek komt.


De gemeente in de ambtsperiode van burgemeester Heitinga

Na het vertrek van burgemeester Nobel fungeert de oudste wethouder, A.J. van Asselt, als tijdelijk voorzitter. Heitinga wordt bij Koninklijk Besluit nr. 5 van 15 janauri 1882 benoemd tot burgemeester van Oldebroek. Op 26 januari legt hij te Arnhem de eed af in handen van de Commissaris van de Koning. Op 1 februari woont hij zijn eerste raadsvergadering in Oldebroek bij en op 13 februari van dat jaar leidt hij voor de eerste maal de vergadering van het college van burgemeester en wethouders.

Zowel in de raad als in het college gaat de opening hem in het begin wat moeilijk af. De gewoonte was dat de vergaderingen met gebed werden geopend. De eerste paar keren laat hij dit door de secretaris doen, daarna verricht hij zelf de opening.

Op 23 februari wordt Heitinga, evenals bij zijn voorganger het geval was, benoemd tot ambtenaar van de Burgerlijke Stand.

In de ambtsperiode van Heitinga houdt de gemeentelijke politiek zich bezig met diverse zaken. In dit artikel wordt getracht de ontwikkelingen binnen enkele van deze aandachtsvelden te schetsen. Achtereenvolgens komen aan bod aanleg en onderhoud van wegen, onderwijs, gezondheidszorg, armenzorg en werkloosheidsbestrijding, de werkzaamheden van de watersnoodcommissie, nijverheid, landbouw en veeteelt.


Aanleg en onderhoud van wegen in de gemeente

In de gemeenteverslagen wordt elk jaar gemeld dat de toestand van de wegen goed te noemen is. In de loop der jaren worden verschilllende wegen in de gemeente verbreed of opnieuw verhard. De toestand van enkele buitenwegen geeft in de winter en het vroege voorjaar nog wel eens problemen. Bij dooi en bij overvloedige regenval zijn sommige wegen slecht te gebruiken vanwege de hoeveelheid modder en de diepe sporen. In zowel het college als de raad komt de zorg voor de wegen regelmatig terug en men is meestal wel bereid hieraan iets te doen en hiervoor geld beschikbaar te stellen.

In 1881 en 1883 komt binnen het college aan de orde het verzoek om te komen tot oprichting van een stoomtramlijn van Nunspeet naar Kampen. Deze lijn zou dan dwars door de kom van het dorp Oldebroek gaan lopen. Wegens de geringe breedte van de weg zien velen hierin een groot bezwaar: het zou te gevaarlijk voor de inwoners kunnen zijn. De stoomtramlijn komt pas jaren later tot stand.

Het onderhoud, het beheer en de regeling over de tollen van de Elburg-Eper grindweg is regelmatig een punt van bespreking. Tussen de gemeenten Oldebroek en Elburg is een overeenkomst getroffen inzake het beheer van deze weg. Hierover vinden geregeld contacten plaats. Zo zijn commissarissen aangesteld die rapporteren aan beide gemeenten over wat er met de weg moet gebeuren. Een van deze commissarissen, W.L. Top, komt in 1885 in conflict met Heitinga. Deze Top heeft een klacht ingediend wegens onheuse en onjuiste behandeling. Volgens wethouder Spijkerboer is juist het omgekeerde het geval. Het college steunt hierin heel duidelijk haar voorzitter.

Er komt in deze jaren een nieuwe gebruikersgroep voor de gemeentelijke wegen, namelijk de fietsers. In 1885 stelt Heitinga voor een verordening te maken op het rijden met zogenaamde vélocipèdes of trapfietsen. Na discussie in het college wordt besloten dergelijke voertuigen geheel te verbieden. Indien iemand het toch waagt om met een dergelijk vervoermiddel op de weg te komen, dan wordt dit verbeurd verklaard en kan de berijder een boete van drie tot tien gulden verwachten, eventueel aangevuld met een gevangenisstraf van een tot drie dagen. Deze bepaling wordt op 23 april van dat jaar vastgesteld en het duurt tot november 1886 aleer het provinciaal bestuur van Gelderland de gemeente weet te dwingen tot intrekking hiervan. De Nederlandsche Vélocipèdenbond kwam hiertegen in het geweer en uiteindelijk bleek de gemeente hier niet tegen bestand, zodat met grote tegenzin bakzeil gehaald werd. Naast de wethouders Spijkerboer en Van Putten stemde ook Heitinga tegen intrekking van de verordening. De meerderheid in de raad bleek hier echter vóór te zijn.


Onderwijs en onderwijzend personeel

In 1882 zijn in de gemeente drie openbare lagere scholen en twee bijzondere lagere scholen. Op de openbare scholen werken drie hoofdonderwijzers, twee onderwijzers en drie onderwijzeressen in nuttig handwerken.

Naast het reguliere onderwijs wordt enkele jaren in de winter ook landbouwonderwijs gegeven. Dit wordt op dinsdagavond gegeven, "in overeenstemming met de avondgodsdiensten zodat daardoor beide bevorderd worden".

In de vergaderingen van college en raad wordt vaak gesproken over onderhoud en aanpassingen van schoolgebouwen. Hierover zijn veel contacten tussen burgemeester, raadsleden en de hoofden van de scholen. Ook de schoolopziener wordt regelmatig geraadpleegd over allerlei schoolzaken.

Het onderwijzend personeel van de openbare scholen wordt benoemd door de raad. In 1888 doet zich een bijzonder geval voor, waarbij onderwijzer Muntstege te Hattemerbroek wordt ontslagen. De reden hiervoor is dat de raad had bepaald dat hij vóór 1 mei in de gemeente moest komen wonen en de onderwijzer zich pas op 6 mei vanuit Zwolle daar vestigt. Ondanks het verzoek van Gedeputeerde Staten om dit ontslag ongedaan te maken, blijft de raad volharden: het was duidelijk afgesproken.

Dat ook onderwijzers koppig kunnen zijn, zien we aan schoolmeester H. van den Brink in Oldebroek. In 1884 weigert hij nog langer de privaten te legen; ze zoeken hiervoor maar een ander. Met deze Van den Brink is men nog lang niet klaar, met name de burgemeester krijgt het nogal eens te verduren. Op een gegeven moment weigert Van den Brink om nog langer landbouwonderwijs te geven. Hij correspondeert hierover zelfs met de Commissaris des Konings. Hij krijgt de steun van de schoolopziener die dit niet de taak van de hoofdonderwijzer vindt. Het college is van mening dat Van den Brink door zijn handelwijze laakbaar gedrag en zelfs spotternij te verwijten valt. Uiteindelijk is de conclusie in het college dat genoemde onderwijzer niet van goede wil is en men hierin maar moet berusten. Van den Brink zorgt voor meer conflicten. Zo ook bijvoorbeeld inzake het betalen van schoolgelden. Kortom: er gaat bijna geen vergadering voorbij of er worden wel onderwijszaken behandeld.


Gezondheidszorg

Op de staat van gemeentelijk personeel in 1882 treffen we twee geneesheren aan en twee vroedvrouwen. Zowel Oldebroek als Wezep hebben er van beide een.

In de gemeenteverslagen krijgen we enig inzicht in het voorkomen van besmettelijke ziekten in de gemeente. In 1883 kwam een geval van mazelen en een geval van typhus voor. Beide patienten overleefden dit, zoals wordt aangegeven. In 1884 werden enkele gevallen van mazelen, roodvonk en kinkhoest geconstateerd, ook alle met goede afloop. Pas in 1888 komen we weer de aantekening tegen dat een difteriegeval is geconstateerd en negen gevallen van mazelen. En in 1889 is de situatie ernstiger: 23 gevallen van difterie waarvan drie met dodelijke afloop. In de jaren daarna komen nog enkele gevallen van mazelen voor. Hieruit mag geconcludeerd worden dat het met de gezondheidstoestand van de bevolking redelijk goed gaat. Alleen in 1888/1889 kunnen we spreken van een geringe difterie-epidemie gelukkig met redelijke afloop.

Wat in de vergaderingen met regelmaat terugkeert, zijn de financiële vergoedingen die aan de geneesheren worden toegekend. Er moet door hen nogal eens met ontslagaanvraag gedreigd worden om een salarisverhoging te verwezenlijken. Beide artsen verrichten naast hun eigen praktijk ook de geneeskundige zorg aan de armen, waarvoor ze door de gemeente betaald worden. Ook moeten zij waar nodig verloskundige hulp verlenen, koepok-inentingen uitvoeren (elk jaar toch zo'n hondertal inentingen) en doodschouw verrichten.

Tijdens een inspectiebezoek door het geneeskundig staatstoezicht in het najaar van 1882 wordt geconstateerd dat het drinkwater slecht is. Besloten wordt de pomp bij het gemeentehuis na te zien evenals het nabij gelegen riool. Ook zal op de Vree een pomp of put gemaakt worden in de buurt van de Zoombelt.

In het voorjaar van 1884 stelt Heitinga voor om ter voorkoming van de in het buitenland heersende cholera de beek in het dorp te laten schoonmaken en de dorpsstraat regelmatig te laten vegen. Aldus wordt besloten, na de toevoeging dat ook extra zal worden gelet op "de slaapsteden in logementen".

Met een van de twee geneesheren, namelijk Schouten, ontstaan nogal eens conflicten. Deze arts is tamelijk heetgebakerd en presteert het zelfs om in een college-vergadering Heitinga flink aan te vallen, te beledigen en te bedreigen. Tot slot verlaat hij kwaad de vergadering. Arts en college liggen elkaar niet en twee jaar later beschuldigt Schouten burgemeester en wethouders ervan zijn ondergang te hebben gezocht "in woord en daad".

Op deze plek willen we ook enige aandacht schenken aan de zogenaamde tapperijen, slijterijen en lokalen voor drankgebruik. Tijdens de eerste collegevergadering die Heitinga meemaakt wordt hieraan al uitgebreid aandacht besteed. Heitinga stelt het college voor om geen vergunningen voor de kleine handel in sterke drank meer toe te kennen en het maximum aantal te verlenen vergunningen te beperken. Als reden hiervoor wordt aangevoerd dat er veel landbouwers zijn die weinig drank gebruiken, het lokt de behoeftigen alleen maar uit, er zijn bovendien geen markten in de gemeente en de huidige verdeling is evenredig over de gehele gemeente. Besloten wordt dit aan de Koning voor te leggen ter vaststelling. De Koning besluit inderdaad om tot 1 mei 1888 maximaal 17 vergunningen toe te staan. Er zijn op dat moment 16 vergunningen en Heitinga stelt voor een zeventiende vergunning te verstrekken. Zoals in meer gevallen kan worden opgemerkt is hij ook hierin zeer konsekwent. Alleen zijn de wethouders het hier niet mee eens en na stemming blijkt Heitinga de enige voor-stemmer te zijn, zodat dit plan niet doorgaat. Uiteindelijk wordt bijna twee maanden later toch een zeventiende vergunning afgegeven.


Armenzorg en werkloosheidsbestrijding

De behoeftigen in de gemeente beleven geen eenvoudige tijden. Bijna alle jaren wordt in het gemeenteverslag geconstateerd dat de situatie nijpender wordt. Als oorzaken hiervoor worden aangewezen de misoogsten van aardappelen door langdurige droogte en nachtvorst op de hogere gronden. Daar hadden de meeste armen hun stukje grond voor de verbouw van levensmiddelen. Ook de druk van de tijdsomstandigheden wordt als reden aangegeven, evenals de weinige werkzaamheden en het heersen van verzwakkende ziekten en koortsen.

Het bedrag aan ondersteuning door de gemeente uitgegeven varieert jaarlijks tussen de vier- en zesduizend gulden aan vele gezinnen en ongehuwde personen. Veel van de armenzorg geschiedde ook door de kerkelijke armbesturen (diakoniën).

In de kerkelijke gemeente Oldebroek bestaat een commissie die het hele jaar door zorgt voor het verstrekken van brood aan behoeftige leerlingen van de lagere scholen.

Door de gemeente werd werkverschaffing op uitgebreide wijze gestimuleerd. Zo werden door de armen in de winter op ruime schaal vloermatten vervaardigd. Ook werd als werkverschaffingsmaatregel ontginningswerk van heidegronden uitgevoerd. Veel van dit werk had mede ten doel de bedelarij te weren.

In het gemeenteverslag van 1887 wordt melding gemaakt van twee verenigingen tot het verminderen van armoede. Een mattenmakerij en touwpluizerij en een vereniging tot het maken en verschaffen van kleding.

Tot slot nog: in het gemeentehuis waren armbussen aanwezig. De hierin gedane giften werden onder de kerken in de gemeente verdeeld.


Overstromingen en het werk van de watersnoodcommissie

In oktober 1881 heeft een grote overstroming plaatsgevonden.

Op 3 maart 1882, vlak na zijn komst naar Oldebroek, wordt door Heitinga in het college voorgesteld over te gaan tot het instellen van een vaste watersnoodcommissie. In deze commissie worden benoemd de twee wethouders Van Asselt en Spijkerboer, burgemeester Heitinga als voorzitter, gemeente-ontvanger J.W. van Asselt (broer van de wethouder), de raadsleden K. Berghuis, J. van Raalte, H. Immeker, W. de Heer en gemeentesecretaris W. Brummel. Jaarlijks moeten de leden worden herbenoemd.

Op 6 maart 1882, zo zien we in de notulen van de commissie, komt men voor de eerste maal bijeen. Afgesproken wordt dat de schade zal worden opgenomen, met name die welke is toegebracht aan de aardappeloogst. Besloten wordt schade aan huizen en gebouwen niet op te nemen, daar dit kan worden vergoed als stormschade. De commissie is van mening dat, mede gezien de beschikbare financiën, er geen sprake kan zijn van schadeloosstelling maar van een tegemoetkoming in de geleden schade. Gedeputeerde Staten zijn het niet eens met de opgegeven schade en het door de commissie voorgestelde bedrag van toegemoetkoming van f 3.400,00 voor ruim 200 voorgedragenen. Uiteindelijk wordt een bedrag van drieduizend gulden uitgekeerd f 1.500,00 van de provincie en f 1.500,00 van de Algemene Watersnoodcommissie te Amsterdam. Het bedrag wordt als volgt verdeeld: f 1.107,00 voor pootaardappelen en f 1.893,00 voor veevoeder. De uitdeling geschiedt vanuit het gemeentehuis.

Binnen de commissie ontstaat nog een conflict over het opnemen van het gehele bedrag van de rekening van de commissie, zijnde f 1.785,502. Zes leden zijn voor dit voorstel van Heitinga en drie leden tegen: de beide broers Van Asselt en W. de Heer. In het verslag wordt vermeld dat beide leden Van Asselt "boosaardig de vergadering verlaten".

Een dergelijke ramp herhaalt zich nogmaals in december 1883 en januari 1884. In december 1883 meldt Heitinga het college dat een schuit met levensbehoeften is gezonden naar de Zwarteweg en naar Wezep. De levensbehoeften zullen worden verstrekt door H.K. Dijkhof, Aalt Bosch en G. Heerdink. Met Aalt Bosch ontstaat later nog een conflict over zijn vergoeding, waarin Gedeputeerde Staten uiteindelijk bemiddelen. Hij krijgt een bedrag van f 309,00 uitbetaald voor verpleging en huisvesting van personen. De beloning van de schuitvoerders "zal berekend worden als van ouds en naar omstandigheden". Schuitvoerder Dirk Westerink te Elburg declareert over 13, 14 en 15 december een bedrag van f 48,50.

De schade aan hooi wordt onmiddellijk opgenomen, die aan aardappelen later. In totaal blijken 24.909 halve kilo's hooi verloren te zijn gegaan. Als vergoeding wordt vastgesteld een bedrag van twaalf gulden per duizend halve kilo's. Hoewel Heitinga later voorstelt hier zestien gulden van te maken, blijft het bij het vastgestelde bedrag. De totale opgegeven schade is f 761,55. De districtscommissie Elburg is het hier mee eens. Echter zo niet Gedeputeerde Staten, die geen reden zien om dit te vergoeden. Ondanks bezwaarschriften blijven GS volhouden en er wordt niet uitbetaald, tot grote spijt van de commissie maar ongetwijfeld ook van de gedupeerden.

Vanaf 1885 komt de commissie eens per jaar bij elkaar in verband met de herbenoeming van secretaris en penningmeester.

Op 30 januari en 1 februari 1889 vindt opnieuw een overstroming plaats. Deze is beduidend geringer van omvang. Er wordt een collecte gehouden in de kerkelijke gemeente Oldebroek door de veldwachter en de gemeentebode en niet zoals Heitinga voorstelt, door de leden van de commissie. In november kan worden bericht dat de collecte f 44,90 heeft opgebracht, waarvan voor verpleging een bedrag van f 41,84 is uitbetaald.

De laatste vergadering van de commissie heeft plaats, zo leren de notulen ons, op 1 november 1890.


Nijverheid, landbouw en veeteelt

Op 24 april 1882 wordt in het college een verzoek besproken, afkomstig van J.D. van Hasselt, inzake de oprichting van een stoomgemaal om het overtollige water van zijn land in het Oosterbroek af te pompen. Besloten wordt om de aanvraag af te kondigen en een commissie van bezwaar in te stellen. En er worden bezwaren gemaakt: 22 landeigenaren en 10 gemachtigden hebben bezwaren ingediend uit angst voor de afvoer van het overtollige water op eigen land en het gevaar dat bij het inmalen uit de Geldersche Gracht in droge tijden een tekort aan water zal ontstaan. Burgemeester en wethouders besluiten naar aanleiding hiervan om de toestemming niet te verlenen.

Van Hasselt gaat hierop in beroep en Gedeputeerde Staten verzoeken om opzending van alle betreffende stukken. Afgesproken wordt dat Heitinga de verdediging op zich zal nemen. Als blijkt dat ook de Dijkstoel van de polder deze aanvraag heeft geweigerd, is dit uiteraard koren op de molen van de gemeente. Na een uitspraak door de Raad van State wordt een Koninklijk Besluit uitgevaardigd waarbij de oprichting van het stoomgemaal toch wordt goedgekeurd. In dit geval verliest de gemeente en kan Van Hasselt zijn gang gaan.

In 1883 wordt een aanvraag voor het oprichten van een stoommachine voor het maken van metselstenen in Hattemerbroek ingediend. De hierop binnengekomen bezwaren worden door het college als niet belangrijk genoeg van de hand gewezen. De aanvrager krijgt toestemming, mits hij er voor zorgt dat de machine binnen zes maanden in werking is. Er wordt door de gebroeders Poppe een stoommachine van 16 PK geplaatst waar ook specie wordt bereid. In goede jaren werken hier zo'n 50 mensen die bijna drie miljoen stenen fabriceren.

In hetzelfde jaar 1883 vraagt Harmen Olthuis toestemming om een kuiperij te mogen oprichten in wijk E nummer 68. Deze toestemming wordt hem verleend.

Het verzoek van D. Kluivert Azn. om een grof- en hoefsmederij en kachelmakerij in het dorp Oldebroek te mogen oprichten, wordt door burgemeester en wethouders eveneens positief beantwoord.

Behalve enkele kleinere wijzigingen verandert er in de loop der jaren niet zoveel aan het aantal ambachtslieden in de gemeente. De aantallen van 1881, eerder in dit artikel genoemd, zijn slechts weinig anders. Het grootste verschil is de afname van het aantal timmerlieden.

De toestand van landbouw en veeteelt is in de jaren tachtig van de negentiende eeuw niet gunstig. Zoals we al eerder hebben gezien, ontstaat regelmatig schade aan de gewassen door overstromingen. Door wateroverlast, nachtvorst, droogte en misoogsten door ziekten gaat het vooral de kleine landbouwers niet voor de wind. Dit heeft uiteraard ook ruimschoots invloed op de stand van de veestapel. Bij het overzien van de gehele periode moet wel geconstateerd worden dat de veehouderij relatief beter floreert dan de landbouw, hoewel de prijzen laag blijven. Dit zal ook met name een gevolg zijn van de voorkomende diversiteit. Ook de fruitteelt is niet onverdeeld gunstig te noemen.

Verder is er nog de veenderij van H. Koopman te Hattemerbroek, waar turven worden gestoken. "Deze is niet van grote betekenis". Het aantal turven varieert van 55.000 tot 360.000.


Bestuur en ontwikkeling der gemeente

Het bestuur van de gemeente geschiedde door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. Veel van het werk wat moest gebeuren, werd gedaan in commissies. Zo had burgemeester Heitinga ondermeer zitting in de commissie voor de begraafplaats in Wezep; de commissie voor het hardmaken van de nieuwe Oostendorperweg; voor de Zwaluwenburgerweg; voor de Mheneweg; voor de Voskuilerdijk en Koppelsloot; voor de gemeente-eigendommen; voor financiën; voor de strafverordening. Hiernaast was hij nog lid van het polderbestuur Oldebroek en vertegenwoordiger namens de gemeente naar de polder Oosterwolde. Ook was hij commissaris van de Elburg-Eper grindweg.

Na het aantreden van Heitinga als burgemeester van Oldebroek treden in de gemeenteraad de volgende wijzigingen op ten opzichte van 1881 (Naast burgemeester Nobel en de wethouders A.J. van Asselt en J. Spijkerboer bestaat de raad uit J. Bakker, K. Berghuis G.Jzn., A. Broekhuis, W. de Heer, H. Immeker, A. van Loo Azn., J. van Putten en J. van Raalte). Op 11 januari 1885 overlijdt J. van Raalte. In zijn plaats wordt op 2 april als raadslid benoemd burgemeester Heitinga (zodat hij evenals zijn voorganger Nobel ook raadslid is). Op 3 augustus worden nieuwe raadsleden gekozen en als enige nieuwkomer zien we E. Westhoff Wzn, die de plaats van Van Loo inneemt. Wegens ziekte van wethouder Van Asselt wordt vanaf 1 september 1885 J. Bakker aangewezen als plaatsvervangend wethouder. Op 22 oktober 1885 overlijdt wethouder A.J. van Asselt. Vlak daarna, op 5 november van dat jaar, overlijdt oud-burgemeester en raadslid mr. C.J.R. Nobel. Als nieuwe raadsleden treden toe E. van de Werfhorst Hzn. en Dirk Klumpje Hzn. In maart 1886 wordt J. van Putten als wethouder benoemd in plaats van de inmiddels overleden Van Asselt. Wegens langdurige ziekte van secretaris Brummel wordt O. Wolthuis, klerk ter secretarie, aangewezen als plaatsvervanger vanaf 24 december 1886. Brummel overlijdt in 1892. Wolthuis neemt meerdere malen voor enige tijd zijn plaats in. Op 13 juli 1887 dient Westhoff zijn ontslag in als raadslid. Hij wordt opgevolgd door D. van Bruggen.

Bij Koninklijk Besluit nummer 59 van 9 januari 1888 wordt Heitinga herbenoemd als burgemeester.
Op 22 augustus 1888 komt raadslid K. Berghuis te overlijden. W. Stouwdam Hzn. wordt benoemd in zijn plaats.

Op momenten dat de burgemeester verlof heeft om zich buiten de gemeente te begeven, neemt een van de wethouders zijn taken waar. Dit wordt per gelegenheid afgesproken.

De bevolking van de gemeente Oldebroek maakt in de periode 1882 tot en met 1891 een lichte groei door: 1882 (5009), 1883 (5076), 1884 (5141), 1885 (5209), 1886 (5202), 1887 (5247), 1888 (5291), 1889 (5305), 1890 (5302), 1891 (5400). De natuurlijke bevolkingsgroei vertoont in deze jaren een normaal beeld, waarbij relatief gelijk lopende stijgingen te zien zijn. In 1890 werd een volkstelling verricht.

Het grondgebied van de gemeente verandert in deze tijd niet; er worden geen grenswijzigingen uitgevoerd. Wel wordt in 1887 opgemerkt "de grensafscheiding tussen Doornspijk en Oldebroek loopt met zoveel krommingen en draaien dat het niet altijd juist is aan te wijzen of men in Oldebroek of Doornspijk loopt".

In 1883 wordt de kom van het dorp Oldebroek vastgesteld "op de grond aan beide zijden van de Zuiderzeestraatweg op een afstand van vijftig meter gemeten uit de as van de weg gerekend vanaf kadastraal perceel I 161 tot en met H 524".

Op 23 februari 1884 neemt de raad een besluit waarbij wordt verklaard dat de gemeente Oldebroek bestaat uit de dorpen Oldebroek, Wezep, Hattemerbroek en Geldersche Dijk. Tevens wordt de bebouwde kom en de wijkindeling van deze dorpen nog exact aangegeven (Oldebroek wijk E, Wezep de wijken Q, S en T, Hattemerbroek de wijken V en W en Geldersche Dijk wijk Y).


Financiën van de gemeente en haar functionarissen

De gemeenterekeningen van alle jaren uit de hier beschreven periode zijn bewaard gebleven, zodat enig inzicht te krijgen valt in de financiële huishouding van de gemeente Oldebroek. Deze ziet er vrij goed uit; elk jaar wordt afgesloten met een batig saldo.

Om dit te illustreren de hierna volgende tabel:

jaar: inkomsten: uitgaven: batig saldo:
1882 18.236,142 16.208,55 2.024,592
1883 25.502,53 21.692,39 3.810,14
1884 20.771,92 18.097,77 2.674,15
1885 17.844,402 16.873,34 971,062
1886 95.198,132 93.648,862 1.549,27
1887 44.017,462 42.818,11 1.199,352
1888 30.865,59 28.116,532 2.749,052
1889 21.087,74 17.904,19 3.183,55
1890 21.808,20 18.764,24 3.043,96
1891 21.910,79 17.783,72 4.127,07

 

De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in guldens.
De hier opgenomen gegevens zijn afkomstig uit de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde jaarrekening.

Een deel van de gemeentelijke financiën wordt besteed aan jaarwedden van de diverse ambtenaren. Gedurende de periode 1882 - 1891 veranderde hieraan niet veel. Zo had de burgemeester een jaarwedde van f 1.100,-; een wethouder f 50,-; de secretaris f 750,-; de ontvanger f 400,-; een ambtenaar van de Burgerlijke Stand f 50,-; de klerk f 200,- (in 1883 verhoogd tot f 300,-); de bode f 125,- (in 1884 verhoogd naar f 140,-); een veldwachter f 350,- (in 1883 verhoogd naar f 375,-).

De ontvanger van de gemeente was J.W. van Asselt (een broer van wethouder A.J. van Asselt). De ontvanger moest een borg stellen van f 8.000,-. Na het overlijden van zijn broer in 1885 neemt Van Asselt ontslag als gemeente-ontvanger. Als zijn opvolger wordt benoemd E. Visch Hzn.

Ook ter verbetering van het gemeentehuis werden financiële middelen gebruikt. Zo werd een plafond aangebracht in de raadskamer; werd een hanglamp ten behoeve van de secretarie aangeschaft; werd een nieuw tafelkleed aangeschaft, stoelen bekleed en "tegen de muur een planketsel geplaatst tot ophangen van passement". Na enkele jaren werd het plafond opnieuw gestucadoord (door iemand uit Kampen).

Over de financiën ontstaat wel eens een conflict met Gedeputeerde Staten. Zo verbieden GS de gemeente om kosteloos een lokaal in het gemeentehuis in gebruik te geven aan het bestuur van de polder Oldebroek. Ook werd de bijdrage van f 5,- aan de Noordpoolexpeditie door GS niet geaccepteerd.

Nog één bijzonderheid is hier te vermelden: als het gaat om uitgaven wordt in de raadsvergaderingen door een tweetal leden vrijwel altijd en meestal als enige twee tegen gestemd. Het zijn wethouder J. Spijkerboer en raadslid W. de Heer.

In een hoofdstukje over financiën past ook een korte bespreking van de hoofdelijke omslag. Dit was een belasting die betaald moest worden naar rato van geschatte inkomsten. In Oldebroek worden 25 belastingklassen gehanteerd.

Hier enige indrukken uit het kohier van hoofdelijke omslag in 1884:

  klasse 25, aanslag f 175,-, Nobel
  klasse 20, aanslag f 98,-, douarière baron Mollerus
  klasse 17, aanslag f 56,-, baron Van Heeckeren van Molecaten
  klasse 16, aanslag f 42,-, Berghuis (twee personen), weduwe Neppelenbroek,   Westhoff
  klasse 14, aanslag f 28,-, Rambonnet (twee personen), Van Loo, Van Raalte
  klasse 13, aanslag f 22,40, 7 personen
  klasse 12, aanslag f 19,60, 10 personen
  klasse 11, aanslag f 16,80, 5 personen
  klasse 10, aanslag f 14,-, 8 personen
  klasse 9, aanslag f 11,20, 22 personen
  klasse 8, aanslag f 8,40, 31 personen

 

Burgemeester Heitinga was ingedeeld in klasse 9. Dit geeft aan dat zijn geschatte inkomsten bepaald niet de hoogste in de gemeente waren. In dezelfde klasse treffen we naast een groot aantal landbouwers ook aan gemeente-ontvanger J.W. van Asselt (die ook nog akkerbouwer en veehouder was) en geneesheer W.C. Schouten. De meeste raadsleden en ook de wethouders zaten in een hogere belastingklasse.

Zoals al aan de jaarwedde van f 1.100,- voor Heitinga te zien was, nog bevestigd door de gegevens uit de hoofdelijke omslag, was dit bepaald geen vetpot. Blijkbaar is nog steeds sprake van een "erebaan". Alleen weten we wel dat Heitinga, het grootste deel van zijn ambtsperiode ongehuwd, hier van moest rondkomen. Hij was in de kost bij Brants aan de Zuiderzeestraatweg te Oldebroek (toen nummer E48). Pas na zijn huwelijk in 1890 vestigde hij zich als huurder op de Eekelenburg.

Heitinga trouwt op 1 mei 1890 in Delft met Catharina van Woerden. Zij is geboren in Abtsrecht (later Vrijenban) bij Delft op 30 mei 1850 als dochter van Jacob van Woerden en Geertje van den Berg. Jacob van Woerden was bouwman (13). Hun huwelijk bleef kinderloos.


Enkele andere wetenswaardigheden uit de periode 1882-1891

In de jaren 1882 tot en met 1891 waren er nog talrijke gebeurtenissen, zowel van kleine als van grote betekenis. In chronologische volgorde laten we hier een en ander de revue passeren.


1882

- na de komst van Heitinga worden de notulen van het college van burgemeester   en wethouders niet meer ondertekend door de wethouders, maar enkel
  door burgemeester en secretaris
- de burgemeester inspecteert regelmatig de brandblusmiddelen en besteedt   hier veel aandacht aan. Ook hiervoor worden regelmatig gelden beschikbaar
  gesteld.
- besloten wordt voor het gemeentehuis een klinkerbestrating aan te brengen
- op 25 november komt de Commissaris des Konings, mr. J.H.M. baron   Mollerus, op bezoek in de gemeente en daar het om een "inboorling van deze
  gemeente" gaat wordt hier veel aandacht aan besteed: er wordt gevlagd,   erebogen worden opgericht, alle autoriteiten worden uitgenodigd, de inwoners
  worden verzocht hun straat schoon te maken en af te schrobben. De totale   kosten voor versiering bedragen dan ook f 146,64.
- besloten wordt een buitengewoon veldwachter tegen een salaris van f 50,- aan   te stellen. Benoemde Jacob Aperlo heeft als belangrijkste taak de
  surveillance "op het zogenaamde Harde".
- besloten wordt om 70 á 80 hectare heidegrond onder Wezep te verkopen
- Heitinga stelt voor een commissie te benoemen om geld in te zamelen om op   Nieuwjaarsdag aan de armen enige steun te kunnen geven om zodoende
  het gebruikelijk Nieuwjaarswensen tegen te gaan. Dit gaat echter veel te ver:   met algemene stemmen wordt dit voorstel in de raad verworpen en wordt
  besloten zich bij de oude gewoonte te houden.
- er waren dit jaar drie huisbranden, in de buurtschap de Voskuil, Gelderse Dijk   en Hattemerbroek



1883

- binnen de kom van het dorp mogen de huizen wegens brandgevaar niet met   riet zijn gedekt. In plaats van een huis dan buiten de bebouwde kom te bouwen   wordt aangevraagd of het niet mogelijk is de kom van het dorp hiertoe te   verkleinen.
- er komt een brief binnen van de Commissaris des Konings dat er geen oude   gemeente-archieven verkocht mogen worden zonder voorafgaand onderzoek   door een deskundige
- de huurtijd van het jachtrecht is per 31 december 1882 vervallen. Besloten   wordt op voorstel van Heitinga dit jachtrecht opnieuw voor zes jaar te verpachten   per 1 september. In Wezep gaat het om 350 hectare heideveld en bos, wat   verpacht wordt aan mr. C.J.R. Nobel en mr. J.A. baron van Heeckeren van   Molecaten voor f 81,- per jaar. Het gemeente-erf de Stouwdam en overige losse   landen van de gemeente in Oldebroek worden verpacht aan D. de Block baron   van Sytzama voor f 8,- per jaar.
- de gemeente Kampen wordt toegestaan (ongeveer 70 hectare) grond van de   gemeente te kopen voor aanleg van een drinkwaterleiding, mits hier in Wezep   ook gebruik van gemaakt kan worden
- smid Van Dorp aan de Zwarteweg verzoekt het college om ter gelegenheid van   Sint Nicolaas een verloting te mogen houden: dit wordt afgewezen
- er worden dit jaar twee branden gemeld: een door onbekende oorzaak   afgebrande daglonerswoning te Hattemerbroek en een boerderij aan de   Posthoorn, veroorzaakt door onoplettendheid met petroleum
- er worden nieuwe bevolkingsregisters aangelegd in alfabetische volgorde


1884

- er komt een brief van Gedeputeerde Staten binnen met de vraag of er nog   rechterlijke archieven van voor de Fransche tijd in het gemeente-archief   aanwezig zijn; het antwoord is negatief. En nu het toch over archieven gaat:   Heitinga stelt voor "enige zakken aan te schaffen ten einde bij onverhoopte   brand in het gemeentehuis te kunnen dienen als beveiliging van het   gemeente-archief". Ook al is de zuinige wethouder Spijkerboer hier tegen, het   college besluit om dit verzoek toch in te dienen bij de raad. In de raad wordt   besloten een onderzoek te doen naar de bouw van een kluis voor het archief.
- op 29 juni is de brandspuit uitgerukt met 42 personen; Heitinga stelt voor hen   elk vijfentwintig cent uit te betalen
- Heitinga roept een extra collegevergadering bijeen ter handhaving van de   bepalingen omtrent kermissen. Tijdens de gehouden schapenmarkt waren er   namelijk kooplui "die ook koek en snuisterijen verkochten". Na enig beraad   was men van mening dat niet gezegd kon worden dat het om een   ordeverstoring ging.
- wethouder Spijkerboer (alweer) vond het niet nodig dat de lantaarns op   petroleum bij volle maan brandden
- naast de vaste begraafplaatsen in Oldebroek en Wezep en de Rooms-
  Katholieke begraafplaats in Hattemerbroek zijn er ook nog twee grafkelders en   wel die van mr. C.J.R. Nobel en die van de erven F.Th. Engelenburg
- er brandden dit jaar drie daglonerswoningen af, waarvan één aan de Jodenbelt   en één aan de Vree


1885

- in verband met de noodzaak van huisnummering wordt de gemeente op 17 juli   onderverdeeld in wijken. De wijken A tot en met F worden exact omschreven.
- dit jaar zijn er zeven huisbranden geweest


1886

- Heitinga stelt voor om "tot gerief der ingezetenen" in het gemeentehuis een   telegraafkantoor te laten vestigen. Beide wethouders zijn hier tegen en de   behandeling gaat niet door.
- besloten wordt om ongeveer 100 hectare heideveld onder Wezep aan de   gemeente Kampen te verkopen voor de aanleg van de drinkwaterleiding.De   grondprijs wordt bepaald op f 70,00 per hectare.
- in verband met het nachtelijk vuren bij de legerplaats Oldebroek wordt het   huidige contract gewijzigd. Als een geneesheer vindt dat het nadelige   gevolgen voor een zieke heeft, moet het vuren in de nacht worden gestaakt.
- er branden drie huizen af in 't Harde, Wezep en in de buurt Molecaten


1887

- in de verordening op het brandwezen wordt opgenomen dat roken verboden is   tot de veertienjarige leeftijd
- uiteindelijk wordt aan de gemeente Kampen 236 hectare heideveld verkocht
- op 19 februari wordt vanwege de zeventigste verjaardag van Koning Willem III   een buitengewone raadsvergadering gehouden. Baronesse Mollerus heeft de   gemeente in verband hiermee zestig gulden geschonken om de kinderen in   Oldebroek te kunnen onthalen. Heitinga stelt voor om tien gulden aan de   openbare lagere school te geven (51 leerlingen) en vijftig gulden aan de   bijzondere lagere school (306 leerlingen). De wethouders wensen een   verdeling van acht en tweeënvijftig gulden. Hoewel Heitinga hier niet voor is,   wordt toch aldus besloten.
- door onbekende oorzaak brandt een daglonerswoning af en ook een half   hectare eiken hakbos, in eigendom toebehorend aan E. Puttenstein


1888

- op zaterdag 11 augustus wordt door de provinciale archivaris een onderzoek   ingesteld naar oud-rechterlijke archieven. Uiteindelijk worden er inderdaad   nog stukken gevonden, die in een speciaal kistje naar het rijksarchief worden   opgestuurd.
- dit jaar vinden vier branden plaats


1889

- op 13 mei wordt ter gelegenheid van het veertigjarig regeringsjubileum van   Koning Willem III een buitengewone raadsvergadering gehouden. Buiten voor   het gemeentehuis worden door zo'n driehonderd schoolkinderen "gepaste   liederen aangeheven".
- de nieuw geïnstitueerde Nederlandsch Gereformeerde gemeente geeft hiervan   kennis aan de burgerlijke gemeente. Na enige tijd worden de statuten van de   Vereniging De Kerkelijke Kas te Oldebroek ingezonden en voor kennisgeving   aangenomen. De Doleantie heeft in Oldebroek binnen het gemeentebestuur   geen discussie losgemaakt.
- Heitinga merkt op dat er wel vierhonderd huizen zijn die geen nummer hebben.   In verband met de op handen zijnde volkstelling is het belangrijk dat hieraan   wat wordt gedaan. Besloten wordt om plaatjes van zink te laten maken "van   twaalf bij vijfenhalve centimeter, met vier vertinde spijkertjes op elke hoek te   bevestigen". Dit werk wordt aanbesteed bij J. van Tuijl voor een bedrag van
  f 57,62.
- Heitinga deelt mee dat in november de overblijfselen van een Engelsman zijn   gevonden die in 1795 bij de Oranjeboom te Wezep was doodgeschoten
- dit jaar zijn er vijf branden, waarvan drie in daglonerswoningen. Als oorzaak   wordt aangegeven de slechte bouw van schoorstenen en rieten daken   alsmede de grote droogte.


1890

- Koning Willem III is in november overleden, er worden berichten van   rouwbeklag verzonden
- door meestal onbekende oorzaak branden twee daglonerswoningen, drie   landbouwerswoningen en een ander gebouw af

 

Burgemeester Heitinga en de kerk (14)

Op 3 augustus 1882 wordt Heitinga ingeschreven in het lidmatenboek van de Nederlandse Hervormde gemeente Oldebroek. Bij het doornemen van de handelingen van de hervormde gemeente blijkt niet dat Heitinga zich mengt of actief is in het plaatselijk kerkelijk leven. In deze periode heeft de gemeente achtereenvolgens twee predikanten. In 1882 is ds. G. Ringnalda aan de gemeente verbonden. Deze vertrekt in juli 1886 naar Utrecht (en wordt daar enige tijd later losgemaakt en gaat mee met de Doleantie). Begin 1887 komt ds. J. Vonk naar Oldebroek.

In de handelingen van de kerkeraad komen we slechts één vermelding over de burgemeester tegen. In 1890 wordt tijdens een vergadering opgemerkt dat Heitinga, na zijn huwelijk met Catharina van Woerden, de middaggodsdienstoefeningen niet meer zo trouw bezoekt. Men is van mening dat hij toch het goede voorbeeld moet geven. Besloten wordt hem hierover te onderhouden. In een volgende vergadering wordt meegedeeld dat Heitinga zich verontschuldigt wegens de afstand van de Eekelenburg. Hij hoopt "als het weer wat koeler wordt weer vaker tempelwaarts te komen".


Het heengaan van een gewaardeerde burgemeester (15)

De laatste vergadering van het college die Heitinga meemaakt is die van 14 maart 1891. Volgens de berichten is hij dan al ziek. Op 17 april is hij afwezig. Wethouder J. van Putten fungeert dan als plaatsvervangend voorzitter. De hierna volgende verslagen van de collegvergaderingen geven op geen enkele wijze een vermelding van het overlijden van Heitinga. Een verklaring hiervoor is niet te vinden. In de vergadering van de raad op 22 april wordt wel melding gemaakt van het overlijden van de burgemeester. Met algemene stemmen wordt besloten dat de raadsleden Stouwdam, de Heer en Van Bruggen een adres van rouwbeklag zullen aanbieden aan de weduwe.

Ook in de handelingen van de kerkeraadsvergadering van de hervormde gemeente wordt op 20 april melding gemaakt van dit overlijden. Besloten wordt dat de broeders Vonk en Bakker de weduwe uit naam van de kerkeraad en de kerkelijke gemeente zullen gaan condoleren.

Op 21 april 1891 verschijnen voor wethouder Jacob van Putten als ambtenaar van de Burgerlijke Stand gemeenteveldwachter Dirk Mulder en gemeente-ontvanger Eibert Visch (16). Zij verklaren dat op maandag 20 april één uur in de middag is overleden burgemeester Paul Heinrich Christiaan Heitinga in de ouderdom van zevenenvijftig jaar "ten zijnen huize binnen deze gemeente" (dat is de Eekelenburg).

In het Nieuws- en Advertentieblad voor Elburg e.o. staat een in memoriam afgedrukt. De inhoud hiervan geven we letterlijk weer:
 


Oldebroek. Op 20 April j.l. is 's middags omstreeks 1 uur op den huize

"Eekelenburg", na eene ongesteldheid van ruim drie maanden nog geheel onverwacht overleden de Edel Achtb. Heer PAUL HEINRICH CHRISTIAAN HEITINGA, in den ouderdom van ruim 57 jaren, sedert 1882 Burgemeester dezer gemeente.

Treft deze slag in de eerste plaats zijne geliefde Echtgenoote, die binnen het jaar het bruidskleed moest verwisselen met het rouwgewaad, evenzeer allen, die hem in zijn werkzaam en bedrijvig leven hebben leeren kennen en waardeeren.

Èn als Burgemeester, èn als lid van den raad, èn als lid van verschillende commissiën, heeft hij steeds getoond een open oog te hebben voor de stoffelijke en zedelijke belangen der gemeente.

Deed zijn bedrijvigen, voortvarenden aard en zijn krachtige stem meenigeen, wie hem niet kende, vaak op een eerbiedigen afstand blijven, toch bleek een vriendenhart, dat altijd bereid was hulp en steun te verleenen, waar die begeerd werd en noodig bleek, te kloppen in zijn boezem.

Geen arme klopte tevergeefs bij hem aan; geen hulpbehoevende keerde onvoldaan huiswaarts. Een raadsman wilde hij zijn van allen, die voorlichting verlangden.

Zijn beginsel heeft hij zich nooit geschaamd.

Gisteren (Vrijdag) om 11 uur werd zijn stoffelijk overschot van hier vervoerd naar het station Elburg-Oldebroek, om verder per spoor naar Delft gebracht te worden, waar het heden ten 2 ure in het familiegraf wordt bijgezet.

De lijkkoets werd gevolgd door een 8tal rijtuigen, waarin familieleden, leden van den Raad en van den Kerkeraad, gemeente-ambtenaren en vrienden hadden plaats genomen.

In het sterfhuis werd het woord gevoerd door ds. Vonk en anderen, die den overledene herdachten in zijn verschillende betrekkingen. Zijne assche ruste in vrede.


Na zijn overlijden verhuist Heitinga's weduwe in 1892 naar Doornspijk waar zij na verloop van tijd hertrouwt met ds. H. van Griethuysen, predikant te Oosterwolde.


Tot slot

Met ingang van 1 juli 1891 wordt jonkheer Ferdinand Folef Frederik Zeger van Asch van Wijck benoemd als burgemeester van Oldebroek (KB 20 juni 1891). Hij komt uit Driebergen. Hiermee is na ruim twee maanden de opengevallen plaats weer bezet.

Hoe is nu de periode 1882 tot 1891 te typeren en kan gezegd worden dat burgemeester Heitinga hierop invloed heeft kunnen uitoefenen?

De jaren tachtig van de negentiende eeuw geven op zich geen opmerkelijke zaken te zien. Oldebroek is vergelijkbaar met veel andere plattelandsgemeenten in die tijd. Kenmerkend voor deze jaren is de voorkomende armoede, die in de loop der tijd in omvang en ernst steeds toeneemt. Uit dit onderzoek blijkt echter wel dat, mede door de inzet van de bestuurders, zowel vanuit de burgerlijke gemeente als ook vanuit de kerkelijke organen geprobeerd wordt deze armoede zo goed mogelijk te bestrijden. Dit gebeurt niet alleen door geldelijke steun of hulpverlening in natura, maar ook door werkverschaffingsprojekten. Burgemeester Heitinga valt in deze aangelegenheden zeker op door zijn sociale houding. Dit blijkt ook uit de tekst van het hiervoor afgedrukte in memoriam. Hij was een sociaal bewogen man. Een verklaring hiervoor is wellicht te vinden in zijn eigen sociale achtergrond, waarbij in de gezinssituatie vast geen overdaad voorkwam.

Hiernaast is de gemeente actief waar het gaat om de goede bereikbaarheid van de gemeente, zoals blijkt uit de bestuurlijke (en ook financieel vertaalde) belangstelling voor aanleg en onderhoud van wegen. Dit zal mede de ontsluiting van de regio en tevens de ontwikkeling van de nijverheid hebben bevorderd.

Tevens gaat veel aandacht uit naar het terrein van het onderwijs. Ook hier valt wellicht een verklaring te vinden in de jeugdtijd van Heitinga; zijn vader was immers onderwijzer. Naast het feit dat het hier om een duidelijk bestuurlijke taak gaat, is de belangstelling hier ook inhoudelijk te bespeuren bij de bestuurders. Duidelijk blijkt dat de gemeente er wat aan gelegen is dat goed onderwijs wordt gegeven in acceptabele ruimtelijke en personele omstandigheden.

Ook de gezondheidszorg krijgt in deze periode ruime aandacht, al is het niet altijd zonder persoonlijke fricties. Zowel één van de geneesheren als één van de hoofdonderwijzers waren tamelijk eigenzinnig en daardoor nogal eens oorzaak van een conflictsituatie. Overigens gaan de bestuurders in een aantal van deze gevallen ook niet geheel vrij uit.

Het werk van de watersnoodcommissie, welke op aandringen van Heitinga werd opgericht, mag hier niet onvermeld blijven. Ondanks weinig (met name financiële) steun van de provincie slaagde de commissie, waarin Heitinga toch vaak het voortouw nam, er redelijk in om veel van de getroffenen te helpen. Het met enig regelmaat voorkomen van overstromingen is er ongetwijfeld debet aan dat de landbouw en - veelal als gevolg hiervan - de veeteelt in deze jaren niet het niveau en de kwaliteit haalden die onder normale omstandigheden te verwachten waren.

Het bestuur, zowel het college van burgemeester en wethouders als de gemeenteraad, kan in deze periode worden getypeerd als voldoende wilskrachtig en bestuurlijk redelijk sterk. Gezien de niet altijd makkelijke omstandigheden is de bestuurlijke slagkracht behoorlijk te noemen. Binnen de groep van plaatselijke bestuurders springt er niet duidelijk één krachtfiguur uit. Dit geldt ook niet voor de burgemeester. De indruk is ontstaan dat college en raad tamelijk eensgezind hebben gehandeld. Uiteraard laten we de kleine zakelijke en persoonlijke meningsverschillen hier even buiten beschouwing. In deze sterkte zal ook hebben meegespeeld dat relatief weinig personele wisselingen in het bestuur hebben plaatsgevonden (vrijwel uitsluitend door overlijden). Er was een behoorlijk evenwichtige herkomstspreiding van bestuurders als gevolg hiervan was er sprake van voldoende steun vanuit de bevolking voor het gemeentelijk beleid. Aan deze stabiliteit zal ook hebben meegewerkt het gegeven dat de gemeente de begroting en rekening ondanks alles elk jaar heeft kunnen afsluiten met een batig saldo.

Burgemeester P.H.C. Heitinga is een type bestuurder dat in deze periode niet als bijzonder, maar wel duidelijk uit de verf komt. Eigen mening en handelen zijn door alles heen goed herkenbaar. De persoon achter de functie is goed te onderscheiden. Heitinga was een man die koos voor eerlijkheid en rechtvaardigheid, zo ook voor duidelijkheid en konsekwent zijn. Hij was niet gemakkelijk voor anderen, maar ook niet voor zichzelf.

We kunnen concluderen dat Heitinga niet boven maar naast de partijen stond. Dit is verklaarbaar vanuit zijn sociale achtergrond en herkomst.

Waar zijn voorganger (Nobel) en zijn opvolger (Van Asch van Wijck) deel uitmaken van de "vooraanstaande klasse" van grondeigenaar en adel, is dat bij Heitinga niet het geval. Als zoon van een onderwijzer is hij in status opgeklommen van kantoorbediende, gemeentesecretaris en -ontvanger tot burgemeester van de plattelandsgemeente Oldebroek. Een dergelijke ontwikkeling is in de negentiende eeuw nog wel opmerkelijk te noemen. Heitinga zal dit niet als vanzelfsprekend hebben verworven. Hij zal er hard voor hebben moeten werken. Naast de nodige praktische bekwaamheden heeft hij ook blijk gegeven er de persoonlijkheid voor te hebben gehad.

Samenvattend kan worden gesteld dat Heitinga als bestuurder een krachtig en energiek persoon is geweest die niet desondanks maar juist daardoor een goede burgemeester is geweest voor de inwoners van de gemeente Oldebroek. Deze man van gewone komaf verdient het zeker om op enige wijze in de gemeente te worden gememoreerd of herdacht. Zo is naar hem bijvoorbeeld geen straat genoemd.



Voetnoten:



De volgende inventarisnummers werden geraadpleegd:
 

     16. Notulen vergaderingen gemeenteraad, 1876-1888
     17. Notulen vergaderingen gemeenteraad, 1889-1904
     29. Notulen vergaderingen burgemeester en wethouders, 1876-1885
     30. Notulen vergaderingen burgemeester en wethouders, 1885-1898
     39. Jaarverslagen, 1875-1889
     40. Jaarverslagen, 1890-1905
     255. Ingekomen stukken van de burgemeester, 1843-1887
     314. Register van door de burgemeester verzonden brieven van vertrouwelijke               aard, 1883-1907
     375. Bekendmakingen, 1879-1897
     418. Begroting met memorie van toelichting, 1881-1889
     419. Begroting met memorie van toelichting, 1890-1899
     543. Kohier hoofdelijke omslag, 1875-1884
     722. Notulen van de watersnoodcommissie, 1882-1918

Waar de herkomst aan informatie in het artikel niet geheel duidelijk is, zal in een noot nadere toelichting worden gegeven.
De overige gegevens zijn afkomstig uit de bovenstaande inventarisnummers.
Geraadpleegd werden het lidmatenboek, handelingen van de kerkeraad 1816-1898 en correspondentie.

Mijn collega's Jan Kolkman en Dina Bos wil ik bedanken voor hun hulp bij het tot stand komen van dit artikel.


P. van Beek
juli 1995