Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart.jpg

Brievenboek Doornspijk 1823

  • donderdag 01 januari 2015 22:58

Inventarisnummer196
(Brievenboek GA Doornspijk)


1

Inzending der declaratoiren voor het suppletoir patentregt.

Den 2 januarij 1823

Aan den heer controleur der directe Belasting te Harderwijk.

Ik heb U Edele strenge hierbij in te zenden twee declaratoiren voor het suppletoir patentregt over het laatste kwartaal van 1822

De schout van Doornspijk
(getekend) H.B. van Jeveren


2
Inzending der opgave van geboorte en overledenen

Den 6 januarij 1823

Aan den heer hoofdschout van Overveluwe te Heerde.

In voldoening aan het besluit van den heer Gouveneur dezer Provincie d.d. 19 sept. 1818 6408/8 (Provincie blad 154) heb ik de eer UHW Geboren de Staten van geborenen en overledenen van het jaar 1822 in te zenden.

De schout van Doornspijk
(get.) H.B. van Jeveren

 

Model A
Staat van het aantal geborenen in de gemeente Doornspijk gedurende het jaar 1822

Geboren 1822:

Mannen 46
Vrouwen 42

Bovenstaande staat op gemaakt overeenkomstig de aanteekeningen en de registers van den Burgerlijke stand door mij schout der gemeente Doornspijk den 6 januarij 1823

(getekend) H.B. van Jeveren

 

Staat van het aantal overledenen in de gemeente Doornspijk gedurende het jaar 1822

Overleden 1822:

Mannen 28
Vrouwen 29

Bovenstaande staat op gemaakt overeenkomstig de aanteekeningen en de registers van den Burgerlijke stand door mij schout der gemeente Doornspijk den 6 januarij 1823

3
Eigendoms veranderingen

Den 6 januarij 1823

Aan den heer controleur der directe belastingen te Harderwijk

Naar aanleiding van Uw Wel Edel Gestrenge geëerde van den 3 dezer heb ik de eer Uw Edel Gestrenge hierbij over te zenden de leggers voor de gebouwde en ongebouwde eigendommen van het schoutambt Doornspijk, met vriendelijk verzoek mij dezelve na daarvan het nodige gebruik gemaakt te hebben te willen retourneeren te gelijk met de registers der eigendoms veranderingen.

Voor de gebouwde en ongebouwde eigendommen welke ik nog niet terug ontvangen hebbe.

De Schout van Doornspijk
(getekend) H.B. van Jeveren


                                                                     
Aan den Heer Inspecteur Informatiën der dir. Belastingen enz.
Nopend M.I. Polinder te Arnhem

den 10 Januarij 1823

In antwoord op Uw Edelgestrenges invitatie van den 2den dezer maand 316

Ind[...]: te g te Personeel geef ik mij de eer Uw Edelgestrenge te vesoribeeren, dat M.I. Polinder ongetwijfeld de nodige kennis om den Post van Schatter voor het Slagten  te Hattem waar te nemen, doch wat de geschiktheid aangaat, ik zulks niet geheel zou durven opgeven uit hoofde hij door zijne blessures zwaar kreupel geworden zijnde, niet zeer vlug ter been is, terwijl , wat betreft zijne genegenheid om dien post te bekleden deze persoon mij verklaard heeft, dat hij in de verwachting dat hij/zij bij wijze van tractement of andere beloning in deze post een klein middel van bestaan zoude vinden, zeer genegen was dien te bekleden, en zeer gevoelig voor de goedheid van het bestuur, dan wel aan zijn ingediend verzoek eeniger mate te hebben willen gehoor geven.

5
Vrijstellingen van den dienst der nationale militie

De Schout van Doornspijk  H.B. Van Jeveren – den 13 Januarij 1823 – Aan den Heer Gouverneur van Gelderland te Arnhem.

Door deze heb ik de eer Uw Hoog Edele Gestrenge te berigten, dat zich na dien aangaande gedane publicatie geen personen bij mij hebben aangemeld ter verkrijging der vrijstellingen, bepaalt bij artikel 21 der wet van den 8 Januarij 1817, en artikel 3 der wet van den 27 april 1820.


6
Inventaris der bewijsstukken voor de nat. militie

De Schout van Doornspijk (geb[...]) H.B. van Jeveren, den 13 Januarij 1823

Aan den Heer Gouverneur Van Gelderland te Arnhem

In voldoening aan AvtB Van UH te G: besluit van den 12 november Jongs Leden no 4996
(Provinciale blad 113) heb ik de eer Uw Hoog Edele Gestrenge hierbij in te zenden den inventaris en Bewijsstukken van zoodanige lotelingen die om andere redenen dan ligchaamsgebreken en gemis aan taille in vorige ligtingen provisioneel. Zijn vrijgesteld geworden.

De Schout van Doornspijk
Geb. H.B. van Jeveren


7
Staat der Beeken

Den 16 Januarij 1823

Aan het lid der commissie Van Landbouw in Gelderland te Doornspijk

In voldoening aan Uw Wel Edele Gestrenge geëerde missive de dato 14 december  a. P. heb ik de eer Uw Edele Gestrenge hiernevens in te zenden eene opgave der in deze Gemeente bestaande stroompjes of beken, zooveel mogelijk met aanduiding van derzelven oorsprong, loop en uitwatering: Terwijl ik mij verzekerd houde dat de Staat des Landbouws, en de meer of mindere vorderingen in de Landhuishoudkunde, Uw Edele Gestrenge Zoodanig en alle details bekend zijn, dat ik mij niet in staat bevond om tot deze kennis iets bij te dragen.

De Schout van Doornspijk
geb: H.B. van Jeveren

Staat der Beeken en verdere Waterafleidingen in het Schoutambt Doornspijk aanwezig.

1e.      
De Eekter Beek; dezelve ontstaat uit het water dat van de zijde van Oldebroek komt, loopt dwars door den Jukweg, door het Landgoed ter beek, en verenigt zich bij het huis Putten met de Puttener Beek.

2e.      
De Haarbeek; dezelve ontstaat uit het bovenwater, dat zich in dezelve bij het Landgoed de Hare, uit verschillende kleine sloten en kanaaltjes vereenigd, dezelve loopt van de Hare, tusschen landerijen, ontbreekt tevens tot een gemeene weg tot aan den Oostdijk, langs welken zij voortloopt tot aan den Stadsweg, waar zij den naam van Puttener Beek ontvangt.

3e.      
De Puttener Beek, welke alleen ontstaat uit den toevloed van water welke dezelve van de twee voornoemde beken ontvangt en welke langs het landgoed Putten, met verschillende kronkelingen door de landerijen tot aan Elburg voortloopt, waar dezelve door een kunstkanaal, dwars door het brakke  water de stadsgrachten in de stad geleid wordt,  en alzoo gestadig versch water aan de ingezetenen  van Elburg, verschaft zich aan de andere zijde der stad, in de stadsgracht ontlastende, en alzoo in zee uitloopt.

4e.      
De Papenbeek; dezelve ontstaat uit de samenvloeijing van verscheidene slooten en krijgt eerst den naam van Beek tusschen de zoogenaamde bovenweg, en loopt dwars door weiladen, tot dichtbij de Doornspijker kerk waar dezelve zich dwars door den Zeeweg door eene sluis in zee ontlast.

5e.      
De Hazelbeek; dezelve ontvangt de naam van beek dicht aan de glinde, en loopt eerst een eindwegs  nagenoeg in dezelfde rigting als den Hoge Weg, tot boven het Landgoed Klaarbeek, waar dezelve in bijna regte rigting door dat Landgoed; dwars door den hoogen weg, tot aan den lagen weg voortloopt, aldaar langs den Veldweg tot voorbij het achterwegje stroomt, en aldaar dien weg verlaat en meterwege kronkelingen Zuidwestwaarts voorbij karmelieten Hul loopt, en zich niet ver van daar dwars door den zeeweg, en Zee ontlast.

6e.      
De Sijpelbeek; dezelve verzamelt zich tot eene beek niet ver van den Mezenbergerweg en loopt dwars door het achterwegje en den Zeeweg, bij klompenburg in zee.

7e       
De Bulsem Beek; dezelve ontstaat niet ver van den Mezenbergerweg en den Horsterweg, waar dezelve den naam van Vaarbeek draagt, en vandaar naar het Zuidwesten in zee vloeit.

8e       
Het Enge beekje; welke een gedeelte van den gemeene weg tussen Elburg en Harderwijk uitmaakt, en tot aan de Nunspeter molen voortloopt waar dezelve den naam van Molenbeek draagt.

9e.      
De Lage Bijsselse Beek; dezelve schiet dwars van het Engebeekje af, en verliest zich in verschillende sloten en kanaaltjes die zich gedeeltelijk in de Bulsem beek en gedeeltelijk in de Bijsselse beek ontlasten.

10e.     
De Bijsselse Beek; dezelve loopt van dicht bij de Nunspeter molen in een zich verstevigting langs het voormalig Huis te Bijssel, en strekt, een eindwegs, als scheiding tussen deze Gemeente en die van Nunspeet, deze loopt dicht bij de Pol in Zee.

Behalven de Beeken in het Kerspel Doornspijk hierbovengenoemd, zijn nog in dit Schoutambt en wel in het kerspel Oosterwolde de volgende uitwateringen - als

1e       
De Wijkwetering; dezelve begint aan de bouwlanden bij Gerrit Gerrits Puttenstein, loopt langs de Buiteplaats de wijk en stort een half uur gaans ten Noordoosten van Elburg in Zee.

2e       
De Lammerwetering; begint aan de dwarswetering van dien naam en loopt in een regte lijn, een half kwartier Uurgaans Verder van Elburg aan de Wijk in Zee.-

3e       
De Bolswetering begint bijna aan den Stouw, in de rigting als de dwarswetering, halfweg den dijk en groote woldweg, en loopt eerst dwars ’t eindens het land en in onderscheidene rigtingen en bogten vervolgens in een regte lijn naar en door de Bolsfluit een Uur gaans van Elburg en Stort aldaar in Zee.

4e       
De Noorder of molenwetering begint tusschen den Zandweg en de Oosterwolder Kerk, bijna aan den Winterdijk en loopt op zeer weinig afstands langs den Grooten Woldweg, en ontlast het water door de Noorder Sluis in de Kamper nieuwstad, gelegen naar Buitendijks, waar het niet ver van den Dijk zich met de Geldersche Gracht vereenigd en vervolgens meer westwaarts aan, naar Zee loopt

Aldus opgemaakt door mij
Schout van Doornspijk

Doornspijk den 14 Januarij 1823
getekend H.B. van Jeveren                                                                                                                                                                                                                                                                                              

8
Attestatie De vita                                                        

den 16 january 1823

Aan den  Heer Gouverneur Der Provincie Gelderland te Arnhem

In voldoening aan U.W.H.E.G. besluit van den 3 january 1823 zze 5112 (Prov. blad 1) heb ik de eer U.W.H.E.G. te berigten dat door ons geene andere attestatie de vita zijn afgegeven; dan aan een gepensioneerde in deze gemeente woonachtig van welke uit hoofde van zijne behoeftige omstandigheden geene retributie gevorderd hebben; dat wij echter bereid  zijn indien daarvan iets aan den Lande of enig ander  ambtenaar mogt competeren het daarvoor verschuldigde te voldoen.       

De Schout van Doornspijk
Get. H.B. van Jeveren
den 20 januarij 1823


9
Personeel der geneeskunst oeffenaren                                                        

Aan de provinciale commissie van geneeskundig onderzoek en toezicht te Arnhem

In voldoening aan art. 6 van het besluit van H.H. gedeputeerde staten dezer Provincie d.d.: 6 feb: 1822  21  Prov. blad 35 heb ik de eer U.G. te berigten dat er gedurende het jaar 1822 geene veranderingen in het Personeel der geneeskunstoeffenaren dezer gemeente hebben plaats gehad.

De Schout van Doornspijk   
Get. H.B. van Jeveren


10
Verzoek om dispensatie der verschijning voor de Militie Raad

Den 21 januarij 1823 aan de Heer President van den Militaire Raad in het Resort Zutphen

Het is op speciaal verzoek van den Heer van Eerde, Predikant in het kerspel Oosterwolde van het Schoutambt, dat ik de vrijheid neeme mids deeze aan U.E.Gestr. voor te stellen of er geen mogelijkheid zou zijn den loteling Z.cf. van Eerde zoon van voormelden Predikant van zijn verpligting om voor de eerste vergadering van den Militie Raad te verschijnen dispensatie te verlenen. Deeze loteling is van den jare 1821, reeds voor twee vergaderingen voor een jaar vrijgesteld, als zijnde  student in de Godgeleerdheid, aan de accademie te Groningen en bevind zich nog werkelijk in dezelfde Cathegorie zooals zulks aan U.E.Gestr. zal gebleken zijn, uit het op den dertienden deezer maand aan den Heer Gouverneur deezer Provincie ingezonden Certificaat, van den Rector der voornoemde Hoge School.

Het zou voor den Heer van Eerde, wien de opleiding zijner beide zonen in de Theologie reeds zooveele opofferingen kost, en bij zijn talrijk gezin en allezints matige bezoldiging, zelfs zeer moeilijk valt, eene bijna onoverkomelijke zwarigheid opleveren, en dien de militie Raad mogt zwarigheid maken, om van deze letterlijke bepaling der wet af te gaan; daar behalen nog het aanmerkelijke verzuim in de studie zoodanige reis van Groningen naar Zutphen en terug, eene considerable koste, vooral in het tegenwoordig jaar seisoen moet veroorzaken. Het is om die reden, en uit overtuiging der gegrondheid van de door den Heer van Eerde aangevoerde bezwaren dat ik de vrijheid neem mijn verzoek bij dat van Z.V.E. te voegen, en dringend te solliciteren, dat men uit consideratie der bijzondere omstandigheden de gevraagde dispensatie, aan voormelden loteling gelieve te verleenen.                                                                   

De Schout van Doornspijk
H.B. van Jeveren

11
Renvoy op de geboorte Registers van 1821

Doornspijk, 25 januarij 1823

Aan den Heer Officier bij den Arrondissements Regtbank te Arnhem

Ter voldoening aan den inhoud van UWE, zeer geëerde rescriptie d.d. 28 november l.l. 1662 heb ik de heer U.E. gestr. te berigten dat door mij op het geboorte Register van den jare 1821 in margine der acte 71 is gemaakt een renvoy constaterende de geboorte van Jan Beerd Hage, waarvan de aangifte verzuimd en dien ten gevolge, uit kracht van een daarover gewezen vonnis, in het Register van 1822 Inb. 88 is ingeschreven zijnde dit renvoy van den volgende letterlijken inhoud.

Nota: Op den eersten november 1800 eenentwintig is, Gijsbertje Jans Hage, ongehuwd bevallen van een kind van heg mannelijke geslacht genaamd Jan Beerd waarvan de aangifte in der tijd verzuimd zijnde, zoo is de acte van deze geboorte ingevolge vonnis van de Regtbank te Arnhem in het Register van 1800 twee en twintig onder 88 ingeschreven.

Verders heb ik de eer Uw Edele Gestrenge kennis te geven, dat op het alphabetisch Register op de acte van geboorte van 1821, tussen de volgnommers 26 en 27 bij renvoy is gemaakt de navolgende verwijzing naar het Register van 1822.  26 Hage Jan Beerd, 1e november 1821, zie het Register van 1822 88 -.

Hopende hiermede ten vollen aan U.W.G. intentie voldaan te hebben.

De Schout van Doornspijk
H.B. van Jeveren


12
Registers van burgerlijke Stand van het jaar 1822

Doornspijk den 25 januari 1825

Aan den Heer Griffier bij den Regtbank van eersten aanleg zitting houdende te Arnhem.

In observatie van Art. 63 des Burgenlijken Wetboek heb ik de eer Uw Edele Gestrenge hierbij in te zenden, de Registers van den Burgelijken stand van het afgelopen jaar, met bijlagen daartoe behorende

De Schout van Doornspijk
H.B. van Jeveren


13
Doornspijk, 27 januari 1823

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe

In voldoening aan U.H.W.Geb. missive van heden te reschriberen dat wij voor het statistische Tableau twee exemplaren benodigd hebben.

De Schout van Doornspijk
H.B. van Jeveren


14
Rekest van Jan de Lange

In voldoening aan U.W.H.E. geëerde aanschrijving d.d. 16 dezer heb ik de eer onder terugzending van het daarbij gevoegd rekest van Jan de Lange te berigten. Dat de schade door de turfveender Jan de Lange, tevoren in Oosterwolde woonachtig geleden, door het vele binnenwater in 1820 waardoor hij belet werd de turf uit het land te vervoeren, en waardoor dezelve ook verdreven werd en in het ongerede raakte, altijd als zeer aanmerkelijk is opgegeven en bij gerucht destijds op vooral niet minder, dan de door hem opgegevene som werd begroot, dat het echter onmogelijk het juiste bedrag der door hem geledene schade al nu te bepalen.                                                                            

Dat het niet alleen mogelijk, maar zelfs zeer waarschijnlijk is, dat hij in zijne verwachting, om zijne schade een volgend jaar te redresseren, door het destijds ingekomen verbod om de verveening voort te zetten, is te herin[..] gesteld geworden, zooals ik de eer had U.H.W. Geb. bij mijne missive van den 9 Missive1821 67 te berigten.

En dat wat betreft te laat ontvangen de concessie tot het verveenen, hij hierin met alle de overige veenders heeft gelijk gestaan, en daardoor in den jare 1820 het verveenen is vertraagd geworden, tot nadeel der veenborge die hunne werklieden moeten betalen, zonder dezelve te kunnen laten arbeiden, waarover zij dan ook in der tijd zeer hebben gedoteerd, en daar opeerst bij besluit van U.H. Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 12 Mei 1820 6 deprovisionele autorisatie hebben ontvangen. Zooals ook deze latere aanvang der verveening het bij sommige veenders waaronder ook Jan de Lange mogelijk gemaakt heeft, om de turf in tijds, droog en voor het natte jaargetijde vervoerd te krijgen.

De Schout van Doornspijk
H.B. van Jeveren


15
Den 28 januarij 1828

Aan den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland

In voldoening aan art. 9 der wet van den 27 April 1820 11 heb ik de eer U.E.E. gem. hier nevens in te zenden het inschrijvings Register benevens de Alphabetische lijsten.

De Schout van Doornspijk
H.B. van Jeveren

Proces Verbaal

Pro Justitia

Op heden den zevenentwintigste januarij een duizend acht honderd drie en twintig, des morgens ten elf uren; is voor ons H. Henricus Boonzaaier van Jeveren, Schout des ambts Doornspijk, Provincie in Gelderland verschenen Cornelis Hartgers Docter oud, naar zijn zeggen acht en twintig jaren, van beroep schaapherder wonende ten huize van Gerrit Hulsbergen, herbergier op het Soerelt onder de Gemeente van Doornspijk dewelke aan ons heeft gedaan de volgende denunciatie, en zulks namens zijnen baas, welke wegens ongemak aan zijn been verhinderd was in persoon te compareren.

Toen wij des morgens ten acht à negen uren in de kamer gingen zien, waar de Heer was, die bij ons gelogeerd had, toen ontdekte mijn baas en vrouw dat die man ’s nachts stil vertrokken was, en dat dezelve had medegenomen, twee rood gebloemde katoene en eene wollen wit gestreepte, bedde dekens, benevens twee beddelakens, het eene gemerkt en het andere zonder merk, alsmede nog twee kussenslopen beide zonder merk.

Op onze vraag andwoord denunciant dat die deken enz. zonder enige braak waren genomen uit de beddestede en ook zonder eenige braak uit het huis gebragt als zijnde die Heer door de deur vertrokken, en de deur weder aangezet. 

Op onze vraag andwoord denunciant, dat hij niet in staat is, eenige verdere uitduiding van die persoon te doen, als hebbende hem weinig of niet gezien.

En hebben wij hierna voorlezing geteekend verklarende comparant niet kunnen schrijven.

(Get.) H.B. van Jeveren

Op onze citatie compareerde op heden den negen en twintigsten januarij 1800 drie en twintig des morgens ten elf uren Gerrit Dirk Hulsbergen kastelein op het Soerelt onder Doornspijk, oud naar zijn zeggen vier en dertig jaren: dewelke aan ons geeft te kennen, dat de persoon in de denuntiatie door zijn Schaapherder Cornelis Hartgers Docter, bedoeld, bij hem zijn intrek had genomen op zaterdag den vijfentwintigsten dezer maand des avonds ten vijf uren, dat dezelve dien nacht bij hem had gelogeerd, en des anderen daags, volgens zijn zeggen naar Zwolle is vertrokken, maar alvorens zijn verteering betaald te hebben met belofte van nog den zelfden dag terug te komen, dat die persoon tegen den avond is teruggekomen en na enige tijd bij het vuur gezeten te hebben is naar bed gegaan in dezelfde kamer waar hij den vorige had geslapen.

En dat zij des morgens gemerkt hadden, dat hij stilletjes was weggegaan, en de goederen door den Schaapherder opgegeven had medegenomen.

Op onze vraag antwoord denunciant dat de persoon geen naam had opgegeven als zijnde reeds vertrokken toen hij hem de nachtlijst had willen aanbieden; doch hij had verhaald woonachtig te zijn te Amsterdam, van beroep koopman in laken voords zegt denunciant dat hij den vorigen avond had zitten kaart spelen, met eene Gerrit Hillen [……].  […………] wonende te Zwolle, en dat hij, bij die gelegenheid verteld had, dat hij geboortig was in Duitschland, twee honderd twee en veertig uren van hier. Op onze vraag antwoord denunciant, dat het een persoon was van circa dertig jaren, sprekende hollandsch doch met een vreemde tongval, middelbaar van grootte naar aanduiding en vergelijking met hemzelven, circa vijf voeten en acht duimen Rhijnlandsche maat hebbende eene bleeke kleur; donker bruin haar; eene groote neus, maar die van onderen breed uitliep, blaauwe oogen, pokdalig van aangezigt.

dat hij gekleed was in een donkerblaauwen lakensche jas, met dito welgewerkte knoopen, daaronder een blaauw buis of vest, en daaronder een lichte borstrok of vestje, met streepen over dwars, dat hij een langen broek had aangehad van donkere stoffage, met koordjes of ribbeltjes van de zijden er opgenaaid. Voords lichte koussen met ribben, lage schoenen met bandjes zonder gespen, een ronden kalen hoed op het hoofd.

Dat diezelfden persoon in het aflopen jaar nog eens bij hem aan huis had geweest, doch dat hij toen een ridderorde had op de borst gehad, en met een blaauw buis was gekleed geweest, dat dit tegen den Herfst geweest was, juist daags te vooren dat die diefstal van dekens en linnengoed te Leuvenum  bij den kastelein had plaats gehad.

Op onze vraag antwoord denunciaat, dat hij die persoon, door navragen had nagespoord tot te Nierssen, doch dat hij hem verder niet had kunnen ontdekken.

En heeft denunciaat, het hiervan opgemaakt proces verbaal na voorlezing op tijd als bovengemeld met ons geteekend.

(Get.) G.D. Hulsbergen
H.B. van Jeveren


16
Proces Verbaal eener gepleegde diefstal bij D.G. Hulsbergen

Doornspijk, den 1 Februarij 1823

Aan den Heer Officier bij den Regtbank van een 1sten Aanleg

Ik heb de eer Uw Wel Edele Gestrenge hiernevens een wens  in te zenden Proces Verbaal ener gepleegde diefstal ten Huize van G.D. Hulsbergen kastelein op het Zoerelt onder deze Gemeente.

De Schout van Doornspijk
(Get.) H.B. van Jeveren


17
Vrijwilligers der Nationale Militie

Aan den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland te Arnhem

Door deze heb ik de eer Uw Hoog Edele Gestrenge te berigten, dat er zich na dien aangaande gedane publicatie geene personen als vrijwilligers voor den dienst der Nationale Militie hebben aangeboden.

De Schout van Doornspijk
(Get.) H.B. van Jeveren


18
Den 6 February 1823

Aan den Heer Officier bij den Regtbank van eersten aanleg zitting houdende te Arnhem

Niet twijfelende of Uw Hoog Edele Gestrenge: zal mijne missive van den 1 dezer 16 inhoudende de denunciatie van den gepleegde diefstal op het Zoerelt reeds ontvangen hebben, de opgave daarin vermeld omstrent het signalement van den Persoon zal U.W.E. Gestr. in staat stellen om te beoordelen in hoeverre dezelve overeenkomen met die in de ontvangene signalementen vermeld, terwijl ik na het ontvangen van Uw Wel Edele Gestrenge missive nog ten overvloede den kastelein van het Zoerelt bij mij heb doen komen ten einde vermelde signalementen nader met zijne opgave te confronteren waaruit mij echter geen nadere overeenkomst tussen die persoon is gebleken.

De Schout van Doornspijk
(Get.) H.B. van Jeveren


19
Kantoren der Ontvangers

Doornspijk, den 10 february 1825

Aan den Heer Hoofdschout Van Overveluwe te Heerde

In rescriptie op Uw Wel Edele Gestrenge geëerde aanschrijving d.d. 1ste dezer heb ik de eer Uw Wel Edele Gestrenge te berigten dat het kantoor van den provisionele Ontvanger van de Gemeente Doornspijk, vooralsnog gevestigd is aan het Roode Kruis, een groot kwartier uurgaans afstand van den molen dier gemeente, terwijl dat van den provisionele ontvanger voor de Gemeente Oosterwolde gevestigd is aan den Zandweg juist tegenover den molen der gemeente.

Dat het mij om die reden voorkomt dat het voor deze beide Gemeentens geen bijzonder nu kan aanbrengen en den maatregel aangenomen hebbende om bijzondere zitdagen aan of bij den molen alhier toe te passen.

De Schout van Doornspijk
(Get.) H.B. van Jeveren


20
Inzendingen van het register der veehouders

Doornspijk, den 12 february 182[.]

Aan den Heer Arrondissements Inspecteur der Directe belastingen in- en uitgaande regten en accijnsen.

In voldoening aan het besluit van den Heer Gouverneur dezer Provincie d.d. 18 jan: jl. 370/40 Prov. Blad 5 heb ik de eer Uw Wel Edele Gestrenge hiernevens de staat bevattende de houders van vee in deze gemeente in te zenden.

De Schout van Doornspijk
(Get.) H.B. van Jeveren


21
Doornspijk, den 16 februarij 1823

Aan den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland

In voldoening aan art. 5 van het besluit van den 22 dec. 1817 Prov. Blad 202 heb ik de eer Uw Hoog Edele Gestrenge hiernevens de verlofpas van Hendrik Westhuis dewelke naar de Gemeente van Ermelo vertrokken is, in te zenden.

De Schout van Doornspijk
(Get.) H.B. van Jeveren

Publicatie

De schout van Doornspijk gelezen hebbende het bepaalde bij art. 2 en 6 van het besluit van den Heer Gouverneur dezer Provincie d.d. 7 feb. j.l. 631 brengt bij deze ter kennis van de belanghebbende Ingezetenen dat de Alphabetische naamlijst van alle de personen die aan de ligting der Nationale Militie van dit jaar  moeten deelnemen ter visie van elk een iegelijk zal liggen ter secretarie van het Schoutambt van maandag den zeventienden February tot maandag den derden maart aanstaande, des morgens van negen tot ’s middags een uur (des zondags uitgezonderd) wordende hierbij tevens een ieder herinnerd en aangemaand, om in geval hij mogt kennis dragen dat iemand der lotingsplichtigen zich niet aangeven of doen inschrijven daarvan onverwijld aan den Schout kennis te geven. Dienende verder tot narigt voor alle lotingsplichtigen  dat de tijd voor de loting van dit jaar bepaald is, op den vierden maart aanstaande, des morgens ten tien uren en zich dus alle ingeschrevene voor de nationale militie van dit jaar tegen dien tijd op het stadhuis te Elburg moeten sisteeren.

Doornspijk, 16 february 23,

De Schout voornoemd
(Get.) H.B. van Jeveren

22
Inzendingen van het statistiek

Doornspijk, den 18 February 1823

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

In voldoening aan des Heer Gouverneurs besluit van den 23 jan: 1818 Prov. Blad 13 geef ik mij de eer U.H.W.E.Gestr. hiernevens in te zenden het tableau der bevolking met het daarbij behorende algemeen verslag van den staat van dit Schout-ambt waartoe mij referere.

De Schout voornoemd
(Get.) H.B. van Jeveren

Algemeen verslag van den staat van het Schout-ambt Doornspijk

  1.
Loop des districts en plaatselijke administratie.
a. b. c. d. Memorie.
  2.
Er zijn geene veranderingen in de circumscriptie der gemeente voorgevallen hoezeer dezelve wenschelijk waren.

  1.
Bevolking

a.
Ingevolge ene door het bestuur in eigen Persoon gedane hoofdelijke telling bedraagd de bevolking thans 2136 zielen en aldus 127 zielen minder dan in het verleden jaar zijn opgegeven de mindere welvaart der landbewoners alsmede het vooruitzicht der invoering van de belasting op de werkboden en insgelijke enige verhuizingen naar de naburige Provincie Overijssel zouden kunnen geacht worden iets tot deze vermindering van bevolking te hebben toegebragt het is echter niet ontkennen dat dit verschil daaraan niet alleen kan worden toegeschreven en men veeleer moet onderstellen dat in de vorige jaren ergens eene dwaling moet zijn ingeslopen alzoo men ervoor kan instaan dat het nu op gegevene getal de werkelijke  bevolking der gemeente is daar er in dit jaar niet alleen het getal zielen in elk huisgezin met derzelver approximative ouderdom is opgeschreven geworden maar daarenboven eenen volledige legger is aangelegd houdende het juiste getal inwoners in elk huis met nauwkeurige vermelding van derzelver tijd en plaats van geboorte waarbij tevens aan alle ingezetenen opnieuw is in last gegeven om bij elke verandering in het Personeel van hunne huisgezinnen onmiddelijk aan het bestuur der gemeente kennis te geven ten einde daarvan in de kolommen voor de mutatien bestemd aanteekening kunnen geschieden en het bestuur op ieder tijd van het jaar een gemakkelijk overzigt kan hebben over den ganschen stad der bevolking welke inrigting tot vele nuttige oogmerken kan dienstig zijn als bij het heffen van belasting bij het bepalen van het domicilie van onderstand van verarmde Personen tot de juiste inschrijving der personen bij de aangifte van sterfgevallen enz.

  1.
Er zijn 16 huwelijken voltrekken waar veertien van jongemans met jonge dochters en twee van weduwnaars met jonge dochters.
  2.
Er hebben 57 sterfgevallen plaats gehad daaronder begrepen de doodgeboren kinderen zijnde zo ver bekend er niemand aan eene aansteekende ziekte gestorven.

 

Politie en justitie

  1.
Memorie.
De winkeliers maken van de nieuwe lengtematen en gewigten gebruik
  2.
De voornaamste zwarigheden in het invoeren van het metriek stelsel is daarin gelegen dat men zijne berekeningen nog altijd in oude  maten en gewigten blijft maken en dus het nieuwe stelsel alleen bij wijze van herleiding gebruikt word.
  3.
De registers van den Burgerlijken stand worden behoorlijk aangehouden.
  4.
Memorie.
De zetting van het brood wordt behoorlijk gesurveilleerd.
  5.
De lage prijzen van alle voortbrengselen van den Landbouw door bij den boerenstand eene algemene verarming te veroorzaken, leveren voor de volksklassen wezenlijk bezwaar op.

Financiën

  1.
Memorie
  2. 
De rekening der gemeente op het laatst verloopen jaar na zijn allen afgehoord      en gesloten. Overigens is de financiale toestand der gemeente allerongunstigst daar alle uitgaven uit den jaarlijksen omslag der ambtslasten moeten bestreden worden.
  3.
De kohieren der Directe belastingen zijn in het vorige jaar behoorlijk afgekondigd.
  4.
Voor zoo ver de ingezetenen het bestuur doen kennis dragen van de overgang der eigendommen worden daarvan in de mutatie Registers nauwkeurig aantekeningen gehouden.
  5.
Memorie

6 en k.

Er bestaan in de gemeente geene waaghuizen of andere inrigtingen in welke het nieuwe gesigt vanwege het bestuur zoude kunnen worden ingevoerd. De winkeliers zijn van de nieuwe gewigten en lengtematen voorzien en maken over het algemeen gebruik van dezelven.

Algemene Welvaart

   1.
De staat des landbouws blijft nog steeds even ongunstig.
   2.
De oogst is over het algemeen genomen vrij gunstig geweest.
   3.
Memorie
   4. 
De graanprijzen schikken zich na de naburige markten.

e.
De alnog bestaande veenderijen zijn van weinig aanbelang.

f.   g. h. i.  Memorie

k.
De veeteelt bepaald zich hoofdzakelijk tot het hoornvel over het algemeen legt men zich weinig toe  op de verbetering der rassen van het vee, daar men zich steeds uit gehechtheid aan het oude daarmede den gang gaat.

Openbare Godsdienstoeffening

  1. 
Er zijn twee predikanten van den Hervormde godsdienst. De heer S.R. Haverman in het kerspel Doornspijk en de heer A. van Eerde in het kerspel Oosterwolde.

b.
b en c.  Memorie

d.
De kerken en torens zijn in een goede staat.

e.
De kerkenfondsen van het kerspel Doornspijk zijn onbeduidend, diën van Oosterwolde zijn in een vrij goede staat.

Openbaar Onderwijs

a.
Het schoolwezen is in een zeer goede staat.

b.
Er zijn drie schoolonderwijzers in het kerspel Doornspijk, en 2 in het kerspel Oosterwolde, de verre uiteenligging der gemeente maakt dit getal zeer noodzakelijk. De onderwijzers zijn J. van der Weide, J. van Rulder en A. Post dezelve genieten eene genoegzame bezolding.

c. 
De schoolvertrekken zijn in een goede staat. 

d en e.
Memorie

Gestichten en inrigtingen van liefdadigheid.

a. c. Memorie

  1.
De toestand der Diakonie is bekrompen.
  2.
Het getal der behoeftigen, hoezeer niet alleen door de Diakonie bedeelt wordende maakt ongeveer het vijfde gedeelte der bevolking uit.

d en e. Memorie.

 Wegen en communicatien

  1.
De wegen en daarin zijnde werken zijn in een vrij goeden staat.
  2.
c. d. e. Memorie

Rivier en dijkwezen

  1. 
Er is slechts een dijk in dit ambt dezelve staat onder het beheer van een polderbestuur, en is in zeer goeden toestand, daar dezelve de ingedijkte landerijen tegen de overstromingen der zee beschut heeft dezelve uit dat oogpunt beschouwt eenen natuurlijken invloed op de waarde der pas genoemde landeerijen.
  2.
Memorie

 Militaire Zaken

  1.
b. c. Memorie
  2. 
De invloed der wet op de Nat. Militie, op de bevolking, de huwelijken, de Opvoeding en maatschappelijke betrekkingen en schijnt zich alnog niet werkbaar te doen gevoelen.
  3.
Memorie

Onvoorziene rampen en redens van dien.

  1. 
Behalve dat eenige weinige Personen door de kinderziekte zijn aangetast, hebben er geene besmettelijke ziekte geheersd.
  2.
Er is een ambts heelmeester Albertus van Sassenberg genaamd, en een ambts vroedvrouw Engelberta Klaassen huisvrouw van Wijnand van Leeuwen
  3. 
Memorie
  4.
De tot hiertoe ten platten lande bestaan hebbende vooroordeelen tegen de koepok inenting beginnen allengs hoe langer hoe meer te verminderen.

e.f.   Memorie

f. 
Er zijn in dit ambt geen veeartsenijkundige aanwezig.

Aldus opgemaakt bij mij Schout van Doornspijk den 5 February 1823
(Get.) H.B. van Jeveren


22
Hoofdschoutambt Overveluwe Gemeente Doornspijk

Staat in de Gemeente Doornspijk aanwezige bluschgereedschappen en Vigerende blusch reglementen.

Gemeente Doornspijk

Datum en nommer der Resolutie bij welke het plaatselijk brand reglement

Door de gemeente raad is gearresteerd = 22 april 1818
Door Gedeputeerde Staten is geapprobeerd = 15 augustus 1818, 3    

Getal der aanwezige bluschmiddelen

Groote brandspuiten = -
Draagbare brandspuiten = -
Perspompen = -
Aanjagers = -
Brandemmers lederen = -
Brandemmers houten = -
Watertonnen = -
Brandladders = -
Brandhaken = -
Brandzeilen = -
Groote lantaarnen = -

Aanmerkingen

Er zijn geene bluschmiddelen aan de gemeente behorende voorhanden echter moet ieder ingezetene ingevolge de bepalingen van het brand reglement voorzien zijn van een brandhaak en brandemmer.

Opgemaakt door het Gemeente Bestuur van Doornspijk

Den 19 februari 1823

Getekend
A. Raedt
H.B. van Jeveren


23
Doornspijk den 19 february 1928

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

In voldoening aan art. 1 en 3 van het besluit van den Heer Gouverneur dezer Provincie d.d. 3 Feb. j.l. 456/2 Prov. Blad 15 heb ik de U.H.W. Geb. hiernevens in te zenden den daarin verlangden staat benevens de deliberatie van den Gemeente Raad nopens het aanschaffen eener brandspuit in deze gemeente.

De Schout van Doornspijk
Get. H.B. van Jeveren


24
Aan den Heer Kommandant van de 7e afdeling Nationale Militie te Zwolle den 22 February 1823

Ik heb de eer Uw Edele Gestrenge bij dezen te sollicitieven mij te willen toezenden een attestmodel F volgens art. 94 m: m: der wet op de nationale militie van den 8 January 1817 1 constaterende den activen dienst van Reijer Trip als Plaatsvervanger dienende voor: Hendrik Veldkamp bij de 7e afdeeling na. Infanterie.

De Schout van Doornspijk
Get. Van Doornspijk
Get. H.B. van Jeveren


25
Verenigingen

Doornspijk, 22 february 1825

Aan den Heer Hoofdschout Van Overveluwe te Heerde

Aangaande den inhoud van U.W.H. Geëerde aanschrijving d.d. 17e dezer neem ik de vrijheid te rescriberen dat de afbakening der veenderijen door mij opnieuw zal geschieden zoodra de gesteldheid van den grond of de hoogte van het water, zulks slechts eenigzints zal toelaten, het welk vooralsnog niet is.

Dat die afbakening alnu zal geschieden op de maatstaf van Nederlandsche roeden waarmede ik veronderstel dat de lengtemaat en niet de vierkante voetmaat of oppervlaktemaat, zoodanig namentlijk dat de onverveend te laten strook grond / van 2 voeten / alnu de breedte moet hebben, van vijf Rhijnlandsche roeden drie voeten en acht duimen eene breedte welke ik meen te kunnen nagaan dat de executie van het besluit van L: M: hoogtens bezwaarlijk zal maken daar ik meen uit het Proces Verbaal  der afbaking te kunnen opmaken dat geen der eigenaren der veenderijen genoegzaam grond voor handen heeft om eene kade aan wederzijde van hun land aan te leggen ten breedte voorzegd daar eene kade van 63 voet Rhijnlandsche maat breedte eene aanzienelijke hoeveelheid aarde zal vereischen dat ik alvorens tot die afbaking over te gaan daarvan aan het Polderbestuur zal kennis geven even zoo als zulks te vorens is geschiedt, en dat ik gaarne daarbij alle bezwaren van het Polderbestuur zal trachten tegemoet te komen voorzover het besluit van Z.M. daartoe ruimte laat.

Wat de inzending der acte van borgstelling betreft, heb ik de eer U.W.H. te informeren dat de meesten derzelve in order zijn aan het bureau der hypotheken  ten verzoeke van de ontvanger der landelijke en Polderlasten, behoorlijk zijn ingeschreven, dat ik echter in het onzekere ben aan wien de grosse der acte van verband moet vermeld worden  uitgerekt te zijn, of aan de borgstellers zelve of ten name van een der ontvangers of ten name van het Polder bestuur, daar die acte zonder deze expresse vermelding te bevatten niet vermogen uitgereikt te worden indien U.W.H. Geb. mij dienaangaande geliefde in te lichten zou ik in staat zijn dezelve per volgende Post  over te zenden.

De Schout van Doornspijk
H.B. van Jeveren


26
Franschen Achterstand

Den 26 February 1823

Aan den Heer Gouverneur van Gelderland te Arnhem

De bij U.H.E.d.G missive d.d. 12 Feb. j.l. 600/15  2 afdeling ontvangene borderellen van liquidatiën van den Franschen achterstand voor de Personen van P. Alles en E. Heikes te Oosterwolde geef ik mij de eer Uw Hoog Edele Gestrenge bij deze te retourneeren als zijnde na nauwkeurig onderzoek gebleken bovengenoemde Personen alhier niet bekend te zijn.

Doornspijk De Schout van
H.B. van Jeveren


27
Den 27 February 1823

Aan den Heer Commanderend Officier der 7e afdeling nationale Infanterie te Zwolle.

Ik heb de eer Uw Edele Gestrenge  bij deze te solliciteren mij te willen inzenden een attest model F.  constateerende den activen dienst van Willem van der Linden als Plaatsvervanger dienende voor Willem Hendriksen Top bij het 3e Bataillon der 7e afdeeling nat. Infanterie.

 De schout van Doornspijk
(Get.) H.B. Van Jeveren        

Publicatie                                          

De schout van  Doornspijk gelezen hebbende het besluit van H.H. Gedeputeerde staten d: d: 5. February 1823 nopens de verbetering van den Paardenteelt brengt bij deze ter kennisse van de belanghebbende ingezetenen. Dat de hengstenkeur in deze provincie voortaan zal geschieden in de laatste helft van augustus of in de eerste helft van september, op de dagen door ged: staten, op voorstel der Commissie van Landbouw, te bepalen en ten bijwezen van den keurmeester.

Dat alle springhengsten, en dus ook de reeds vroeger goedgekeurde, jaarlijks op den bepaalde keurdag tot eene nieuwe keuring zullen moeten worden voortgebragt; zonder dat echter voor de reeds eenmaal goedgekeurde hengsten eenig keurloon zal behoeven te worden betaald, terwijl die hengsten, welke men verzuimen mogt tot herkeuring voor te brengen, beschouwd en behandeld zullen worden als afgekeurden, in voege als bij art. 6 van het gemelde reglement bepaald is.                                                             

Dat de houders van in vorige jaren nog niet goedgekeurde  hengsten, welke dezelve nu reeds tot dekking zouden willen doen dienen, hunnen hengst aan den keurmeester van het District zullen vertoonen, welke dezelve geschikt oordeelende, daarvan een schriftelijk bewijs aan den hengstenhouder ter hand zal stellen, welk document den laatstgenoemden regt geven zal tot op den eerstvolgende keurdag tot dekking te doen strekken.

En zal  deze worden afgelezen en aangeplakt waar zulks te doen gebruikelijk is.

Doornspijk, den 1 Maart 1823

De Schout voornoemd
(H.B. Van Jeveren)


28
Personeel der Schoolmeesters

Doornspijk 1 Maart 1823

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

Met deze heb ik de eer U.H.W. te berigten dat er gedurende de afgeloopene maand geene verandering in het Personeel der Schoolmeester heeft plaats gehad.

De Schout van Doornspijk
(Get.) A.B. van Jeveren


29
Aan den voormaligen kommandant van het vijfde bataillon Nationale Militie te Zwolle

Met deze heb ik de eer U.W.E te solliciteren mij te zenden een attestmodel F. constateerende het overlijden in activen diensten van taken van het Hof; deze persoon die abusievelijk in het Lotings Register; onder de naam van Eibert is ingeschreven en welligt ook in het stamboek onder dien naam voorkomt is een zoon van Eibert Jacobsen van het Hof en Aafke Hendriks behoort tot de ligting van 1814 heeft getrokken.

9 in dienst gesteld bij het voormalig vijfde bataillon nationale Militie en volgens informatie zou hij het hospitaal te Breda of op mars tusschen Arnhem en Breda zijn overleden.

Aangenaam zal het mij zijn hetzelve zoo spoedig mogelijk te ontvangen als zijnde de termijn tot inzending der vrijstellingen voor de lotelingen bepaald bijna verstreken.                                                                                                                                            

De Schout van Doornspijk
(Get.) A.B. van Jeveren


30

Aan den Directie van het Hospitaal te Breda.

Voor een loteling mijner Gemeente benodigd hebbende een attest constaterende het overlijden zijns broeders genaamd geweest Jacob van het Hof doch abusivelijk onder den naam van Eibert van het Hof bij het voormalige 5e bataillon Nat. Militie is in dienst getreden, zoon van Eibert Jacobsen van het Hof en Aaltje Hendriks en behoort hebbende tot de ligting van 1814 wellke volgens bekomen informatie in het hospitaal te Breda in 1814 zou zijn overleden, neem ik de vrijheid U.W.Ed. te verzoeken mij te zenden een extract uit het Register van overlijden of uit zoodanige andere aanteekeningen als tijdens het overlijden van voornoemde Persoon in het hospitaal voorhanden waren.

De Schout van Doornspijk
(Get.) A.B. van Jeveren


31
Doornspijk, den 10 Maart 1823

Aan den Heer Vrederegter van het kanton Elburg

In voldoening van Uw Edele Gestrenge missive d.d. 5 Maart j.l. heb ik de eer te verscriberen dat er geene zoodaanige willekeurige detentien of onwettige arrestatien en dit schoutambt bestaan als in opgenoemde missive gemeld.

De Schout van Doornspijk
(Get.) A.B. van Jeveren

 

 

32

 

Doornspijk, den 10 maart 1823

Aan den kommandeerende Officier der 7e afdeling Nat. Infanterie te Zwolle

 

Vernomen hebben dat het voormalige 5 Bataillon Nat. Militie thans tot de 7e afdeeling  Nationale Infanterie behoort zoo neem ik de vrijheid U.W.E. te verzoeken mij te zenden een attest constateerende het overlijden in activen dienst van Jacob van het Hof deze persoon die abusivelijk in het lotings Register onder den naam van Eibert van het Hof is ingeschreven en welligt in het stamboek ook onder dien naam voorkomt, is een zoon van Eibert Jacobsen / van het Hof / en Aaltje Hendriks behoort tot de ligting van 1814 en zou volgens informatien in het hospitaal te Breda of marsch tussen Arnhem en Breda in 1814 zijn overleden.

 

Aangenaam zal het mij zijn hetzelve zoo spoedig mogelijk te ontvangen, als zijnde de termijn tot inzending der bewijsstukken voor vrijstellingen der lotelingen bijna verstreken.                                                              

 

De Schout van Doornspijk

(Get.) A.B. van Jeveren

 

 

33

 

Doornspijk den 12 Maart 1823

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

  1.  

In voldoening aan art. 3 van het besluit van H.E.G. Achtb. H. H. gedeputeerde staten van Gelderland d.d. 19 feb. j.l.

9  Prov. blad 26 heb ik de eer U.H. Wel Geb. te berigten, dat er in dit schoutambt geene marken aanwezig zijn. 

 

 

34

 

Doornspijk den 12 Maart 1823

Aan den Heer Militie Commissaris van het District Zutphen te Zutphen

 

Met deze heb ik de eer Uw Wel Edele Gestrenge Den inventaris der bewijsstukken ter verkrijging van vrijstelling van den dienst der nationale Militie benevens de daarbij behorende attesten in te zenden, behalven die voor de Persoon van Beerd van het Hof wiens broeder in activen dienst bij het voormalig vijfde bataillon is overleden en waarvoor het attest mij nog niet geworden is zullende het zelve dadelijk na den ontvangst met het attest model U aan  Uw Wel Edele Gestrenge worden ingezonden.

 

De Schout van Door nspijk

(Get.) A.B. van Jeveren

 

 

35

 

Doornspijk, den 13  Maart 1823

Aan den Heer Inspecteur der directe belastingen in- en uitgaande Regten en accijnzen te Arnhem

 

Met deze heb ik de eer Uw Edele Gestrenge den ontvangst van den suppletoiren legger en het kohier der Patenten voor het 6e kwartaal van 1822 te berigten.

 

 

Publicatie

 

De schout van Doornspijk vernomen hebbende dat niet tegenstaande de daaromtrent gedane kennisgeving vele ingezetenen die met Petrie j.l. zijn verhuist of andere inwoners of dienstboden in hunne huizen hebben ontvangen, verzuimd hebben zulks ter zijnen kennisse te brengen maakt dezelve mids deze bekend, dat gedurende deze week ter secretarie van des morgens negen tot des middags twaalf

 

uren zal gevaceerd worden tot aangifte  van bovengenoemde verhuizingen hun waarschuwende dat degene die na verloop van dien termijn ondekt wordende dezelve   door den ambtsbode aan hun woonhuizen zullen worden opgenomen die voor zijne moeite, daarvoor twaalf stuivers zal genieten. – een ieder tevens aanmanende om voortaan alle veranderingen in het Personeel hunner huisgezinnen voorvallende binnen den tijd van drie dagen daarvan aan den schout kennis te geven ten einde zich vrij te waren voor de gevolgen welke daaruit voor de nalatene zullen voortvloeijen.

 

Doornspijk, den 15 Maart 1823

De Schout voornoemd

A.B. Van Jeveren

 

 

36

 

Doornspijk, den 15 maart 1823

Aan den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland te Arnhem.

 

In voldoening aan U.H.Ed.Gest: geerde aanschrijving d.d. 12 Maart j.l.  1096

1e afdeeling heb ik de eer te verschriberen dat de persoon van Willem van der Linden  zich niet in deze Gemeente bevind.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) A.B. Van Jeveren

 

 

37

 

Doornspijk, den 17 maart 1823

Aan den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland te Arnhem.

 

In voldoening aan het besluit van U.H.E.Gestr.: d.d.17 febr. 800/22

Prov. Blad 23 heb ik de eer U.H.E.Gestr.hierbij in te zenden de daarbij bedoelde lijsten B en C door de Gemeenteraad gearresteerd blijkens nevengaands Proces Verbaal  en U.W.H.Ed.Gestr. te berigten dat het getal der stemgeregtigde op de lijsten A. gebragt bedraagd 160 persoonen.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

38

 

Doornspijk, den 18 Maart 1823

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

In voldoening aan het besluit van den Heer Gouverneur dezer Provincie d.d. 6 maart j.l. 1071 Prov. Blad 36 heb ik de eer U.H. Wel Geb. te berigten dat er geene doofstommen binnen deze Gemeente aanwezig zijn.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

39

 

Doornspijk, den 19 Maart 1823

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

Ter voldoening aan het besluit van den Heer Gouverneur dezer Provincie d.d. 7 maart  j.l. 1010/6  Prov. blad 35 heb ik de eer U.H.Ed.Geb. te kennen te geven dat er zich geene vreemde in deze Gemeente niet te huis behorende bedelaars in dit schoutambt bevinden.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

40

 

Doornspijk, 22 Maart 1823

Aan den Heer kolonel kommandeerende de 7e afdeeling Nat. Infanterie te Zwolle

 

Uit een van den Heer Hospitaalmeester van het hospitaal te Breda, ontvangen dood extract constateerende het overlijden van Jacob van het Hof in voornoemd hospitaal is mij gebleken, dat genoemde persoon heeft gestaan bij de 3e kompagnie van het voormalige bataillon nationale Militie waarom ik mij de eer geef U.Ed.Gestr. Hiervan te informeeren en zulks ter voldoening aan UwEd Gestr geeerde missive

18 maart j.l. 51

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

41

Aan den Heer Hoofdschout van  Overveluwe te Heerde

 

Ter reschribeering op U.H.W.Geb. missive van gisteren is dienende dat de afbakening der veenderijen door mij al nog niet is geschied als hebbende de gesteldheid van den grond en de hoogte van het water zulks nog niet gepermitteerd.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

42

 

Doornspijk den 22 Maart '23

Aan den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland te Arnhem

 

Het bij besluit van den 13 maart j.l. 662/1 Prov. blad 36 ontvangen Paspoort voor den Persoon  van Gerrit Aalts heb ik de eer U.H.Ed. Gestr. bij deze te retourneeren als zijnde deze Persoon noch op het Register der verlofgangers noch in de Gemeente vinden.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

43

 

Doornspijk den 23 Maart 1823

 

Aan den Heer Militie Kommissaris van het Ressort Zutphen te Zutphen

 

De nog ontbrekende stukken bij den inventaris U.Ed.Gest. gezonde bij missive d.d. 12 dezer 36 gaan hiernevens het overlijden  in activen dienst van den Persoon van Jacob van het Hof kan tot heden niet anders bewezen worden dan door het hierbij zijnde dood extract het welk ik gemeend heb Provisioneel het attest model F zou kunnen vervangen.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

44

 

 

Personeel der Schoolmeesters

 

Deze is dienende U.H.W.Geb. te berigten dat er gedurende de jongstverlopene maand geene verandering in het Personeel der schoolmeesters heeft plaats gehad.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

45

Inzending der Periodieke stukken eerste kwartaal 1823

 

Doornspijk den 1 april 1823

Aan den Heer Hoofdschool van Overveluwe Heerde

 

Met deze heb ik de eer U.H.W.Geb: de staten en opgave van het eerste kwartaal van het jaar 1823 als de extracten uit het Register der huur en koopwaarde. 

2. de staten der vaccinatie.

3. de verklaring van de fungerende ontvangst der directe belastingen enz. aangaande de executiekosten.                                                                                 

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

Proces Verbaal

 

Op heden den veertienden april een duizend acht honderd drie en twintig des namiddags ten vier uren compareerde voor ons Mr. Henricus Boonzaier van Jeveren schout des ambts Doornspijk kanton Elburg, Arrondissement Arnhem, Provincie Gelderland de Persoon van Berend Lubbersen oud vijf en dertig jaren, van beroep boerenknecht wonende bij den bouwman Hannis Vos te Nunspeet schoutambt Ermelo kanton Harderwijk, Arrondissement en Provincie voornoemd, de welke aan ons heeft gedaan de volgende denunciatie: – Gisteren mijne schapen latende weiden in het land van Hendrik Steenbergen landbouwer te Doornspijk kwam Willem Engelen oud tien à twaalf zoon van Hendrik Engelen bouwman in laatst genoemd schoutambt wonende met zijnen hond daar voorbij wandelen welke het hond het land daar mijne schapenweiden doorging dezelve door elkander joeg en in zijne drift een van mijne lammeren heeft doodgebeten en vier anderen beschadigd.

Van al het welk wij dit Proces Verbaal hebben opgemaakt, het welk na gedane voorlezing, op tijd als bovengemeld door ons geteekend is: verklarende den denunciaal niet te kunnen schrijven. 

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

46

Doornspijk den 14 april 1823

 

Aan den Dijkstoel des Polders van Oosterwolde te Elburg

 

Bij missive van den  Heer Hoofdschout van Overveluwe d.d. 17 februari l.l. aangeschreven zijnde om ene nieuwe afbaking der onverveend te latene strooken gronds langs de Perceelen lands  waarvan de verveening bij besluiten van zijne Majesteit d.d. 25 mei en 23 juny j.l. is toegestaan te doen plaats hebben en zulks niet zoals te voren plaats had op den maatstaf van Rhijnlandsche roeden, maar op dien van de nieuwe nederlandsche lengtemaat, zoo heb ik de eer

U.W.Ed. te informeeren dat het voorneemen is gezegde afbakening op donderdag den 17 dezer loopende maand te doen geschieden inviteerende ik om U.W. om ter voorkoming van nieuwe misverstanden over dit onderwerp een lid uit het Polderbestuur te willen committeeren om bij deze afbaking tegenwoordig te zijn en alzoo door eene communicatieve handeling in deze zoo mogelijk een einde te maken aan de menigvuldige bezwaren welke dienaangaande reeds zijn te berde gebragt. 

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

47

Doornspijk den 16 april 1823

 

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

Met deze heb ik de eer U.H.W. Geb. in te zenden de grosse der acten van borgstelling der navolgende ondernemers van veenderijen in de Polder van Oosterwolde als van

den heer  E.R. Daendels

den heer G. Langen

den heer H. Kragt Senior

den heer H. Glins

terwijl ik van gedachten ben dat deze grosse aan den Heer ontvanger der Polderlasten te Oosterwolde behoren te worden uitgereikt als hebbende de Polder het Directe belang bij dezelve.

   

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

48                                   

 

Doornspijk, 17 april 1823

 

Aan den Heer  Hoofdschool van Overveluwe te Heerde

 

Voldoende aan de intentie van U.H. Wel Geb. missive van den zevenden dezer heb ik met den Dijkstoel des Polders van Oosterwolde voorlopig geconfereerd over de opnieuw te doene afbaking der veenderijen,  zoals die is voorgeschreven bij koninglijke besluiten van 25 mei en 23 juni j.l.: bij deze conferentie is het gebleken dat het Polderbestuur van Oosterwolde aan die besluiten en speciaal aan het laatst genoemde eenen anderen zin hecht dan ik zoude menen dat daarin vervat staat, het Polderbestuur vermeent namelijk dat de bepalingen van het convenant van 23 september 1801 door gezegd koninglijk besluit niet kunnen gealtereerd geacht worden voorzoo verre  betreft het verveenen van eenige kampen tot het Erve de Kopstouw behoorende welke ingevolge het Convenant onvervreemd moesten gelaten worden  alsmede met betrekking tot de strook gronds  langs de stouw terwijl hetzelve die gedachte daarop baseert dat door zoodanige bepaling de geheele nuttige  strekking van het convenant zoude verijdeld worden zoals zulks in vorige brieven van  het Polderbestuur aan U.H.W Geb. meermalen is betoogd geworden.

 

Hoe zeer ik genoegzaam inzien heb van het nut dat in de naauwkeurige  opvolging van voormeld convenant kan gelegen zijn, en derhalve overhel tot het gevoelen van het Polderbestuur om voormeld koninglijk Besluit in dien zin op te vatten zoo vermeen ik echter geene vrijheid te hebben om zonder nadere toelichting of autorisatie in het doen der nieuwe afbaking af te gaan van die wijze welke naar mijn inzien in voormeld besluit letterlijk staat voorgeschreven wordende zoo ik meen bij dat besluit geene kampen van het Erf de Kopstouw van de afbaking uitgezonderd.

 

Het is dehalven om aan den eenen kant te vermijden den schijn van op eigene autoriteit van de bepalingen van het koninglijk besluit te willen afwijken en aan den  anderen kant dien van de allezints goede bedoelingen van het Polderbestuur te willen tegenwerken dat ik na gemaakt overleg met het Polder bestuur mij genoodzaakt zie de vrijheid te nemen om alvorens tot die afbaking te kunnen overgaan U H Wel Geb: te verzoeken mij decisief te willen inlichten of U H Mil Geb. meend dat onder de te doene afbaking de bij het convenant bedoelde kampen al of niet behoren begrepen te worden.

 

Bij deze gelegenheid vermeen ik ook ter kennisse van U. H. Wel Geb. te moeten brengen de menigvuldige bezwaren welke door de eigenaren der veenderijen worden ingebragt tegen de afbaking naar de maatstaf der nieuwe nederlandsche zeden (?) als wordende daardoor in verscheidene kleine kampjes de mogelijkheid tot het voortzetten der verveening ten eene male weggenomen terwijl ik ook vermeen het veilig daarvoor te mogen houden dat het Polderbestuur deze  meerdere breedte  van de onverveend te laten strooken gronds geenzints noodzakelijk acht te meer daar in het convenant met den Heer Daendels ook slechts Rhijnlandsche roeden bedoeld wordt.

 

 

Nationale Militie

 

Publicatie

 

De schout van Doornspijk ontvangen hebbende een missive van den Heer Gouverneur dezer Provincie d.d. 19 april 1823 1688 /17 s afdeeling daarbij inzendende eenen nominative staat, der Personen die door de militie Raad zitting houdende te Zutphen voor een jaar of  voor altijd van den dienst der Nationale Militie zijn vrijgesteld welken  staat is van den navolgenden inhoud:

Fiat Inservio van den staat

 

 

49

 

Doornspijk den 26 april '23

 

Aan den Heer Officier bij de Regtbank van eersten aanleg zitting houdende te Arnhem.

 

Ik heb de eer U.E.Gestr. hierbij in te zenden een Proces Verbaal  van visitatie op heden gehouden, naar goederen ingevolge kennisgeving van den Heer Vrederegter des kantons Vaassen op heden ontvangen, in den nacht van den twaalfde op den dertienden dezer onder Epe gestolen bestaande in een ijzeren Herders schop  en haak benevens de steel of stok ik heb deze goederen provisioneel onder mijne bewaring gehouden; verzoekende U.E. Gestr. mij te informeren of ik dezelve aan den Heer Vrederegter van Vaassen ter Finale erkenning door de eigenaren of wel aan

U.E.Gestr. zal behoren te zenden.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. Van Jeveren

 

 

Proces Verbaal

 

Pro Justitia  

Op heden den zesentwintigsten April achttienhonderd drie en twintig des middags ten twee uren compareerden voor ons Mr. Henricus Boonzaaier van Jeveren Schout des ambts Doornspijk Provincie Gelderland Louis Marcal geregtsdienaar en Hendrik Martens Veldwachter de welke wij heden morgen ten elf uren ten gevolge eener kennisgeving van den Heer Vrederegter des kantons Vaassen van den vierentwintigsten dezer op heden ontvangen hadden last gegeven om naar zoeking te doen van immen, ijzerwerk en glas ten huize van Hermen Mulder, Berend Bouwman en Hendrik Bouwman onder Epe woonachtig in den nacht van den twaalfden op den dertienden deze maand gestolen  en hebben komparanten verklaar dat zij gezamenlijk met Martien Mulder, Berend en Hendrik Bouwman voornoemd ingevolgen hunnen last het Dennebosch van den Heer van Spaen doorzocht hebbende niets van de aangeduide goederen hebben gevonden en vervolgens gekomen zijnde ten huize van Lammert Leusink bijgenaamd Bijl in de Buurschap Aperlo te Doornspijk aldaar gevonden hebben een Herdersschop met eenen ijzeren haak er boven aan zijnde de haak gemerkt met een kruisje en de schop aan de eene zijde met een hoek eruit juist overeenkomende met de uitduiding welke daarvan door den eigenaar was gegeven dat zij daarbij bevonden hebben een stok van een Herdersschop waarvan de haak van boven was afgedraaid en waarop de sporen van een mes om boveneinde daar af te snijden nog zichtbaar waren, terwijl het ondereinde daar van gedeeltelijk gesneden  en gedeeltelijk afgebroken was.

 

Waarvan wij dit Proces Verbaal  hebben opgemaakt te Doornspijk op tijd voornoemd het welk na voorlezing door Louis Marcal en ons is geteekend verklarende Hendrik Martens uit te kunnen schrijven.

 

(Get.) L. Marcal

A.B. Van Jeveren

 

 

50

Doornspijk, 22 april 1823

                       

Aan den Heer Officier bij den Regtbank van eersten aanleg zitting houden te Arnhem

 

Ik heb de eer U.E.Gest. hierbij in te zenden het Proces Verbaal van denunciatie eener diefstal van Roggebrood in den nacht van den 21 op 22 april in deze gemeente op het Erf van Hendrik Top gepleegd ik heb op alle woningen in den omtrek die mij enigzints suspect voorkwamen doen nazoeken doch heb geene sporen van deze diefstal kunnen ontdekken.

                                                                     

De schout van Doornspijk

(get.)H.B. Van Jeveren

           

Op heden den 22 april een duizend acht honderd drie en twintig des morgens ten elf uren compareerde voor ons Mr. Henricus Boonzaier van Jeveren schout des ambts Doornspijk Provincie enz. de persoon van Hendrik Top oud vijfendertig jaren van beroep landbouwer in de buurschap Wessingen in dit Schoutambt Doornspijk woonachtig de welke verklaarde dat in den nacht van eenentwintigsten op den twee-entwintigsten dezer uit de oven bij het huis staande  en welke met klei gesloten was, waren weg genomen zeven Roggebrooden ieder van circa twaalf Ponden, en vermeende denunciant suspicie te hebben op eene Hendrikje van Kleef in de nabijheid van het Erf woonachtig.

Waarvan wij dit Proces Verbaal hebben opgemaakt het welk na voorlezing door denunciant benevens ons is getekend.

 

(Get.) H. Top

H.B. van Jeveren

                       

           

51

Doornspijk den 1 Mei 1823

 

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

Ik heb de eer U.H.Wel Geb. te berigten dat er gedurende de jongst verlopen maand geene verandering in het Personeel der schoolmeesters is voorgevallen.

 

De schout van Doornspijk

(get.)H.B. Van Jeveren

 

 

52

Doornspijk den 3 Mei 1823

Aan het Diakoniebestuur van Doornspijk

 

Ingevolge ontvangene aanschrijving van het Provinciaal bestuur van Gelderland heb ik de eer U.W.Ed. bij deeze te inviteeren eene commissie te committeeren om in den loop dezer week op zoodanigen dag als U.W.Ed. daartoe het geschiktste zal oordelen aan de huizen der ingezetenen rond te gaan ten einde met opene schalen in te zamelen de liefde giften ten behoeve van het fonds ter aanmoediging en onder-steuning van den gewapenden dienst in de nederlanden.

                       

U.W.E. verzoekende het montant der ingezamelde gelden ten kantore van den Schout te deponeeren.  

           

De schout van Doornspijk

(get.)H.B. Van Jeveren

 

 

Publicatie

 

De Schout van Doornspijk verwittigd mids deze een iegendlijk dat de kollecte voor het fonds ter aanmoediging en ondersteuning van deze gewapenden dienst in de nederlanden aan de huizen der ingezetenen van Doornspijk en Oosterwolde in de loop dezer week zal gehouden worden en zulks ten behoeve der gekwesten ten gevolge der gevechten bij Waterloo Quatrebras en in het afgelopen jaar bij Palenbang en Cheribon waardoor het aantal der uit bovengenoemd fonds bedeelde weder met twee en zestig Personen is vermeerderd, zoo dat de behoeften van dit fonds ook thans nog aanmerkelijk zijn gegroeid, en alleen door milde bijdrage tot ondersteuning van de alzoo in den strijd voor hun vaderland ongelukkig gewordene militairen of derzelver hulpbehoevende betrekkingen kan bevorderd worden.

 

Doornspijk den 3 mei 1823

De schout voornoemd

(get.)H.B. Van Jeveren

 

 

Waarschuwing

 

De Schout van Doornspijk brengt ter kennisse van alle de gene die zulks mogt aangaan dat ingevolge plaatselijke Reglementen het weiden of gras snijden voor vee op of aan de Publieke wegen verboden is, dat de gene die voortaan met vee langs de Publieke wegen of op de landen van Particulieren met vee gevonden worden om te weiden of met het snijden van gras in landen of heggen zullen vervallen in de boete

bij bovengenoemd Reglement bepaald zullende de Ouders voor hunne kinderen en de Bouwlieden voor hun knechten aansprakelijk zijn. En ten einde niemand hiervan onwetendheid voorwende zal deze worden afgelezen en aangeplakt waar zulks te doen gebruikelijk is.

 

Doornspijk den 3 mei 1823

De schout voornoemd

 

 

53

Doornspijk den 8 Mei 23

Aan den Heer Vrederegter des Kantons Vaassen

 

In voldoening aan eene bij mij ontvangen aanschrijving van den Heer Officier van justitie te Arnhem heb ik de eer hierbij aan Uw Edele Gestrenge in te zenden goederen welke bij de gehoudene visitatie ten huize van Lammert Leusink te Doornspijk gevonden zijn, zijnde een herdersschop en ijzeren haak benevens twee stokken, waarvoor verzoeke reçu aan den veldwachter Hendrik Martens brenger dezes mede te geven.

 

De schout van Doornspijk

(get.)H.B. Van Jeveren

 

 

54

Doornspijk den 9 Mei 1823

 

Aan den Heer Officier van Justitie in het Ressort Arnhem

 

In voldoening aan U.W.E. Gestr. Aanschrijving van den 2 dezer 477 heb ik de eer U.E.Gestr. te berigten, dat het huisgezin van Lammert Leusink in deze Gemeente in een zeer slechte naam staat, zoodanig dat wanneer in die buurschap iets vermist wordt, de oogen der naarsporing het eerst op dat huisgezin gevestigd zijn, te meer daar eenige leden van hetzelve meermalen als verdacht van diefstal zijn gedetineerd geweest; doch wegens hunne grote mate van geslepenheid en bij gebrek aan genoegzaam bewijs ongestraft ontslagen zijn.

 

De Schout van Doornspijk

H.B. van Jeveren

 

 

55

Doornspijk den 22 mei 1823

 

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

Ik het de eer U.H.Wel.Geb. Hiernevens in te zenden , het kohier der Ambt Lasten

voor den Dienst van het Loopende jaar; benevens de daarbij behoorende stukken.

 

De Schout van Doornspijk

H.B. van Jeveren

 

 

56

Doornspijk den 23 Mei 1823

 

Aan den Kommandeuren de Officier der 9e afdeling Nat. Infanterie te 's Gravenhage

 

Het is naar aanleiding van het besluit van den Heer Gouverneur deze Provincie d.d. 2 augustus 1820 6821/17 en van het deswegen bij mij gedaan verzoek van Gijsbert Opgelder Fuselier bij het Bataillon der 9e afdeeling Nationale Infanterie, die thans in zijn laatste dienstjaar is en zich met verlof in deze gemeente bevind; dat ik de vrijheid neem  U.E.Gestr. te verzoeken, aan gemelden Gijsbert Opgelder de bij de vereischte Permissie tot het aangaan van een huwelijk te verleenen.

 

De Schout van Doornspijk

H.B. van Jeveren

 

 

57

Doornspijk den 16 Mei 1823

 

Onderwerp

Woonplaats van den Schout

 

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

In antwoord op U.H.W. Geb en geëerde aanschrijving van den 12 dezer heb ik de eer te berigten; dat, daar zedert onheugelijke tijden de Schouten van Doornspijk met uitzondering  van een paar tijdvakken met derzelver huisgezin te Elburg zijn woonachtig geweest, als zijnde dit wegens de ligging van het ambt Doornspijk voor alle ingezetenen op verve na het gerieflijkste, daar Elburg juist in het midden van het ambt van Doornspijk gelegen en alle kanten niet meer dan 5 à 10 minuten afstand daarvan verwijderd is. Daar zelfs bij het voormalige reglement voor het Departement Gelderland gearresteerd in het jaar 1801 uit het bezef van het nuttige of onschadelijke dezer uitwoning bij art: 229 aan den Schout van Ermelo de stad Harderwijk en aan dien van Doornspijk de stad Elburg tot woonplaats word aangewezen. Het voorbeeld van zoo langen tijd en het volslagen gebrek aan eenig Lokaal inde Gemeente mij in de volstrekte noodzakelijkheid heeft gebragt om in deze het voetspoor mijner voorgangers te volgen.

 

In de overtuiging dat deze uitvoering aan de ingezetenen van dit schoutambt niet het geringste ongerief veroorzaakt, neem ik de vrijheid U.H.W. Geb. ten dringendste te verzoeken om door U.H.Wel Geb. vermogenden invloed te willen bewerken, dat ten opzigte meer naar de bedoeling dan wel naar den letter van het Reglement van het Plattelandss Bestuur gehandeld worde; daar toch Elburg van alle kanten door dit Schoutambt omringt als het middelpunt van hetzelve kan geacht worden, terwijl ik daarbij aan het U.H.Wel. Geb. wenschte in Consideratie te geven, dat de verpligting om met der daad met mijn gansche huisgezin mijne woning in Doornspijk of Oosterwolde te moeten vestigen, een wezentlijke en schier onoverkomelijke benadeeling voor mij zouden opleveren, zoo door de daaruit voortspruitende vermindering mijner middelen van bestaan als door de enorme kosten waartoe ik tot het aanschaffen eener woningen en tot het onderwijs, de opvoeding mijner zes kinderen zoude gedwongen zijn.

 

De Schout van Doornspijk

H.B. van Jeveren

 

 

58

In voldoening aan art. 10 van U.H.E. Gestr. besluit d.d. 8 april no 1556/12 Prov. Blad 48 heb ik de eer hierbij in te zenden de Processen Verbaal van de stemopneming voor de kiezers van de staten der Provincie.

 

Doornspijk, 14 mei 1823

Aan den Heer Gouverneur van Gelderland

De schout van Doornspijk

H.B. van Jeveren

 

 

59

Doornspijk, den 20 Mei 1823

 

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

In voldoening aan U.H.W. Geb. geëerde aanschrijving d.d. 12 dezer heb ik de eer u te berigten dat er gedurende het jaar 1822 twee personen uit de Provincie Overijssel alhier zijn aangekomen en er zich twaalf naar die Provincie hebben begeven – U.H.W. Geb.  tevens kennis gevende dat het mij in het vervolg gemakkelijker zal zijn om met juistheid te kunnen voldoen aan art. 4 van het besluit van den 28 jan. 1822  no 2720/1. Prov. Blad 67 uit hoofde door mij een legger is geformeerd houdende juiste opgave van alle personen wel zich in deze gemeente bevinden met nauwkeurige vermelding van derzelver tijd en plaats van geboorte, terwijl de ingezetenen in last is gegeven om van de minste verandering in het Personeel hunner huishouding voorvallende daarvan dadelijk kennis te geven, waarvan als dan in de kolommen daartoe bestemd behoorlijke aanteekening word gehouden, het welk mij voor het bezit van zoodanigen legger niet voldoende was.

                                                                                                                                                        

De schout van Doornspijk

H.B. van Jeveren

 

 

60

Doornspijk, den 26 mei 1823

 

Aan de Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

Ik heb de eer UH Wel. Geb. hierbij in te zenden Proces Verbaal der op nieuw door mij gehoudene afbaking der veenderijen in den Polder van Oosterwolde naar den maatstaf van nieuwe nederlandsche roeden en zulks met de veranderingen vervat in U.H.Wel.Geb: missive d.d. 24 april jl. aangaande het niet afbaken  van eenige kampen tot het Erf de kopstouw behorende overigens heb ik gemeende de strooken gronds welke onverveend moesten blijven te moeten berekenen op eene breedte van een en twee nederlandsche roeden lengtemaat, zijnde al ruim eens zoo veel als bij het convenant was voorgeschreven.

 

De schout van Doornspijk

H.B. van Jeveren

 

 

Proces Verbaal

 

Op heden den zevenden mei achttienhonderd drie en twintig des morgens ten negen uren hebben wij Mr. Henricus Boonzaaier van Jeveren Schout des ambts Doornspijk Kanton Elburg Arrondissement Arnhem Provincie Gelderland geassisteerd met de heeren Klaas van der Maten en Aart Labots als leden van het bestuur van Oosterwolde ten einde ingevolge invitatie van den Heer Hoofdschout van Overveluwe bij deszelfs d.d. 17 February j.l. in presentie van gemelde Heren overtegaan tot het opnieuw afbakenen der veendorpen naar den maatstaf van nederlandse roeden waarvan de voortzetting bij besluiten van zijne majesteit den koning der nederlanden  d.d. 25 mei 1822. 105 en 23 juny 1822 72  is akkordeerd en ten einde voldoen aan art. 5a van de besluiten van de H.H. Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 27 juny 1822 2, 3e afdeeling en 8 july 1822 4, 3e afdeeling hebben wij ons eerst begeven naar het erf de kopstouw aan den Heer E.A. Daendels toebehoorende en hebben bevonden dat de Perceelen 369 – 370 – 378 en 380 tuschen de groten weg en de zomerdijk gelegen voor het grootste gedeelte reeds waren verveend, echter aan alle kanten een strook gronds van circa eene halve nederlandsche roede / eene rhijnlandsche roede / en aan de zijde van de stouw circa  eene nederlandsche roede / twee rhijnlandsche roeden / was onverveend gelaten zijnde dit de breedte zooals die het convenant tuschen het Polder Bestuur van Oosterwolde en den Heer E.A. Daendels is bepaald, waarna wij aan de vierhoeken van elk Perceel ter breedte van eene nederlandsche roede behoorlijke baken hebben doen plaatsen om daarnaar de kade te doen aanleggen.

 

Van daar ons begeven hebbende naar het veenland van Peter Aalts Snee hebben wij bevonden dat in hetzelve zoowel  aan de zijden der wangen, als aan de noord en zuidkanten slechts eene geringe en onregelmatige strook grond was onverveend gelaten waarna ter bepaalde breedte behoorlijke taken hebben doen stellen tot daarstelling der vereiste kade._ Een dergelijk gebrek hebben wij bevonden in de Perceelen 512 – 513 en 306 waarvan Jan van Dijk Lz. is toegestaan geworden en hebben wij ook in deze  Perceelen de breedte der aanteleggene kade doen afbakenen.

Ons van daar begevende naar de Perceelen Lands 572 – 573 – 576 en 575 aan Gerrit Langen toebehoorende hebben wij bevonden dat aldaar eene vrij aanzienlijke strook gronds voorhanden was echter overal ongenoegzaam om een kade ter vereischte breedte naar den maatstaf der nieuwe nederlandsche roeden aanteleggen en hebben wij dezelve insgelijks in de vierhoeken kennelijk afgebakend.

Alnu gekomen zijnde in het veenland van Hendrik Mulder zijnde de Perceelen

1599 en 1600  hebben bevonden dat in dezelven eene kleine strook gronds voorhanden was welke niet dan met groote kosten ter vereischte breedte kan gebragt worden en hebben wij dezelve in de vierhoeken kennelijk afgebakend.

 

Ons onderzoek verder voortzettende hebben wij eindelijk bevonden dat in de Perceelen 206 en 207 aan Harmen Glins toebehorende de vereischte strooken in den omtrek waren gelaten en waar dit mankeert weder tot voorgeschrevene breedte zal kunnen worden aangevuld en hebben dezelve mede aan de vier hoeken kennelijk afgebakend. Zijnde door ons de Perceelen bekend onder 366 – 364 en 387, hoezeer insgelijks tot de kopstuw behorende  alnu onafgebaakt gelaten en zulks ten gevolge van dienaangaande ontvangene inlichtingen vervat in de missive van den Heer Hoofdschout van Overveluwe d.d. 26 april j.l. als moetende deze Perceelen ingevolge de bepalingen van het bestaande convenant tussen de Dijkstoel des Polders van Oosterwolde en den Heer E.A. Daendels d.d. 23 september 1801 onverveend gelaten worden.

 

Over het algemeen is bij het doen der afbaking der hier bovengenoemde veenderijen door ons opgemerkt geworden dat het bij de meeste Perceelen zoo niet bij alle ten eene male ondoenlijk is om eene kade ter breedte van eene kade ter breedte van een en twee nederlandsche roeden aan te leggen terwijl de vorderingen van den Dijkstoel van Oosterwolde zich ook nimmer verder hebben uitgestrekt dan tot de breedte van een en twee Rhijnlandsche roeden welke breedte alnog voor het nut der omgelanden en het behoud der wegen en waterkeringen volkomen genoegzaam geacht wordt. Van al het welk wij dit Proces Verbaal hebben opgemaakt enz.

 

De schout van Doornspijk

Get. H.B. van Jeveren

 

 

61

 

Doornspijk, den 1 juni 1823

Aan den Heer Hoofdschout van Overveluwe te Heerde

 

Ik heb de eer U.H. Wel Geb. te berigten dat er gedurende de maand Mei geen verandering in het Personeel der schoolonderwijzers heeft plaats gehad.

 

De schout van Doornspijk

(Get.) H.B. van Jeveren

 

 

62

 

Doornspijk, den 1 juni 1823

 

Aan den Heer  Hoofdschout van Overveluwe  te Heerde

 

In voldoening aan het besluit van den Heer Gouverneur dezer Provincie d.d.  12 mei j.l. no 2026/21 heb ik U.H.Wel Geb. hier nevens in te zenden de staat der Personen die uit het fonds der Diakonie eene meerdere bedeeling dan f 22 – 50  's jaars genieten U.H.Wel Geb. informeerende dat het Diakonie bestuur te kennen heeft gegeven dat er eenige huisgezinnen in de gemeente zijn die eene mindere onderstand dan f 22 – 50  Per hoofd 's jaars genieten en welke zij wel naar eene der koloniën zouden verlangen op te zenden doch daarvan geene opgave gedaan als zijnde hun fonds om ingevolge het gemaakt contract f 22 – 50 per hoofd te betalen daartoe niet toereikende.

 

De schout van Doornspijk

(get.) H.B. van Jeveren

 

 

63

 

Doornspijk, den 4 juny 1823

 

Aan den Heer Gouverneur der Provincie Gelderland te Arnhem

 

Naar aanleiding van art. 50 der wet op de Nationale Militie van den 27 april 1820

11 heb ik de eer U.H.Ed.Gest. hierbij in te zenden het Paspoort van Arend Bosman met verzoek mij het zelve met een certificaat letter L.L. Te doen toekomen.

 

De schout van Doornspijk

(get.) H.B. van Jeveren

 

 

64

 

Doornspijk, den 4 juny 1823

 

Aan den Heer Militie Commissaris van het Ressort Zutphen te Apeldoorn.

 

In antwoord op uw missive d.d. 26 mei j.l. heb ik de eer te berigten dat mij na onderzoek is gebleken dat de Persoon van Hendrik Berend Lange ongesteld en Eibert Steenbergen op reis is geweest en daardoor verhinderd zijn om op de inspectie te verschijnen, zonder dat dezelve mij hiervan te voren hebben laten informeren.

 

De schout van Doornspijk

(get.) H.B. van Jeveren

 

Transcriptie van Ingekomen stukken

  • woensdag 25 juni 2014 09:56

Stadsarchief Elburg
Inventarisnummer 170
 

Nummer 1
Extract.

Und so questie erresen is opt betalen van renthen, tinsen und dergeliken, gaend uth gudern, do bij desen troublen enige jahren niet gebruickt geweest sijn offt noch werden. Is guidt gevonden, de hern rähder tho versueken, dat oir eersamen gelieven willen up dit punct oir advise tho geven, und tselve bij geschrifte anstahnden landtdage den sementlike steden tho teschicken, umb darup geresolviert tho koemen, und alsdan eine gemene resolutie tho nemen.

Extrahieret uth den recessen des landtdages binnen Gelre geholden, und gesloten om 12 july anno 90. Bij mij,

Johan van Holthe, Elburgschen secretarius.

Testo manu propria
 

Nummer 2

Edle ernfeste (doorh.: ihnnsonn) mamhaffte fromme ihnnsonnde vilgunnstighe lieve frunnt. Hopmann Breenenn, negest meste ahnn u edele lieve dennstwillighe erpetunnghe, isth hetth schreibennt desses iegenwordeghenn breeffe niet sonnderlinnck dann alsoe hier thoe bevondt onnttrendt enen jaer verleedenn. U edele lieve belanngennde (doorh.: onleesb.) wat peerdenn bestlaadet ihnnt voer be[..]enenn unnsere medeburgerenn genant Berdt Hoeffsmit ahn unnse beloefft hadde, mit hem daer vann thoe accordierenn, hebben ich (doorh.: up) met (alsoe uwe edele lieve begeerdenn) dann uns Roloff Bueter, hem gevordett, unnd seinen met ugenstaennde he bavenn de 25 duitsche daeler soe vann uwe edele lievehem up verkennunge gesannt waerde, noch 22 der selver daeler noch (doorh.: onleesb.) unnse eisch de, met hem accordert, unnd alsoe gereeckent, datth so met meher dann [VL venn] duitsche daeler noch hebbenn soldenn, nochtanns well averlede, datth wanneer de peerde up het proferlickste, unnd mit alsoe bi eenen de tve herbargen peerde umb gelt holdenn, bestaedt waeren, kennden wall thoe velle thoe weesenn. Meher ahn gueseen deer geinn conter[..] vann bestaedinnge tott strecken penningen bescheidenn waeren, hebbenn wi met nander met hen konne handelenn. U edele lieve will nochtanns unnse tenn besten holdenn, weese wij up het [.]auste met anichs (nhaekommende u edele lieve begertenn) met hem hebbenn konnen ver- (doorh.: hanndelen) accorderen , dann wij met geenn sulcke saeckenn ihnt affweesent vann u edele lieve ten waere wij vann glieckenn meher frunntschap oick guede luiden vann derenhandel befordet soldenn willenn hebbenn. Unnd soe volle belanngende iss alss ugenwoerdich ahnn u edele lieden geschreven hebben wij up het versoeckent van iegenwordighen principaelenn niet konnenwagenn, nacht denn he sich beklaeget, dat unnse lastgeschrevene oick medde van [..] [..] toeckenne verhandelunge daar up vaficas rette gedraegen gannss geenn bescheit noch hidde bekommenn, alsoe datth hem mit solde konnenn verstaann [..] datth hen hier solde moegenn omme arresten. Begeerde nochtans u edele lieve (doorh.: onleesb.) salle unnses schriebenns daer umme niet thoe min griellich waesen.Doennde u edele lieve hier medde denn Almachtigenn stides ihnn [ ] schutz unnd scheinn beveelende. Ilenns uth [...].


2.2.
Denn edlenn ernnfestenn mannhafften unnd frommenn Hendrich vann Breenenn hopmann, unnsennt seer gunnstyghenn goedenn frunndth thoe behanndighenn toe Biessell.
 

Nummer 3

Ersame und vursichtighe bezonders goede vrunden. Wij halden u ersamen indechtich, wat het mit mue ende arbeit gecost heeft eer dat men den heren Raeden van Staten daerher heeft kunnen inducieren die midlen der steden und die contributie der platte landen vanVeluwen und der graffschaps Zutphen uut haeren handen in den gewalt deser landtschap volgen te latenn overwegen wij dan oick destoe meerderen vlijt hebben doen aenwenden, der toeversicht dat die midlen inden steden ter goeder trouwen ende ten hoochsten prijse verpachtet zolden worden om alzoe midlen te hebben die aengenaemene twe vendlen soldaten und die groete tractementen te connen betaelen. Jae wij sullen u ersamen niet verhalden, dat die heren Raeden van Staten die midlen ende contributie voirseid gern wederom uut handen deser lantschaps onder haeren bewindt brengen wolden, sich daegelix in haeren brieven verluyden latende, dat die onderdaenen der beider quartieren, ende die ingesetenen der selver steden nae haeren vermuegens nyet contribuieren, und derhalven gemeint te sijn, die midlen ende contributien aen sich te nhemen. Nu ist aen dem dat wij mitterdaat spueren, dat die midlen van u ersamen stat Elburch als oick der steden Harderwick ende Hattem daegelix je lenger je meerder declinieren und weiniger doen, twelck nyet zonder bedencken is. Soe befinden wij oick dat durch die groete roverijen die den armen inwoenderen der graffschaps Zutphen daegelix ende onophoerlick aen haeff ende beesten aengedaen wordt die selve inwoenderen dermaten uutgeteert ende verarmpt worden, dat het nyet muegelick sij, den twe bevolen haere betaelunghe langer vurthoe strecken, und die aengenaeme me tractementen toe betaelen, Soe kompt daer oick noch bij, wan eenighe streupers vanden viant gevangen worden, dat men uut die midlen ende contributie haere maentelicke soldije volgende

3.2
die placaeten sal moeten betaelen und daer mede die gevangens uut handen unser soldaten koepen ende ter justitie stellen. Wij geschwijghen die groete aenlaeghe [..] betalunghe der badeloenen kondtschaps ge[.]n ende andere extraordinaris lasten gedaen wordt, soe dat ons zeer vlijtich ende trouwelick versoeck und vermaen is, dat u ersamen dese saecke mit vlijt beharttigen ende volgens daeraen sijn willen, dat die midlen ten hoochsten prijse gebracht, ofte dat denselven sunst een ander toesat geschien muege. Dat insgelicken u ersamen schependomb aen deser zijden soe veel contributere als idt demviant geven moet, glick sulx in den schependom van Arnhem ende Wageninghen gedaen wordt. Und dat die penninghen suyver zonder eenige affkorttunghe van alde schulden ende andere beschwernissen tot onsere dispositie kommen ende blijven mueghen. Dan zoe vern daerinne anders gedaen zolde worden, sullen wij nootshalven (wie wol ongern) unse handen daervan moeten trecken ende daer mede den heren Raeden van Staten gewarden laten, liever dan dat wij die beide quartieren in schulden sollen doen verloepen ende diezelven daernae den moetwilligen kriechsluyden ter buyten kommen laten, twelck off het den steden ende den platten landen profijtelicken solden wesen geven wij u ersamen hiermede te bedencken. Und off wol wij ons versien u ersamen sullen sich hierinne der gebur verhalden,soe verwachten wij dannoch u ersamen wederbeschreven andtwoert ons daernae in desen hooch beschwerlicken handell te richten. Mit bevelch des Almechtigen. Geschreven Arnhem den 30en decembris XVc LXXXVX.

Die raeden des furstendumbs Gelder und Graffschaps Zutphen,

W. Sluijsken.


Nummer 4

Ersame ende voirsichtige besonders goede vrunden. Wij sullen u ersamen nyet verhalden, dat die heren Raeden van Staten ons vur zeckere corte daegen toegesonden hebben een placcaet ofte ordonnantie generaell, zoe opten court vanden gelde, als op die politie ende discipline betreffende dexecutie vandie munte ende muntslach. Mitsgaeders tstuck vanden wisselars scheiders affimers etc. om opten darden deses seckerlicken affgepubliciert te worden. Dwiell die affdrucken deselven placcaets zeer weinich int getall, ende oick zonder figueren der golde ende silveren penningen daerinne aengetaegen zijnde, avergeschickt sijn, behalven oick dat wij daerinne eenige swaericheiden befunden, die wij ierst aenden heren Raeden van Staten begeren toe gelangen. Soe hebben wij tzelvige alnoch nyet aversenden kunnen op dat averst u ersamen als oick die ingesetenen deser lantschap bij die evaluation ende ganck des geldes nyet te kort muegen commen. Soe seinden wij u ersamen zecker affschrifft der evaluation int voirgenoemde placcaet gestelt, omdie op naestcommenden sonnendach ter gewoentlicker plaetzen affkundighen te laten. Als wij die affdrucken und figueren hierbaven aengetaegen, behoirlicken ontfangen werden hebben, sullen wij die u ersamen toeseinden. Mit bevelch des Almechtigen. Geschreven Arnhem den 1en january XVc tnegentich.

Die rhaeden des furstendumbs Gelder und graffschaps Zutphenn.

W. Sluijsken.


Nummer 5

Eersame wijse und voirsichtige gunstige nabuiren und gude vrundenn. Wij worden van guden leuthenn voir waerhaftigh berichtett, datt Ernst Herman van den Bergh medt einen guden antall van crechsluiden tho peerde und tho voet sol wederom binnen stadt Deventer verfoegtt allenhe dan gelijckfals binnen weinigh dagen etlige hundertt in Zutphen heftt ankomen latenn, der entliger m[...] ergens waer [...]n anslach tho macken, als hebben wij wegen nabuirlichen verwandtschaftt und verbundtligen correspondentz nicht onderlaten moeghen beider tselfte meer er [.] alzoe ilendtz tandnertiren umb [..] in allen gevall medt guder wacht und thevorsichtt als wij doer die genade Godtz vil doen werden fuhr sachtligen toeversehen damede seine bloedtdurstigen meinongh moege frustriertt worden, ener erst wollen geleven hieraf onzeren frennden und guden nabuiren den van Harderwijk advertentie tedoen, und dienende dese tott ghienen anderen, fine steder befehlen de selfde ewer erst hirmede in die genedige beschirmongh Godtz almechtigh. Datum ilendts den 15en january anno 1590 veteri stilo.

Burgermeisteren schepenen und rhaidt der stadtt Hattem.


Nummer 6

Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. Wij sullen u eersamen niet verhalden, dat wij vuer twe dagen, soemen soldaten van hopman Baccart, d’welcke eenen huyssman onverschulder saecken hadden gefangen, deur ettlicke soldaten alhier garnison holdende, binnen deser stadt hadden doen brengen, und also d’voirsseide soldaten noch bij sich hadden drie gefangens vandenviandt, mit nahmen Gangolff van Vierholten, Heyntgen die Muller ende Gerrit van Dyren. Hebben wij d’voirsseide soeven soldaten, ende drie gefangens, mit een starck convoy van capiteyn Duytz soldaten binnen Arnhem doen brengen, versouckende aenden heren Rhaeden dat d’voirsseide drie gefangens, achtervolgende die placaten daerinne t quartier bij hoegher oevericheit gebroecken is, als apenbare stroepers ende roevers aenden lieve gestrafft mochten worden. Diewijll averst oir eersamen versoucken hiervan to hebben eenige particulariteyten, ende wij verstaen, dat dieselve gefangens, und insonderheit Gangolff van Vierholten voelerhande stroeperien omtrent u eersamen stadt solde bedreven hebben begeren wij u eersamen willen ons daervan bij brengeren deses guede informatie toecoemen laten, omme aenden heren Rhaeden, voerts overgeschickt to worden. Sullen oeck u eersamen niet verholden, dat Henrick van Brienen, d oltste aen ons gesonden heft seeckere ordonnantie, tot betalinge van sijne vacatien, slaende op u eersamen stades middelen ter sommen van hondert gulden gelijck u eersamen uuyt hierinne gelachte copie hebben to vernemen, und begeren derhalven dat u eersamen d’voirsseide penningenmit den aller eersten, alhier aen Brienens huysfrouwen

6.2
tegens overleveronge vanden voirsseide ordonnantie, ende quitancie daer toe dienende, bestellen willen,waerop u eersamen toeverlatich andtwordt, oeck van gelijcken bij brengeren deses verwachtende. Doen derselve hiermede den Almechtigein sijne godtlicken schutz bevelen. Datum den 22en january anno 1590.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.
 

Nummer 7

Edelle erentfeste, wijse ende voirsichtige heern. Ick heb in mijn gysterich schrijevent u edele lieden te weten gedaen dat ick u edele lieden me sampt des lutenantz bryeff den huisluiden solde voirhalden twelck als ick op huyden gedaen hebben mij dye huisluiden voir anttwort gegeven dat varleden in julio alhier placaten vanden Staten Generael sint doen publiceren dat geen soldaten onder die dartich ofte veeertich bij sich hebbende eenen lutenant, vendrich ofte corporael, anders nyet solden muegen passeren noch in die dorpen gaen om ietwas aenterichten ende den huisluiden te nemen ende want dye soldaten desen placaeten contrarie die solde mense muegen doot slaen wie wel dan wel soldaten hier soldaten gecoemen sint tot mermaelen van Harderwijck, Elburch, Hattum, so als oick van Sutphen ende Deventer endehebben yetwes willen attenteren ende die luyden beschedigen dan hebben wes noch toe hunluyden nyet gestadet want oick sulcke mandamenten opt dander sijde uuitgegeven sint. Ist daerom nyet billick, dat u edele lieden garnisoen sulx solde toe gelaten worden alhier perden to nemen den luiden alhier binnen booms dye van het een huis tot het andere zijden off ande muellen, ende naebuyr dorper, want sij dan sulx to doen hebben. Soe men dan dye soldaten nyet beschedicht heeft, hebben sij omt mij ende den huisluiden geen billix claegen. Schicken derhalven brenger van deessen, om u edele lieden bericht te doen endeverhoeren, off sich dye crichsluiden niet en sollen willen laeten geseggen, daerin ick fruntlich begeren u edele lieden tbeste willen om dit arme luyden wil, sulx wil ick getrue wechen verschuldigen. Dat aves dye soldaeten hebben gesacht tegens u edele lieden, dat ick yetwas solde hebben gesproeken opte die heren Staten vanden lande, yt gedacht ende geloegen, ende presisterende allen puntten bij mijn vorige schrijevent. Begerende u edele lieden tbeste in die saicken willen doen, sulx wil ick gene verschuldiygen. Met bevelungh des Almechtighen. Actum Vaesen den 17e february anno 1590.

U edele lieden goetgunstiger vrundt ende naebuyr,

R. L.S. van Ysendoren van Bloys.
 

Nummer 8

Ersame voersichtige ende froeme goede vrunden. Alsoe men bevindt, dat dye geene dye thynssen, heeren gulden, rijschvoeder ende roechhoender schuldich sijn, in ennige verledene jaeren seer qualick ofte als nyet hebben betaelt twelck es streckende tot kleinachtinge ende versmaetheit des furstendoms Gelre ende graffschaps Zutphen hoich ende gerechticheyt und soe wij nyet gedencken tselve voertaen langer te dulden, ofte te lijden. Is daeromme onsse ernste gesinnen ende beveel dat u ersamen in uwe stadt dese twee sonnendaegen na den anderen doet verkundigen dat alle dye geene dye thinssen, heeren gulden,rijcschvoeder ende roeckhoender van dyt ende verledene jaeren schuldich bynnen, nyettegenstaende dye thinsdaegen nyet gehalden op alsulcke tijden alsmen hyerbevoerens plege te doen waerinne nymant den heere mate te stellen nadem men nae gelegenheit des tijts dye thinsdaegen mach aenstellen ende halden alst best geleegen es und den thinsgenoeten ten besten geschiede dat se nyet overijlt en worden dat dye selve kommen op alsulcke daegen gelick dye rentmeister van Veluwen inden kercken sal doen publicieren en betaelen alle dye thinssen, heeren gulden, rijschvoederen ende roeckhoenderen dye sij schuldich binnen ofte indien sij nyet kommen en betaelen dat men alsdan terstont (sonder ennige simulatie ofte oochluckinge) allen den geenen dye opte gestelte daegen nyet betaelt hebben opt scherpste tot oere groete kosten daer voer sal doen executieren waer voer een yder sich sal hebben toe wachten ende sijnen schaede schutten. Geschreven tot Arnhem den 24en february XVcLXXXX.

Dy Raeden des furstendoms Gelre ende graffschaps Zutphen,

W. Sluijsken.

8.2
Aenschrivongh van Cantzler und Raden [te] publiceren dat een ygelick die thynts, rijstvoe[der] und roeckhoendeenr als herengelt schuldich waren dat die selve solden betalen, als anders op het hoechste geexecuteert worden 1590.

Den ersamen voersichtigen ende fromen burgemeistern schepenen ende raedt der stadt Elborch, onssen goeden vrunden.
 

Nummer 9

[Eer]same wijse voersichtige gunstige guede nabuyren ende frun[den]. Uuyt inliggende copie hebben u eersamen te vernehmen wes bij de aenwesende jonckeren ende magistraet der stadt Arnhem [...] t gericht van Veluwen is geresolveert, ende die heren Rhaeden volgent aen ons hebben overgesonden omme dese saecke [...] u eersamen ende den jonckeren aldaer woenende toe gelangen. Und sullen derhalven u eersamen niet verholden, dat wij dese saecke met die alhier aenwesende jonckeren gecommuniceert hebbende, wij well guedt vynden, dat iet gericht op Veluwen geholden mochte worden, dan sollen vuer all noedich achten, datmen sich van wegen die beswaernissen die daeruyt to verwachten staen, vuer eerst met gemeen advis van ritterschap ende stedegesandten vergeleecken hadde. Als nemlick, off men oeck solde gestaden, dat der schuldenaer offte verweerder, niets erleggende die binnenjaersche pacht offte verschenen renthe, vant verjaerde solde dach op sijn vuerspraeck moegen nehmen. Item hoe datmen met die executie ende lijten der panden procederen solde off niet dieselve solange optes verweerders schade ende bate solden moeten wesen tot ent sij inden steden gebracht ende gelevert weren. Item hoe datment holden solde mitten guederen die ledich ende ongebruyck sijndt gebleven, off die creditoeren evenwell oere renthen daeruht manen, offte met recht solden eijschen moegen. Item waerinne endehoe veer dat die huyssluiden ende schuldenaers oere vernoidt sijnnigen solden genieten moegen. Item also der drost sijn bancke solde moeten spannen in offte vuer den steden

9.2
daer onder die dorperen van des for[...] sulcx die goene die int ampt van Bo[...] mit recht to spreecken hadden van hier bi[...] moeten compareren, ende die van Arnhem in anderen ampt[en] wederom alhier offte elders, twelck dan [.]tgroet ge[..] solde gescheen moeten, will oeck noedich sijn to adviseren wat daerinne an bequaermsten sij vuer to nehmen [...]. Lastlick solden wij vuer deser tijt oeck gantz geschelick achten, dat men idt gericht inden steden solde holden, dan solden voel bequamer ende min geschelick achten, datter vuer den steden geholden mochte worden. Edoch will vur[..] all noedich sijn dese voirsseide beswaernissen op eenen quartiersdach bij gemeen advis van ritterschap ende stedegesandten, vuer eerst affgedaen worden, daermit dat alle vergefflicke costen vermijdet, ende dat idt gericht oeck ordentlick geholden, ende niet onfruchtbaerlick werderom mocht affgaen, twelck wij dan uwer eersamen gueder meinonge niet hebben sullen verholden, die wij hiermede (mits hierop een toeverlatich andtwordt bij brengeren deses verwachtende) den Almechtigen in sijnen godtlichen schutz doen bevelen. Datum den 27en february anno etc. tnegentich.

Burgermeisteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.
 

Nummer 10
Copia copia.

[De] aenwesende jonckeren und die magistraet der stadt Arnhem, gesien het schrijvens der ersamen van Harderwijck aen die heren Rhaeden des furstendoms Gelre und graffschaps Sutphen gedaen und [oir] lieden und ersamen om daerop to adviseren, toe handen gestelt betreffendt het gericht van Veluwen, vynden guedt dat tselve gericht inder steden gehalden worde, van binnen jaersche renthen und pachten und van schaden ende schult. Doch bij provisie und sonder der platten landen und yemandts anders prejuditie, welverstaende dat den heren Rhaeden believe to schrijven aen den drost van Veluwen, umb hierop met der ritterschap ten plattenlande to beraetschlagen und volgents van sijn und oir lieden bedencken to andtworden. Dat oeck gedachte heren Rhaeden den ersamen van Harderwijck wallen rescriberen, dese saecken mede ter gelangen an die van Hattem und Elburch sampt den jonckeren aldaer woenende und die Raeden van oire und derselver meynongh to verstandigen, umb alsoe met eenhelligen consent in die saecken gedaen to worden nae behoir. Den 19e february CXc. (Onderstondt) ter ordonnantie derselver. ( Onderteycken) P.Verstegen secretaris. (Noch leger stondt) Nae collatie accordeert dese copie met sijn originaell orkondt mij W. Sluijsken.
 

Nummer 11

Erentfeste wallgunstighe [ende] [ge]beedende heeren. Ick hebbe gisteren u eersamen breff untfanghen ende dem intholt verstaen van weeghen der husluden van Dorspick. So ist datt een grote rume tit utgheseelt ghevest is als ock mijn eeghen lant pacht bienen hebbe dar laeten in holden endvan sijnnent weghen desse penninghen weer tho untfanghen, ende derhalleven dem untfanghene Coenert Nagghen de ick niett en twijvele de vorseide penninghen meren deell untfanghen tho hebben verscheyden maell versocht um mijn betaelinghe tho hebben dar ick niet van hebbe konnen becoemen dan worden also dat mij niet langher gheleeghen is tho wachten dan se tho executeren follegens mijnne comissie desses haeves vermits melt Nagghe vorseid niet en se ten ende tho coemen. Neettemyn byn ick gheneghen mijn heeren the ghefall hor luden feerthin daeghen van und an utt stellinghe tho gheven ende langher niet ende beghere

11.2
dat u eersamen gunstelick gheleve hor luden tho vermaenen, dar se mij up sullick tit betaelen up dat dar als dan ghene moeyte enduncosten up en gheschee de ick van hartten ock gherne ghemydelt seeghe alst weesen kon etc.

Ick sicke u eersamen ock hir bij gaende tho de ordenancie van de schipperen folleghens u eersamen versoeck solde aleer ghescheet hebben hadde de secretarius sullicks bij konnen brenghen. Hir met wyll ick u eersamen in schutts des Almachtighen befeelen. Datum ilent in Hardervick anno 90 dem 7 martz.

U eersamen goetwyllicher frundtt.
 

Nummer 12

Erntfeste, wijse, voorsieninge heeren.

Wij hebben uwer eersamen bij desen tot dienste vanden lande wel willen versoucken ende nyettemin vermanen, de compaignye van capitein Jan de Gijsselaer, van een bequaem schip ende eenige vuirs, te willen voorsien.

Daermede deselve compaignye getransporteert sal mogen worden tot binnen Willemstadt. Waervan uwer eersamen behoorlijck contentement ende betalinge gedaen sal worden daer tselve behooren sal.

Hier mede

erentfeste, wijse, voorsieninge heeren, onser God zij met u. Gescreven in den Hage den 8en marty 1590.

Ter ordonnancie van gecommitteerde Raden van den Staten van Hollandt.

Get. onleesbaar, 1590.
 

Nummer 13

Erzame und vurzichtige bezonders goede vrunden. Alzo u erssamen in date den twintichsten verlopenes maents marty aen ons geschreven willich to zijn XX off XXV reuter vasn den ritmeister Pierre de Vosijn intonhemen op alzulcken conditien als die van Harderwick. Nu ist aen dem dat die van Harderwick die halve vaene presentieren inne to nhemen, onder conditie dat die reuter met etlicke peerden des daeges omtrent und om die (doorh.: zelve) stadt solden cracht halden, des solden zij wederom van die nachtwake bevrijet zijn, daerop wij met den ritmeister Vosijn gespraecken, die zulx te doen willich is met presentatie sich in aller goeder corespondens und eenicheyt met u erssamen und derselver burgerschap te zullen halden, als oick dat hij niet meer als dartich und eenunddartich peerden binnen Elburch sal legen, so dat wij verhaepen u ersamen zullen hierinne gheen swaricheyt maecken und ons reschribieren de reuter daerop te zullen aldaer doen kommen. Met bevelch des Almachtigen. Geschreven Arnhem den vierden aprilis XVc negentich.

Die Raeden des furstendombs Gelder und graeffschaps Zutphen,

W. Sluijsken.


Nummer 14

Erzame und vursichtige bezonders goede vrunden. Die richter van het Oldebroeck Segewalt ten Herenhaeff beclaget sich aen ons aver den dat u erssamen stadtdiender Derck Jacobssen und een borger hopman genoempt Brandt van Erller, geassistiert sijnde met verscheyden burgeren van der Elburch, sich in decembris naestleden hebben gelusten laeten eenen huysman zijnes aenbevalenen ampts, Heyman Bernssen genaempt, uut des herenbanden (daerinne hij van wegen zijner schuldiger contributon penningen, und anderen moet will was geset) met gewalt te ontledigen. Als insgelicken aver dem, dat eyner genoempt Herman Lubberssen oick zijnes ampts gewezen onderdaen ende alnu van wegen verweygerongh van vier maenden contributie to betalen, daer uut geweken, und binnen Elburch zijn woenongh genaemen, hem baven die vursseide verweygerongh dreicht doet te staen ende verzoeckende hierinne van ons alzo verzien te worden als wij nae rechte und tot handthavinge der hoicheyt ende gerechticheyt des heeren, und des ampts vursseid dientlick ende noedich bevinden solden. Dwiell ons dan ampts und eets halven hierinne toe remedieren gebuert, und het dan u erssamen noch derzelver dieneren off burgerschap niet betaempt inder heeren hoicheyt eygener gewalzamer daet to gripen, demnae is ons ernst gesinnen und bevelch dat u erssamen sich alzulcker daethandlongh (betreffende die daetlicke relaxata des huysmans Herman Bernssen) hinverner onthalden

14.2
und daervan aen onssen handen geburlicke affe racht doen, laetende den richter vurgenoempt sijn offiecie aver zijnes ampts onderdaenen exercieren, als hij ampts und eets halven verplichtet, doch daer u erssamen ietwes deden bevinden, bij den richter baven recht geattentiert to wesen, dat u erssamen sulckes aen ons sullen gelangen laeten, om nae behoeren gerichtet to worden, sonder dat u erssamen sich teniger tijdt met inbrueck der hoicheyt des heeren sich selffs richten und anderen een quaet exempel gheven, dat insgelicken u erssamen tegens den vurvluchtigen Herman Lubberssen alzo doen verzien, als die geclaegte daet ervordert und in equiteyt bevonden zall worden, und inzonderheyt hem daerher te holden, dat hij zijne schuldighe contributie betaele, und van alle dreigementen und leeste sich onthalden und ons dezes alzoe tot u erssamen verziende, bevelhen wij diezelvighe in schuts des Almachtighen. Geschreven Arnhem den 13en aprilis XVc negentich.

Die Raeden des furstendombs Gelder und graeffschaps Zutphen,

W. Sluijsken.


Nummer 15

Erzaeme und vurzichtige bezonders goede vrunden. Uut inliggende copie autenticq zullen u erssamen verstaen wat opt neuwes bij den heeren Raeden van Staten geresolviert is, betreffende die vaene reuteren vanden ritmeister Pierre de Vosijn. Zoo wij dan die neuwe patenten, beyde gedatiert zijnde den 21en dezes stylo novo den vurgenoemde ritmeister toegesonden. So zullen u erssamen well doen diezelve reuteren achterfolgende het schrijvens van u erssamen intonhemen und taccommodieren, und deze tot ghenen anderen eynde dienende. Bevelhen wij u erssamen hiermede in schuts des Almachtigen. Geschreven Arnhem den 14en aprilis XVc negentich.

Die Raeden des furstendombs Gelder und graeffschaps Zutphen,

W. Sluisken.


Nummer 16

Erzame und vurzichtige bezonders goede vrunden. Deze dient om u erssamen toe verstendigen, dat wij met den alhier wezenden ridderschappen und magistraet op huyden geresolviert zijn eenen landtdach binnen die stadt Tiell to halden, te doen uutschrijven ons op eenige hoichnoetwendige puncten ons bij den heeren Generael Staeten aengeschreven und meer anderen geresolviert te worden. Dan dwiell wij gern u erssamen als oick aller anderer steden und der aldaer woenende ritterschappen meynonge ierst begeren to verstaen, offmen die ridderschappen opten platten lande sittende und alzo ten beyden zijden haldende sal verschrijven off niet, thomeer dwiel zulcke neutrale perzonen in anderen provintien niet verschreven worden. Als oick dwiell het bij den heeren Generael Staten geresolviert is, dat men zulcke perzonen tot ghenen bijkomsten behoert to verschrijven. Sullen daerom u erssamen wall doen deze zaecke met die aldaer tegenwoerdich sijnde jonckeren te communicieren, und ons daer op derzelver meynonge so balde moegelick (doorh.: te) rescribieren und daer u erssamen met den jonckeren aldaer resolvierden, dat men die neutralisten verbij solde schrijden ons in zulcken vall

16.2
die jonckeren die in u erssamen stadt woenen und van olts verschreven zijn naemhafftich to vermelden, want wij gern den landtdach zo balde moegelick wolden uutschrijven laten om binnen die stadt van Tiell gehalden to worden. Wij schrijven gelicke meymongh aenden anderen steden, und deze to ghenen anderen sijne dienende bevelhen wij u erssamen in schuts des Almachtigen. Geschreven Arnhem den den 14en aprilis XVc negentich.

Die Raeden des furstendombs Gelder und graeffschaps Zutphen,

W. Sluijsken.


16.3
[Quartiersdach] verschrijvinge toe Tiel. Wordt oock versocht be[...] off men den jonckeren onder contributie geseten oock op den landtdach verschrijven sall -- 1590.

Den erzamen und vurzichtigen burgermeesteren schepenen ende raedt der stasdt Elburch onzen bezonders goeden vrunden.
 

Nummer 17
Copie.

Edle erentfeste hoochgeleerde und wijse zeer lieve bezondere. Wij hebben twe uwer lieden missiven, een van den achten ende dander vanden 10en deser op gisteren wel ontfangen, ende belangende die vanden achten daerbij u lieden hebben overgesonden copie vandie missive vanden magistraet van Harderwick ende extract uut zeckere missive, hebben mit verwonderinge daeruut verstaen dat die resolutien te voerens genaemen om die compangnie reutteren van Voisin binnen Harderweick ende Elburch te verdeillen, verandert zolde zijn ende dat die reutterenn elders tdaer sij beter dienst als aldaer tot Harderwick doen conden gebruikt zouden worden zoe wij daervan gants nyet weten, noch bij onsen, noch der heren Generaele Staten resolutie boecken (dye wij te dier fine hebben doen deursien ende visitieren) int minste daervan nyet en vernemen, maer ter contrarie hadden nyet anders gemeynt, off alsulcke resolutie zoude achterfolgende onze avergesondene patenten, ende tgeene zo bij ons zelven als onst den herenn gedeputierden uut desen Raede tUttrecht geweest zijnde verscheyden gelicke is geschreven al geeffectuier[t] geweest zijn. Ende zoe wij nu bij u lieden schrijvens anders vernemen ende wij gelicke wael die reutteren binnen der voirsseide twe steden ten hoochsten noodich achten als daerdeur des viants excursien ende knevelerijen op straten ende wegen merckelicken belet connen worden soe seinden wij u liedendaertoe bij desen weder aver nyeuwe patenten. Met ernstigen versoecke dat dezelve deur [..] positie van haere authotiteit de eyntlicke versieninge doen dat dien volgende die reutteren vertrucken ende inden voirsseide twe steden ondergebracht werden muegen zonder daerin eenich vorder dilay ofte vertrek te laten vallen uut u lieden missive vanden 10en deser ende dese nyet dienende tot anderen fine willen wij hiermede edle erentfeste hoochgeleerde ende wijse zeer lieve bezondere vel indie protectie des alderhoochsten bevaelen hebben. Uut tGravenhaege den 21en aprilis 1590.

Was geparagrafiert hern Domna; onder stondt; ter ordonnantie vanden Raede van Staten der vereenichde Nederlanden ende was onderteickent G. van Zuijlen, dat opschrifft was dese: edle erentfeste hoochgeleerde ersame und wijse zeer lieve bezondere die Raedenn des furstendumbs Gelder ende graffschaps Zutphen.

Dese [.... onleesbaar ....]
 

Nummer 18

Erentfeste erzaeme und vurzichtige bezonders goede vrunden. Deze dient om u erssamen to verstendigen, dat wij met den alhier wezenden ridderschappen und magistraet op huyden geresolviert zijn eenen landtdach binnen die stadt Tiell to halden, te doen uutschrijven om op eenige hochnoetwendighe puncten ons bij den heeren Generaell Staten aengeschreven und meer anderen geresolviert to worden. Dan dwiell wij gern u erssamen als oick aller anderer steden und der aldaer wonende ridderschappen meynonge eerst begeren to verstaen offmen die ridderschappen opten platten landen sittende und alzoe tenbeyden zijden haldende sall verschrijven off niet. Ehemeer dwiell zulcke neutrale personen in anderen provintien niet verschreven warden, als oick dwiell het bij den heeren Generaell Staten geresolviert is dat men sulcke personen tot ghenen bijkomsten behoert to verschrijven, sullen daerom u erssamen well doen deze saecke met die aldaer tegenwoirdig zijnde jonckeren te communicieren, und ons daerop derzelver meynonge zo balde moegelick rescribieren und daer u erssamen met den jonckeren aldaer resolvierden, dat men die neutralisten verbij solde schrijden ons in zulcken vall die jonckeren die in u erssamen stadt wonen und van olts verschreven zijn

18.2
naemhafftich to vermelden want wij gern den landtdach so balde moegelick wolden uutschrijven laeten, om binnen die stadt van Tiell gehalden to worden. Wij schrijven gelicke meynonghe als baven aenden anderen steden und deze tot ghenen anderen fine dienende bevelhen wij u erssamen in schuts des Almachtigen. Geschreven Arnhem den 14en aprilis XVc negentich.

die Raeden des furstendombs Gelder ende graeffschaps Zutphen.

W. Sluijsken.

18.3.
Paket, waar in van A- -N.

Den erzamen und vursichtigen burgermeesteren schepenen ende raedt der stadt Hatten onzen bezonders goeden vrunden, Hattem.
 

Nummer 19

Ersame wijsen voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. Alsoe die heren Rhaeden vuerhebbens synnen, eenen gemeenen landtdach ter aller eerster gelegentheit binnen Tyell uuytoschrijven, und averst vuer eerst begeren to weten der jonckeren ende deser steden advis, op seeckere fuergevallene gravamina, daerinne sich oer eersamen sampt ritterschap ende magistraet der stadt Arnhem, niet hebben konnen vergelijcken, gelijck dan sulckes oer eersamen aen ons gedaene schrijvent medebrengt, ende die alhier bijgaende missive aen u eersamen ongetwijvelt ferner sall uuytfuyhren, hebben wij noedich geacht, dat wij onse resolutie ende guedtbeduncken eenhellichlick daerop nehmen, ende aen oer eersamen overschrijven solden, und daermit sulckes met der ersamen van Hattem minste gefahr costen ende moeyte gescheen mochte, hebben wij oer eersamen aengeschreven, dat tegens naestcoemende manendach, des daeges nae paeschen vuer den middach onse gecommitteerde nebens die alhier aenwesende ritterschap binnen u eersamen stadt erschijnen solden, waervan wij u eersamen bij desen well hebben willen adverteredie wij hiermede den Almechtien in sijnen godtlicken schutz bevelen. Datum den 16 aprilis anno 1590.

Burgermeesteren schepenen ende rhaed der stadt Harderwijck, Brinck.


19.2
Bijkomsten binnen Elburch beraemt om advys ten landtdage dienende over te schrijven - - 1590.

Den ersamen wijsen ende voirsichtigen burgemeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Elburch unsern gunstigen goeden nabuyren ende frunden.
 

Nummer 20

Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. Also wij seeckere advertencie gecregen, dat ter voele soldaten uuyt verscheyden vendelen binnen Sutphen ende noch twe vahne ruyteren ende twe vendelen knechten binnen Deventer ingecoemen, ende dat daervan die eene halve vahne binnen Sutphen voerts vertrocken solde sijn. Und dit allet onder een schijn offte decxell (gelijck der viandt doet verspreyden) dat hopman Lokema als morgen den dach een kynderbier sall geven binnen die stadt van Sutphen, allwaer dat dan grave Harman, die crijchoevericheit uuyt Deventer mede sall bijkhaemenallet welcke niet en is sonder groete presumptie van eenige aanslaagen die der viandt op handen mochte hebben. So hebben wij niet konnen underlaten u eersamen bij desen daervan to adverteren, omme des to beter guede wacht ende toeversicht to draegen, begeren mede dat u eersamen anden ersamen van Hattem gelijcke advertencie hiervan doen willen ende dese toe goeven anderensins dienende, doen u eersamen hiermede dem Almechtigen in sijnen godtlicken schutz bevelen, datum den 18e aprilis anno etc. 90.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.

20.2
Toeversicht te nemen op des vijants voernemen -- 1590.

Den ersamen wijsen ende voirsichtigen burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Elburch unsern gunstigen guden nabuyren ende frunden.
 

Nummer 21

Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. U eersamen schrijvent is ons bij brengeren deses behandet, dieselve daerop uwe antwoordt vuegende, als dat die dre schuyten bijdenconvoyen verleden nacht alhier aengebrocht synnen avermits dieselve buitendijcks ant vuerlandt, ende onversloeten tot sessen toe bevonden sijndt, sulcx dat der viandt dieselve lichtelick ende so well als sij hadde konnen mitnehmen ende tot stroeperien opter die gebruycken, twelck wij u eersamen tot versochten andtwoordt niet hebben sullen verholden, met begeerte u eersamen willen ons die verkalen vandenjungste aldaer geholdenene bijeenkhompste voerts oever senden, twelck verwachtende. Doen u eersamen hiermede dem Almechtigen in sijnen godtlicken schutz bevelen. Datum den 23e aprilis anno XVc tnegentich.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.
 

Nummer 22

Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. Dese sall alleene dyenen om u eersamen te adverteren, dat der rittmeester Pierre de Veysen, dese morgen alhier is angecoemen sijnde, omme met sijn halve vahne ruyteren volgende sijn patent alhier garnison to holden, wij willich sijnen, d voirsseide halve vahne anstondts alhier intonehmen, ende t accomodieren, begonnen u eersamen willen onbeswaert sijn, die ander helffte oeck aldaer van gelijken intonehmen. Mits bevelonge des Almechtigen. Datum den 34e aprilis ann1590.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.

22.2.
Ruyteren in te nemen- - 1590.

Den ersamen wijsen ende voirsichtigen burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Elburch, unseren gunstigen gueden nabuyren ende frunden.
 

Nummer 23
Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. Alsoe ons capiteyn Olthoff hefft to kennen gegeven dat u eersamen sich weygerich maecken int onderbrengen van soeven offte acht soldaten avermits dieselve niet to gelijcke met die anderen aldaer synnen angecoemen, ende uuyt quade suspicie als off die voirsseide soldaten op onse versouck vanden hopman weerom derwaerts gesonden, hebben wij niet sullen naelaten u eersamen mits desen to adverteren, dat wij die hondert soldaten, vermoege die ontfangene patent van sijn excellencie ende den heren Rhaeden van Staten alhier ten vollen ondergebracht ende geaccomomodeert hebben, und dat oeck die voiesseide soldaten niet op onse versouck synnen naegesonden den dat dieselve vorsende mit mehr anderen uyt deser stadt getoegen naer den viandt dwelcke sich vuer deser stadt int velt hadde sihen laten, dieselvige niet so geringe sijnnen wedergecoemen, offt die ander soldaten synen albereets to schepe geweest ende dat sij over sulcx des anderen daeges hebben volgemoeten ende dese tot geen anderen fine dienende, doen u eersamen hiermede in schutz des Almechtigebevelen, datum den 26e aprilis ann1590.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.

23.2
Soldaten in to nemen doch wat reden -- 1590.

Den ersamen wijsen ende voirsichtigen burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Elburch, unsen gunstigen goedennabuyren ende frunden.
 

Nummer 24
Copia.

Edle erentfeste ersame (doorh.: wijse) und vursichtige bezonders goede vrunden. Wij hebben het schrijvens twelck u lieden und ersamen aen ons uuth Elburgh in date den 21en deses gedaen opten 27en deselelven ontfangen und tselvige der aenwesender ritterschafftt und magistraett alhyr voergelesen und gecommunicert hebbende vuegen wij u lieden ende ersamen midt derzelver ritterschaftt und magistrats advys, hiermede vuer andtwordt, datt die steden der anderer quartieren und die daerbinnen woenende ritterschafftt, eenes gefuelens midt u lieden und ersamen sijnn, int verbij schrijden der op ten platten landen sittender ritterschafftt. Soe datt wij in die verschrivongh ten landtdage daermede gelijckhendtt sullen halden, und sulcks sonder prejuditie ofte naedeell eener yderer gerechtigheitt. Und zoe den van Tyll opten lesten gehaldenen landtdagh belaeftt is worden, datt men den daernaest volgenden landtdach bynnen Tyell zolde halden. Soe weeten wij daerinne der landtschaps meynonghe niett the veranderen opten welcken landtdach men op die midlen zall moeten beraedtslagen daer der heer cantzeler, Gelder mede Brienen, oire legation galdt zeckerlich becommen moegen, und eer end befuerendsdatt opten landtdach, daerthoe noetdurftige midlen bedacht zullen wesen, zoe laet men het zoe lange daerbij berusten, tott datt Brienen voirgenoemd selffs opten landtdach erschijne, mede nae gedaenen rapport, op dezelve midlen helpe beraedtslagenn und resolviren.

Watt die verlatunghe van Brienen antrefftt, sulcx laetmen verblijven bij, tgheenich wij vuer weinich

24.2
dagen midt advys als baven, gemelten Brienen selffs aengeschreven.

Verner datt u lieden und ersamen schrijven van vuergedachte van Brienen, versocht te worden, off der landtschaffts meynongh zolte zijn, den heren Raeden van Staeten, ten averstaen der gecommitterden deses quartiers, the authorizeren om mit die majesteit van Engellantt van wegen des secours af tho handelen. Daerop sullen wij u lieden ende ersamen nyett verhalden datt ons daervan alnoch geen schrijvens vanden heren Staeten Generall angecommen, soe dattmen vergeeffs achtet daerop te letten, ofte te andtworden, zoe wij die landtschaftt nyet representiren kunnen, daer averst Brienen, daer van een bezonder bevelch vanden heren Generall Staeten muchte becoemen hebben, sulcx begeert men ons toegesonden the worden om naerder daerop te lettenn.

Want u lieden end ersamen zullen bij sich selffs befinden datt ditt een saeke van Staten sij, daerop bij den heren Generall Staten erstelick gedeliberertt moett worden. Uns is woll bij den heren Generaell Staten anlangende die continuation, ofte veranderongh der der heren Raeden van Staten, dan niett van die verset engelsche handelongh, op wilche continuation dan oick als oick die instructie end gewise betalonghe derselven und daerbeneffens optt punct des stadthalders opten anstaenden landtdagh, geresolvirt zall moeten worden.

Alzoe u lieden und ersamen oick verner melden vandie haldunghe der gerichteren op Veluwen, und van die onwillicheidt der huisluyden in betalongh oerer scholtt. Als verner datt sick ettelike ampteren verweigeren int uut-

24.3
setten der contributions pennonghe, den afscheidt des jungste quartiersdach te achtervolgen. Midt versoek datt wij soe voell het irste angaett u lieden und ersamen ons gevoelen zolden averschriven, und belangende het tweede, datt wij die onwillige ampteren daerthoe solden helden des quartiers afscheidtt the achtervolgen, daerop kunnen wij u lieden und ersamen allet midt advys als verseid niet verhalden datt die beide punctten nergent beter sullen dienen om afgehandeltt te worden, dan opten landtdach voerseid alwaer die vorseide ritterschap und steden deses quartiers sich alsdan apart hierop sullen kunnen beraedtslagen als tott den meesten mitz zoe wall der steden ingesettenen, als onderdaenen ten platten lande woenende (doch in alles den landbrieve und alten gebruik ende insonderheit die hoicheidt des gerenn onafbreullich) zall befinden worden te behoeren und hirmede beveelen wij u lieden und ersamen den Almechtigen. Geschreven Arnhem den 27en aprilis XVc tnegentich.

Onder stondt geschreven; die Raeden des furstendombs Gelder und graefschaps Zutphen. Noch leeger stondt; W. Sluysken ) und in margine stondt; post date. Wij verlaten ons datt u lieden und ersamen sich selfs gefallen sullen laeten damidt wij tott uuthschrivongh des landtdages procediren moegen. Die opschrift was; den edlen erentfesten ersame und vursichtigen die ritterschappen binnen die steden Harderwijk, Hattem und Elburch woenende sampt burgermeisteren schepenen und raeden derselver steden unsern besonders goeden vrunden.

Nae collatie is dese bij mij hironder benoembte der stadt Hattem secret []accordierende befenden oirkonde mijnes nhamens onderschrivongh,

Johannez Vos, secretaris.

24.4
Ridderschap op den platten lande sittende solde men niet verschrijven. Was belooft een landtdach binnen Tiel te holden, voirt poincten op een landtdach dienende. 1590.
 

Nummer 25

Eersame wijse ende voorsichtighe gunstighe guede nabuyren ende frunden. Wij hadden niet verhoopt u eersamen sich int onderbrengen vanden acht soldaten soo weigerich gemaeckt solden hebben, ten ansien wij alhier indie veertich ruiteren geaccommodeert, daer u eersamen mher ongeferlick twintich ruiteren aldaer gehadt ende die halve compaignie ruiteren vermuegens oere ontfangen patent binnen u eersamenstadt behoort gelacht te worden, nae dem dat wij vanden soldaten over die hondert ende mher dan onse ontfangene patent mede brengt, alhier hebben ingenomen ende daeronder dat wel vier offte vijffentwintich wijven behalven die kinderen bevonden worden, sulcx dat u eersamen sich mit gene redenen hadden behoiren te beswaren die voirseide acht soldaten aldaer to accommodeeren. Edoch sovern u eersamen die helffte van wijven ende kynderen die onder de compaignie synnen, willen onderbrengen, willen wij ons niet beswaren die voirseide acht soldaten bovens onse gebuerlicke antal alhier inthonemen, ende so vern niet, konnen u eersamen die eene helffte vanden voirseide acht soldaten aldaer onderbrengen, ende ons die andere helffte alhier thoe schicken, ende die ruiteren wederkomende sullen wij niet onderlaten u eersamen die helffte vanden ruiteren ende wijven, vermoegens onse ontfangen patent, wederom tho te schicken, daermit wij nu bij tweigeren omt accommoderen vanden soldaten geen onlust vanden magistraet der stadt Amsterdam, die welcke ons ende u eersamen dese compaignie voer een tijt geleent, toe verwachten en hebben. Mits bevelinghe des Almachtigen. Datum den 29en aprilis anno 1590.

Burgermeesteren schepenen ende raidt der stadt Harderwijk, Brinck.


25.2
Recht soldaten te logieren discutabel - - 1590.

Den ersamen wijsen ende voirsichtigen burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Elburch, unsern gunstighen gueden nabuyren ende frunden.
 

Nummer 26

Die Raeden van State der vereenichde Nederlanden.

Ersaeme lieve besondere. Alzoo tot d[ienste] vanden lande goet gevonden es de compaignie vanden hopman Wijnbergen vandaer te doen vertrecken naer Hattem unde den lieutenant van capitein Olthoff met hondert soldaten wederomme in zijne plaetze te schicken, vereijs[t] de zake soe grooten haest dat daerin egeen ander advys oft dispositie can verbeyt werden. Soe is hiermede ons versoeck ende ernstich begeren, ghijluyden wilt egeen zwaricheyt maken, tzelve alsoe te laten geschieden [ende] de voorgenoemde hondert soldaten van Olthoff in plaetze vanden compaignie des voorseide Wijnbergen t ontfangen ende behoorlick accommoderen, als wij ons tot u lieden gantzlick willen verlaten. Ende dezelve hiermede eersaeme lieven besondere Gode bevelen. In den Haghe den eersten may 1590 [...].

Ter ordonnantie vanden Raet van State,

Jan Zuijlen, 1590.
 

Nummer 27

Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. Dese sall alleene dyenen om u eersamen to adverteren dat die twe gedeputeerden uuyt die ritterschap, nebens Johan van Goltsteyn, die wij uuyt onsen middell daerto genomineert, vuernehmens synnen tegens naestcoemende dynsdach tegens den middach binnen die stadt Campen ten huyse van Albert Russing to erschijnen, om die twistige saecke tuschen die magistraet der stadt Hattesampt den scholtus aldaer, sovern moegelick inder frundtlickheit hin to leggen, diewijle die heren Rhaeden ons gereserbeert, dat oer eersamen hier inne geene consente aen ende daermede vredich synnen, wijderen inholts oer eersamen missive, und begheren derhalven, dat u eersamen oeck eenige gedeputeerten uuyt oeren middell ten dage voirseid aldaer tot Campen willen erschijnen laten ende den ersamen van Hattem sampt den scholtus aldaer van gelijcke hiervan adverteren, omme sich hiertoe gereedt to holden, mits bevelonge des Almechtigen. Datum den 2e may anno 1590.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.

27.2
Twist tusschen de magistraet van Hattem en den scholtus henteleggen anno 1590.

Den ersamen wijsen ende voirsichtigen burgermeesteren schepenen ende rgaedt der stadt Elburch, unsen gunstigen goeden nabuyren ende frunden.
 

Nummer 28

Erntfeste ersame wijse vuersichtige hern ende gude vrunden, also ick desen dach uuth Hollandt thoe Campen nagekomen sij, unde aldaer angewesst de gedeputyrden van Harderwijck, Elburch ende anderen, waervan ick sulcken brief bekoemen, dat ick strax na Hatthem in mijn garnison sal moeten begeven, hoewall ick van meynunge wass mij dat selvigen dages thoe der Elburch thoe vervughen, unde so mir den hern als mit die burgeren oder creditoren alle saecken richticht ende claer te maecken, het welcke ick dannoch kortelicks vuerhebbens sij te doene, unde sulcken lijeflicken afscheydt thoeve nemen als wij angevangen hebben etc.

Wass anlanget mijnen gevangene monnicktwkrijvel nyet u erssamen mij denselvigen (dwyle sij mijn gevangene iss) weeder velgen laten ofte so de selvige hern gelyven te verburghen, mij uut alsulcke penningen(als hij in vererherunge verterunge ende onkosten vervallen iss te responderen unde volderen want mijness rechtens mij nymant in mijn recht behort te prejudiren ende wat anlangt mijne spitz broeders ende partlyk geraedt daer te leggen, so aber eenige burger sich dairhan halden ende genuegen willen laten gevende hore handt ende quitancy dairvan sall hair den monnick gerne laten mitz wij (doorh.: onleesb.) ende mijne soldaten dairvan quyterende, mits empfelunge den Almechtigen. Ylens Hathem de 1e may [ .... ]

U ersamen dynstwillige, Johan van Wijnberghen.
 

Nummer 29

Edele erentfeste achtbare und seer discrete greitgunstige heeren und goede frunden, uwe schrijvens ande heeren Raden heb ick bij laste van mijnen hopman overgegeven, und dair beneffens een resolut scriftlick andtwoirt begeert hoe dat met die assingnatie up die vanden Elburch sprekende eigentlick wesen solte, dan den hopman tot nootwendigen onderhalt zijne soldaten die pennyngen ut hebben moeste, heb ick daer up voir artwoirt scriftelick becommen, dat huere ende gegevene pattente van executier op die vanden Elburch mij niet veranderen en kunnen, und dat ick den inholt van dien verfolgen solde. Eer dan den hopman dannoch met eenige rigeur van executie procederen solde, heeft mij belast uwe eersamen bij desen inder guede te versuycken met frundtlick begeer dat uwe eersamen totter betalinge willen schicken, und mij bij desen scrijven waer und up welcken tijt uwe eersamen die IIIc LXXXIII gulden VIII stuver besteken willen, entweder binnen Arnhem ofte Amsterdam, und wair toe ick mij eigentlick hebbe te verlaten, dan langer to beijden, und die zaecke om te dryven is den hopman niet gelegen, dit hebbe ick u eersame lieden uutsunderlingher guetter gunste und overfloet noch willen vermelden, een reselut toeverlatiche scriftelick andtwoirt hier op begeerende, om mij dair naer to richten. U eersame lieden hier mede in schutz des Alderhoichsten entphelende. Datum (doorh.: Do) Arnhem ten huise van Jan van Ratinge inde paen desen 21e may stilo vetery anno 1590.

U eersame lieden diensbereyder,

Jacques van Oye, scrijver van hopman S[...].

Ich bidde u eersamen Coenraet Nagge te induceren tot betalinge van wegen tampt Doirnspijck die belooft hadde over achtien dagen 260 (290) guldens te zenden, VX penningen van anderbarff geexecuteert to werden, und blijckende bij obligatie bijde burgemeesters Ernst Reeffs, und Greve onderteeckent tot de executie to handthaven, und dair en is niet meer gesonden als 59 gulden, zo datter apparentie is van vurder executie.

Den raedsheer rappelle heeft mij gesaxht dat u eersame lieden onboedich waert om te betalen.

Edele wijse erntfeste zeer discrete heeren burgmeesters scepernen end raedt der stadt Elburch mijne gebiedende heeren.

Den bode zijnen loon
 

Nummer 30

Erentfeste wijse voersichtige insonders gunstige guede vrunden. Het hebben ons, onse burgeren ende principalick onse mederaedsfrundt die G. Reiner Gansneb genant Tengnagel van wegen sijns zaligenbroders nagelaten weduwe ende kynderen toe kennen gegeven welcker gestelt die rentmeister Bentinck onderstaen heft, zekere herenthins (gaende uth het arve Schotenbrugge to Wessinge in den ampte vanDornspijck ende lange tijt belmundich (doorh.: liggende) gelegen hebbende) toe executoren uth zeker landt toe Oestenwolde gelegen, twelck ommers alsoe nyet en behoert, daer desfals ghien ordonancie van ridderschap ende steden des furstendoms Gelre opgericht is. Begeren demnae gantz vrundtlick u eersame wijsen willen gedachten rentmeister daerhen inden besten berichten dat hij van alsulcke ongeboerlick voernemens affsien, die geexecuteerde beesten costeloes ende schadeloos restituere ende sich hen vorder van sulx ontholde, ter tijt toe, dat bij ridderschap ende steden anders daerinne geordineert sal moegen worden. Wanneer sich

30.1
burgeren als dan geerne worden regulieren ende daertoe sie sich oick mitz desen willen gepresentiert ende gereferiert hebben endhoe oick wij ons des alsoe versyn begeren nyet to min hierop u eersamewijsen schriftlick toeverlatich antwoort, twelck wij steetz geerne verschulden worden, mit bevelinge des Almechtigen. Datum den 22 may anno 1590.

U eersame wijsen guetgunstighen burgermeesteren schepenen ende raidt der stadt Campen.

30.2
Herengeldt van Doerspijcker guet solde op Oostewolder landt geexecuteert worden, twelck verhuet begert wordt, 1590.

Den erentfeste wijsen ende voersichtige heren burgermeysteren scepenen ende raedt der stadt Elburch onsen grootgunstigen vrunden.
 

Nummer 31

Erntfeste ersame wijse vursichtige heren und gude vrunden. Ick kan u eersamen unvermeldet nyet laten dat desen middach mij ende dem regimente mit gewalt ontlopen iss. Joncker Hanss van Barder, die welcke sich in vuelen puncten ende articulen vergrepen unde vergeten heft. Iss derhalven mijn fruntlick unde dyenstlick begerendt u eersamen die justicy ter erhen, ende mij te gevalle gemelten Hanss van Barder (so fern he sich in uwer eersamen stadt begeven muchte) apprehendiren laten, ofte so het u eersamen guedt vynden, mijner provost duer u eersamen dynere assistiren (doorh.: dat) (dwyle mijne compagnie nyet dair iss) dat hij des selvigen machtich iss, hyer an werden u eersamen Godt ende die Justicy erhe doren ende mij also tot u eersamen verlatende will ick d’selvige im schutz des Almechtigen bevelen. Ylendt Hatthem den 10 juny 90 stilo veteri.

U eersamen dynst ende vruntewillige vrundt,

Johan van Wijnberghen.

So u eersame hern bekoemen werden tselvige wetende sall u eersame alle gelech thoe schrijven, oder personlick koemen berichten.

31.2
Erntfesten ersamen wijsen burgemeesteren schepen und rhaedt der stadt Elburch mijnen gunstigen hern ende gute vrunden.
 

Nummer 32

Erzaeme und vurzichtige bezonders goede vrunden. Alzoe die gelegenheyt dezer tegenwoirdiger tijt und die gestaltenisse dezer landtschaftt ervordert dat een gemeyn landtdach uutgeschreven werde, om daerop die noedurftt und het hoege aenliggen derzelver landtschap geproponiert gedeliberiert und daerop geresolviert to worden. So hebbben wij niet willen naelaeten u ersamen bij dezes to bescheyden, om durch derzelver deputierden op alles volnkommelicken gelast sijnde, opten iersten dach aenstaendes maends july des avonts binnen die stadt Tiell zekerlicken intokommen, de propositie aldaer aentohoren und daerop met die andere verschreven und erschijnender ridderschappen und steden gezanten nae vlijtighe ende noedurfttige erwegonge derzelver to resolvieren als die noedurftt und behaldungh dezer landtschap sal ervorderen, und op dat u ersamen vanden principaell puncten so geproponiert sullen worden wetenheyt moegen hebben und derzelver deputierden deste gevatter erschijnen muegen. So sijn diezelve voornemelick [deze] [....] ons in plaetze des affgestorvenen stadholders eenen neuwen stadtholderte kiesen und op deselven.

Ten tweden die swackheyt des getals der [rueteren] dezer lantschaps to erwegen und [in] plaetze der affgestorvenen anderen te stellen und of derzelver onderholt bedacht to sijn.

Ten darden die reductie van [..]oemell aen die handt to nemen.

Ten vierden om beter ordre op die contributie dezer landtschaps to stellen.

Ten vijfften die sake der abdis van Marienweert

32.2
to bedencken, und mit welcke midlen die ver[...] koeperen derzelver guederen met reden toe ontsetten ende diezelver met goede ordre te preservieren.

Ten sesten om to resolvieren wan een hoefft ofte andere officier dezer lantschap kompt afftosterven glick dan albereits der richter van Arnhem affgestorven is, wie sulcke offitien sal behoeren toe vergheven und waar und bij wem die co gegeven zal worden.

Ten sevenden woe die burgeren ende ingesetenen der steden tegens oire pechteren verholpen sullen kunnen worden, und met geburlicke midlen tot betaelonge oirer pachten ende renten te geraken aengesien die gerichteren op etliche plaetzen ten platten lande slapen, ende wie die ingebrakene misbrucken geremedieert worden moeghen, und off woll wij wal van wegen wichticheyts deserser zaken genslicken verzien. U ersamen sullen sich hierinne niet verweygeren soe vermaenen, wij dannoch hiermede diezelve u ersamen om sulckes bij verlos derselver stemme te doen, want niet tegenstaende van het uutblijven van u ersamen off derzelver deputierden men glickewall met den erschijnenden ridderschappen und stedengesanten tot geburlicke resolutie sal procedieren und alles vur gearrestiert halden und ter geburlicker execution stellen wat durch den aenwezenden unde erschijnenden

32.3
ridderschappen und stedengesanten vurseid eendrechtelicken veraffscheydet und geresolveert sall worden, met bevelch des Almachtigen. Geschreven Arnhem den 17 juny XVc ende t negentich.

Die cantzler und raden des furstendumbs Gelder ende graeffschaps Zutphen,

W. Sluijsken.


Nummer 33

Eerentfeste, eersame, wijse, voorsichte gunstige nabueren ende vrunden. U eersamen missive is ons op datum den 25 junius behandet waer uuyt wij verstaen u eersamen meinunge, aengaende eenige huisluiden soo uuyt het ampte van Eep doert anbrengen vaIJsendorn binnen Deventer gevanckelick buit ingetogen, begeeren wij, dan dat u eersamen daer van den geenigen de u eersamen van meinungen buit op den landtdach te senden (doorh.: daervan) eenige instructie gelieve te doen om sulcx aldaer voor te geven, twelck wij insgelijck oock den onsen doen sullen om den selven daer inne assistentie te doen op dat de vurgenoembde huisluiden als nu gevangen sittende also van de gevanckenisse gerelaxiert ende vande onkosten gevryet moegen worden. Ende dewyle wij dan alhier binnen onser stadt Harderwijck de soen van Isendorn in arrest hebben van wegen t lorren. Soo ist onse frundtlicke begeeren an u eersamen dat u eersamen gelieve ons te advertieren soo u eersamen yetwes bewust mochte wesen tegens den voornoemde Isendorn streckende, ende voorts de van Hattem schriftelicken te vermanen om insgelijcken te doen. Bevelende hiermede u eersamen in sijn schutz unde scherm Godt almachtich. DatumHarderwijck den 25en juny ann1590 stilo veteri.

Burgemeesteren schepenen ende raidt der stadt Hardewijck u eersamen nabuiren ende frunden.
 

Nummer 34

Erentfeste, ersame, wijse, vuersichtige gueden burgemeisteren schepen unde rhaedt. U ersamen missive van den 26 (doorh.: he) deses heb ick ontfangen, verlesen unde daeruth verstaen, dat u eersamen mij dorch gemenen stemmen gedeputeert hebben, om tegens den iersten july desen uuyt geschrevenen lantdach nha Tyll the bereisen, kan u eersamen daerop ter guedtlijcken andtwordt onvermeldet nyet laeten, dat mijn alsoedanige deputation vuer ditmaell onmoegelijcke is, overmydts ick nyet gesont voeths en byn, unde hebbe ettlijcke daegen bynnenshuys geseten, unde byn alnoch nyet well tho voeth, gelijck u eersamen sulckx selffs uuyt Vonck sullen hebben tho vernemen, want ick sulckx anders nyet solde affgeslagen hebben, waer geraetsaem mijnes crachtens datmen uuyt onse middel enen anderen deputierden die het bereissden off datmen onse volmacht onder correctie die van Harderwijck myt gaeve, ick verhoepe aldaer soe Godt will en (doorh.: fe) sondagen avont tho sijn, soe will ick daer wel nha vernemen, soe het die heren guet dochte.

Nieus en is hier nyet bijsunders dan gisteravont hier ener gecoemen is, uuyt het leger vuer Nimmegen, dat en verleden wonsdach de torn dack geschoeten is, men verhoept hier dat het leger balde wert coemen in onse quartier want albereets voele penningen daertho gefourniert sijnt, soe hier alsin die gansche provintie. Der almachtich Godt erentfeste ersame wijse vuersichtige here erholde u eersamen in sijner bescherming. Datum Amersfort desen 27 juny anno 90.

U eersamen dyenstwilliger mede rhaedtsverwant Herman Brinck.
 

Nummer 35
1590

Wijse erntfesten ende seer discreten heere burghemeesters schepenen der stadt Elburch nae mijn oodtmoedighe erbiedenisse aen uwer eersamen is mijn votmoedighe begheren om uwer eersamen t insinueren en hoe dat mijn man saliger Frederick Boyemer was oeffende caes uwer eersamen wet kennelijck is een renthe van twaelf ghulden t jaers van veertich grooten stuck die welcke mij ende mijn kinderen als nae rechten erffghenamen is competerende, soo is dan mijn ootmoedich bidden dat uwer eersamen ghelieve mij die ende die verloopen jairen te betaelen. Ende soo ick mijns mans reckboeck was oversiende bevondt dat dselve was thien jaeren (doorh.: h) den half (doorh.: was) verloopen sonder daer af eeniche betaelinghe ghehadt te hebben, behalven dat mijn man saliger int jaer 83 heeft door missiven vermaendt den burghemeester Lambrecht Francken betaelinghe van dese renthe, die welcke hen heeft beantwoort hoe dat hij soude vinden tot Arnhem bij den burghemeester Jacob van Ommeren die somme van tweentwintich ghulden in afcortinghe vanden dvoorschreven sommen dwelck alsoo (doorh.: soo) is gheschiet inder voughen datter noch (doorh.: onleesb.) vande voorschreven somme souden resteeren te betaelen acht jaeren ende een halfiaer verloopen renthen, beloopende tsaemen hondert ende twee ghulden, dwelcke mijne eersamen heeren alsoo sullen bevinden ende tselve ook nyet ontkennen. Ende alsoo mijn man saliger Boymer schuldich is dsomme van eenentachtich ghulden aen mijn toncker Torgie van Boicktholt residerende tot Campen soo is mijn hertelijck bidden dat mijn eersamen heeren soude ghelieven soo vele te doen den voorschreven toncker Bockholt

35.2
dvoorschreven eenentachtich ghulden te betaelingh in afcortinghe ende minderinghe vande voornoemde somme, dwelck doende sult als ghetrouwe eersame heeren ende nae het uut[.]- echschen uwes ampts die bedruckte ende bedroefde weduwe ende weesen in haere gherechticheyt voorstaen ende beschermen hier up wachtende uwer eersamen ghoetghunstighe ende vertroostende antwoordt nyet alle up dit pas dan vaerwel uut den Hage den 11e july anno 1590.

Soo uwer eersamen belieft te beantwoorden sult die brieven moghen adresseren inden Hage ten huyse van mijn heer den advocaet Hamel, woonende int Suydteynde bijde waghens van Delftsvaertweg.

Uwer eersamen ende dienstwillighe vrundinnen,

Geertruyt Barler wedue van u eersamen dienstwilligher Fredryck van Boeijmer.
 

Nummer 36

Erendtfeste woilachtbaere vursichtige guede frunden und naebeuren. Wij hebben [...]lick ein brieff untfangen, daerin menn sich beclaeghen doet, van onnoedige und overfloedige schouwen, soe hier in uns ampte geschiett solden sein neffens oick die beswarniss der [....] van sluissgelt und bruggelt tbetaellen und nhu noch gistern ein brieff, dat Luythen Lubbers und Lubbert Aer[shen] sich beklaegen op hoir koirgewass alhier in unse ampt ten hoeghe gescut twesen voir ein ider well doen solde [...] sie seine fiere[ diensten] wesshalven wij des ampts [....] und oick als ein [....] mit sijn bijhebbende [versproke] luyden belast hebben u lieden gunsten, van alle den vurseide saecken guedt bericht tdoen, want niemandts kan sonder klaeghen ofte beklaeget ten wairden inden werelt regieren, neffens dem ist dess ampts dienstlick begerendt, dat die magistraedt heer Berndt Lutteken umg[....] wolde, dat hij sijn resydentie inder stadt moechte beholden, und khommendess sondaegess hier umb voir den aermen uncristelyghen [bovierssman] Gades wordt nha den le[]g verkondighen, daeraen sal die stadt unse ampt und kerck ein dienst doen, und het ampt sal dess toe willigher wederom wesen die stadt toe de[....] hoeres

36.2
geringher vermoeghens, nae dat welden den huissman inn deses bouytidts beswaerlick genoich gefallen is, dair die richter met weinich klaeghens aver heefft moetten hoeren dhan die [bovierman] leven solden sonder klaeghen neffens empfhelunge dess Almachtighen die u lieden in gueden regimente wyll erhalden. Ilents uit Oldenbroick den 19 july anno 1590.

Ewer eersame guede frunden,

die richter settern unde heimraeden des ampts Oldenbroick.

(get. onleesbaar).
 

Nummer 37

Erntfeste wijse ende zeer voersieninge goede vrunden. Alsoo mij op u eersamen stadt ordonnantie verleent is ter somme van 125 gulden, waervan den tijt der betalinge geexpireert sal wesenultima july sullen u eersamen gelieven te bestellen dat ick se daertegens mach becommen, sonder de selvige in jemant anders handen dan inde mijne off mijne gecommitteerde te leveren, waeraen u eersamen nu vruntschap sullen doen mit bevelinge in schuts der Almechtigen. Uuyt Iseloort den 24en july 1590.

U eersamen goetwilliger vrundt,

Guilliame Baccart.

37.2
Erntfeste wijse zeer discrete burgemeesteren schepen ende raed der stadt Elborch mijne insundere goede vrunden.
 

Nummer 38

Eeruntfeste eersaeme zeer wijse voersichtighe heere. Jick hebbe gisterens daeges aen Jan van Holte u eersamen secretarius overschreven zekere tijdunghe soe alhier met het veerschip momentlick gekomen was, soe en twifele ick neet oft die heeren sullen zeer verlangen om wider bescheit daer van the hoeren, hebbe derhalven neit willen (uut sonderlinghe vrundtschap) nae laeten dese ingelachte copie aen u eersamen tho senden die hier aen den heer Proest uut Amsterdam tho geschickt is komende overein met ein copie van ein breiff geschreven uut Middelborch die ick die heeren oeck solde gesonden hebben dan hebbe gein tijt gehat die selve tho copieren unde soe dese tijdinghe waer is als wij verhoepen, sal der ligeurs unde onser (doorh.: onleeesb.) malcontenten dans zeer kort zijn, die hebbe ick neit kunnen laeten achtervolgende mijne gedane beloften u eersamen tho verstendighen, dewiele ick oeck seker bin dat die heeren tsamen nae het welvarent des vaederlantz van herten verlanget en welke tijdunghe lachageneit quelleke sal smaeken. So ende u eersamen (aen die welke ick mij zeer dynstlick erbeiden) hier met in schutz des Heeren in ein lanckdurighe regeringhe emphelende. Ilent den 29 july anno 90.

U eersamen unde gonsten dienstwilligher,

Reinout Gansneb genantt Tengnegel.
 

Nummer 39

Ersaeme, wijse ende voirsichtige insonders gunstige guide vrunde. Wes die van Bluchiziell an ons hebben geschreven, hebben u eersame wijsen uuth copie des brieves an ons overgesonden, hier inne gelacht, lezende to vernemen. Vruntlicken begerende u eersamen mit aller vlijte die versienonge doen willen, daer mit die viandt achterhaelt mach worden, gelijck wij oick alhier doen werden ende die onse affschickenom alle invasie ende onversienlicke overvall der reisende coepluiden voergecoemen moege worden, mit begeerthe u eersamen onbezweert syn will u eersamen naegeburen ende vrunden den van Harderwieck (doorh.: dat) hier van in aller spoet oick to verstendigen. Sulcks ende alles guides, wij ons toe u eersame wijsen ons gantzelicken versien, doende die selve den Almechtigen hier mith bevelende. Dan ylentz Campen den 10en augusti anno 1590.

Burgermeisteren, schepenen ende raeth der stadt Campen.
 

Nummer 40

Eerentfeste eersame wijse voersichtige gunstige vrunden. Wij worden berichtet welcker gestalt zekere publicatien sollen geschiet sijn, als dat die erffgenamen op den Somerdijck erschijnen sollen, twelck voerwaer onsen burgeren, geerffden aldaer ghienssins , vermitz desse gevaerlicke tijden gelegen offt geraden will wesen. Derwegen begeren wij vruntlick u eersamen daer willen sijn, dat van andere datumende bijkompst nyet op den dijcken, dan binneu eersamen stadt Elburch beraempt worde. Daer onse burgeren aldan oick werden erschijnen, omme nae gedaene besichtinge der dijcken ende der gebroecken hoere noottrufft alssdan voer toe wenden, want indien eerwes geordoniert worde, onse burgeren onverhoort willen dieselve onse burgeren ende erffgenamen daertegens wel expresse vermitz desen geprotestiert hebben dat sie daerinne nyet en sullen geholden wesen, ende dat sodane ordeninge voer null ende van onweerden geachtet sal worden. U eersamen hiermit in schutz des Almechtighen bevelende. Datum den 27en augusti anno 1590, stilo veteri.

U eersamen guetgunstige vrunden,

burgermeysteren schepenen ende raedt der stadt Campen.
 

Nummer 41

Erentfeste eersame wijse voersichtige insonders gunstighe guede vrunden. Die vrunden van Jutte Benyers zaliger Guerts Beniers naegelaten weduwe, nu ter tijt, binnen dese onse stadt Campen woonende, hebben ons toe kennen gegeven, welcke gestalt die voorseide weduwe, als collatrix der vicarien Magdalenen sinte Lazar op sint Lucas altaer in de Bovenkercke binnen dese stadt, dieselve vicarie (vacerende durch den doot van zaliger Jeroen Ringelburch) hiertho bevoerens gegeven heft gehadt an hoeren soon Paulus Benyer. Dan alsoe die voorseide weduwe wesende een soer olde ongevallige persoen van Godt almachtich mit blyntheit begaefft, ende ter onvermoegentheit geraden is, soe heft die voorseide hoere soen,alle die opkompsten derselver vicarien tot noottruftigen onderholt sijns moeders, daernae wederom overgegeven, gelijck ons daervan gebleecken is. Dergestalt dat wij hoer oick (in gevolch van dien) die renthe ende opkompsten tott deselve vacarie gehoerende ende alhier in onse stadt verschijnende toegestaen hebben te boers ende toegenieten, wie sie dan deselve voer langes genoten heft ende genyeten. Ende dewijle tot die voorseide vicarie oick mede gehoeren achtehalve golden gulden des jaers uth u eersamen stadtz dominien vander Elburch verschijnende, die Johan van Goer tioe Swolle eertijts tot behoeff van Paulus Benier geboert heft, ende daervan nu thien jaeren achterstedich sinnen bij den voerseidePaulus Benier an sijne moeder overgewesen mit het tghene daervan alnoch verschijnen wert. Soe is opt versoek der voerseide vrunden, onse gantz vrundtlick begeren u eersamen willen sich in dem ons conformeren ende die voerseide weduwe Benyers die achterstedige thien jaeren renthes mit tgene dat noch toekompstichlicke verschijnen moedt guetlick laten volgen ende ontrichten want herselvige sall wesen het eenichste middel waerdurch sie in desen hoereseer olden dagen ende mit lijdelicken

41.2
ongevallighen staet, onderholden sall kunnen worden, daertoe wij ons alsoe ganzlick verlaten, nyet twijfelende u eersamen werden sich in desen ende tegens die gemelte verlatene weduwe soe guetlick erzeigen als u eersamen doende sinnen tegens onsen burger Gerbrant Janssen, die ingelijcx achterhalve golt gulden renthes uth u eersamen stadt dominien van wegen sijner vicarie opt selve altaer gelacht, jaerlix endealle jaeren genyetet. Ende hoewel wij ons des alsoe tot u eersamen vertrouwen begeren nyettemin hierop u eersamen weder beschreven antwoort tot troost der voerseide weduwe ende hoerer vrunden, dat geboert ons steetz wederom ter verschulden tegens u eersamen die der Almachtiger lange gefristen moet. Datum den 25 augusti anno 1590.

U eersamen guetgunstighe vrunden,

burgermeysteren schepenen ende raedt der stadt Campen.
 

Nummer 42

Erentfeste eersame wijse voersichtige insonders gunstige guede vrunden. Opt versoeck an ons gedaen van wegen onser burgeren geerffden ende gedijckten in Oestenwolde is onse gantz vruntlick ende seer vlitich begeren u eersame wijsen mit allen vlijte bij den dijckgrave ende heymraden desselven landen die ernstelicke versieonge doen willen, dat die dijcken sonder enigen versuym (insonderheit bij deses gueden weders tijt) gerepariert ende opgemaeckt moegen worden nae die resolutie bij den gemeeneerffgenamen ende gedijckten ten lesten bijkompste genomen ende overkomen, dewijle wij verstaen dat nyet alleene den gemelten geerffden ende gedijckten, maer oick den alinge lande daeran seer groetelick gelegen is. Des wij ons alsoe vastelick tot u eersame wijsen verlaten, deselve hiermit in schutz des Almachtigen bevelende. Datum den 1e septembris anno 1590.

U eersame wijsen guetgunstige vrunden,

burgermeysteren schepenen ende raedt der stadt Campen.
 

Nummer 43

Erentfeste erzaeme ende vurzichtige besonders goede vrunden. Wij twijvelen niet off u ersamen weten sich alnoch te berichten des schrijvens twelck wij in date den 12en dach naestverlopenes maents augusti aen u ersamen gedaen betreffende off diezelve u ersamen voor noedich achten noch eenen neffens zijn excellentie tot stadtholder to nominieren, und wem, om eenen daeruut gecaren te worden. Off dat men aen den heren Raden van Staten sijn excellentie alleen sol presentieren, met verzoeck om hierinne voor deze maell te willen dispenzieren etc.

Dwiell ons dan daerop tot noch gheen schriftlick andtwoirt aengekommen, und midler tijt hierinne niet geprocediert kan worden. Demnae is ons guetlick gesinnen dat ons daerop bij brengeren dezes een toeverlaetich schriftlick andtwoirt avergesonden worde. Met bevelch des Almachtigen, geschreven Arnhem den 16en septembris XVc tnegentich.

Die cantzler ende Raeden des furstendombs Gelder ende graeffschaps Zutphen.

W. Sluijsken.


Nummer 44

Edele erentfeste ersame unde vursichtige heren guitgunstige frunden. U eersamen missive vanden 13en dieses, heb ick upen 17en umtrent ¢smittaegs ontfangen. Waerinne dat u eersamen verhalen mijne anden burgermeister ther Bruggen gedane presentacy umme muegelick the bevorderen u eersamen stadt saecken alhier; daerin beken ick des voernoemde ther Bruggen gude gunst thut mijnwert. Want ¢t is wall also ende alss sijn lieve fruntelick geliefde in sijner wervunge the gebruicken mijner assistency, ick hebbe gedain de voersseide presentacy. Dan uth selve is geschiet viehr umb the betuygen dat ick mijnen guide wille thut desse lantz unde der naber - steden beforderung mit mijnen dienst niet had afgelecht. Als dat ick mij solde angenomen hebbende ynth the vermuegen uythrichten, so niet in vertrouwen der beleeftheitvan mijn heren de Staten. Vadie welcke ick bekenne gern dat sie nha mijne verlatenen dienst, hebben mij dehre gedaen van een woort then besten af the nemen.

Daerumb ick oick nu de gelegenheit waernemende, bin tho stolter geweest, umb mij gistern den 19en smorgens an oer heerlichen th¢ addressiren und ick heb verworven als u eersamen sullen the verstaen hebben uyth dacte, die ick u eersamen hierinne versloten overschick. Uvermaels mijnen fruntlicken dienst erbiedende , mit befehlunge Godtz umb u eersamen stadt unde burgermeester the nemen in sijn hijlige beschirmunge. Uyth ¢sGraven-hage den 20en septembris XC uppet alde.

U eersamen guitwillige frundt,

N. van Brienen d¢ alste.

Nyes iss hier niet anders als dat de van Parma solde weder tho rugg uyth Francrijck gekeert, und Hemert bij sijne excellencie mit verdrach over genomen sijn. Hoichgedachte sijne excellencie tegenwoirdich voer Hedel liggende, datum ut [..]eit.
 

Nummer 45

Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden. Wij hebben gesihen ende gelesen tgene die erssamen van Hattem bij oere missive angaende die nominatie van sijn excellencie tot eenen Stadtholder, aen u eersamen versocht hebben, waervan off wij well vuer langest onse resolutien anden Hoeve van Gelderland overgeschickt, ende u eersamen oeck genoechsam van ons daervan geadverteert sijnen, so hebben wij nochtans avermael u eersamen mits desen well willen to kennen geven, tgene bij ons ende die alhier anwesende ritterschap, daerop geresolveert, als nementlick, dat wij in dese convientire nyemandts en weten nevens sijn excellencie to nomineren dan laten ons gevallen tgoene op ten jungst tot Tyell geholdenen landtdach dienthalven is veraffgescheyden ende volgents aen sijn excellencie versocht, mits begeerten dat alleene de presentatie van sijn excellencie aen den heren Rhaeden van State mach gedaen worden, ende oer eersamen daerop versocht omme vuer ditmaell, sonder previdine van tractaet met hare majesteit opgericht daerinne toe willen despenseren ende dese tot goenen anderen sine dienende, doen u eersamen hiermede den Almechtigen in sinen Godtlicken schutz bevelen, datum den 25en septembris anno 1590.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.

U eersamen sullen well doen ende bestellen dese hier bij gaende missive aenden erssamen van Hattem.
 

Nummer 46

Edele erentfeste ersame unde fursichtige heren groitgunstige frunden. Ick heb den 25en dieses smitdaegs over maeltijt einen brieff van u eersamen ontfangen, vermeldende van veranderunge dese garnisons aldaer, unde dat ick tho demhalven ende an enigen mijner bekenden in dem Hage solde schrijven willen. Daerup heb ick voer dit maell niet geraden befonden yeth the doin, umb dat mij dunckt (up to beterung) dattet selve beter sall muntelick als schriftelick vallen willen. Unde want ick nu bedacht bin ongefehrlick in acht ofte negen dagen, bij weder unde wynt, unde sunder andere voervallen nhae den Hage tho keren, als heb ick u eersamen daer van wall willen verstendigen. Then mercklickern ende dat u eersamen solde gelieven sich naerdere the bedrucken, off oick dieselve solden ein gehele compagnie tegen den wynter the raden weten. Alsoe ick niet nu seihe wie unde waer men die solde verdeilen muegen; dat oick in dien u eersamen solden ymanden voer andere begerden voer the slain, daer van an den Rhade van Statenoff andere ersamen thAmsterdam, ofte mit particulier, solde muegen geschen worden, unde ick , in dient u eersamen soe guit vonden, solde [] van muegen dragen kantenisse. Gelijck ick in diesen undemehrderen u eersamen angenaemen dienst the bewijsen willich bin. Uyth harderwijck den lesten octobris [ ]

U eersamen guitwilliger,

N. van Brienen d¢ alste.
 

Nummer 47

Erentvesthe ersame wijse und voirsichtige gunstige nabuiren und vrunde, op uwer ersamen schriftligen versoeck hebbern wij uuth nhamen und begeerent der interessirdenn erfgenhamen an den grave von [V]erdenlandt in bijgefoegten verslotener missive geschreven, und alsulchen inferir[eu]r bidtligen clausul, datt den gesubstituirte rentmeister vann Velluwen Oisswaltt van Hetterscheitt und andere gelicken last van sulchen (doorh.: entfangh) achtersteidige tinssen und herengelden untfangen hebbende moege worden ordonirt van haaren uuthgeschrevener executien te desitiren und afstandt indenn (doorh.: op) boss tott algemeiner resolutien deser landtschap und datt oick alsulchen resolutie so jungst tho Tyll opten landtdaegh genhomen nicht moge contrariert worden. Und hebben uwer ersamen datt in begeerter andtwordtt nichtt verhalten mogen. Befehlende deselbe uwer ersamen in schutz des vAlmachtigen. Datum ilentz den 11 novembris anno XCtig.

Burgermeesteren schepenen und rhaidt der stadt Hattem.
 

Nummer 48

Ersame ende voersichtighe bezonders goede vrundenn. Uns wert clachglick toe kennen gegeven dat u ersamen die onderdaen[en] der ampteren Oldebroeck ende Doerenspick [....] [ge]ruyme tijt verwarts tomdeel mitz gewalt, als [..]chutten geconstringiert hebben aendie forti[ficat]ie der stat Elburch toe arbeidenn. Des uns nyet [wein]ich verwondert. Dan al ist dat wij u ersamen [..]befaerens aengeschreven hebben om sich mit de[n] [richter] vant Oldebroeck ende den scholtis va[n] [Doere]nspick desent halven toe vergelicken zoe [...] dannoch daeruut nyet, dat die onderdaenen tot [...] appetijte ende zoe langhe u ersamen het za[...] vinden schuldich zijn toe arbeidenn veel weiniger dat het in u ersamen macht zij, zoe zij sich absentierden diezelve alsdan mit schutten toe executieren. Derwegen uns gesinnen ende bevelch is dat u ersamen die onderdaenen beider ampteren verschoenen ende mit die reparatie langer nyet molest vallen tot dat anders geordonniert zal zijn. Mit bevelch des Almechtigenn. Geschreven Arnhem den 11 novembris XVc XC.

Die Raeden des furstendumbs Gelder ende graffschaps Zutphenn.

W. Sluijsken.


Nummer 49

Den Raede van State der Vereenighde Nederlanden.

Eersame lieve besondere. Wij hebben ten overstaen van zijne excellencie goetgevonden ende geresolveert dat capiteyn Wijnbergen met zijne compaignie sal trecken binnen Muyder stadt, ende dat ter aencompste vande zelve hopman Olthoff met zijne onderhebbende soldaten weder sal trecken nae Amsterdam, waer van wij u luyden wel hebben willen adverteren, ten eynde ghijlieden u volgende dese onse resolutie ende de patente van zijne excellencie moeght reguleren ende hyer mede eersame lieve besondere zijt Gode bevolen. In s-Gravenhage den 13en novembris 1590, coning vv.

Ter ordonnancie vanden Raede van State,

E. van Zuijlen.
 

Nummer 50

Erntfeste eersaeme voorsienighe ende zeer discrete heeren. Ick sende u ersamen mitten brenger deses een missive vande heeren cantzeler ende Rhaeden mit vruntlycker biet u ersamen daernaer te regulieren ende verschaften dat de penningen inde onbenante begrepen tegens woonsdach toecommende alhier bestelt werden want ons nyet moegelijck en is daer langer nae te comen, verwachten dus wilt daerin geen faulte laeten geschulden op dat ick daer in geen schaede en geraede, dwelck ick anders veroorsaeckt soude sijn op u eersamen stadt te verhaelen bij executie. U ersamen hiermede in schutz des Almechtigen bevelende, Uuyt Arnhem den 21en novembris 1590.

U eersamen dienstwilligher,

inabsentie mijnes hopmans, als sijnen schrijver,

Scipio Artus.


Nummer 51

Erntfeste ersame wijse vuersichtighe hern und gude vrunden. Sijne excellenty van Nassouwen iss geresoluyrt morgen avendt bij u lieden te logyren, unde heb derhalven gevordert dat die mitkoemende edelluyden unde officiren muchten geregistryrt worden, om te vuerenss (graduertert sijnde) als nu kleyn steetken de selvige ten behnen ende na gelegentheit graven medyrt te moegen worde moesten verdacht sijn. Die swaricheyt van kost sall so groedt neyt vallen als man well bevundt sijn. Excellencie brengt de kuecken mit, dan lyckwall sall ter eerhen eeniget provisy van dranck ende kost geschien t¢ beheren op dat die gude gene[...] gepresentyrt werdt. Soe ick eenegh meerder verneme sall ick u ersamen fracks weten laten.Datum Harderwijck den 28 novembris anno 90 [...].

post data

U ersamen vruntwilligh,

Johan van Wijnberghen.

Het sall well wesen ongeverlick tusschen dree ende vyer urhen a[ls wij daer koemen.
 

Nummer 52

Ersame wijse ende voirsichtige gunstige guede nabuyren ende frunden, wij hebben u eersamen missive aangaande twe verscheydene versterven, binnen u eersamen stadt gevallen op gisteren ontfangen. Dieselve daerop vuer anbdtwordt vuegende, dat wij gerne onse advis ende guedtbeduncken, daerop solde over geschreven hebben. Dan also ons bij u eersamen missive niet en synnen toegeschickt eenige steten, schijn offte bescheydt daermede de pacifien van beyden (doorh.: onleesb.) verstarven, oer guedt hebbende recht vermeenen to defenderen. Hebben wij ons beswaert gevonden eenige verclaringe daerinne te doen, ende solden derhalven vuerguedt aensyen, daermit yeder parthie onvercortet moege blijven, dat foverij u eersamen (avermits eenige verwandtschap ende swaegerschap oerer mitbroederen) onse advis daerop versoucken, dat die saecken vuer eerst bij u eersamen in surceance gestelt mochten worden, latende middeler tijt parthien oere geding ten beyden sijden indingen, twelck geschen hebbende, sullen wij ons oeck onbeswaert vinden u eersamen onse advis ende guedtbeduncken daerop mittadeylen. Mits bevelonge des Almechtigen. Datum den 4e decembris ann1590.

Burgermeesteren schepenen ende rhaedt der stadt Harderwijck.

H. Brinck, secretaris.
 

Nummer 53

Erentfeste wijse voersichtige gunstige guede vrunde. Alsoe wij hiertho bevoerens an den eersame raedt der stadt Elburch geschreven ende versocht hebben ons tot noottruftighe behoeff van vrouw Beniers toe ontrichten alsodane achterstadighe renthen als uth derselver stadttz domienien verschenen sinnen, ende wij dan verstaen dat hoer eersamen tselve geanordiert ende dien volgende eenige betalinghe an Dirck Beniers huysfrouwe gedaen hebben dewelcke nu wederomme derwaertz reyset. Soe hebben wij hoer dese onse voerschriften an u eersamen well willen mitgeven. Vrundtlick begerende u eersamen willen hoer, tot die resterende betalinghe verhelpen, angesyen sie, die voerseide vrouw Beniers in hoeren noeden bijgestaen ende onderholden hefft. Des wij ons alsoe tot u eersamen verlaten ende steetz geerne verschulden. Mit bevelinge des Almechtigen. Datum den 15en decembris anno 1590.

Burgermeysteren schepenen ende raedt der stadt Campen.
 

Nummer 54

[Edele] erentfeste erzame und voorzichtige besonders goede vrunden.

Alzo sijne excellencie op het deferieren des gouvernements deser lantschap dese schriftlicke andtwoirt gegeven dat sijne excellencie gerne sien solde dat volgende het tractaet tussen die conincklickemajesteit van Englandt und den heren generael Staten opgericht die nominatie gedaen und den Rade van State gepresentiert, offte andersins tot onderholt ende voldoenenge vanden voorseide tractate daerinne geprocediert werde. So hebben wij volgende t¢advys van u lieden und ersamen den heren Raden van Staten sijn excellencie alleen gepresentiert, mit versoeck om daerinne voer ditmael te willen dispensieren, und off wel wij vast tot vilmalen om die dispensatie aengeholden. So hebben wij doch ten lasten geen ander andtwoirt, dan glick inliggendt extract vermelt bekommen, dwijll den die noet ervordert dat niet alleen der voerseidezacken dan oick anderen uns vanden generael Staten aengeschrevener artickelen halven een gemeyn landtdach uutgeschreven werde, So hebben wij u lieden und ersamen hyrvan wel willen verstendigen und off wel wij der gewisser vertroestungh sijn off u lieden und ersamen werden sich onser verschrijvongh gemehes halven, dannoch dwijll men nu etlicke mael inderdaet gaspuert hefft dat sich eenige steden geheel geabsentiert eenige oire uutklijvens schriftlicken excusiert, und het dan inzonderheyt in deze gelegenheyt die noet ervordert dat die steden getrouwelicken bij den anderen halden. Demnae is ons guetlick gesinnen, dat u lieden und ersamen ons ierst willen verstendigen, off dieselve oick op die verschrijvongh eenigen uut derzelven middel ten lantdage te seynden, bedacht om ons daerna te richten. Mit bevelch des Almachtigen. Geschreven Arnhem den 21en decembris XVc tnegentich.

Die Raden des furstendumbs Gelder und graeffschaps Zutphen.

W. Sluijsken.


Nummer 55

Extract [uut] zekere missive geschrev[en] bij den heren cantzler aenden Have van Gelderlandt uut den Hage in date den 24 decembris 1590 stilo novo.

Belangende d¢sake vanden gouvernamente van zijn excellencie maeckt d¢here Rodley ende andere swaricheyt ter cause vanden engelschen tractate daer aff die forme niet gehouden en is, zo dat om voorte kommen alle vordere swaricheyt ende vertreck, ende sonderlinge om die jalousien die daer sijn niet te vermeerderen, soude goet wesen noch eenen daer bij te noemen om also vaste regierunge te hebben ende te verhueden vorder inconvenienten, die soude moegen rijsen.

Diverse transcripties: Stadsarchief Elburg (3)

  • zaterdag 22 februari 2014 22:57
Inv.nrs

1356 Heer Gerryt pater van het Sint Agnietenconvent in Elburg, beveelt Jan Huuszen om Lambert Janson ongestoord diens koeien te laten weiden in die Helle, liggende in Dornspijck.

Circa 1575

Dye pater doet en erfflijken bevellende van wegen dye drost van Elburch Jan Huuszen dat y Lambert Janson sijn koene yn dye Helle lyggende yn Dorspijck, onbespyrtt weyden laten oft gij moegen sulves 6 voeder woll sullyxs wachten vanden waeren daer moget gij en nae weten toe reguliren.

Heer Gerryt pater van Sint Agnyetenconvent t Elburch.

1359 Geryt van Empse en Johan Boese als scheidslieden, vanwege heer Andries ten Bleke priester enerzijds, en Johan Wolterszoin en Geryt Franckenzoin als scheidslieden vanwege Johan Jacopszoin en Alijt zijn vrouw anderzijds, doen uitspraak over in het tussen de partijen bestaande verschil omtrent de goederen door begijn Griete Houwers nagelaten aan de Sint Anthonysvicarie in de kerk ter Elburg, waarvan heer Andries voornoemd vicaris is.
9 Augustus 1555.

Wij Geryt van Empse ende Johan Boese gescheitslude van wegen heren Andries ten Bleke priester an een sijde. Wij Johan Wolterszoin ende Geryt Frankenzoin gescheitslude van wegen Johan Jacopszoin ende Alijt sijnen echten wijve an een andersijde, doin kont allen luyden ende bekennen zementlike mit desen openen brieve, dat wij dair to gebeden ende onthaelt sijn als vrunde ende mage ende rechte gesette gesceitslude een vruntlick ende minlick erffgesceit gededinct gemaict ende uutgesproken hebben tusschen heren Andries vurseid ende Johan ende Alijt vurgenoemd, roerende van all alsulke gescele ende gebreke als sij mit malcanderen gehadt hebben tot desen dage to hierkomende van all alsulck erve ende guet als Griete Houwers de bagijne Sunte Anthonysvicarie tot ander rechten testamente gegeven heeft. Zo die Geryt Ryerszoin ende Lubberich sijn echte wijff in Sunte Nicolaiskercke ter Elborch gesticht hebben, dair heer Andries vurseid een vicarus aff is, in voirwerden ende manieren als hyrna bescreven stait.

Inden eersten zo sijn Johan Jacopszoin ende Alijt sijn echte wijff vur ons ge­scheitslude gecomen ende hebben mit hoe­ren vrijen moetwillen ende mit gueden berade ter eren Goets ende des heiligen Vaders Sunte Anthonys, heer Andries vurseid als een to vangen tot behoeff der vicariën vurgenoemd erflick ende ewelick overgegeven ende to guede gescolden all allsulcke recht, besit ende to seggen als Johan ende Alijt vurseid hebben off gehadt mochten hebben an alsulck erve ende guet als Griete Houwers vurseid mit Arnt de Houwer oeren neve ende gekoeren momber in (doorgehaald:desen) deer saken der vicariën vurseid tot enen rechten testamente gegeven ende gemaict heeft.

Te weten eer andeel ende besit van dryen greden hoyla­nts ge­legen inden kerspel van Dorenspijck up dat willigen slach, hyrto oer andeel ende besit van dryen acker bou­lants gelegen inden kerspel van Dorenspijck.

Dair den enen acker lants aff gelegen is bij Henrick Besselszoins huys an sijne Koelhoff ende dair den anderen ackerlants aff gelegen is bij Lambert Neven huys zuytwert gelegen an lant dat Johan Berntszoins kynderen to behoirt. Ende dair den derden acker lants aff gelegen is bij Arnt Ghees Roloffszoins huys dair zuytwert Arnt vurseid selve naist gelant is, hyr to (doorgehaald:noch) noch oer recht ende to seggen als sij gehadt moegen hebben (doorgehaald:up die) tot den vijff gresen inden Goer gelegen. Zo Griete Houwers vurseid all dit vurseide lant der vicariën vurgenoemd gegeven ende gemaict heeft na uutwisunge der sundairen die dair aff is hyr tegen weder om hebben van mage gescheitslude Johan ende Alijt vurseid een lyefnisse to gesceyden die heer Andries vurseid van wegen der vicaryen vurgenoemd hoir te guede gemaict ende dairvan voldain heeft, zo dat Johan, Alijt vurseid, noch oer erven gien recht to seggen noch anspraik anden lande vurseid hebben, noch behalden en sullen in enigen wijs ende geboirdet (doorgehaald: tot eniger tijt) dat Johans broeder, heren Andries vurseid off den vicarius der vicarien vurseid tot eniger tijt molesteerden wolden, off rechtvorderinge an dit vurseide lant deden off dachten te doin aff te doin doin so en sal Johan vurseid sijnen broederen dair nyet behulpelick in wesen, noch bijstante dairin doin, in enige manieren hyrmede ende in mathen vurseid sal heer Andries als vicarius der vicarien vurseid van Johan Jacopszoin, Alijt sijne echte wijve ende oeren erven geslicht verleken gescheiden wesen ende blijven.

Zonder argelist in oirkonde der wairheit, des tot enen waren und vasten ourkund soe hebben wij N N N und N maechgescheidtluden vurseid elck onse segell an desen openen breve gehangen.

Gegeven inden jare ons Heren 1555 de negenden dach augusti.

Dorsaal:

Eersame lieve geminden heer ende bijsonder guede vrunt (doorgehaald:ick begheer zo ick begheer zo) ick en twijvel nyet ghij en hebt wel gehoert wee dat men mit mijnre moeder ommegaet mitten scattinge ende anders omme dair sulcks (doorgehaald:ende anders) te verhueden ende ander saken tusschen Willem mijn broeder (doorgehaald: onleesbaar) ende mijn moeder te slichten, begheer ick vrunt­liken van uwer eersamheit, dat ghij doch mit Willem mijnen broeder ten langste (doorgehaald:hyr ter Elborch sacken) en vrijdagen aff en saterdagen naistkomende hyr ter Elborch sacken ende hebben omme alle dage ons mit mackanderen te besprecken ende te doin zo (doorgehaald:ons dat) na gelegenheit in der saken dat nutste ende arberlickste (doorgehaald: onleesbaar) sijn sal, sal eersame bijsonder guede hyeren, wilt mij doch met weygeren noch gien versuym in laten gescien, want mijn moeder en ick ons ....

1361 Johannes Boegardt vicaris van de officiaal van de kerk van Sint Pieter te Traiectum, beveelt de pastoor der parochiekerk te Elburg Lubbertus Bernardi, in het bezit te stellen van de “altera portio” der Sint Hieronymus-vicarie in laatstgenoemde kerk.
21 September 1565.

Johannes Boegardt utriusque iuris licentiatus, canonicus ecclesiae sancti Petri Trajecti ac vicarius in spiritualibus generalis a venercabilibus dominis decano et capitulo praedictae Ecclesiae sede archinalis eiusdem vacante specialiter deputatus delecto nobis in Christo curato seu victeurato ecclesia prochialis de Elburg salutem in domino et in commissis debitum adhibere diligentiam, presentato nobis honorabili domino Lubberto Bernhardi presbytero dictae diocecis ad alteram portionem vicarie sint Perpetuae cappellaniae fundatae dotate et erectae in predicta ecclesia parochialis ibidem. In et ad altare divi Hyeronimi ad praesens per mortem seu liberam resignationem et demissionem honorabilis domini Comradi Bernhardi quant ultimi rectoris et possessoris euisdem aut alius qualiter ... vacantae a religioso viro et viro Gerardo Wachtendunck patre fratrium montis divi Jheromini in Hulsbergen, vero et indubitato uti dicitur praedictae vicariae seu alterius portionis eiusden patrono et collatore pro institutione canonica a nobis obtinenda. Nos vero iuxta doctriniae apostoli nemini cito manus imponere volenter vobis mandamus quatenus accedentes antedictam ecclesiam parochialem in eadem palam et publice proclametis et imtimetis duobus diebus festivis et uno non festivo a se distantibus predictum dominum Lubbertum per nobis fuisse praesentatum citando cum hoc peremptorie certa nobis ad certum diem horam et locum competentum omnes et singule tam in genere quam in specie qui se predicto praesentato aut sua presentationi huiusundem oppenere voluerint aut sua crediderint interesse contra dictum presentatum ad opponendum vide ostendendumque et docendum de iuxt suo cum intimatione debita et consueta. Si vere nullus comparuerit oppositor vel contradictor extremum committimus vobis quatenus dictum dominum Lubbertum in et ad alteram portionem vicarie praedicti vice et authoritate nostra admittatis ipsum instituere in eandem et presentialiter innestiendo de eadem recepto primitus ab eodem fidelitatis et obedientiae ac dictae alterius portionis indemnitatis iuranieto solito et consueto et consequenter induratis eundem dominum Lubbertum vel praecuratoriae suum legittinum eius nove in reale corporalem ac actualem possessionem praedictem alterius portionis iurinque et pertinentiaris omnium eiusdem cum solentutatibus debitis et consuetis precipiendum universis et singulis pensionariis pactionariis ac debitoribus fructuum praedicte portionis ut eidem domino Lubberto vel procuratori suo legittimo ad hoc sufficienti mandato sustulto de huius alterius portionis vicarie fructibus redditibus et emolumentis universis respondeatis et ab illis quantum in eis est responderi faciant temporibus ad hoc positis et statutis, attendentes quod si aliquis contradictor comparuerit exstremum eundem contradictor una cum domino presentato Traiectum coram nobis ad certa diem horam comptentam quod ei duxeritis assignandum per vestrae litteras patentas presentibus transfixas remittatis processuribus in presenti causa prout iuris ordo dictaverit nostrum testimonio litterarum.

Datum Trajecti anno domini millo quingente­simo sexagesimo quinto die vero vigesima mensis septembris.

Anthe Buijser Hoens.

 

Heer Theodoricus Dorrhen pastoor te Elburg, verklaart heer Lubbertus Bernhardi in het bezit te hebben gesteld van de “altera portio” van het Sint Hieronymus-vicarie in de parochiekerk .

8 Mei 1569

Ego dominus Theodoricus Dorrhen pastor pro tempore ecclesiae oppidi Elburgensis protestor hac manu mea propria presens hoc mandatum per me esse exequutum, et me fecisse tres proclamationes domino Lubberto Bernhardo filio sup beneficium divi Hyeronimi ad alteram portionem in parochiali ecclesia de Elburg erectam et fundatam deinde secundum tenorem praesentii litterarum introduxi profuisse domini Lubberti in realem et actualem possessionem b... prodicti solito et consueto iuramento acta sunt haec in predicta ecclesia presentibus ibidem probis et honestis viris Petro de Apeldorn edituo nostro, et magistro Theodorico Alerd filio.

Anno millesimo quingentesimo sexagesimo nono octavo die mensis maii hora quasi sexta ante meridiem.

 

21 september 1565.

Johannes Boegardt bezitter van het licentiaat van beide rechten, kanunnik van de Sint Pieterskerk te Utrecht en vicaris generaal voor geestelijke aangelegenheden, door de eerwaarde heren de deken en de kanunniken van het kapittel van voornoemde kerk, -daar de zetel van het aartsdiakonaat van dezelve vacant is -, speciaal belast met de aan ons in Christus opgedragen zorg voor en de in standhouding van de parochiekerk te Elburg, om het heil van de Heer en van het bisdom met de ons verschuldigde zorgvuldigheid te volbrengen.

Wij dragen u op het tweede gedeelte van de goederen, die voor eeuwig bestemd zijn voor de vicarie, daartoe gesticht in de voornoemde parochiekerk zelve, in bezit te stellen van de aan ons gepresenteerde eerwaarde dominus Lubbertus Bernardi, priester in genoemd diocese in en bij het altaar van de goddelijke Hyeronimus, op het moment van de dood of bij het vrijwillig terugtreden ofvertrek van de eerwaarde heer Comradi Bernardi, laatste rector en bezitter van die functie, of op welke wijze ook vacant, zoals voorgedragen wordt door de pater

van de broeders van de berg van de goddelijke Jheronimus in Hulsbergen, de oprecht vrome en nobele man Gerard Wachtendunck, zeker en ongetwijfeld de patroon en de collator van voornoemde vicarie evenals van het andere gedeelte daarvan overeenkomstig de canonieke institutie, die door ons moet worden aangehouden.

Wij evenwel dragen u derhalve op, overeenkomstig de leer van de apostel, vrijwillig aan niemand gehaast het gezag over te dragen, zonder instemming van voornoemde parochiekerk, waarin u openlijk en publiek op twee feestdagen en op één niet feestdag, dagen, die uit elkaar liggen, moet afkondigen en mededelen, dat voornoemde dominus Lubbertus door ons wordt voorgesteld en dat allen en een ieder afzonderlijk, naar afkomst als van aanzien, opgeroepen worden, opdat wij tot ons uiteindelijk besluit kunnen komen , op een bepaalde dag, uur, en passende plaats, zij, die zich tegen de voornoemde voorgestelde of tegen zijn presentatie willen verzetten of willen betrokken zijn bij de tegenstand tegen de voorgestelde, en -let op -, een verplichte en gebruikelijke aanklacht te openbaren en ter kennis te brengen. Indien er echter uiteindelijk geen opponent of tegenstander verschijnt, dragen wij u op, aangezien u dan immers dominus Lubbertus in en tot het tweede gedeelte van de voornoemde vicarie toelaat, op gezag van ons ambt en onze authoriteit, hem daarin in te wijden en persoonlijk hem over deze dingen in te lichten, nadat door hem de gewone en gebruikelijke eed is afgelegd van getrouwheid en gehoorzaamheid en van schadeloosstelling van het genoemde tweede gedeelte en vervolgens moet gij bewerken dat dominus Lubbertus zelf of zijn wettige beheerder uiteindelijk in feite in het stoffelijke en

daadwerkelijke bezit komt van het voornoemde eigendom van het tweede deel en van alle zaken die daartoe behoren met de verplichte en gebruikelijke procedures, met de algemene en bijzondere inkomsten die voortvloeien uit en verschuldigd zijn van de opbrengsten van het voornoemde gedeelte, zodat door

dominus Lubbertus zelf of door zijn wettige beheerder, daartoe met voldoende mandaat ondersteund, kan worden beschikt over de vruchten, opbrengsten en algemene emolumenten van het tweede gedeelte van de vicarie en zij kunnen vaststellen in hoeverre die opbrengsten kunnen voldoen aan de omstandigheden, waartoe zij gesteld en gesticht zijn, er op lettende, dat indien uiteindelijk toch één of andere tegenstander verschijnt, deze tegenstander dan samen met de voorgestelde dominus op een bepaalde dag en passend uur in Utrecht voor ons moet verschijnen, terwijl u hem volmacht geeft door middel van duidelijke brieven, gehecht aan de stukken, die verwijzen naar de voortgang in deze voorliggende aangelegenheid, zoals de rechtsorde ons voorschrijft ten aanzien van schriftelijke getuigenissen.

Datum te Utrecht anno Domini 1565 juist op de 21e dag van de maand september .

Anthe Buijser Hoens

 

 

Vertaling.
8 Mei 1569.

Ik dominus Theodoricus Dorrhen, huidige pastoor van de kerk van de stad E1burg, verklaar dat heden door mij eigenhandig deze opdracht is uitgevoerd en dat ik drie afkondigingen heb gedaan voor dominus Lubbertus zoon van Bernhard onder begunstiging van de goddelijke Hyeronimus voor het tweede deel dat gesticht en gefundeerd is in de parochiekerk van E1burg. Daarna heb ik, overeenkomstig de gewoonte van het huidige protocol, gesteld, dat de leiding werkelijk en praktisch in handen is gekomen van dominus Lubbertus, nadat voornoemde de plechtige en gebruikelijke eed had afgelegd. Deze handelingen zijn geschied in voornoemde kerk in tegenwoordigheid van de rechtschapen en eerzame mannen Petrus van Apeldorn door ons aangewezen en magister Theodoricus zoon van Alerd.

Anno 1569 de achtste van de maand mei omstreeks 6 uur namiddag.

1366 Heer Gerardus van Wachtendonk, pater van het klooster in Monte Cristi Hieronimi bij Hattem, heer Arnoldus Doesburgh, pater van het klooster van Sint Agietenconvent te Elburg en de magistraat der laatste stad dragen aan Frederick Schenck, genomineerden en geconfirmeerden aartsbisschop van Utrecht en proost en aartsdiaken der kerk van Sint Pieterskerk aldaar, wegens de dood van heer Hermannus Lutteken, als vicaris van het Sint Jacobus-vicarie in de kerk te Elburg heer Bernardus Lutteken voor.
10 Mei 1561.

Reverendissimo in Christo Patri ac domino domino Frederico Schenck ex liberis barombus a Tautenburgh, Dei & apostolicae sedis gratia nominato & confirmato archiepiscopo Traiectensis necuois ecclesiarium Sancti Plechelmi Aldenzalen. ac Beati Petri Traiectensis preposico et archidiacono etc. domino nostro clementissimo salutem pater nos dominus Gerardus a Wachtendonck, presbiter et pater monastery in monte sancte Hieronimi prope Hattem.

Dominus Arnoldus Doesburgh presbiter & pater monastery (doorgehaald: in oppid) Sancte Agnetis in oppido Elburgensis, consides & genatores oppidi eiusdem modo dicti, ad vicariam sancti Jacobs manoris apostoli in ecclesia Sancti Nicolai oppidi Elburgensis, Traiectensis diocesis ob obitum domini Hermannes Lutteken ultimi rectoris & possessoris vacantem, cuius collatio, presentatio, sen quaevis alia dispositio totiens quoties vacaverit ad nos vatione inrispatronatus attmere dignoscitur. Dilectum nobis dominum Bernhardum Lutteken presbiter ostensore. presentium cui dictam vicariam pure a simpli­citer propter Deum contulimus & conferimus perpre­sen­tes.

Vobis in Dei no.e duximus oresentandum necrio. tenore presenin. presentamus requirentes & exhor­tantes imo rec­tor & canonicus oestram studiose & diligenter supplicantes ut predictum dominum ­Bernhardum ad dictam vicariae. admit­tere & muestire velitis cum soleumtatibus in talibus fieri solitis & consuetis.

In cuius rei cestirnonium sigilla nostra diximus appendenda presentibus datum anno incar­nationis dominice millesimo quingente­simo sexagesimo primo decima die mensis may.

Dorsaal:

Presentacibrieff van den pater toe Hulsbergen ende pater van Elburch mit de stadt van Elburch aen den bisschop van Utrecht voer Berent Lutticken, tot sint Jacobs-vicarie te erlangen. Anno 1561.

1381 Eigendomsbewijs van een stukje land binnen de stadsvrijheid en een stukje roggeland gelegen aan de Molckstege voor Albert Henrickzoon en zijn broer Heyman, afkomstig van Henrick Albertszoon en zijn vrouw Mette.
13 December 1556.

Ick Henrick Albertszoen, Mette echte huysvrouwe vurseid doen kondt allen leuden ende... desen oepenen breve ... ende onsen erven in ... rechten vasten ende... erffcoep ... tween soenen Albert Henrickzoen ende HeymanHenrickzoen mant enen campgen groit wesende gelegen inden vrijheid van der Elburch noertwert opte ... genoempt, dair oestwert Gerritgen Dijcks naist gelant is zuytwert ... wat Willem van Eens erffcoep ende in ende uth dit vurseide campgen moege vaeren Gerritgen Dijcks achter duere, heyn in dat vurseide campgen tho ingel... ick ende Mette vurseid vur ons ende onsen erven hoir ende hoeren noch dairtho ... helffte van een stuck roggelants soeven scepellants groit wesende de ... wert gelegen aende Molckstege dair wij van beholden sullen die ander helffte ... dair oestwert de santwegh angelegen is westwert Jacob ten Wij... want desse coep opgeven ende gescheet is om ene somme geldes in ons to dancke woll betaelt is ,den lesten penninck mitten irsten.

Alsoe loeven wij Henrick ende Mette vurseid vur ons ende onsen erven Albert ende Heyman vurgenoemd ende oeren erven dit vurseide lant te waren ende te vrijen van allen handen ende allen voir commer dairvan aff te doen nae erffcoep ... oick me..e ende gerichtelick opdracht ende vestenisse voir sijnen behoirlicken richter ... tot oiren gesynne nae erffcoepsrecht hiervan te doen beheltelick dairan mijnen genedigen heren hartoge van Gelre etc. sijns rechten ende alsulck onrait als dairmit recht op... ende bekennen dat wij ende onse erven hiervan onterfft sijnnen ende ghien recht noch eenich to seggen dair mer an hebben noch en beholden an eniger wijsen ende dat Albert ende Heyman vurseid ende oiren erven ten lantrechte dairan geerfft sullen wesen ende blieven, tselve erfflick ende ewelick to besytten, rustelick ende vredelicken to gebruycken tot alre slechte noit sonder ymants becroenen offte wederseggen van ons ende van onsen erven ende stellen des vurseide to waren ende settende onderpande vier grese lants opte suytsijdt an dit vurseide Cruyscampgen gelegen om dairan Albert ende Heyman vurseid ende oiren erven hoeren scaeden hynder ende gebrecken... offgecregen to allen tijden te moegen verhaelen. Albert vurseid vurseid argelyst in oirkont der wairheit hebbe ick Henrick Albertszoen mijn segel voir mij ende mijnen erven... openen breve gehangen.

Gegeven inden jaire ons Heren duysent vijff hondert sess ende vijftich op sancte Luciendach virginis ende ick Mette vurseid want ick ghien segell ... ick ingelicken op desen vurseide datum noch gebeden ende bidde Johan Bolle dese ... breve vur mij ende mijne erven mede to besegelen, dat ick Johan vurseid om bede Mette ... alsoe gedaen hebbe ende hebbe mijn segell mede an desen openen brieff gehangen... als nu vurseid.

1389 Eigendomsbewijs, Jan van Treest en Mette zijn vrouw verklaren verkocht te hebben aan Herman Beertz en zijn vrouw Mette, een stuk roggeland gelegen in het ambt Doornspijk in Oostendorp in Heeckscamp.
29 November 1551.

Ick Jan van Treest en Mette echte huisfrouw Jans vurseid doen kondt allen luyden in. bekennen mit desen open breve dat wij mit onsenvrijen moitwijlle voir ons ende onsen erven vercofft hebben Herman Beertz ende Mette sijn echte huysfrouw ende oeren erven, omtrent dre scepell roggelants gelegen inden ampt van Dornspijck int Oestendorp, in Heeckscamp, dair oestwert ende zuytwert ende noertwert die ... to Herderwijck naest gelant s... westwert Gerrit Voss. Ende want desse koep gegeven ende gescheet is om ene somme geldes de ons to dancke den lesten penninck mitten eersten wel betaelt is.

Also loeven wij Jan ende Mette vurseid vur ons ende onsen erven, Herman ende Mette vurseid ende oiren erven desse dre scepel lants vurseid to waeren ende to vrijen van allen handen.

Allen voir co... dairvan aff te doen na erffcoips recht. Oick mede men ende gerichtelick vestenissen mit handt ende mont, so idt na rechte behoeren sall hiervan off te doen, behelte alsulcke tijns ende mijns genedigen heren van Gelre etc. dairan sijns gueden rechten ende alsulke gewoentlicke onraet als mit recht dairop behoert sal dairop blieven.

Ende setten des vur ons ende onsen erven, hen ende oeren erven dre mergen haverlants gelegen anden Broickdijck, dair oestwert Henrick Cre, zuytwert Gheyse van Vierholten, westwert ende noertwert Geertgen Heymanzoen om alsulcke scaede, hinder ende... als sij to enicsher tijt dairan ende over krige muege, mit pendinge na lantrecht ... dairan te moegen verhaelen.

Ende bekennen voert dat wij ende onse erven... onterfft sijne ende ghien recht noch to seggen offt oick enige losse dairover ... noch ende beholden in eniger wijsen.

Ende dat Herman ende Mette vurgenoemd ten ... an geerfft sullen wesen ende blieven, erfflick ende ewelick to besytten ... to gebruycken tot alre slichter noit, sonder ymants becroenen offt ... ende onsser erffgenamen.

Allet sonder argelist oirkonde der ... Jan ende Mette vurseid ghien segell en gebruycken, so hebben wij ge... Henrick Brinck ende Bernt Feyt desen openen breeff vur ons ende onsen... wij Henrick ende Bernt vurgenoemd ter beden also gedaen hebben ... jair ons Heren duysent vijffhondert enenvijfftich op sanct Andriesavont apostell.

1390 Akte waarbij Jan Bigge 4 gresen land buitendijks in de markt van Oosterwolde tot onderpand stelt voor door hem van Henrick Crede en diens vrouw Mette geleende gelden.
10 November 1555.

Ick Jan Bigge bekenne ende belije mits Bernt Feyt Andreesoen tot deser saecken mijn gekoeren momber voir mij ende mijnen erven vermits dessen, dat ick ontfangen hebbe van Henrick Crede ende (doorgehaald: meth) Mette sijn huysfrouwe, twe ende dartich gulden negenentwyntich guede stuver Brabants, falueert an gueden gelden ende sylveren paymentz van elcken gulden gerekent. Beloevende hem off oeren erven desse 32 vurseide guldens wederom to gheven ende wel te betalen mit noch twee der solver guldens nu suntte Marten inden wynter anno etc. sessenvijfftich, offt bynnen de naestkomende 14 daegen onbegrepen. Ende bij gebreck deser betalinge te moegen verhaelen mit pendinge ende in oire eygenhant te moegen korten an mijnen vier greselants bueten dijcks inden marcke van Oestenwolde gelegen, geheten Stickers offt Biggenmeen.

Dair Henrick vurseid, die dre gresen van in hueren hefft, ende alle dat gewas offt levende have als dair op gevonden sal werden. En weert saicke dat iick Jan vurseid mit Henricks ende Mette vurseid offt oire erven wille ende consent desse 32 guldens payments vurseid langer onderholde, so love ick mit mijnen vurgenoemde momber (doorge­haald: hem ende) vur mij ende mijnen erven hem ende oeren erven dair jairlix ende alle jair opten vurseide termijn van togeven ende wel tbetalen twe guldens als vurseid hent ter tijt to ende alsolange dat ick offt mijne erven, hem ende oeren erven, desse 32 guldens vurseid wederom gegeven ende betaelt sal hebben, mit de verschenen ende onbetaelde rente, doch altijt tot oeren gesynnen me.re ende vorder vestenisse hir van doen, segell ende breve dairvan to geven, (doorgehaald: den) dair zij ende oeren erven mede bewairt moegen wesen.

Allet vurseide sonder argelist.

In oerkonde der wairheit hebbe ick Jan Bigge vurseid dairtho vermocht ende gebeden mijnen vurseide momber Bernt Feyt allet woe uw vurseid vur mij ende mijnen erven to bescrijven En ick Bernt Feyt vurgenoemd betuege mit mijnen hir onder gestalte hant­scrifft allet vurseide also gescheet to wesen, ende bij gebreck van betalinge altijt to moegen verhae­len als vurseid stait.

Datum inden jair ons Heren duysent vijffhondert vijfft ende vijfftich op sancte Martensavont inden wynter

Bernt Feyt Andreeszoen. Kijtenssoen.

1392 Heer Joest Henrycksen verklaart verkocht te hebben aan Wolter Petersen en Dyrryckgen zijn vrouw, vijf voedergronsen op de Groete Mheen en enige andere stukken land gelegen in Oostendorp en in Doornspijk.
8 December 1558.

Ick heer Joest Henrycksen myt Gerryt Rijnvisch mijnen gecoeren monber in desser zacken doe kondt allen lueden und bekene vermits dessen openen breve vuer mijn und mijnen erven, dat yck om ene summe geldes mijn ther nuege und thoe dancke dem lesten pennynck mytten eersten wall betaelt is, in enen oprechten vasten stedigen en ygen erfkoep vercofft hebben und vercoepe vermits dessen Wolter Petersen, Dyrryckgen echte huyssvrowe Wolters vurseid und oeren vijff voergronsen gelegen in de vrijheyt van der Elburch op de Groete Meen onverscheyden myt Anna Naggen, streckende van de Zuuyderzee off, wess tot Walter Bos thoe. Nementlick de vyr voergronsen und dat vijffte is myt de kerryke van Elspeet onverschyfft ende ongescheyden gelegen.

Noch een stucke landts indat Oestenderp gelegen waer westwert und noertwert Wolff Wegen erffgenaemen naest ghelandt bynnen, streckende voerts oestwert und suytwert an den Velykendijck, daerthoe een scepell landes ongeveerlick dat de dat genampt wordt dat Haeyrtgen, also dat in sijn pepalynge licht, tsaemen und mijn van mijns vaeders versterff thoe gedeelt is, nae luyt und inholt bezegelde maechghescheytsbreve.

Noch daerthoe een stucke landes, een stucke landes inden ampte van Doerenspijck an de Dyepestege gelegen, daer suuytwert den Boeckellerenck noertwert Berent Dybbelssoen erfgenaemen, oestwert Henrick van Raeden naest gelandt bynnen.

Alsoe dat yck heer Joest vurseid mijnen erven offt ymant van mijnent wegen, nu voert meer daeran gyenderley recht, anspraeke offt toeseggen hebben noch behalden, in enyger wyese enther om eygenscap, erffschap, vrijheyt, offt lossyngen, sonder daeraff ontechtiget und onterfft.

Und gemelten Wolter, Dyrryckgen vurseid und oeren erven daeran weder ten lantrechten und vuer allen rechten beervet sullen wesen, erffelicke und ewelick toe besitten, rustelick und vredelick thoe gebruyken tot alle slycter noet, sonder ymants becroen offt weder seggen van mijn oft mijnen erven om ymant anders van mijnent wegen loene mede buere mijn und mijnen erven altoes tot Wolter, Dyrryckgen vurseid offt oeren erven eersten gesynnen und eyssch vorder opdracht und beter vestenysse, myt handt, halm und mondt, daer sich dess naetuer dess guedts behoert hyraff tdoen.

Oeck desse vuerbenoemde percelen van landen toe waeren, wachten, vrijen van allen handen, und alle vuer commer aff tdoon allet nae erfcoepsrecht beheltelick een rijdergulder dess viers de Reyntgen Mathijas erfgenaemen hebben myt dat stucke landts indat Oestenderp gelegen alsdat myt sijn pepalynge vuerbenoemt staet, sall daerop blijven, besstellen und sette yck vuer mijn und mijnen erven, Wolter, Dyrryckgen vurseid und oeren erven tot een recht onderpandt alsulken erven und guedt als yck heer Joest vurseid lyggen, hebben inden ampte van Doerenspijck an de oezee alle mijne guederen rede und onrede, haer beesten renten landt sent in ..., as ick hebbe off ... daer oestwert Henryck Petersen cum suis, westwert Helmyck Raemaeker, noertwert dat Goer, suytwert Lubbert Aertz, naest ghelandt bynnen, om daer alle hynder und und scaeden dess vurseide coepshalven geleden tmoegen verhaelen; veurbehaldende alsulke herengulden, tijnsen, gewoentlicken overts dijck, dam, wech, weterynge, schouwen und deergelijken als daermyt recht up hoert, sullen daerop blyeven.

Al1et sonder arch und lyst, in oerkonde der waerheyt dat mijn heer Joest vurseid desse vurseide coep wal1 belyevet, hebbe yc gebeden und bydde dem eersaemen Lambert Vrankessen und mijn gecoeren momber Gyrryt Rijnvisch dessen breef vuer mijn und und vuer mijnen erven tbezegelen, dat wij Lambert Gerryt vurseid durch beden halven van heer Joest geerne gedaen hebben und hebben ellyck onse zegel1 hyr onderan dessen openen1 breeff gehangen.

Geeven inden jaere ons Heren duesent vijffhondert acht und vijfftich op onser lyever vrouwendach conceptionis.

1393 Hannes Aertsen en Hennesgen zijn vrouw verklaren verpand te hebben aan Lambert Gerritsen en zijn vrouw Eeffsche en Hillebrandt Gerritsen een gres land, gelegen in Doornspijk op de Horst.
23 Februari 1567.

Wij Hannes Aertsen und Hennesgen echte huisfrouwe Hannes voirseid doin kondt liden und bekennen mit desen aepenen brieve dat wij voir ons und onsen erffgenamen in pandtschap gedaen und verpanschapt hebben als wij oeck verpandtschappen und in pandtschap doin Lambert Gerritsen und Eeffsche sin echte huisfrouwe und Hillebrandt Gerritsen und oeren erffgenamen een greess lantz soe groit und kleyn als dat inden ampte Dornspick opder Horst in een stuck lantz Brant Branssoinscamp geheten boven Michiels huiss gelegen is dair oistwert und suidtwert Lambert Krehe naist gelandt is, westwert dat sus­tern convent binnen Elburch streckende noirtwert an een stuck landtz Hebertzcamp geheten welck gress lantz salige Toenis Smit erlits tobehoirt hefft.

Unde vant dese pandtschap ge­schiet is om ene sekere ons vol und al wel behald ... penningen soe beloeven wij wederom voir ons onsen erffgenamen Lambert und Eeffschen und Hillebrandt voirseid und oiren erffgenamen dit voirseide gress landtz van stonden an kummerfri tho leveren und allen voirplicht dairvan aff tho doin, voirt tho waren und vrien van allen handen alse pandtschaps recht is.

Und sie sullen tselve in stainder pandtschap ghebruicken tot oiren schoensten sonder enich bekroenen und inspreken van ons off onsen erffgenamen lovende mede si desen voir ons und onsen erffgenamen altit tot erste gesinnen van Lambert und Eefsche und Hillebrandt voirseid und oiren erffgenamen vorder opdracht und voirt gerichtlicke vestenisse mit handt halm und mondt to doin und niet voir tho nemen dat desen pandtschaps voirworden enigsins tegen is, beheltelick dat wij und onsen erffgenamen alle jaren op dach Petri ad cathedram off binnen verthien dagen dairna onbegrepen dit voirseide gress landtz wederom vrien und an ons lossen moegen mit twee und vertich rider gulden elcken rider tot vier und twintich gueden Brabansche valueren stuver an anderen gueden und willigen golden und silveren paymente in tit der losse gerekent.

Edoch sullen wij hoir die losse verthiendage to waren tho ver­wittigen sonder arch und list, ourkonde den wairheit, soe hebben wij Hannes Aertsen und Hennesgen voirseid bi ghebreck eigner siegelen tsementlick und elck bisonder ghebeden und bidden Jacob van Wetten und Wolter Petersen desen brieff voir ons und onsen erffgenamen tho besegelen und wij Jacob van Wetten und Wolter Petersen voirseid hebben om gemelter beden wille elck onse siegel beneden an diesen gehangen.

Gegeven des sonnendaechs na dach Petri ad cathedram inden jaere ons Heren viffthienhondert soeven und tsestich.

1423 Hannes Aerts en Hannesgen Bronis Smytsdochter verklaren verkocht te hebben aan Marry Wijchmans, weduwe van Germen Willems, een rente van 5 oert s’jaars, gaande uit een huis binnen Elburg in die Oldestrate.
1 februari 1555.

Ik Hannes Aertssen ende Hannesgen Bronis Smytsdochter, echte huysfrouwe Hannes vurseid, doon kont allen luiden ende bekennen mit desen oepenen breve dat wij voir ons ende onsen erven iom ene nabescreven somme goldes, ons den lesten penninck mitten irsten to dancke ende ter nuege wel betailt: ther rechter lossrenten vercofft hebben, Marry Wijchmans zalige German Willems nagelaten weduwe ende oeren erven, vijff oert van enen enckelen ende gueden Joachimdaler des jaers to renten offt dairvur die rechte weerde in elcker tijt der betalinge an paymente dat dair guet voir is, to geven ende wel to betalen commer vrij ende scadeloes sunder enigher affcortinge van scattinge offt wes dair oick enichsins op verordent werde, altijt onvermyndert in oeren sekeren beholt to leveren, alle jair op onser liever frouwen avont to lichtmissen offt bynnen de naistvolgende veerthien dagen onbegrepen.

Ende alle tijt bij gebreck deser betalinge te moegen verhalen mit pendinge na rechte ende gewoenheiden der stat Elburgh an over ende inne onse huisinge ende hoffstede gelegen bynnen der Elburgh vurseid, in die Oldestrate tuschen Goesen Wijntgen ende Gerrit Gerritssen streckende van de Voirstrate ande Achterstrate tho ende an onsen anderen gueder levende hav, saytgewas, rede ende onrede met utgesondert, als ze oren erven dair inne ende woe ende wair in allen plaitssen becomen conden ende alre lyffste an penden.

Oick ist dat wij Hannes ende Hannesgen vurseid loven voir ons ende onsen erven Marry vurgenoemd ende oiren erven mere ende voirt gerichtelick vestenisse altijt tot oeren gesynnen mit hant ende mont hiervan te doen.

Beheltelick dat wij Hannes ende Hannesgen vurseid ende onse erven moegen alle jair opten vurseide termijn desse vurseide jairlixe rente wederom afflossen ende quytcopen mit twyntich enckele ende guede Joachimdelers offt dair vur mit enen rechte weerde an anderen gueden gelijcken paymente, mitte verlopen en onbetaelde volle rente.

Allet sonder argelist in oirconde der wairheit ende waert wij Hannes ende Hannesgen ghien segel en gebruycken, so hebben wij gebeden ende bidden Henrick van Rahen ende Bernt Feyt desen oepenen breve voir ons ende onsen erven to besegelen ende wij Henrick ende Bernt vurgenoemd hebben ter beden woe ... vurseid elck onse segell an desen oepenen breve gehangen.

Gegeven inden jair ons heren duysent vijffhondert vijff ende vijfftich op onser liever frouwenavont to lichtmisse.

1424 Lubbe, weduwe van Aert Spronck, voor zich zelf en haar onmondige dochter Eeffsche, Jacob Henricksen met zijn vrouw Ghyessele en Geert en Lambert, dochters van Aert Spronck en Alijt zijn vrouw, een rente van een malder winterrogge 's jaars, gaande uit hunne koeweide genaamd Heymanslach, gelegen in Oostendorp in het ambt Doornspijk.
12 Juni 1561.

Ick Lubbe, Aert Sproncks zeliger nagelaten weduwe voor mijn selffs und in statt mijns dochters Eeffsche, alnoch onmundich vermytz Jacob Janssoon in diese saecke mijn gekaeren mombar, wij Jacob Henricksen, Ghyessele echte wijff Jacobs vurseid, wij Geert und Lambert, beyde Aertz Sproncks vurgenoemde dochteren mytz Jacob vurseid in dese saecke unse gekaren mombar, doen kundt allen lueden und bekennen samenderhant vuer uns und unsen erven mytz diesen apene brieve, dat wij umb een somme geldes uns ther nueghe den lesten pennynck mitten yrsten alingh und all well betaelt ther rechter gewisser jaerlixe renthe verkoft hebben und schuldigh sinnen Roebert Heymansen, Alijdt sijn echte wive und oeren erven een molder gueder droogher claver, Veluwesche wynterrogghe Elburgher maethe jaerlix und alle jaere op elcke dagh lamberti in septembri, veerthien dagen voor ofte nae onbehaelt well tbetaelen uuth unse koeweyde genoempt Heymansslach gelegen inden Oustendorp inden ampte Dornspijck, dair oust und westwert wij alle vurseide selffs naist gelandet synnen zuetwert Jacob tho Water und noordtwert Holck Wolffsen voort uuth alle unse guederen, rede und unrede als wij nu ter tijdt hebben und noch naemaels krijgen sullen muege, umb desen jaerlixe roggerenthe vurseid bij gebreck van betalungh mit allen onkosten dairomme gedaen altijdt an desen vurgenoemde underpande und an alletgeene op desen vurgenoemde underpande van beesten, hoy oft anders alsdan gevonden sall werden myt pendungh nae die landtrechten van Veluwen to muegen verhaelen und mit de pande voort to faeren as mit pande de voor herenrenthe, thijnse und binnenjaersche pacht gependet myt allen rechten vervolght und opgewonnen were. Ouck oft dat wij alle vurseide vuer uns und unsen erven loenen altoos tot Roebertz und Alijtz vurseid und oeren erven yrste gesynne woe und wan sych dat nae rechte behooren sall van desen jaerlixe roggherenthe vurseid vorder opdracht und beter vestenisse mit handt und mondt to doon. Vuerbehalden uns und unsen erven alle jaer op dagh und termijn vurseid an desen jaerlixe roggerente vurseid de loesse mit de somme van sesthien dalers, dertich stuvers valuert Brabandische payement an anderen guede golde oft silvere ganghe und geene gelde voor elcke derselve daler to rekenen und tbetalen, doch mit die volre verschenen und onbetaelde roggherenthe dairbij.

Sonder argelist ourkunde der wairheyt und wij alle vurgenoemde ghien zegell selffs gebruecken hebben wij samenderhandt und elck van uns bysonders gebeden und bidden Henrick van Arler und Johan Marrissen desen opene brieve aver uns und unsen erven to willen bezegelen. Dat wij Henrick und Johan vurseid op oere alle vurgenoemde begeerte gedaen hebben.

Geschiet inden jaere uns Heren vijfthienhondert eenentsestich op dach odulphi.

1425 Akte waarbij Wijchman Henricks en zijn vrouw Trude zich verbinden jaarlijks twee daalders rente te betalen aan Gonne Aeltsdochter, wegens geleend geld.

13 November 1564.

 

 

Wij Wijchman Henricksen ende Trude mijn echte huisvrouwe doen tsamen kont ende kentlick tugen ende bekennen mit desen openen breve sculdich twesen Gonne Aeltsdochter mit hoeren kynderen twe ende dartich Jachim dalers, dartich stuver Hollants payment voer den daler gerekent van gereden ende geleenden gelden, de welke wij Wijchman Henricksen, Trude mijn huisvrouwe ende onsen arven onderlic holden moegen ende geven dair af ter rechter jaerliker renthen Gonne Aelts mit hoeren kynderen ofte thoener des breefs twe der selver dalers payments vurscreven tbetalen alle jaere ind kommer vrij van allen scattingen ende ongelt dat daer op koemen mocht in hoir zeker beholt tleveren op martini inde wynter anno vijf ende tsestich de eerste renthe verscrevende ende of de betalinge op dagen ende termijn als vurscreven staete, so niet ende gescide, so mach Gonne Aeltsdochter mit hoeren kijnderen ofte thoner des breefs mit alle kost hynder ende scade daer omme gedaen ende geleden dat selve verhaelen mit pendinge, penden ofte doen penden mit enen daechlichsen richter ofte pender op ende an eenen kamp lants geheten Koster Hey­nenlant, groet omtrent vierdehalf molder lants gele­gen inden ampte van Dorenspijck inde Vlessche int Oesteynde ande Nygenwech, westwert Onse Live Vrouwe, ssuijtwert Geertgen Egberts mit hoer kynderen, noert Otto Bartelts erfgenaemen ende vant wijt al onse ander arf ende guet so dat gelegen is inden ampt Dorenspijck op de Werfhorst, daer wij na dach data van desen op woenachtich bynt ofte wat sij op dat lant ofte den arve vynden, het sij koeren, have, beesten ende dergeliken waer sij dan alder liefste an pent niet daervan uuytbescaden ende mit den panden voert tvaren als men mit pande plach de voer rechte haren thijns, renthen ende binnenjaersce pacht gepent ende mit allen rechten verwonnen binnen sonder...gewere daer tegens tdoen noch laten gesceen mit ghyne rech­ten, geestlick noch warlick belovende voer ons ende onsen arven dit vurscreven onderpant so hoge neet tbelasten noch tbeswaren, dat hoer enich onscade doen mochte jairlix an hoer betalinge dan het sal hoeren vaste onderpant ter tijt toe ende also lange hoer de onbe­taelde penningen weder omme gerestitueert ende gegeven werden beheltliken, dat wij Wijchman Henricksen, Truide mijn huisvrouwe ofte onsen arven hier in de losse alle jare op den vurscreven betaeldach mit de summa paymnte vurscreven mit allen verscenen renthen daerbij, wij also wanneer wij lossen willen dat sullen wij altoes an vierdel jairs tvoeren opseggen.

Sonder argelist in oerkonde der waerheit want ic Wijchman Henricksen selven mit gewoentlike meyn zegel tgebruken so hebbe ic gebeden ende bidde de burgermeister Henrick van Holten de breef ende mitbezegelen ende ic Trude echte wijf Wijchmans vurscreven bidde Willem Nagge onsen koster desen breef ... .. nu tbesegelen.

Dat wij Henrick van Holten ende Willem Nagge als om bede van Wijchman ende Trude ... gedaen hebben ende hebben elck onsen zegel hier onder an desen openen breve doen hangen.

Gegeven int iair ons Heren dusent vijfhondert ende vier ende tsestich op sunte Brictiq dach confessoer.

1426 Rentebrief gaande uit een huis gelegen in de Susterenstraete te Elburg, voor Wilhem Gerrits, Goezen Gerrits en Alijdt Gerrits, ten laste van Goesgen Daems, weduwe van Herman Lutteken.

13 April 1566.

 

Ick Goezyen Daems zaliger Herman Luttekens naegelaeten wedue vermidts Bartolt Veghe mijn gekoeren ind thoegelaeten momber in dezer zaeken, wij Gerrit, Hermen gebruederen und Beertgen, zaliger Herman und Goessgen vurscreven kynderen, mits Gerrit Rijnvysch mijn Beertgens vurscreven gekoren ind toegelaeten momber in dezes zaeken, doen samenderhandt ouhr een yder bijzonder kondt allen lueden, lijen ind bekennen myts dessen openen bezegelden breve, dat wij om ene somme geldes ons tdancke ind ter nughen den lesten pennyck mitter eersten voll all ind wall betaelt ter rechten jaerlixe lossrenthe vercofft weere ind vercoepen vurz ons ind onsen erven Wylhem Gerritz und sijnen erven achtensestichstenhalven stuver Braebans ffaluyrt, off de recht waerde daer vuer an anderen payment daer guedt vuer wesende.

Noch Goezen Gerritz derdenhalven gulden, vyr ind twijntich stuver Braebans off oir weerde vuer yder gulden, und noch Alijdt Gerrits dre gulden als vurscreven leendt desse koep nu ghegeven ind gescheidt as woe vurscreven. Soe loeve yck Goessgen mit mijn vurscreven kynderen de vurscreven gespecifficyrde renthe een yder in quaeliteit als boeven thoe geven ind tbetaelen, alle jaer ind allyck jaer bijzonder op hijllighe Paesschavendt off bynnen de naestvolgende veertyen daegen onbehaelt, stellen ind setten desshalven twaer burghe und ter rechten onderpande onse huysynghe bynnen der stadt Elburch staende in de Susterenstraete tusschen Bartolt Veghe oestwert und Dyrryck Janzoen westwert voirt all onse anderen guederen, rede, onrede, rurende, onrurende.

Soe wij na het ind noch naemals krijgen sullen moegen woe ind waer op wat plaetz de selvighe oick geleghen muchten wesen und ins de selvighe aldenloest be...nden, bekoemen kan off mach om all daer an ind opten vurscreven onderpanden durch ...de betaelynghe der vurscreven jaerrenthe een yder vuer sich mit pandighe mach off doen ver...n ind mit de pande tprocediren nae usantieen off gewoenheyden, stadt ind landtrechten dezer Veluwen.

Beloeven oick mede een yder vuer ons ind onsen erven ten eersten eyssch gesijn off verzueck van de vurscreven partijen offt van oeren aanvuerden opdracht betaelt vestenysse mit meerder anden panden mit handt, halm ind mondt tstellen ind tdoen, vurbeholden ons ind onsen erven alle jaer opten vurscreven termijndach de losse nementlijck Wylhem vurscreven myt vijff ind veertich gulden (doorgehaald: gulden) vyr ind twijntich stuver Brabans ffaluirt off oir weerde vuer yder gulden trekenen ind tbetaelen. Und Goezen vurscreven mit veertich der selver guldens als vurscreven, Alijdt vurscreven mit vijfftich gulden payments vurscreven, edoch altijt mit de volle verschenen ind onbetaelde jaerrenthe daerbij gelacht. Aldit vurscreven sonder arch ind lijst oirconde hebbe yck Goessgen vurscreven gebreke mijn zegels gereden mijn broeder ind momber Bartolt Veghe dessen breeff vuer mijn ind mijnen erven twyllen bezegelen und tot meerdervestenysse, hebbe yck Goessgen mit mijn vurscreven dre kynderen gebeden ind bydden Gerrit Rijnvisch dessen breeff mede vuer ons twylln bezegelen, der wij Bartolt ind Gerrit ter bede und als mombers woe nu vurscreven geerne gedaen hebben inden jaer ons Heren duezendtvijfhondertssesindtsestich op hijllyghe paesschavent.

1427 Scheidsrechterlijke uitspraak in het geschil tussen Geise, weduwe van Beert Gerritszoon en Anne Holcks, over de betaling van drie jaren pacht.

20 februari 1568.

 

Alsoe sekere twist und onverstandt verresen tusschen Geise, zaligerBeert Gerritszoen weduwe t mitten oiren ter eenrer, und Anne Holcks mit oir kinder ter ander siden, aengainde zekere drie jaeren pachtes ider jaer 32 ridergulden van Jacob Janszoen alse volmechtiger zaliger Hillitgen Wolffs verpachtet und die onderhaltungh van Hillitgen voirseid, .. oir soins Helcks huis und samst anders op die pacht voirseid betalen.

Soe hebben Jacob Janszoen als volmechtiger Geysen voirseid mitten oiren die voir gemekte twist an Johan Greve und Wolter Peterszoen und Anne voirseid und oire kinder, Dibbelt Feit und Bartoldt Vege und Johan van Putten als arbitren ten beiden tsiden, stede und vast belovent und gecompromitten die de saicke na ripelicke erwegungh alsoe uytgesproecken, dat Anne Holcks voirseid mitten oiren (doorgehaald: voir di) nu t eerst comende meye die ene helffte und op calli dairnaist volgende die ander helffte van twintich ridergulden t stuck tot 20 (doorgehaald: rider) stuver Brabans gerekent. Der oirer tegenparthie voirseid wittichen bij een pandt naast allen rechten verwonnen, om welcke summe Anne cum suis voirseid oir quota nimlick viff ridergulden, nadem sie mitten oiren die vierde erffgenaem is van Hillitgen voirseid, beholden sal. Und hiermit sullen die parthien voirseid angaende den twist und onverstande voirseid gantslick voir sich und oiren erven gescheiden sijn und bliven. Beheltelick dat Anna Holcks voirseid cum suis oire actie soevoil oiren hillicksbreef angeet behaldet, gelick (doorgehaald: die) Geise Bolletgens voirseid mitten oiren oire actie van die helfftede oick voirbehalden wert.

Actum an 20en februarij anno XVc LXVIII.

Voir die betalinge der 15 ridergulden die Geise, Beert Gerritszoen weduwe cum suis van Anne Holcks mit oir kinder op ... voirseid ontfangen sullen is Henrick Lambertszoen burge.

Wolter Peterszoen

1430 Verbaal van het verhandelde op een vergadering der kleine steden van de Veluwe te Harderwijk, in zake de geestelijke goederen.

26 november 1593.

 

Marge.

De magistraet van Harderwijck..., Wageningen Jorden vander Lauwick, Hattem Dirck Ripperbant, Elburch Gerrit Wernerszoen.

Copie vant gene bijden vier cleynen steden toe Harderwijck versamelt wesent (doorgehaald: gehandelt is) upt stuck der geestelicke goederen verhandelt is.

Sijn op huyden den 5en novembris 93 alhijr ter cameren enschenen op verscheynens eens ersame raidts der stadt Harderwijck, de stedefrunden mit naemen inde marge van desen gesat.

Unde heeft der burgemeister indertijt naer behoorlicke salutation int lange verhaelt de oorsaecke waer toe dese vergaderong geschijdt doende tot dien sine verlesen ene missive der heeren raeden inhalts.

Alsoe die gedeputierden deses furstendums Gelre ende graeffschaps Zutphen t Arnhem vergadert zijnde omme pertinenten stadt over die geestlicke goederen te maecken, bevonden (doorgehaald: dat) alnoch zeer weijnich (doorgehaald: gans) enich berichte vandien overgelevert thebben.

Dat men daeromme volcoemen stadt vandien eider pertinent register so viel men enichsins uytfundich kunde maecken anden voornoemde gedeputierden solde over antwoorden.

Naer verlesinge vande welcke heeft der raidtsfrundt Arnhem als mede ten redressement vande geestlicke goederen gedeputiert s...ie gerapporteert tgene door den gedeputierden t Arnhem vergadert wesende verhandelt zij, voorstellende nyet alleen den nuts unde prouffijt idt gemeijne landt daer van te genieten nemen oock dat daer door die eere goedes ende die policien soude grotelick gevordert worden.

Waernaer der burgemeister versocht heeft dat die stedefrunden sich hyerop comminicatum wilden bespreecken ende also res..ren gelijck men verhaept damit die gemeyne zaecke nyjet en werde verach...

Unde is daer op nae dat de burgemeister hadde verclaert een eersaeme raidt der stadt Harderwijck in alles des heeren raeden schrijvens nae te coemen willich ten omvrage geschiet ende.aer over ende weder over disputen geresolviert op dat die (doorgehaald: goederen) geestelicke goederen die althans allenthalven vertagen worden weder tot sulcken eijnde ende meynong so die bij den vooralderen gedestineert, nemlich ad pios ufus angelacht moegen waer dat men vredich is.

Edoch ein ieder sijn ins collationis onvercort alle registratie der vicarien ende anderen geestelicke beneficie mitten aencleven vandien, so enich enichsins sall kunnen becommen aenden heeren vande reeckencamer, als daer toe geautoriseert aver toeleveren, mits den bij alsdien die magistraet Arnhem als die hoofftstadt zich hierinne werden difficulteren, dat men van gelijcken zulcx mit goeder vougen sall moegen refusieren.

Hier nae gevraecht zijnde oft nijet raetsaem en waere dat men deputierden om sodane staet oder registren den heeren vanden reeckencamer tegens seeckeren daege daer toe te bestemmen een paer.. te behauden.

Is em hellich gesloten dat em ieder in zijn regard zijnen gedeputierden tegens den 22en novembris toecomende desen thalven volcoemen last hebbende des avonts binnen Arnhem te schicken om des anderen daeges eere commissien nae toe leven, ten waere hierentusschen enich bestemlicke obstaculum daer door de angestelde reise opgehalden solden moeten worden, voorquam daer van sall asdan die gene bij den welcke idt gebrecken valt den anderen in tijts veradvertieren.

Ten anderen; dat men t Arnhem gecoemen zijnde mit den magistraet aldaer zich zal bestreecken offt nyet en meijnong en waer dat den ontfanck als oock uytgaven dese geestlicke goederen verrichtet ende die abusen algereets geschiet affgeschaft wurt.

Ten derden; dat men anden heeren raeden insistieren also nu de steden zich in desen willich presentieren, dat oock gelijckfals de gevige die enich ins collationis hebben oder pretend.r. willen ten platten lande woenende daer hen gehalden wurden sich in des mitten steden conform te maecken.

... so sal men anden heeren raeden aver schrijven der excusen waeraver men mit die overleveringe der .uckge... staet vanden geestlicke goederen duslange vertoenet, ende volgens te versoecken aengesien (doorgehaald: wij) men tegens den 2en novembris tArnhem te erschijnen vastens voorhebbens is oer edele bevollen die magistraet van Arnhem amn.ste doen dat oer versoec daer tegens neffens den anderen stedefrunden gevats wilden maecken unde (doorgehaald: in) dat oer edele mit vorderinge vanden genigen (doorgehaald: uuyt) de upten platten lande woenachtich zijn gelieve dermatenten procedieren dat sie voorden anstaende 26 novembris volcoementlick oere registren werden overgelevert hebben.

Actum opde raidtcamer der stadt Harderwijck ten dage wie boven .

G Heassen, secretaris.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1430 zijn getranscribeerd.

1438 Overeenkomst tussen de conventualen van het Sint Agnietenconvent en de magistraat der stad Elburg, aangaande de opheffing van het convent in 1578, en akte van bevestiging door de stadhouder Jan van Nassau in 1579.
28 Juli 1578.


Afschrift.

Wij Stijne Flecoers matersse, Stijntgen van Tongeren procuratersse, Lumme van Huckelom, Agnies van Huessen, Stine Nagge, Mette Ponsteins, Geirit Nolssen Stijngen Roleffs, Aeltgen te Boechop, Griete Roleffs, Henrickgen Gerrit Aers, Geisgen Henricks, Liesbet vander Straten (doorgehaald: ende voert) alle convintualen van Sanct Agnietencloester ter Elburg, angemerckt ende betracht hebbende, die gevaerlickheit deser turbulenten tiden in welcke wij ende onse convente geraken, ten groten achterdeel (doorgehaald: onses convents) ende oeck besorgen, tselve daechlicks in mehrer schade ende hinder soude muegen komen.

Soe is dat wij met guiden riepen raede ende onser aller vrijer wille, den eersamen ende vroemen burgemeisteren, schepen ende raeth deser stadt Elburg om alle onraeth ende widere schade te verhueden ende voer te komen, gebeden ende to verscheiden malen opt aller uterste versorcht hebben of teselve soude willen gelieven ons onse convent, conventlualen metsgaders alle incomsten ende renten tonsen convente gehoerende te willen acceptiren, annemen ende ontfangen, in haerluiden protectie, defensie ende bescerminge twelck howel wij burgemeistere vorseid niet gern gedaen hebben, nochtans des convents ende conventualen vlitige bede ende versoecken voer billick achtende, uuyt beweechlicken oersaecken heurlueden tselve niet weigeren kunnen, hebben daeromme wij materssche, procuratersse ende voert alle conventualen, geene daervan uuytgesondert, in aller bester bestendichster soemen ende manieren van rechten, tselve soude muegen gescheen, overgelevert, getransportiert ende opgedragen, overleveren, transportieren ende opdragen, mits desen den burgemeistere, schepen ende raet vorseid tot Godes ehre ende stifftung guide politien onse convent, onses convents ende tot onse convent behoerende tegenwoerdige ruerende ende liggende, haeff ende guideren, beweechlich ende onbeweechlich, gereedt ende ongereedt, alle breeff ende segelen ende voert alles wat wij hebben geenes uuytgesondert, voerbeholden, also onse medesuster Eeffse Greven, deur affsterven van haer suster om derselve kynderen te onderhouden van ons gegaen is, sal men deselve een vredelike affloeninge doen. Hiertegen hebben wij burgemeisteren, schepen ende raeth vorseid die matersse, procuratersse ende sementlike conventualen vorseid wederomme opt crefftigste ende bundichste beloeft ende togesecht, beloven ende toseggen bi desen, dese achtervolgende puncten ende voerwarden te observiren ende te onderhouden.

In den eersten; tot die dertien voerbenoemde personen, den welcken wij beloven jaerlicks te betalen een ider van haer tot lieffpense, vijfftich gulden, ider gulden tot 20 stuuver Brabands gerekent. Met noch dre mudde clare guide droege winterrogge, Elburger mate ende noch een mudde guide boeckweyte, alle jaer op Martini in den winter verschinende, of veertien dagen daernae onbevangen, welcke vorseide rogge ende boeckweite sielueden sullen muegen ontfangen in affslach van haer summe, van Drees Henrickszoen ende Schuertges Jan, int Oldebroeck wonende, met het oefft op deselve erve wassende. Ende sullen die vorseide vijfftich gulden op die vier terminen des jaers betaelt werden, alle vierdendeel jaers een gerecht vierdepart. Welverstaende so haeste die vorseide matersse, procuratersse ende voerseide conventualen haeres cloesters ruimen, dat alsdan haerluiden betaelt sal worden, het eerste vierdepart van de vorseide jaerlicksse rente.

Beloven oeck wij burgemeistere vorseid dese voergeseide dertien personen in te ruymen het bagijnenhuys bi der kercken gelegen, alwaer silueden haer woenplaetse rustelick ende vredelick, sonder enige beswaernisse van soldaten, wachten ofte schattingen, in alle vrijheit ende versekertheit sullen hebben ende haer levenlanck behouden, voerbeholden dat Mense Wolters woninge hierin niet en sal begrepen wesen. Ende also voer dese tijt noch twe bagynen int selve bhagynenhuys sint wonende, als Ursele Nagge ende Hillichgen Lowen sullen deselve eene kamer voer haer beide muegen beholden, ende sal oeck Anne Mommen woninge hierin niet gerekent worden, die welcke haer uuytganck nae die stadtmuere sal hebben ende niet naet baginenhoff.

Ende sullen oeck die voergeseide materesse, procuratersse ende conventualen eenen koelhoff die beste vor haer gebruicken, die turff, so voer dese tijt opt cloester bevonden wordt, sullen sie muegen genieten ende tot haer nodurfft gebruicken. Angaende den imboell ende huisgeraeth, althans noch opt cloester wesende, daervan sal een inventarien gemaeckt worden ende wat van dien, tot huisraeth ofte nodurfft haerts huisholdens van noeden sal wesen.

Tselve sal heurlueden vergunnet worden welverstaende dat tselve tesamen vorseid naer doetliken affganck wederomme erven ende vallen sall op die burgemeistere, schepen ende raeth vorseid.

Soe oeck imandt van dese genomineerde personen in enige onbehoerlike ontocht bevonden worde, deselve sullen vanden burgemeisteren vorseid naer behoerlickheit gestraefft worden.

Ende so imandt van dese vorseide personen hem in den echten staedt wilde begeven ofte elders metter woninge vertreden, tselve sal heur geconsentiert worden, mitsdien sie beloefft hebben malcanderen gemack ende handtreckinge te doen.

Dat hem van dese rente vorseid affgeslagen sal worden naer guitduncken vanden burgemeistern vorseid, sullen oeck malckandern alsulcke handtreckinge ende gerack doen, dat tselve sal strecken tot guide eendracht ende so hierin enige faute bevonden worde, sullen die burgemeistere, schepen ende raeth hierinne muegen versien naer behoeren.

Also oeck tot het convent vorseid summige guideren gegeven sindt tot behoeff van den armen, waertoe alle weke well een mudde roggen uuytgedeelt is, belove wij burgemeistere, schepen ende raeth vorseid hiervoer alle jaer den armen te geven twe ende vijfftich mudde roggen. Sullen oeck die vorscreven burgemeistere, schepen ende raeth op hem nemen alle lasten ende beswarnissen, hantgelden ende bewijsslike schulden tot desen dach to gemaeckt, welcke vorseide puncten, voerwarden ende articulen wij matersse, procuratersse ende conventualen, metsgaders, burgemeistern, schepen ende raeth vorseid beloven respectivelick onwederropelick tachterhouden, daer tegen niet te doene off yet gehengen gesceen te laeten. Sonder begeven ons alle hulpen ende middelen van rechten hoe die sint ofte eenen naem hebben muchten, geestlick of wertlick, die men hiertegen soude muegen gebruicken.

Alles sonder arch ofte list, oirconde der waerheit so hebbe wij mattersse, procuratersse ende sementlike conventualen onse convent segel onder op spatium doen drucken. Aldus gedaen in onse convent opten acht endetwintichsten julij anno etc. XV LXXVIII.

Jan Peterszoen, secretaris.


1578. 

Regest.

Conventualen van het Sint Agnietenconvent en de magistraat der stad Elburg sluiten een overeenkomst aangaande de opheffing van het convent in 1578.

28 Juli 1578.

Wij Stijne Flecoers materssche, Stijntgen van Tongeren procuratorssche, Lumme van Hueckelom, Agnies van Huessen, Stijne Nagge, Mette Ponsteins, Geirit Nolssen, Stijntge n Roleffs, Aeltgen te Boecop, Griete Roleffs, Henrickgen Gerrit vuerseid, Geisgen Henricks, Lijsbet vander Straten, alle conventualen van Sanct Agnietencloester ter Elburg, angemerckt ende betracht hebbende die gevaerlickheit deser turbulenten tiden in welcken wij ende onsen convente geraken, ten groten achterdeel ende oeck besorgen t selve daechlicks in mehere schaden ende hinder soude muegen komen.

Soe is dat wij mit guiden ripen rade ende onser aller vrijer wille, den eersamen ende vromen burgemeistern, schepen ende rath deser stadt Elburg om alle onraeth ende widere schade te verhueden ende voer te komen, gebeden ende to verscheiden malen opt aller uterste versocht hebben of deselve soude willen gelieven ons onse convent, conventualen, mitgaders alle incomsten ende renten t onsen convente gehoerende te willen acceptiren, annemen ende ontfangen, in haerluiden protectie, defensie ende bescerminge, twelck howel wij burgemeistere vorseid niet gern gedaen hebben, nochtans des convents ende conventualen vlitige bede ende versoeken voer billick achtende, uuyt beweechliken oersacken, haerluiden tselve niet weigeren kunnen, hebben daeromme wij materssche, procuratorsse ende voert alle conventualen, giene daervan uuytgesondert, in aller bester bestendichster soemen ende maniren van rechten tselve soude muegen gescheen, overgelevert, getransportyrt ende opgedragen, overleveren, transportieren ende opdragen mits desen burgemeistern, schepen ende rath vorseid tot Godes eere ende stifftung guide politien onse convent, onses convents ende tot onse convent behoerende tegenwoerdige ruerende ende liggende, haefff ende guideren, beweechlick ende onbeweechlick, gereedt ende ongereedt, alle breeff ende segelen ende voert alles wat wij hebben geenes uuytgesondert .

Voirbeholden also medesuster Eeffse Greven deur affsterven van haer suster om derselver kynderen te onderhouden van ons gegaen is, sal men deselve een vredelike affsoeminge doen. Hiertegen hebben wij burgemeistern, schepen ende rath vorseid die materssche, procuratorssche ende sementlike conventualen vorseid wederomme opt crefftichste ende bundichste beloefft ende togesecht, beloven ende toseggen bij desen dese achtervolgende puncten ende voerwarden te observeren ende te onderhouden.

In den eersten, tot die dertyen voerbenoemde personen, den welcken wij beloven jaerlicks te betalen een ider van haer tot lijffpensie vijfftich gulden, ider gulden tot twintich stuvers Brabants gerekent, mit noch dre mudde clare guide droege winterrogge, Elburger mate ende noch een mudde guide boeckweyte, alle jaer op Martini in den winter verschinende of veertien dagen daernae onbevangen, welcke vorseide rogge ende boeckweite sieluiden sullen muegen ontfangen in affslach van haer summe van Drees Henrickszoen ende Schuertges Jan int Oldebroeck wonende, mit het oefft op deselve erve wassende. Ende sullen die vorseide vijfftich gulden op vier terminen des jaers betaelt werden, alle vierdendeel jaers een gerecht vierdepart.

Welverstaende so haeste die vorseide materssche, procuratorssche ende vorseide conventualen haeres cloesters ruimen, dat alsdan haerluiden betaelt sal worden het eerste vierdepart van die vorseide jaerlickse rente.

Beloven oeck wij burgemeistere vorseid dese voergeseide dertyen personen interuimen het bagijnenhuys bij der kercken gelegen, alwaer sieluiden haer woenplaetse rustelick ende vredelick, sonder enige beswaernisse van soldaten, wachten ofte schattingen,in alle vrijheit ende versikertheit sullen hebben ende haer levenlanck beholden, voerbeholden dat Mense Wolters woninge hierin niet begrepen sal wesen.

Ende also voer dese tijt noch twe bagijnen int selve bagijnenhuys sint wonende als Ursela Nagge ende Hillchgen Lowen, sullen deselve eene kamer voer haer beiden muegen beholden, ende sal oeck Anne Mommen wonige hierin niet gerekent worden die welcke haer uuytganck nae die stadtmuyre sal hebben ende niet naet bagijnenhoff. Ende sullen oeck die voergeseide materssche, procuratorssche ende conventualen eenen koelhoff die beste voer haer gebruijcken, die turff so voer dese tijt opt cloester bevonden wordt, sullen sie muegen genieten ende tot haer nodurfft gebruycken.

Angaende den imboell ende huysgeraeth, althans noch opt cloester wesende, daervan sal een inventarien gemaeckt worden ende wat van dien tot huysraet ofte nodurfft haeres huysholdens van noeden sal wesen.

Tselve sal huerluiden vergunnet wesen, welverstaende dat tselve tsamen vorseid naer doetliken affganck van haer wederom erven ende vallen sall op burgemeistern, schepen ende rath vorseid.

Soe oeck ijmandt van dese genomineerde personen in enige onbehoerlike ontocht bevonden worden, deselve sullen van burgemeistern vorseid naer behoerlickheit gestraefft worden.

Ende so ijmandt van dese vorseide personen hem in den echten staedt wilde begeven ofte elders mitter woninge vertrecken, tselve sal hoer geconsentijrt worden, mitsdien

sie beloefft hebben malcanderen gemack ende handtreckinge te doen.

Dat hem van dese rente vorseid affgeslagen sal worden nae guidt duncken van die burgemeistern vorseid, sullen oeck malcanderen alsulcke handtreckinge ende gerack doen, dat tselve sal strecken tot guide eindracht ende soe hierin enige faute bevonden worde sullen die burgemeistern, schepen ende rath hierinne muegen versien nae behoeren.

Also oeck tot het convent vorseid summige guideren gegeven sindt tot behoeff van den armen waertoe alle weeke wel een mudde roggen uuytgedeelt is, beloven wij burgemeistern, schepen ende rath vorseid hiervoer alle jaer den armen te geven twe ende vijfftich mudde roggen.

Sullen oeck die vorseide burgemeistere, schepen ende rath op hem nemen alle lasten ende beswarnissen, handtgelden ende bewijslike sculden tot desen dach toe gemaeckt.

Welcke vorseide puncten, vorwarden ende articulen wij materssche, procuratorsse ende conventualen, mitsgaders, burgemeistern, schepen ende rath vorseid beloven respectievelick onwederropelick tachterhouden, daertegen niet te doen, off yet gehengen gescheen te laeten, sonder begeven ons alle hulpen ende middelen van rechten , hoe die sint off eenen naem hebben muchten, geestlick off werltlick, die men hiertegen soude muegen gebruycken.

Alless sonder arch offte list, oerconde der waerheit, so hebbe wij materssche, procuratorssche ende sementlike conventualen onse convents segel onder an desen witentlick doen hangen.

Aldus gedaen op den acht ende twintichsten julij, anno vijfftienhondert acht und tsoeventich.

 

Burgemeester, schepenen en raad van Elburg en de conventualen van het Sint Agnietenklooster komen met stadhouder Johan van Nassau overeen dat de conventualen de rest van de kloostergoederen die boven de jaarlijkse alimentatie over zijn, gebruikt mogen worden voor fortificatie van de stad.

2 Augustus 1579.

Wij Johan graff tho Nassaw, Catzenellnbogen, Vianden unnd Dietzs, her tho Bijlstein etc., stadthalder und capitein generall des furstendombs Gelderen unnd graffschap Sutphen doen khondt und te weten hiermede also tot bescherminge der steden und des gemenen vaderlandts und resistentzij van die Spaensche tyrannie ten hoochsten nodig is dat die steden met fortificatie dermaten versehen und gebowett werden dat sie sich voer des viandts overfal deste weniger te besorgen hebben. Und dan burgermeister, schepenn und raedt der stadt Elborch hoere und ietz bemelter hoerer stadt wolvart und sekertheit bedenckende unns te kennen gegeven hebben, hoe dat sie ungefehrlick voer een jaer up versuecken und begeren van die matersche procuratersche und sembtlicke conventualen van Sanct Agnietencloester binnen hoerer stadt, voer dese ietzige gevaerlicke tijt bevreest sijnde und van een ehrlicke competentzs und alimentatie versekert te sijn, begerende met ietzgedachten conventualen een verdrach und accordt gemaeckt hebben, alsoe dat sie elcke persohn een sekere jaerlicksche alimentation handtreicken und daertegens alle des conventz goeder, liggende und ruerende luidt des verdrachs to sich solden nehmen.

Biddende dat wij sulcken verdrach tuschen hen und den conventualen voornoemd gemaeckt, confirmeren ende bewilligen wolden dat sie den rest van die cloestergoederen die baven die jaerlichthe alimentation overschieten möchte tot fortificatie und bevestginge van hoerer stadt vorschreven gebruicken und employeren mogenn. Dat wij derhalven der burgermeister, schepen und rath der stadt Elborch billicke begerte anmerckende ende nit alleen geneigt, maer ock ambtshalven schuldig wesende, die verbeterung und fortificatie van den steden mett mogelicken vlijt to beforderen, den boven beruerten verdrach tuschen der magistrat der stadt Elborch und denn conventualen des closters van Sanct Agnieten vorschreven met bedersijts goeden vrijen willen gemaeckt unnd upgericht, geratificiert, confirmeert und bestedicht hebben, als wij den selvigen nochmals in krafft deses ratificeren, confirmeren und bestedigen. Gevende denn burgermeisters, schepen und raedt der stadt Elborch voornoemd volkommen macht und authoritet dat sie vermoegden duck genoembden conventualen van Sanct Agnieten begeren die administratie vanden cloestergoederen mogen annemen und mits uytreickende denselvigen conventualen jaerlichs enen gewissen penning tot hoere alimentatie den overschot hoerer stadt van besten tot fortificatie van die selviger anwenden mogen.

Bevelende allen den geenen die dit enichsins aengaen mach, dat sie den magistrat van der Elborch vorschreven daeran geen letsel noch verhinderung doenn willen. Des toerkonde hebben wij uns mit eigenen handt underschreven und uns segel upt spatium drucken laten.

Actum den 2en augusti anno 1579.

Johann graff in Nassau, Catzenellnbogen

 

2 Augustus 1579.

Afschrift.
Copie.

Wij Johan graff tho Nassau, Catzenellbogen, Vianden unnd Diest, her tho Bijlstein etc., stadtholder und capitein general des furstendombs Geldern und graffschap Zutphen doen kund und tho weten hiermede also tot bescherminge der steden und des gemenen vaderlandts und resistentzij van de Spansche tyrannij then hooghsten nodig is, dat de steden fortifiert mit fortificatie dermaten versehen und gebouet werden, dat sie sich vur des fiands overfal destho weniger tho besorgen hebben.

Und dan burgermeister, schepen und raedt der stadt Elburgh hoere und ietz bemelter oirer stadt wolvarth bedenckende unns te kennen gegeven hebben, hoe dat sie ungefehrlick vur ein jaer up versuecken und begeren van de matersche procuratersche und sembtlicke conventualen van Sanct Agnietencloester binnen oirer stadt, vur dese itzige geverhlicke tijtt bevreest sijnde und van ein ehrlicke competentz und alimentatie versekert tho sijn, begerende met ietzgedachten conventualen ein verdrach und accordt gemaeckt hebben, also dat sie elcke person een sekere jarlike alimentatie handtrecken und dartegen alle des conventes guider, liggende und ruerende luidt des verdraghs to sich solden nehmen.

Biddende dat wij sulcken verdrach tuschen hen und den conventualen vursseid gemaket, confirmieren unde bewilligen wulden, dat sie den rest van die kloisterguideren de boven de jarlike alimentatie overschieten möchte tho fortificatie und bevestging van oirer stadt vurseid gebruiken und emploieren muegen. Dat wij derhalven der burgermeisteren, schepen und raith der stadt Elburgh billicke begeerte anmerkende ende niet allein geniegt, mahr ock ambtshalven schuldigh wesende, de verbetering und fortificatien van den steden mit mogeliken flijth tho befurderen, den boven beruerten verdragh tuschen der magistratt der stadt Elburgh und den conventualen van Sanct Agnieten vurseid mit beidersijdts guiden vrijen wille gemaekt unnd upgericht, geratificiert, confirmieert und bestediget hebben, alss wij den selvigen nochmals in kraft deses ratificieren, confirmieren und bestedigen.

Gevende denn burgermeisters, schepen und raedt der stadt Elburgh vulkoemen macht und authoritet dat sie vermueghen der duck gemelden conventualen van Sanct Agnieten begeren de administratie van den kloisterguideren muegen annemen und mitz uythreckende denselven conventualen jahrlicks einen gewissen penning tho oire alimentatie den overschatt oirer stadt then besten tho fortificatie van deselven anwenden muegen.

Bevelende allen den geenen die dit enichsinss aengahn magh, dat sie den magistratt van der Elburgh vurseid daran gien lettsel noch verhindrung doen willen.

Des tho orkunde hebben wij uns mit eignen handt underschreven und onse siegel up idt spatium drucken lathen.

Actum den 2en augusti anno 1579.

Johann graff (doorgehaald: tho) zu Nassauw, Catzenelbogen.

Copiert bij mij, Johan van Holthe, secretaris der stadt Elburgh.

Dorsaal:

Confirmatie van grave Johan van Nassauw over het accoort tusschen die magistradt und begijnnen, gemaecken dat die vurseide magistradt tot onderholt vanden conventualen jaerlix alimentatie geven solde, ende het overschot gebuyckt solde worden tot fortificatie unde bedrijnge vande burgeren tegens den viant.

Ratificatie onses heren stadholders.

1441 Akte waarbij de stadhouder Adolf, graaf van Nieuwenaar de overeenkomst, door de magistraat met de conventualen van het Sint Agnietenconvent gesloten.
4 Februari 1587.


Sijne genaden van Nuenar, Meurs ende Limburch, stadthouder ende capitain generael des furstendoms Gelre, graefschaps Zutphen gesien hebbende den verdrach tuschen die magis­traet der stadt Elborch ende den samentlicken conventualen van Sint Agnetenclooster aldar gemaeckt ende die ratificatie van Ernest Johan van Nassouw, als dier tijt stadtholder daerop gedaen. Gemerckt oick die hoochnoodige fortificatie der­selver stadt, willen dat zulck verdrach voortaen gecontinueert werde, gelijck zijne genaden tot zulcken eynde bevelen den drosten van Veluwe, Johan van Scherpenzeel ende andere richteren ende scholtissen daer die goederen ondergelegen zijn moegen, den magistraet daerin te maincteneren, ter tijt toe zijne g(enad)en anders duer in sullen geordo(n)neert hebben.

Actum Elburch den vierden februarij 1587 stilo veterij.

Adolff graff zu Nuewenar.

1443 Verpachtingscondities van een kamp bij de Nijenstadt, een akker op Puttener oirken en een half gewest aan de Kreienkamp door Greheve rentmeester van het Sint Agnietenconvent.

Juli 1580.

 

Den vurwerden hierna beschreven wil Moritz Greheve renthmeister van Sint Agnietenconvent verdaen ... gewest up den kamp bij den Nijenstadt vur guide klare garste, dartho idt halve gewest aen den Kreienkamp, und den acker up Puttener Orcken, einen iederen sijne geding, noch de helfte van den vijf schepel bij de muelen, welcker einige partiel beholdt, sal van stunden (doorgehaald: th) twe guide geerfde burgen stellen, darmit der renthmeister thovreden is ... wen overst enigh claghelde sodane burgen net kunde bekoemen, sal men datsulve weder verdoen unde wat idt eniger geldt, sal he upleggen und betalen.

De renthmeister sal sich muegen holden tho sijnen kuer an den principal an enen iederen sijne burgen, an einen vur allen.

De betaldagen stellen wess Michaelendach veirthein dagen darna unbegrephen.

(doorgehaald:van ein ieder

Dorsaal:

Voerwarden van verpachtingen.

1452 Eernst Reefszoen gemachtigd door de magistraat van Elborch, in tegenwoordigheid van Mauris Greve rentmeester van het Sint Agnietenconvent, geeft na overlijden van broeder Gerrit van Swol pater van het voornoemde convent, in leen een made land gelegen binnen de kerspel Oosterwolde.

16 April 1583.

 

Rodolph Straetmans canonick der kercke van Sunte Marien tUtrecht, vicaris ende stadtholder derselver kercke, proostijes lenen bijden capitelaer der voorseide kercke hiertoe gesath sijnde, doe condt en kenlick allen luyden dat op huyden date deses in tegenwardicheyt der voorseide proostijes, leenman­nen hier naebeschreven gecomen is, die eersame Eernst Reeffszoen, borger als hiertoe specialick gemachticht vanden eerentfesten, eerbaren ende voorsinnigen bur­gemeis­tern schepenen unde raedt der stadt Elborch ende heef overmits dode van broeder Gerrit van Swoll, leste gewesene pater des convents van Sunte Agnieten binnen der stadt voorschreven, in cracht sijnre volmachte ter goeder tijt versocht eene maede lants gelegen binnen den caspell van Oostenwolde buyten den Somerdijck daer suytwert weleer Geertruyt ende nu ter tijt Wichmont Stickers naestgelant is noortwert Bartolt Vege, oostwert streckende aenden Somerdijck ende westwert inde see.

Als dit geschiet was soe verlijden ende verleenden wij verlijen ende verlenen mits desen bryeve conservatie van des convents voors eide goederen als die mannen van leen wesen dat recht was bij gebreke des paters Eernst Reeffszoen als volmechtiche voorseid ende dit in tegenwoordicheyt van Mauris Greve gestelde rentmeister des opgemelte convents goederen die voors eide maede lants wesende des voornoemde proostijes leengoet, soe die hier vorens bepaelt staet die te houden und voornoemde proostije in lene tot eenen goeden onversterffelicken erffleen in allen den selven manieren ende rechten als broeder Gerrit van Swoll laeste gewesene pater te houden plach met sulcke voor­werden dat wanneer Eernst Reeffszoen genomineerde vol­machte ende tegenwoordige hulder afflijvich geworden sall sijn.

Soe sall binnen sjaers ende ses weecken wederom eenen nyeuwen hulder geseth worden, die des voorseide proostij­es, prooste ofte stadtholdere huldt ende eedt doen, ende dit voorsei­de leengoet weder versoecken ende verheergewaerden sall mit ge­woentlicke heergewaet nae ouder gewoente, soe sulcx die alde bryeven vanden convente die men, seyt overmits desen trouwe uuyten lande verbrocht te sijn ofte der voorseide prostije leenregistratie sullen innehouden ende evenverre die oude leenbryeven ende leenregistien van geen heerwaeden en vermelden, sall men altoos betaelen int verheffen sulcken heergewaet als anderen der voors eide proostije vasallen betaelen voor haer heergewaet.

Daer heir bryeven nyet aff en vermel­den ende soe voort euwelick ende erfflick, alsoe dicke alst verschijnen ende versterven sall.

Ende hier op heeft ons huldt, eedt ende manschap gedaen Eernst Reeffszoen voornoemt als die mannen van leen nae­beschreven wesen dat recht was ende men schuldich was te doen hier waeren over ende aen, daer dit geschieden onser proostije leenmannen Aelbert Hoock, Joachim van Schadenbroeck ende Willem Willemszoen van Rossum ende meer goeder luyden gevore. Ende dese verlijdinge is gedaen onvercort altoos der opgemelte proostije ende yeder malcke sijns goets rechts des toorconde hebben wij desen brieff met der selver proostije leensegelen beneden uuythangende besegelt.

Gegeven int jaer ons Heeren XVc drie ende tachtich opten sesthienden dach der maent aprilis.

Verhuel Antho

Int jaer ons Heeren XVc vier ende tnegentich opten vijffthienden dach augusti stilo antiquo voor meister Roedolph Straetmans, canonick capitelaer als stadthouder vanden edel joncheer Joost van Wijtsenhorst, proost der karcke van Sunte Marien tUtrecht in tegenwoerdicheyt der selver proostije leenmannen hyer naebenaempt, erschene die eersame Ernst Reeffs, ende heeft (als gemachtich vanden eernfesten eerbaren ende voor­sinnigen bur­germeisteren schepenen ende raedt der stadt Elborch conser­vatiens des convents van Sunte Agnieten goederen binnen der stadt vurseid volgende seeckere procuratie onder des vurseide stadtssecreetsegel voorden eersame Harmen Brinck leenmannen der welgeboren vrouwe van Elten und Henrick van Putten, leenman des edel eerntfeste Otto van Haeften, heer tho Putten bij gebreck der proostije leenmannen, opten sevenden augusti XVc vier ende tnegentich gepasseert) inder qualite metter leger handt versocht het leengoet int Witte desen geroert ende diens volgende heeft die voornoemde volmachtigen des behoerlijcken eedt gedaen.

Geschiet tUtrecht ten huyse vanden voornoemde stadthouder, in tegenwoerdicheyt van Mauris van Besweyde ende Spenter van Hamersfort leenmannen der proostije vurseid mij tegenwoerdich.

Antho Verhuel ... capli...

1594

Beleninge van een maede mehenlandts gelegen in Oosterwolde buyten dijcks slaende op Eernst Reeffs te leen onder Sint Marien te Utrecht anno 1583.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1452 zijn getranscribeerd.

1457 Akte van belening van de stad Elburg door de heer van Dorth, met de tienden van Gortel.

7 December 1592.

 

Ick Seyno van Dorth heere tot Dorth, landtdroste der graffschafft Zutphen unde schultis tot Lochem etc. alss lehenheer, doe kondt unde bekenne vermistz desen mijnen apenen besegelden gegevenen

lehenbrieve dat ick oirkonde manne van lehen hyeronder benoempt belehent hebbe unde belehene in kraft van diessen Eernst Reeffsen burgermeister der stadt Elborch met den alingen thienden, grofft

unde small aver vyer bouhaeven unde unde havensteden inden lande van Veluwen kerspele van Eepe inde buerschap tho Gortele gelegen.

So datselve lehen van olders heer van het convent van Sinte Agnieten bynnen der Elborch in lehenheer weere geholden ist worden unde mij unde mijnen huyse Dorth ten Zutphenschen rechten lehenruerich iss unde tho ege hergewaeden steth, allet nae inholt mijnes lehenboeckes unde hefft gemelter Ernst Reeffsen mij, lehenheeren voirseid hyervan hulde und eede van trouwen gedaen unde wijders gelavet in alles sich tho schicken unde tho verholden alss eyn getrouw vasale unde lehenman sijnen lehenheeren schuldich iss unde behoiret toe doen, voerbehalden mij, lehenheeren unde jeder mennichlijcken nochtans sijnes gueden rechten hyerdurch onbenaemen allet sonder arch offte list.

Actum diese belehenong voirseid in tegenwordicheyt manne van lehen dairaver enthalt unde geroepen; Harmen Brynck burgermeister der stadt Elborch unde Wilhem van Emse burger der stadt Elborch.

In oirkonde der wairheyt hebbe ick Seyno van Dorth etc. alss lehenheer voirseid desen leenbryeff met mijn angebaeren ingesegel hyer onder anhangende bestediget unde tot meerder verseeckeronghe mijnen christelijcken doepnaemen unde gewontlijcke handtteycken hyer onder geschreven.

Gegeven int jair onseres salichmaekers Jesu Christi XVc unde XCII opten 7 ten deses des monatz decembris.

Dorsaal:

Leenbreef van de Gorteler tienden.

Anno 1592.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1457 zin getranscribeerd.

1459 Wilhelm, graaf zu dem Berg, stadhouder van Gelre, machtigt burgemeesters, schepenen en raad der stad Elburgh om de inkomsten uit de vicarieën te gebruiken tot onderhoud der predikanten.

20 September 1572.

 

Wir Wilhelm grave zu dem Berg freiher zu Boxmer und Bijlant, her zu Hedell, Homoth, Haps, Wisch, und Spalbeek, bannerher etc. Konichlijcher Mayesteith lutenant generall und guverneur im furstendumb Gelren, der graffschafft Zutphen, und inden landen van Overijssel, thun kundt und bekennen das voir den erentfuesten achtparen und weisen burgemeistern, schepen und raeth der stat Elburgh vollenkhommen macht und gewalt gegeven heben, heben vollenkohmmen macht und gewalt in krafft dieses, das sie die vicarien der kirchen darselbst, dweil sie doch derselben collatoren, und vergiffter sein sollen ansich behalten und van den uffkumrsten derselbigen dem zeitlichen predicanten mith notturfftigen ehrligen underhalt versichen damit Gottes worth befurdert und vortgepflantzt und dem gemeinen watterlantz nutz doorgehaald: und besten und welfarth vorgetzogen werde.

Gebieden und bevehlen derhalben allen unsren obristen rithmeister houpt und befelths leuthen, meisteren und knechten auch sunsten mennigliche was wurden wesens oder standes die sein obgemelten burgemeistern, schepen und raet der stat Elborgh daran nith zu verhinderen sundern viel ehe dabei handthaben zu helffen daran geschicht unser gnedig bevelth und meynung.

Zu urkundt haben wir des eigener handen underschreven und auff spatio dar nider unsere secreett drucken lassen, datum Campen den 20en septembris anno etc. LXXII.

Willem grave zu dem Berghe.

Dorsaal:
Elburg.

Belangende die belehnung der vicarien.

Graef Wilhelm van den Berge geeft den magistraet alhier volle macht den vicarien desen kerke tot derselver dienst te imployeren.

1469 Johan Bogardt officiaal der proosdij van Sint Pieter te Utrecht, beveelt de raad der stad Elborch goed toezicht te houden op alle geestelijke goederen en het nakomen van kerkelijke plichten, en beveelt verder de genoemde goederen in geval van nalatigheid te sequestreren.

27 Juni 1569.

 

Johan Bogardt in beiden rechten licentiaet, officiael der proestije van Sinte Peters tUtrecht, begere, versoucke ende bevele den eersamen raidt der stadt vander Elborch, dat zij goede toesicht op allen geestelicke goederen tzij van beneficien, officiele ghasthuysen, weeshuysen ende gilden hoe die genomineert mogen worden.

Voert van doden te begraven, kraemvrauwen, te kercken te gaen, sacramenten tontfangen van haer gemeente te sullen dragen dselve goederen bij enige faute na luyt der fundatien te sequestreren ende arresteren ende voerts dselve gearresteerde ende gesequestreerde goederen tot profijte ofte ter armen ofte fabryck der kercke vander stadt vander Elborch ofte anders als mij heeren dat oerbaerlicx te bevinden sulle, te behoeren, (doorgehaald: ende d) te leggen ende dit al na luyt ende in handen der fundatien.

Gevende dselve voerseide (doorgehaald: ef) eersame raidt hiermede omme tgeen voernoemt te volbrengen, volcommen macht ende commissien.

Oirconde van desen hebbe ick op spacium van desen tzegel der proestije doen drucken, gedaen ter Elborch den seven ende twyntichsten dach junij anno 1569.

1470 Stuk betreffende een geschil tussen de magistraat en de vicarissen der stad.

Aenden Hove van Gelderlandt.

 

Verthonen U wel edele und lieve heer dienstelick to kennen gevende die burgermeestern, schepenen und raeth der stadt Elborch, hoe dat zeecker tijt geleden heer Lubbert Beertsen, heer Hermen Claesen und heer Aert Louwen alle vicarien der selver stadt sinisterlicken over haer supplianten aen ridderschap und steden gesuppliceert hebben gehadt als sij supplianten sulcx geloeffweerdich bericht zijn.

Und alzoe sij sublianten den selven heeren mit den baede der stadt hebben doen citeren, omme haer milde to kennen geven gerichtelick gestant to doen oft tselve mit recht to verdedingen.

En hebben sij niet willen compareren, dan hebben sich daer nae buyten der selver stadt und vrijheyt vandien inden gebiede des drosten van Aver-Veluwen begeven, alwaer zij sich moetwillichlick alnoch onthaldende zijn, als den borgeren, oire hoeven und tuynen und buyten der stadt leggende bij nacht affbreckende und vernielen.

Und beneffens den noch grote dreygementen gedaen, zoe verre sij eenige van haer supplianten oft oire dienaren konde bekommen als zij onlancx genoech aen twee vanden supplianten inder stadtsvrijheyt bewesen hebben, die zij hart aengesproocken, seggende; zoe verre zij dselve op een ander plaets hadden, dat zij daer anders mit leven wilde etc., twelck immers in landen van insticie niet behoort gestadet to worden. In consideratie vandien bidden und verzoecken sij supplianten zeer dienstelick dat U wel edele und lieve als beschermers der insticie gelieven willen aenden selven vicarien to schrijven, waermit oir ernstelick bevolen worde alle gewalt­licke saecken, oick dreygementen van oir persoenen und dienaeren nae to laeten, dan dat zij oire acten die zij op oir supplincaten souden moegen preten­de­ren gerichtelick voor zijn genade oft U wel edele und lieve int werck stellen, op dat alle inconvenienten die daer verners uuyt zouden moegen rijsen daer dorch vermijt moegen worden.

Dit doende etc..

Dorsaal:

Supplicatien an den Hove van Gelderlandt tegen (doorgehaald: den) de drie vicarien.

1470

24 April 1579.


Copie.

Ehrfeist und frommer besonder gueder freundt, raden die burgermeisteren, schepenen und raitt der stadt Elburch aen ons gesuppliciert und tho erkennen gegeven, glick ghij uuth oir erss hier inne verslaten supplication tho vernemen. Demnae is ons irnstich befelch dat ghij den inhalden derselver supplication mit vlijt doir sitt und inn den die saicke suppliciertter gestelt geschapen als dan den in der supplication be­noimbden drie vicarien, wail scherpelicken und op eene benante peenen tegens den heeren tho verbruicken befelt om sich allsulcker moitwilliger dait, handelungh und dreygementen tho uuthalden.

Und sich to wachten van gelicken mee tho duhn. Und dair die selvige eenige actie op die magistrait der stadt Elburch solde vermeijnen tho hebben, den selven als dan dair her tho halden dat sij allsulcke ire actie der gebur nae entreden vur desen Hove, offte dair sij sulcx nae rechte solden vermeynen tho behoiren instituiren.

Damit alle onlust und onordnungh die dair uuth tusschen der stadt und hair enstain solde moigen, in tijtz vur gekommen und vermijdet moege werden. Ghij sult u oick mitten aller yersten van die gruntlicke gelegen­heit deser saicken erkundigen und uns vol­gens dair van thover­latich verstendigen mit befelungh dess almechtigen.

Geschreven tho Aernhem den 24en aprilis XVcLXXIX.

Die verordenthe rhaiden in Gelderlanth.

Dorsaal:

Copie der burcherschaip an den drosts Bentingk den drien vicarien antreffend, am 28 aprilis etc. 79.

1482 Testament van Goessen van Huecklum pastoor van Doornspijk en akte van benoeming zijner executeurs-testamentair.

Heer Goessen van Huecklum pastoor te Doornspijk vermaakt bij uitersten wil zijne goederen aan Gryete Gheeryt Baersdochter en de natuurlijke kinderen die hij bij haar heeft of nog zal krijgen.

12 Mei 1553.

 

Transfix, tweede stuk in het latijns is niet verwerkt.

In goedes naemen amen nadat God de almachtighe der mynsche van stoffder eerden heeft ghemaecktet und den se1ven daer oeck weder hem wyll laeten ghedijen unde de mynsche nyet wyssers vint ind heefft dan die doet en de nyet onwissers dan die stondt ind tijt heb ick heer Goessen van Huecklum, pastore van Dorenspijck etc. aengemerckt noch verstendich ind volmachtich mijn zynnen unde make mijn testament in forme wo navolgende.

Inden eersten bevell ick God den almachtigen mijn zyele ind mijn lichaem nader doet in dye eerde the begraven waert ghecomen is. Soe gheve ick inden eersten van Gryete Gheeryt Baersdochter myt alle haer ind mijne natuerlicke kynderen dye ick bij haer gheworven hebbe off ommer meer verwerven mach alle mijn geudt nyet uuytghescheyden roerende off onruerende, 1ant, zandt, huys ende hoff, golt, zylver, gemondt ind ongemont, kost, cleder, peerden off koeyen, dat mijn ys off omme meer woerden mach den ganssen ynboell ind all dat mij mach wessen,

geestelick off weerlick.

Unde dyt all vurs eid om haer verdient toen ind voer die defloratie ind druck ind lijden ze myt mij ghehadt heefft ind daeran boeven om mijn zyel en saelycheyts wille welcke beter is dan alle guedts des werlts. Voert will ick dat Grette vurs eid dye kynder nyet over die handt slaen en sall, dan altijt voerstaen myt datgene ick hem achter ghelaeten hebbe, als dat testament uuytwijsen sall, ynt daervan zych eerlijck regeren ind die kynderen in gueden tuchten ende zeeden holden sall als dat behoert. Voert will ick wairt zaecke dat ymant van den kynderen wordt een prediker dye sall zijn moeder onderholden myt zijn broederen ind susteren zoe veere zij die kost nyet konnen ghereygen ind alltijt voeren staen. Voert zo will ick ind yen Gryete ind mijne kynderen sonder blijck ende gheboerte sterven ende ghyen erffgenaemen achter en lyeten, sall all dan tselve guedt nae uuytwijsinghe mijn testament erven ind coemen up mijne naesten ind rechten erffgenaem daert tselve guedt affghecomen waren.

Oyck will ick dat Griete vurs eid off mijn kynde re n die ick bij haer heb ghehadt dye welcken dyt testament myt zamentlicker mijne guederen woe vurseid thoekoemen zullen gheven ffuuytrychten Mary mijn natuerlick dochter vijffentwintich rider gulden. Voert gheve ick mijn broeder Ffranck van Huecklum een peert van thyen gulden off dat ick dan heb zoeveere hij dan leeft ende mijn brueder ende Geryts kynderen zaliger vijff gulden unde mijn cappellaen dan inder tijt een guedt boeck myt een daler tot een voerstender Griete myt den kynderen.

Dyt vurseide all zonder arch ende lyst ende ick heer Goessen van Hueckelum vurseid etc. will all tselve vurseid van ween geholden hebben ind all nae uuytwijssinghe onse verluyschehe privilegien ende rechte in bijweesen dan weerdigen inde geestelicken heeren Berent die Haesse pastore tot Hattem ind heeren Geryt a Leesten pastore tot Eep ind die eerssame ind vroemen Ffranck van Huecklum scholdt van Dorenspijck ende Lambert Vranckenzoen burger bynnen der Elborch, dyt tselffer woe vurseid nae the gaen ende the voldoene.

Oirconde der wairheit heb ick heer Goessen vurseid ghebeden dese vier nominatum vurseid dyt dese mijne uuytterste wille ende testament willen tbezegelen myt hoeren zegelen welck ick heer Goessen vurseid tselve eerst myt mijn eyghen naem ende handt onderteykent hebbe ende vort die selffde wij vieren vurs eid ter beede van mij heer Goessen vurseid geeme ghedaen hebben ende hebben onse segelen hyer beneden onderaen desen brieffghehangen.

Gegeven int jaer ons heeren duysent vijfthondert dreenvijfftich den twaleffsten meij.

Gosen Huekelum.

1483 Brief van het Hof van Gelderland aan de pastoor van Elburg over de bediening van een vicarie voor Henrick Crachtsoen door Johan ten Uuytslach.

28 Januari 1559.

 

Erbaere guede vrundt wij schicken u hierinne besloten zekere supplicatie in statt der Coninklijcke Majesteits tho Hispanien, Engelandt etc. onses allergenadichste heeren, ons overgegeven und gepresenteert durch Henrick Crachtsoen clercus des bisdombs Utrecht, und is demnae van hoichstberumpter Coninklijcke Majesteits wegen onse gesynnen (op dat Goidts dienst nyet verachtert noch verrugghet, maer (woe id gebuert, gedaen und geadministreert worde) dat ghij den angetogen heeren Johan ten Uuytslach bij u bescheidet und hem onderrichtet die vicarie inde vurseide supplicatie benoempt) van wegen und inden naem des suppliants to bedienen ende die missen (soeven achtervolgende die fundatie to doene schuldich is) sonder eenige bezwernisse to celebreren, nyettegenstaende die inhibitie off verbot des officiaels van Sinte Peters tUtrecht daerentegen uuytgegangen und men sall hem daeraff untheffen und aenden vurseide officiael und andern schadeloes halden, u hiermit den almechtigen bevelende.

Geschreven tho Arnhem den 28en januarij XVc LIX.

Cantzler und raeden des Conincks in Gelderlant verordent

T. Roos.

1484 Memorie voor Henrick Rees over de afscheiding tussen Elburg en Doornspijk op kerkelijk gebied.

1565.

 

Memoriael voor Henrick Rees.

Inden eersten zoo zall van node weesen om te geraecken tot separatie ende scheydinghe (doorgehaald: van) tusschen die vander Elborch ter eenre ende die van Doernspijck ter andere zijden, te weeten dat partijen ten beyden zijde zellen al vorens voor commissarijs die daertoe geordineert zall worden verclaren; dat door merckelicken reden ende oersaecken die men zall uutdrucken het oerbaerlix te weesen zall dat zij gesaperert ende een yder eenen parochie mach erlangen.

Item mede perfectelick in te brengen den z... incompst ende profijte, die tot die voernoemde pastorie als nu es ende hoe voel dat zelve in die separatie zolde blijven.

Item aengaende die incorporatie (doorgehaald:zall m) vander vicarie zallmen oeck moeten die jaere incompst ende lasten van dien moeten over brengen.

Item zall mede int separeren (doorgehaald:van) ende int incorporeren vant ghene voerseit is moeten erlanghen expres consent, zoe vanden ghifte (doorgehaald:als) ende patronen als oeck den possessuers mitsgaders vanden gerichte ende overicherst des zelve plaetse representerende die meeste deel ofte corpus vanden ghemeenten.

Oeck mede brengende behoerlicke procuratie om deese separatie ende incorporatie te doen expedieren.

1485 Burgemeesters, schepenen en raad der stad Elburg enerzijds en heer Jacob Peterszoin en heer Egbert van Huecklum, bezitters der pastorie te Dorenspijck, met Franck van Huecklum, scholtis Lambert Kree en Lambert Top, kerkmeesteren aldaar anderzijds, komen overeen dat de kerken van Elburg en Doornspijk die tot nog toe èèn geheel zijn geweest, voortaan elk een eigen pastoor hebben

22 Maart 1562.

 

Wij burgermeistere, schepen und raidt der statt Elburg eins, und wij herr Jacob Peterszoin und herr Egbert vann Huecklum verwesers und inhebbers der pastorien und kercken tho Dorenspijck Franck van Huecklum, schulthiss Lambert Kree und Lambert Top kerckmeistere dairselffs in der tidt anderdeils, doin sementlick kundt, liden und bekennen mitz desem voir uns und unsen nackomelingen. Also tuschen uns van der Elburg uns van Dorenspijck hierbevor tho mermalen voir handen gewest, die deecken und pastorien van der Elburg und Dorenspijck ( die biss tho dessem dage tho ein corpus gewest und nicht mehr dan einen pastoir gehadt hebben) tho separieren. So sijn wij burgermeistere, schepen und raidt vurseid van wegen unser statt Elburg und wij her Jacob Peterszoin, herr Egbert van Huecklum, Franck van Huecklum, Lambert Kree und Lambert Top vurseid van wegen der van Dorenspijck mit consent wethen und wille unser burgeren und kerspelluiden eindrachtlick in der frundtschap overkomen voir uns und unsen nakomelingen, dat ein ieder kerspel Elburg und Dorenspijck vurseid van nu voirt an sijnen eigenen besun­deren pastoir sall beholden, und dat in vorwarden und manieren hierna beschreven.

Und in den ersten sint vorwarden, dat wij burgermeistere, schepen und raidt vurseid und unse nakomelingen unsen pastoir in unser statt Elburg erfflick und ewichlick sullen moegen hebben und holden. Und na des einen sterven offt affgang einen anderen ansetten sonder besperung bekruenen offt inseggen des pastoirs tho Dorenspijck offt sijne nakomelingen. Und diewile die pastoir van Dorenspijck also der moederkercken, in fall van praesentatie offt institutie offt anders den pastoir van der Elburg biss her tho altidt verdedinge hefft und beide pastrien mit einer presentatien und institu­tien verwor­ven, so sall oick die pastoir van der Elburg van gemelter praesentatien, institutien und allen beswairnissen voirtan vrij wesen und in gienen wege dairmede tho doin hebben. Sonder der pastoir van Dorenspijck und sijne nakomelingen sullen oir und sijnen nakomelingen dairvan und van allene dat darin voirvallen mach vrij und schadeloss holden. Jedoch is verdedinge, dat der pastoir tho der Elburg in der tidt dem pastoir van Dorenspijck (van oim up sijne praesentatie, institutie tho Utrecht tho verwerven nodich is und anders niet) uitrich­ten und tho voles­ten geven sall elcke mail so vaker des gebue­ren ein Hollan­disch pundt groth offt sess gulden van twintich Brabandische stuver voir dem pundt groth.

Wider sint vorwar­den dat die pastoir van den Elburg under sijn ker­spel und pastorie hebben sall die statt und stattvrijheit van der Elburg und mehr niet, und die pastoir van Dorenspijck sall hebben ijder kersel Dorenspijck und allent wat dair under behoret offt wat hie buiten der stattvrijheit van der Elburg verdedingen kan. Und daran sall sich ein ieder begnuegen lathen und mit sijnen limiten thovreden sijn. Die ein sall oick den anderen mit sepulturen sacramenten anthorichten offt mit anderen kercken­diensten in sijnen kerspel niet turbieren. Ydt were dan dat beide pastoren in der tidt ein ander contract ad tempus und doch niet ewichlick uprichteden und makeden des sie thovreden wesen mochten. Und so viele nu den guideren tho beiden pastorien gehorende antreffe sijn wij averkomen, dat die pastoir tho der Elburg tho sijnen pastorien alleene hebben und beholden sall

alsodane guderen als in voirtiden allene und eigentlick tho der pastorien offt recht tho seggen, tho der Wehme binnen der Elburg gegeven sint, als nemlick .. gulden jairlicks tho lossen mit hundert gulden uth der stattkisten van der Elburg. Item uit die stattkisten vurseid twee gulden van vijff und twintich Brabandsche stuver jairlicks ydt welcke des pastoirs recht offt praesentie genant werdt. Item vierdehalff voeder grondts up die Grothe Meente in der Vrijheit der statt Elburg vurseid gelegen. Item van Sint Agnietenconvent binnen der statt Elburg einen halven olden schildt und vijffthien olden butgens jairlicks. Item van den gasthuse binnen der Elburg einen halven olden schilt jairlicks. Item van Berent Gerritszoin offt Bolle ein halff molder roggen jairlicks tho erffhuise. Item van Senne, Thijss Lambertszoins weduwe entweder ein halff schepel offt ein spint garsten jairlicks uit oir camp bij dem Baginendijckgen voir der Elburgh gelegen. Und hiermede sall die pastoir van der Elburg van allen der guderen tho beiden pastorien gehorende erfflick und ewichlick affgescheiden wesen und bliven. Jedoch sall die pastoir van der Elburg voir sich beholden alsulcke dagelicksche accidentalia als dem in der stattvrijheit vervallen moegen. Und alle andere guderen, renthen, thinsen und erffgrunden hierin niet benoemet und oick alle die accidentalia die in dem kerspel van Dorenspijck offt buiten der stattvrijheit vurseid vervallen, sall die pastoir van Dorenspijck tho sijner pastorien hebben und beholden. Und hiermede sullen wij burgermeistere, schepen und raidt vurseid und van herr Jacob, herr Egbert Franck van Huecklum schulthis und kerckmeistere vurseid so viele dessen twee kercken angeet, voir uns und all unsen nakomelingen, erfflick und ewichlick gescheiden sijn. Und alle andere verdra­gen und handlungen die in roirigen tiden tuschen uns dessent­halven einichsins upgerichtet sijn sullen mitz dessen cassiert doit und tho niete sijn, allet sonder arg und list. Und wij burger­meistere, schepen und raidt der statt Elburg vurseid eins, und wij herr Jacob Peterszoin, herr Egbert van Huecklum, Franck van Huecklum, Lambert Kree und Lambert Top in qualiteit als boven anderdeels bidden und ersueken mitz dessen up ydt aller demuedigest und frundtlickst sampt und besunder den ehrwirdigen in Gott, vader und heren Hermanus van Godes genaden der sijnen keysergifften werden und helmsteden abt. Dat sijne genade und ehrer als rechter patron und collator der vurseide pastorien, dessen unsen billicken und niet allein nutten, sonder oick nodigen verdrach sich wolde gelieven lathen und die selve mit sijnen ende genade ehrer siegel confirmieren und bestendigen, ydt welcke wij alle sampt und besunder umb sijne ende genade ehre na unsem kleinen vermoe­gen mit allen vlijth gern willen verschulden, oirkunde der wairheit hebben wij burgermeistere, schepen und raidt der statt Elburg vurseid unser stattsiegel und wij herr Jacob Peterszoin, Franck van Huecklum ein inden sijn siegel und wij Lambert Kree und Lambert Top vurseid unser kercken siegel an dessen brieff (dem twee sint eine tho der Elburg und eine tho Dorenspijck alleins luidenden) voir uns und unsen nakomelingen gehangen und doin hangen. Und ick herr Egbert van Huecklum vurseid diewile ick selffe noch gien siegel gebrucke, hebbe gebeden und bidde mitz dessen Wilhem Nagge, coper tho Dorenspijck dessen brieff voir mij und mijnen nakomelingen tho besiegelen. Und ick Wilhem Nagge vurseid hebbe umb beden wille hern Egberts vurseid mijn siegel mede an dessen brieff gehangen.

Gegeven am donderdach na reminiscere na onses Heeren Jesu Christi im vijffthien hundertsten vijff und sestichsten jair.

Los stuk.

De pastory van Elburch ende Doerspijck is een corpus geweest sijn gescheiden anno 1565.

Een ieder carspel, Elburch en Doernspijck sal also sijn eygen pastoir hebben.

Doerspijck is de moederkerck geweest, die het recht der presentatie ende pastory binnen Elburch sal den pastor doe Dornspijck uutrichten ses gulden tot sijne institutie.

Volgen oock eenige speciale goederen der pastorien binnen Elburch aengeteickent den abt van werden en helmstadt is patron ende callatoir der beyder voerseide pastorien.

Anno 1565.

Een francinen brieff sonder segelen van burgemeestern ende sholtis etc..

1486 Evererdus Swaer pastoor van Nijkerk, deken van Velue, draagt aan de pastoor in Elburg en Oosterwolde op om ten verzoeke van het klooster van Sint Briggida te Kampen enige inwoners van Oosterwolde, die weigeren hun zuster in genoemd klooster een legaat uit te keren, voor te dragen.

18 Mei 1570.


Copiæ.

Evererdus Swaero, pastore Neoclesiæ decanus et jude ordinarius

ecclesiastiæ jurisdictionis Veluwæ, pastori in Elburch et Oesterwolde ac alijs universis et singulis presbyteris clericis notarys et tabellionibus publicis quibuscumqem nobis subditis ac specialitere cursori nostro vobis et cuilibet vestrum in vetute sancte obedientiæ districte precipiendo mandaenus quatenus ad instantiam venerabilis patris et abba tisse conventus dive Briggide in Campen, su eius legittimi procuratoris citetis coram nobis noecclesiam ad domuni nostre solite recidentiæ ad sextum diem junij proxime sequentem horam audientiæ causarum solitam Johanne Eyberti alias schrijver Johan Rijcksoen, Claes Dircksoen alias valen Claes, habitantes in Oesterwolt, heredes ubi ipsi asserunt Henrici Theodori et Annæ ligittime uxoris eius de et supere eo quod piinij legatum et donatiquem testamentaliter factam crutum aureorum denegant forori eius legittime eiusdem convertitus Sancte Bregittæ Campis fimilitere et fimili modo citetis honestos et discretos Lubbert Zandersoen ten Hoeff et Theodorum Baex als burgen des erffhuyses Henric Theodori defuncti et Annæ uxoris eius ad audiendam inpetitionem patris abbatisse conventus presati seu eius legitimæ procuratoris idqem sub pena quinquaginta aureorum ac vlierius videndum ac audiendum disponi et oddinari prout juris ordo dictaverit cum intimatione debita atqem tali quod cetere executiones aliorum fortassis mandatorum necessariorum contra eosdem fient in valuis nostre ecclesie Neoclesiane easqem tam validas fore ac fi in epsorum presentia facte essent decernimus reddite litteras ut debite executas vos presentum executores.

Datum Neoclesiæ nostro sub sigilo decimo octavo die maij anno XVcLXX.

1512 Volmacht, verleend door de magistraat Elburg aan de gedeputeerden der stad Arnhem, om hem op de Hanzedag te Lubeck te vertegenwoordigen.

16 Augustus 1564.

 

Wij burgermeesternn, schepenen und raith der stadt Elburgh doon kundt allen lueden und certificiren in kraft dieses dat wij den ersamen deputierden die van weghen der eerbaren van Arnhem den schier khompstighen uuthgeschrevene Anzedagh am 27en dach ytslopendes maentz augusti inkhoemende binnen der stadt Lubeck tbesuecken, verordent sullen werden unse volnkhoemene macht und gewaldt gegeven hebben und geven, vermytz dieses gemelten deputierden umb mede van unsent weghen und in unse naeme gestalt neffens anderen deputierden der Anzesteden op alle articulen beschweernuss und andere gemener eerbare Anzesteden ereyschende nootturft, die alsdan dairselffs enichsins vuergedragen sullen mueghen werden tho helpen raithslaghen, beraemen und eyntlick concludiren und sunst allent in gemein und sunderheyt dair inne tdoon (doorgehaald: do) und laeten, wes wij vurgenoemde constituenten eigener persoene ther plaetzyn tegenwoordich sijnde, solden doon oft laeten mueghen und soe die noott erfurderde een oft mheer substituten tho mueghen substitueren den ofte dieselvige so duckmaell noodich to wederropen.

Ouck loeven wij machtgeveren vurseid under gueden geloove vermytz diesen unsen machthebbernn vurgenoemd und desselvigen substituten diesenthalven schadeloos thalden, ouck allethgoene in sacken der lofflicher Anze enichsins anclevende bij unse machthebbernn und desselvighes substituten op die vurseide Anzedagh gehandelt, gesloeten und uuthgerichtet sall werden, dat selvighe stede vast van weerden und onverbroekelicken to willen halden und achtervolghen streckende tot winnungh ofte verluss.

Sonder argelist ourkunde unsers stadtzsecreethzegell hierneden opgedruckt am sesthienden dagh augusti anno XVc vierentsestich.

1525 Burgemeesters, schepenen en de raad van Harderwijk oorkonden dat Meester Arent tho Boecop en Henrick Heeck, ter instantie van Arent tho Boecop burgemeester van Elburg, hebben getuigd dat kooplieden die de Elburger jaarmarkt hadden bezocht en de Veluwe met ossen passeren wilden, daartoe van de stad een bewijs ontvingen.

17 December 1557.

 

Wij burgermeisteren, schepenen ind raedt der stat van Harderwijck doen kondt allen luydenn imd certificyren vuer de waerheit, mits dessen apenen breve, dat vuer ons im schependom gecomen sijnnen de erbar desser statinwoener ind burgermeister Arent tho Boecop und Henrick Heeck ind tuychdenn Meister Arent vurseid bijdenn eydt den hi Coninklijcke Majesteitt unsern gnedigsten heren gedaen, ind Henrick vurseid volstaeffs eydts lijfflicken andenn heiligen, daer sij alle beyde ter instantie Arentz toe Boecop, burger­meistern ther Elburch van weger deselver stat mit recht to geboit weers.

Inden yr­ster tuichdenn Meister Arent vursei­d dat hem wittich ind kondich is van dat hi ter Elburch woendenn, dat coopluydenn de inde Elburger jaermarckede de omtrent Galli is, ind gehol­denn wert, over de Veluwen mit oer ossen passyren woldenn, van de stat Elburch schijn gehaelt ind genomen, meldende dat sij daer andenn boem gewest ind merckt geholdenn hadden, om daermit sich anden drosszt op Veluwen, off anderen tho verant­woerdenn ind passyren.

Item Henrick Heeck vurseid tuichdenn dat hem wittich ind kondich is, as vurseid ind soo voele langer dattet hem selven (dewijll hi daer gewoent ind ossen geweydet) gebuert is, as hi inde tijt der jaermarckede vurseid anderswaer drijven wolde, dat hi sodane schijn om hem daer mit tho verantwoerdenn, as vurseid geworven ind mit genomen.

Versonden soo men schuld­ich is der versochter waerheit, getuich to gheven onser statsegell secreet hier benedenn op gedruckt 17en decembris anno XVc ind soevenindvijfftich.

Dorsaal:

Werner Aldenbernevelt.

Arnt tho Boecop und Henrick Heeck beide ingesetenen geweest van Harderwijck tugen op versoeck van Arnt tho Boecop schepen vander Elburg so dat niemandt ossen heeft moeten driven doer die Veluwe aleer sij ter Elburg merck geholden hadden.

17 decembris anno 1557.

1525 Burgemeesters, schepenen en raad van Harderwijk oorkonden hun mederaadsvriend Werner van Grol, dat, toen Wilhem van Rossum, bevelhebber ter Elburg was, alleen die stad en Wageningen het recht hadden de ossen, zonder verlofbrief van Elburg over de Veluwe te vervoeren.

19 December 1557.

 

Wij burgermeysteren schepenen ind raedt der stat van Harderwijck doen kondt allen luydenn ind certificyren vuer de waerheit mits dessen opene breve, dat vuer ons im schependom gecomen is de erbar onsse mede raitzgesell Werner van Groll ind tuychdenn bijden eydt den hi desser stat gedaen, daer hi ter instantie Arentz tho Boecop burgermeysters ther Elburch van wegen der selver stat mit recht tho geboit was, dat hi in vuertijdenn, dewijll Wilhem van Rossum beveelhebber was ther Elburch und deselvige stat ind Wagenyng alleine van de Veluwesche stedenn Gelressch waeren, dat hi doe de her gedyent ind somwijlen ter Elburch ind somwijlen tho Wagenyng gelegen, ind dat hi alsoo wittich ind kondich is dat sij macht ind beveell hadden inde tijt der Elburgsche jaermarckede de omtrent Galli is, ind geholdenn wert, alle de ossens de sij op Veluwen vondenn imd goen schijn off verloeffbreeff van de stat Elburch hadden, dat daer marckt geholdenn an ind op the holdenn.

Oirconden soo men schuldich is, der versochter waerheit getuych te gheven onser statsegell secreet hier benedenn opgedruckt 19en decembris, anno XVc ind seeven ind vijfftich.

Dorsaal:

Een condtschap van Werner van Grol burgmeister van Harderwijck, ter instantie Arent to Boecop burgmeister der Elburg dat sijn edele kundich was alle beesten in steden van Veluwen angeholden worden die voor Galli end daeromtrent binnen der Elburch op die merck niet hadden geweert end sonder verloffbreeff vande vurseide stadt bevonden worden.

1526 Vrijgeleide, door de magistraat van Elburg verleend aan Henrick Camph, om met ossen naar Lier te trekken.

16 September 1577.

 

Wij burgemeestern, schepenen und raedt der stadtt Elburgh, doin kondt und certificieren voer die rechte waerheit dat Derrick Baeck onse midtburger desen dach van hier nhae Lier gesandt heeft twee ende twintich vetter ossen .ipto zijn diender Henrick Camph om aldaer tlaeten verkoepen.

Begeren wij darhalven an allen aversten, capteinen, hopluyden, beveelhebberen unde andere soldaeten. Voorts allen officieren und anderen die dese onse paspoirte verthoent zal worden, zij willen obgemelten Henrick Camph mit die ossen onverhindert ter marckt brengen laetenn, waeran onsen vrundtschap geschiet wye wij anderen van gelijcken tdoin willich und toe verschulden oorbodich.

Sonder argelist, gegeven onder onser stadts secreet segel opten 26en dach septembris XVcXXVII.

1527 Gilles van Berlaymont stadhouder van Gelre, geeft vergunning dat gedurende een maand van de eilanden vis zal mogen worden aangevoerd binen de stad van der Elburch.

6 December 1575.

 

Gillis van Berlaymont frij ende bannerheere to Hierges, heere to Haulteroche, Perruirez, stadtholder und capiteijn generael des furstendoms Gelre, graeffschap Sutphen, Overijssel, Linghen, Hollandt und Utrecht.

Alsoe onsen edele heeren comandador maijor van Castilie geinterdiceert ende verboden hefft dat eenighe goederen uuyt die landen und steden die Coninklijcke Majesteits rebellen yetz occuperren gebrocht offt gevoert solde worden, hier her unde lande noch in sunder Majesteits gehoirsamheit sijnde om daer mit to beleitten, dat die selve rebellen niet toe gevoert en worde soe woel gelts als sij dachgelickx ontfinghen van sulcx te consenteeren.

Edoch men niet verstaet dat sulck verboet sall strecken aver die visch die uuytter zee commen, soe die rebellen gheen licentie gelt daer van genietten.

Soe ist dat wij geconsenteert ende toegelaten hebben consenteeren ende laeten toe bij desen dat van die eylanden nae ouder gewonte binnen die stadt vander Elburch gebracht sall moegen worden caubaillauw, schelvisch ende allen anderen varschen visch ende dat duerende den tijt van een maent nae date van desen ons middeler tijt bij onsen hoichgedachten heeren comandator maior daervan gesproecken to worden ende der selver meinongch daer op to verstaen.

Gegeven tot Swol den 6den decembris 1575.

Gillis de Berlaymont.

1527 Gilles van Berlaymont, stadhouder van Gelre, verlengt zijn aan Elburg, gegeven toestemming tot het laten komen van de op de eilanden gekochte verse vis voor de tijd van één maand.

13 Februari 1576.

 

Gilles van Berlaymont frij und bannerheer tot Hierges heer tot Haulteroche und Peruirez, Coninklijcke Majesteits thoe Hispanien, der furstendomb Gelder, graeffschap Zutphen, Overijssel, Lingen in Hollandt, West-Frieslandt, Stift und stadt Utrecht, stadtholder und capitein generael doen khundt.

Alsoe wij etliche tijt verleden die stadt vander Elburgh hebben geconsentiert den tijt vann een maendt, aldaer ennige vischwerck als schelvisch und andere varsche visch aen te laeten moegen laeten kommen, sijnde op eylanden gekofft sonder die Majesteits wederwertigen egheen licentie te hebben gegeven und dan bynnen die maent durch uns jedicheit des weder niet besunders daeraen gekommen sihe, hebben wij idt genige voirseide noch van dato deses een maent te moegen geschien, geconsentiert und consentieren mitz desen doch soe lange wij sulchs wederropen sullen unnd opschrieven. Und daermit hier inne goede ordnung moege gehalden werden ordonnieren wij die burgermeisteren und raedt der voirseide stat Elburg neffens

den drosten van Over-Velouwen Henrick Bentinck desent halven goede op sicht te draegen und daerinne laeten geschien, daermede niemantz moege verkortet ader beschedicht werden.

Tuurkhundt hebben wij mit underteyckeninge unser naemen unse secreet op spatium deses doen drucken.

Gegeven Utrecht den 13den februarij anno 1576.

Gilles van Berlaymont.

1529 Verklaring van de secretaris van Ems, dat de bewoners van dit eiland de rogge en boekweit gekocht te Elburg, verkocht hebben te Vollenhoven en Blokzijl.

1583.

 

Kenlick zij allen den geenen die deese opene brieve off cedulle sullen leesen off hoeren leesen, dat onse inwoenders voer deesen tijt opt eylantgen Ens genaemt dan vanden Cuynder heer genaemt Cornelis Janszoen ende Harmen Dirckszoen, ethlycke goederen vercoft hebben tho Ens ende tho Vollenhoe ende oeck tho Blockzijll inden schans. Ende op geen ander plaetsen deese goederen die sij voerseide vroeme mannen haelt ende vercoft hebben, sijne rogghe ende boeckwijdt die sij voerseid gehaelt hadden onder daeghe vander Elburch.

Dit sulfde en sullen genige menschen anders bevinden dant inder waerheyt alzoe is als hier verclaert wort.

Actum op Ens anno 83, op fiersdach.

Meester Jan Vrerickzoen van Amsterdam, secretaris op Ens.

Dorsaal:

Attestatie van gecoft koren 1583.

1551 Request van de magistraat van Elburg aan de Staten van Noord Holland met verzoek om een subsidie voor de versterking van de haven.

Met apostille d.d. 26 juni 1585, waarbij 2000 gulden wordt toegestaan.

26 Juni 1585.

 

Aenden edele heeren den Staeten van Noort Hollant.

Verthoonen met aller reverentie uwer edele goetwillighe ende getrouwe toegedaene naebueren ende bondtgenooten de Gedeputeerde vander Elburch, hoe dat haere stede wezende een aenpaelende haevene ende frontiere opte custe vander Zuyderzee wel nootlijcken met een bequaeme haven ende bolwercken versien ende versterckt eyscht te wezen. Op dat alzoe de ingesetene derzelver mochten teghens den aenloop ende overval haerder ende uwer edele gemeene vyanden gewaepent ende beschermt werden tot behoudenisse haerder stede, dienste ende welvaert der gemeener zaecke.

Ende want de remonstranten van zeer cleyne vermoghen zijn doir dyen zij voir den vyant liggende haere goederen ende incompsten denzelven onderworpen zijn, behalven dat oock noch daechlijcx haere burgeren vander helven gevanghen ende gerantsoeneert werden ende alzoe hoe langer zoe meer verarmen, zulcx zij egeene middel hebben oem tzelve te doen, zoe zijn se vernootzaeckt hen te keeren tot uwe edele heeren getrouwen vrinden, naebueren ende bontgenooten, verzoeckende met aller eerbiedinghe dat dieselve gelieven zal dese haere zaecke dienende tot nootlijcke behoudenis der welgelegener plaetze ende stede voorscreven ter herten te nemen ende hen te helpen met alzulcken middelen als uwe edele naer haere discretie uwe connen verstaen, daertoe nodich te zijn, waerdoir de ingesetenen voirscreven gelijck se altijt daertoe van harten zijn genegen geweest, te meer zullen veroorzaeckt werden oem in aller getrouwicheyt met goet ende bloedt de welvaert der gemeener zaecken te voirderen ende voir te staen etc..

Werdt bij deesen den regierders der stede vander Elburch geaccordeert die somme van tweeduysent currente guldens die hun betaelt sullen worden uuyte penningen gedestineert totte fortificatien vanden steden deene helft soe wanneer het zelve werck gemaect sal zijn ende dander helft teynden die volle opmaeckinge, welverstaende dat die voornoemde regierders terstont die wercken sullen besteden dselve doen opmaecken ende die penningen als voeren geaccordeert daertoe employeren.

Actum tot Hoorn den 26en junij XVc vijff ende tachtentich.

Ter ordonnantie anden magistraten ende gedeputeerden inden collegie van Noort Hollandt.

Bij mij
Horees.
Dorsaal:

2000 gulden geaccordeert tot fortificatie dese stadt.

Anno 1585.

1589 Oorvedebrief door Aert Willemssoen afgegeven ten behoeve van de stad Elburg.
Ick Aert Willemssoen zekere unde love dat ick dese gevencknisse an die schultz, burgermeistern, schepenen unde raidt (doorgehaald: der stadt Elburch) an burgeren (doorgehaald: burgeren) offt inwoeneren der stadt Elburch die nu is, offt namaels wesen moegen, niet wercken sal mit woirden off wercken, mit rait offt daet, mit heimelick offt openbaren, durch mij selven offt imantz anders, so .ort mij Godt helpen.
1604 Volmacht door de magistraat afgegeven aan Johan van Holten in de zaak van Goert Koster tegen de stad.

13 Juni 1591.

 

Burgemeisteren, schepenen ende raedt der stadt Elburch ... kondt ende certificeren eenen jegelijcken, die ... werden sehen offte des wertt aengaen, datt wij in saecken onse stadtt aengaende constitueren ende volmachtich maecken, vermitz desen den eerbaren ende vroemen Johan van Holten daerin tho handelen ende tdoen voer recht offte met vrunttscap, alsoe hij sall befijnden best ende verderlicxste te wesen.

Oick soe mondich i een offte meer volmachtige te substitueren met gelijcker macht, als hem Johan voerseid selven insonderheit datt hij Johan voerseid van onsent wegen sall verdedigen die saeck mett der rechten offte vrundtschap, woe boeven die welcke Goert Koster offte eenighe anderen teghen onse stadt vermeenen thoe hebben.

In oirkonde hebben wij onse stadtsecreetsiegel hier beneden opt spacium doen drucken, actum Elburch, den 13en junij anno 91 stilo antiquo.

Dorsaal:

Volmacht der stad.

1645 Stukken betreffende de levering van rogge door de stad Elburg ten behoeve van het kamp te Utrecht.

De koninklijke commissaris Corpelz beveelt alle ambtslieden en schouten, burgemeesters en schepenen van Elburg behulpzaam te zijn in het kopen van koren ten behoeve van het leger.

3 December 1572.

 

Ick onderschreven commissarius Coninclijcke Majesteit hebbende geaccordeert met die burghemeesteres ende schepen van dit stadt Elburch, van dat sij ytribueren moegen voer die allimentatie off onderhaldinge van die chriesluyden van leger wesende van noden, om die selvigen koeren tmoegen cregen, die hulpe ende bijstanden vanden officieren ende amptluyden sijner Majesteit bij Elburch. Bidt ende begeere van wegen sine Majesteit ende nae die craft van mijne bestellinge, allen amptluyden, schultheten ende anderen dat sij die vorschreven van Elburch wyllen behulpelijck sijn, dat sij coeren voer hoer ghelt moegen kregen, omdat sij dat moegen leveren, daer sij getaxeert sijn ende dat doende sullen Coninclijck Majesteit dienst doen ende sijne leeger hulpelijc sijn.

Datum Elburch den 3en dach decembris 1572 onderstont, geschreven Corpelz.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1645 zijn getranscribeerd.

1648 Overeenkomst tussen Hendrick Antony van Tuyl te Wesel en Andries van Arler, betreffende de levering van vuurwapens aan de stad Elburg.

4 Oktober 1572.

 

Ick Hendrick Toenyss van Tull lije ende bekenne midts deesen vercoft toe hebben den eersaemen Andries van Arler als volmacht nae luyt zijnen comissie des eersaemen raedts der stadt Elburch anderhalff hondert langhe roers, celybres genaempt, mitsgaeders soe voele vleschen ende vlesquelyen mit snoeren gedaen, off bij gevalle hij soe voele niet leveren kunde an minstens hondert, dye welcke sullen schieten op het gewichte van een pont 20 kuegelen. Unde dat voer een summa van penninghen als naemelick voer een yder roer, vlesche ende vlesquelie drie daelers het stuck van 30 stuver Brabands, welcke roeren voerseid Hendrick beloeft van nu oever dree weken op de schoet mit zijne oncosten in eenighe van deesen naevolgende steeden toe leveren, naemelijk Elburch, Harderwijck, Campen offt Swoll.

Midts dat dye eersaeme raedt offt haeren commisaryen op dye tijt der leeveringhe Hendrick voerseid het yrste deell der penningen gereedt sall geven, twee maent daernae het anderer deell ende noch twee maent daernae het derde ende leste deell. Unde ist saecke dat eenich gebreck van quaede kueringhe op dye tijt voerseid duer Hendrick mochte geraeden, sall hij (doorgehaald: voerseid) gehalden zijn in arbitraele straffe off boete toe vallen des eersaemen raedts offt comissaryen der stadt voerseid.

Dat meer is off Hendrick gheensins nae luyt deesen contracten dachte toe kueren, sall hij daerbeneven vervallen zijn alle schaeden ende interessen toe draeghen ende dat tot ordell ende kennisse des gerichts ter plaetze hij eeninchsins mochte gevonden worden, alles sonder bedroch ende argelist.

Oercondt van deesen ende om meerer bevestichet hebben wij Andries van Arler (doorgehaald: voerseid) ende Hendrick Toenyss voerseid deesen onsen contracten mit onsen gewoentelicke handen ende naeme onderteekent.

Actum in Weesell den 4 en octobris anno 72.

Henryck en Antony van Tuyl.

1649 Vrijgeleide voor turf, ten behoeve van het Elburgse garnizoen te Kampen gekocht.

18 Maart 1574.

 

Wij burgemeisteren, schepenen und raedt der stadt Elburgh doin kondt und vuegen eenen yederen tho weeten hoe dat wij tot die soldaeten Coninklijken Majesteitt in onser stadt liggende heeft etlyck brandt van torff und anders tdoin hebben, hebben wij onsen diender afgeveerdicht hem toe Campen te versuegen, aldaer etlicken torff toe koepen und herwerts tlaeten brengen.

Begeren derhalven aen eenen yederen zij denselven torff vrij und lossen vueren und passieren laeten, tselve wij steets toe verdienen willich zin.

Allet voirseide sonder argelist orkonde deses mit onss stadtsecreetsegel bekrefftiget.

Gegeven inden jaere onss sHeeren duisent viffhondert (doorgehaaald: dre) vier ende tsoeventich opten acht­hienden dach mertij.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1649 zin getranscribeerd.

1649 Burgemeesters, schepenen en raad der stad Elburg verklaren dat de door hen te Kampen, ten behoeve van soldaten en burgers gekochte turf, door het lage water niet eerder kon worden aangevoerd.

19 Oktober 1575.

 

Wij burgemeisteren, schepenen und raedt der stadt Elburgh doin kundt und certificieren mits desen voor dye waerheit, alsoe wij onlanxleeden toe Campen vande schippers van Meppell tweeten Goesen Henricx, Jan Simonsoen, Jan Joesten, Arndt Harmsoen, Albert Albertsoen elcx een pott torffz und Jan Claesoen, Kerst Janssen, Geert Janssoen und Claes Geertsoen elcx een schuite voll torfz aff doin koepen, hebben denselven torff zij onss tosamen alhier gebrocht und gelevert, hebben dselve wij in desse verleden daegen hebben doin opvueren dat nyet eer heft komen geschyen.

Vermits die cleinheit des waters welken torff wij tot onderholdonge Coninklijcken Majesteits soldaeten als oock tot nodrufft onsen burgeren doin koepen, hebben alledt vorseide sonder argelist in orkonde der waerheit soe hebben wij onser stadt secreet segel onder opt spatium deses, neffens idt hanteicken van onsen secretaris doin drucken.

Gegeven inden jaer onss sHeeren duisent viffhondert viff ende tsoeventich opten 19en dach des maents octobris.

J.van Lengell, secretaris Elburgh.

N.B.Niet alle stukken van inventarisnummer 1649 zijn getranscribeerd.

1651 Akte waabij Robrecht van Ittersum thoe Nijenhuis, Peter Mulert en Henrick van Brienen thoe Bijssell zich borg stellen voor de teruggave van twee door de eerstgenoemde twee personen namens de landschap van Overijssel te Elburg opgevorderde stukken.

2 Juli 1578.

 

Op huyden den tweeden dach julij XVcLXXVIII bynnen alhier erschenen den edelen erentfesten Robrecht van Ittersum thoe Nijenhuis und Peter Mulert als gedeputiert zinde vanden lantschaph van Averissell, onss burgemeistern, schepenen unde raedt der stadt Elburgh angesecht und gevordert, vermogens een

missive van credentij und belofftenise oer edele 1ieve onss

vanden (doorgehaald: onleesbaar) verordent derselver lantschap van data den lesten junij verleden behandet, om thebben enich geschutt tselve mede voor Campen tgebruicken.

1ss und wordt oer edele lieve bij desen toegelaeten und consentiert twee metaelen stucken daer beyde op staedt “ ick bin gehieten die meermin”.

Dat eenen stuck lanck darthyen voet, achter tselve tstuck met eenen draet rontomme gemeteten die dickte vier voet min een vierdendeell, voor oeck alse rontzomme gemeten dicke twee voeten min een vierdendeell.

Dat ander stucke geschutz elff voet lanck, viftehalff voet achter dycke und voir drie voet dicke, daerbij veertich iseren kloeen wegende yder kloet omtrent elff pondt.

Noch veertich isereren kloen stuck wegende ongeveer ses pondt tselve oer edele 1ieve moegen doin vueren voor Campen aldaer gebruicken unde nhae veraveronge derselver stadt doch alle tijt, tot gesinnen van onss burgemeistern vorseit, dieselve twee stucken geschutz mit soedanen zwaeren gewicht van iesren kloeten dergestalt, onbeschedicht als idt oer edele lieve deser tijt ontfangen werderom restitueren und op koste und perickell der lantschaph van Averissell alhier bynnen onser stadt Elburgh toe leveren, belaevende genante gedeputierden inden qualiteit als voernoemd bij oerer adelicker eeren und waeren geloeven dat sulcke restitutio in maeten vorseit alsoe geschyen sall, voir welcke restitutie den oeck edelen und erentfesten Henrick van Brienen toe Bissell iss borge geworden, verobligierend und verbindende daer voor in kraft deses sin eigen persoin und guderen toe Bissel inden ampte van Doernspijck gelegen onder reale executie van allen gerichten, omme bij faulte van restitutie dat wij burgemeistern, schepenen unde raedt van wegen onser stadt Elburgh dselve twee stucken geschutz und iseren kloeten mit allen hinder und schaeden an zijn edele lieve, persoin und guderen soe vorseit moegen verhaelen soe dat behoirt.

Remdierende d selve Brienen van allen exceptien desen contrarij muchten zin und gelaeft hier geenssyns tegens toe doin noch toe laeten geschyen. Des hebben gedachten geduputierden van wegen der lantschap van Averissell gelaeft und gelaeven soe vorseit bij desen, den opgemelte Henrick van Brienen hiervan t willen grandieren, vrijen, quiten und schaedeloes halden, verbindende daervoor tosamen und een voir all, voor aer und oeren erven onder gelicke executie oere persoenen und guederen diemen aen besten kan bekhommen und men d selve bevindt, dair Brienen zijnen schaeden (soe nodich als toe verhapen) neen) mach naekomen.

Sonder argelist in orkhonde der waerheit und vaster versekeronge, soe hebben wij Robert van Ittersum, Peter Muelert und Henrick van Brienen ter oersacken als voernoemd, desse verzekeronge yeder met onsen christelicken naem und toenaem onderschreven.

Actum bynnen der Elborch voor schepenen ten dage und jaere als baeven.

R vann Ittersumm then Nienhuis etc.

Peter Mulert.

Henrick van Brienen tho Bijsel.

Dorsaal:

Obligatie van utgeleent geschutt deser stadt anno 1578, voer de stadt van Campen gebesicht.

Obligatie van den geschuts na Campen gevoert.

1653 Akte waarbij de overste W. Hegheman de magistraat van Elburg toestemming geeft om zijn soldaten in te zetten tegen hen hen die onwillig zijn tot het fortificeren van de stad.

15 September 1580.

 

Wordt geconsenteert unnd thoegelaeten den eersame heren die magistraeten der stadt Elburch, tmueghen den soldaeten onder den overste Walter Hegheman liggende gebieden, ten eynde dselve geholden sullen wesen, den onwillighen in fortificeren der selver stadt.

Oock um sulcx tmoeten doen gehoerich daertho tmoveren ten eynde sij indien nyt suymich sijn ofte ghene omwillicheit vuerwenden.

Actum deses 15en septembris anno 80.

Utt oiren willen.

W. Hegheman.

1659 Contract tussen Mr. Thomas Both en Eernst Reeffs burgermeester, over de levering van twee stukken geschut ten behoeve van de stad Elburg.

9 Augustus 1588.

 

Up huyden die 9en augusti 1588 stilo veteri, sijn geaccordeert Meester Thomas Both ter eenre, unde Eernst Reeffs borgemeister ter Elborch van wegen die magistraet aldaer ter andere zijde, ten welken dat d voerseide Meester Thomas Both gieten sall voer der stadt vander Elborch twee stucken metaelen geschuts, schietende twee pont ijsers ofte inde plaetse vandien een stuck tot meerder gewichte, tot optie ener kuere van die vander Elborch.

Daervan Meester Thomas Both binnen acht ofte thien daegen verwitticht sall worden te leveren omtrent victoris to comende ofte soe haest het moegelick wesen sall.

Unde heeft d voerseide Meester Thomas Both daerop ontfangen vijfthien hondert 92 ponden, gebroocken geschuts, waervan ene vant vorgieten d voerseide Meester Thomas Both hebben sall vanden hondert pont, ses Carolus gulden, mits dat d voerseide stadt vanden Elborch voir lackagie op yder hondert pont vant voerseide gebroocken geschuts verluesen sall vijff pondt.

Unde wes spijs aert voerseide geschut resteert sall den voerseide Meester Thomas Both daertoe leveren ende voir yder hondert hij daertoe doet, hebben dertich Carolus gulden.

Ende is tusschen perthijen geconditioneert dat d voerseide Eernst Reeffs die betalinge vant voerseide geschut doen sall in deser manieren te weeten, het eene derdendeel bij de leverancie, het andern derdendeel in meijen maenden nae de selve leveren ende het ander derdendel is augusti maenden daernae ende sall d voerseide Eernst Reeffs meegehouden voesen, soe wanneer t voerseide geschut volmachtet sall sijn des voerseide (doorgehaald: onleesbaar) Meester Thomas Botz ometh is te schencken den verderinge tot drinckgelt, is glovende perthijen contracten tguut voerseide stael elcandere nae te tonen ende te voldoen als nae 6 jaeren.

Daer unde verbyndende heuden gesoonden ende goederen de selve submitteerenden allen heeeren, hoven, rechteren lerh ende gerighten.

Sonder arch des tot eenen oirconde hebben pertijen deses elcx underteycket op dato als boven.

Eernst Reeffs.

Thomas Both.
Dorsaal:

Bestaenge van twee metaelen stucken geschut - 1588.

Der Elburch.

1659 Quitantie van Meester Thomas Both van 96 gulden, 3 stuivers en 1 blank.

22 November 1588.

 

Ontfangen van Joriaen Prijs op den 22en novembris twee Utrechts nobels, tstuck seven gulden, 10 stuvers.

Noch twee seuse nobels, tstuck ses gulden, 8 stuver.

Twe angelotten met een halve tstuck, vijff gulden, anderhalve stuver.

Een tsimmersse ducaet tot 3 gulden, 10 stuver.

Twe golde gulden tsuck, vijftich stuver.

Enen rijder tot 35 stuver.

14 rijckx den stuck, 2 g ulden 6 stuver.

Twee statendaelders tsuck 38 stuver.

Een Utrechtsdaelder tot 32 stuver.

Enen halven coenixdaelder tot 25 stuver aen payment 6 gulden, 12 stuver.

Maect tsamen ses ende tnegentich gulden. 3 stuver, 1 blanck.

Thomas Both.
Dorsaal:

Quitanci van Tomas Both.

1661 Jochim Henricksoen en Harmen Hartgertsoen getuigen voor de schout van Harderwijk Conraet van Tongheren, dat zij vernomen hebben dat Henrick Lubbertsoen niet uitgenodigd kan worden, als hij moet bolwerken in Elborch, terwijl Egbert Hoekell gaarne komt bolwerken.

27 September 1591.

 

Ick Conraet van Tongheren van wegen des forstendombs Gelre ende Graeffschap Zutphen scholtus der stadt Harderwijck, doe kondt ende certificere voer die gerechte waerheyt, vermitz desses mijnn openen brieff, dat voer mijn scholtus ende gerichsluyden hiernae beschreven gecompariert ende erschenen sijnen Bochim Henricksoen olt omtrent 26 jaeren, Harmen Hartgertsoen olt omtrent 24 jaeren ende hebben beyde eendrachtich ende yeder voer sich besonder myt opgerechten vyngeren tot Godt getuycht ende gesvoren, daer sye ter instantien van Henrick Lubbertsoen ende Egbert Andreessen mit recht om besat ende toegedrongen synt.

Inden eersten tuychden Bochim voerseid dat hij gesien ende gehoert heft, daer hij op sijn lant ginge, dat Egbert Hoekell geboet Henrick Lubbertsoen nu en wonsdach vergangen des saevents inde schemering, dat hij smorgens vroe ter Elborch solde koemen bolwerken, waerop Henrick seyde ’’dat komt mijn ongelijck, soe en kan ick marchen neet bouwen’’, waerop Hoekel seyde ’’ghij kunt gelijcke well bouwen, sendet w jonghe mit een schuppe die kant well doen’’.

Ten tweeden tuychden Harmen Hartgertsoen voerseid dat op wonsdach voerseid des saevents bij hem getuyge gekoemen is, Egbert Hoekell ende begeerde dat hij hem boeden wolde die buerschap van Hoege Bijssell, dat sij des smorgens vroe solden ter Elborch koemen bolwercken, waerop hij getuyge seyde sulx geerne to willen doen. Dan segget mijn hoe sall ick se boeden? Waerop Hoekell voerseid antwoerde tegens hem getuyge ’’ghij sult se anders anders neet dan mit schuppen boeden, sonder dat hij peerden genoemt hefft’’.

Alsoe waerlick mosten haer getuygen Godt almachtich ende sijn hillige evangelien helpen, hier synt bij an ende oever geweest als gerichtluyden Tijman Wijchmansoen ende Johan van Hasselt, voerts meer anderen die dit mede boeden ende ansaegen.

Des to waren orkonde soe hebbe ick scholtus voerseid mijn zegel hieronder op tspacium van desen gedrockt, actum den 27en septembris anno 1591.

Dorsaal:

Contscappen van bodinge der huysluyden toe bolwerken.

1802 Lubbert ten Have en Henrick van Rasen enerzijds en Bartolt Veghe en Jan Marrisson anderzijds als huwelijkslieden, stellen de huwelijksvoorwaarden vast tussen Goert Dezeman en Gartreut Jansdochter, waarbij zij o.a. de rente aanbrengt van een hoofdsom van 50 Joachimdaalders, haar door haar broer Dirrick Janszoen verschuldigd.

22 juli 1561.


Copia.

Wij Lubbert then Have und Henrick van Rasen hijlickslueden van wegen Goert Dezemansoen an een und wij Bartolt Veghe und Jan Marrisson hijlixlueden van wegen Gartruet Jansdochter an ander zijden doon kundt allen lueden und tuegen openbaerlicken, mitz desen openen brieve dat wij as vrunde und gekaren hijlixlueden van beiden tzijden dair to onthaelt und gebeden tho guder tijdt tho eeren und love Godes almachtich und ther zielen salicheit eeren rechten echten wetlicken hijlick overdragen gededingt und gemaket hebben tuschen Geert Dezemansoen und Gartruet Jansdochter vurseid in rechter hijlicksvurwarden und manieren hier na beschreven.

In den eyrsten sinnen hijlixvurwarden dat Geert Dezemansoen vurseid Gartruet Jansdochter vurgenoemt tot eenen echten rechten wijve hebben und nemen sall und sall an haer brengen alsodane guidt als hij nu ter tijdt hefft und noch namaels einichsins krijgen sall muegen.

Then anderen sinnen hijlicksvurwarden dat Gartruet Jansdochter vurseid Geert Dezemansoen vurseid nemen und hebben sall tot eenen echten mann und sall an hem brengen ther rechter medegaven hairs hijlicks alsulck vijfftich Joachim dalers als haer broeder Dirrick Janszoen hair schuldich is jaerlix und alle jare tuech tho richten und derselve hooffsumme, have, beesten, vermuege maechgescheid is und andere brieven daer van sinnen und alsodane guderen als sie hefft und noch krijgen sall muegen voort sinnen voirwarden tho Gartruet voirseid voor Geert vurseid sonder lieves gebuerte na tho lathen mit dode affgienge sall elck mit sijne angebrachte guederen affstaen beheltlicken dat Geert vurgenoemt van Gartruets vurseid guederen eens verbethert sall wesen tweehundert Joachim dalers, twee gueder perden und een wagen, welcke twee hundert Joachim dalers na dode van Geert vurseid weder erven und vallen sullen op die naeste erffgenamen van Gartruet vurseid, und so vern Geert vurseid voor Gartruet vurseid afflivich wurde, dat alsdan Gartruet vurseid in alle die guederen reede und unreede, als sie hebben bliven sitten behalden sall then ewigen dagen sie und oeren erven und sunst alle angekoffte und angeworven guederen und hueszradt sall die lestlevendige tegens die erste verstorvens erffgenamen halff und halff deelen.

Sonder argelist oirkunde der wairheit hebben wij hijlickslueden vurseid elck unse zegel hier an desen brieve gehangen in den jaire uns Heren vijffthienhundert eenentsestich op dach Maria Magdalene.

Concordat cum sus originali sigillat quod testor ego Henricus Holthenus, secretarius Elburgensis.

1804 Brief van Wolter Peterszoen te Elburg aan Dibbolt Feit te Arnhem, ter toezending van geld.

28 Oktober 1568.

 

Ersame wijse und voirsichtige meist voirgaender, voege ick u ersaeme dienstlick tho weten dat mij sedert u ersamen verweisen noch etzlick bescheit omgaende die renthen uuth der fugitiven guederen is behandet worden, idt welcke ick u ersamen in ene doose bij desen to schenken. Dienstlick begerende u ersamen geliven wille tsulve an doctor Pannekouck tho bestellen und den brieff van Lambert Stuerman (doorgehaald: weder) sampt die ander brieve weder brengen van Lambert Stuerman, heb ick 18 Brabandische stuver ontfangen voir die ander onkosten van idt extract uith idt stadtboick. Stae ick voir in dat sie, u ersaeme, (die ick begere die selve tho willen verleggen) soe balde u ersamen weder komen sullen werden weder gegeven, want alsoe die gesusteren, dient sulve angaet tho Dornspick woenen en hefft die voorman dair niet na wachten willen, dan ick en twivel niet den gulden sal mij desen tegenwoirdigen doch behandet werden.

Hiermit den heren bevolen ilentz uith Elburch postridie simionis et jude apostoli, anno LXVIII.

U ersamen dienstwilligen, altit Wolter Peterszoen.

Ick sende u ersamen oick enen certificatie belangende der wairt memorien und daerbij.

Dorsaal:

Den ersamen, wisen und voirsichtigen Dibbolt Feit mijnen insunderen vielgonstge heren gunner und vrunt.

Tho Arnhem.

Kroniek van Elburg 1566-1593

  • woensdag 25 juni 2014 09:24

Stadsarchief Elburg
Inventarisnummer 394
 

Nummer 1

66.
Item int jaer ons heren duysent vijfhondert ende sessentych op sondach (doorh.: onleesb.) nae sante Mathens worde de kercke gebroken ter Elbruch de eerste mael, doe worde se weder opgemackt, daer ses jaeren daer nae wordt se weer gebroken. Doe wort se weer opgemackt, seven jaer wort se weer gebroken, dat staet nach dat menu scrijft 85, wat nu nach wesen sal dat mach men verwachten den leeft in dat 85 jaer doe legen ter Elbruch wel over de hondertenvijftich scotten in en engelse in, ende daer was sulcken benautheyt inde stat ende op de landen dattet nyet toe gelove en is af ten heeft gyen man beleeft af van hoiren seggen dat onse vrenden wyesen solde deden ons mer quaets dan ons de vyanden wesen solden doet al veroerlijkt was van kercken cloesteren van presteren van alle geestelijke huyessen doe worden alle myenschen so besocht van inposst, men mocht nyet en broet backen af en

kannebyers dryncken af men most daer inposst vangenen als de syese al betaelt was, sulcke scattynge als doe alde jaren voerleden gegeven hadde so dat den huysman alte samen in de steden mosten trecken so dat de landen bleven onbeseyt lyggen, den huysman konde nyet mer op brengen.
 

Nummer 2

86, 87, 80, 89 alsulcke duistren tijt datter in myenschen memorye myet 85 geho gehoert is gwees.

Item int jaer MVC (1500) ende vijfentachtig doe waster alsuken benautheyt onder de myenschen ende ock lange geduyert hadde wel achtyen af negentyen jaren van datmen eersmael de kercken brack op sant Bartilmeeus dach so datter 85 jaeren van ruytteren ende knechten den huysman ende elck algenomen woede dat hij hadde so wel van de vrenden wyesen solde als dat he vyanden wyesen solde, de huysman was verdongen van de vyant doe mosten se ock verdyngen van de vrenden wyesen solden. Ick was doe enen tseventych jaren olt ende hebbe hyrt het jaer anno 19.

89.
Item int jaer ons heren doemen scryef MVC ende negenentachtig doe toegen al de lant luyeden weder op het lant doe lyet de overheyt de lantman algelijke dyngen dat men de landen weder solde beseeien want dat geestelijke guet was al verplaert ende van den lantman en was nyet mer toescatten alle myenschen worden arm rijcken ende armen dan de bijden breewaren de mochten mede genyeten.
 

Nummer 3

Van de wynt der tvaelf nachten 85 doe in weydet nyet ende den andere nacht ock nyet.

Ick hebbe gelyesen alst op en karsnacht weyt de wynt so tkerne deser onversuyt.
 

Nummer 4

Item de merigen in Oestewolde inder oplaghe heeft seinen vierdel mots toe slaeges dat beloept dat grys enen halven voet ende een tvaelfte dyel van een voet.

Item Oestewolde is groet sestyen hondert margen ende enen tvyntig eerste halve margen ende anderhalve hont.

Item de Grote Meen is groet 37 margen ende II hont, ses hont is ene margen deye gresen is ene margen, tvye voer gronts is ene garse.

Item amo XC so hadden de van Oestewolde tvye hondert margen ende 39 margen.

Item de van der Elbruch VI hondert margen en LXXI.

Item de van Kampen III hondert margen ende LVIII margen ende een gres.

Item inden jaere duysent CCC hondert ende XCII inden somer begon men de van der Elbruch eerste de stat toe begraven, des anderen jaers begonnen se toe tymmeren ende toe muyeren.

Item den Soemendijck van Oestewolde is lanck enen twyntych 21 hondert roeden en 500 achtendertych halve roede ende en voeten.

Item de inlage daermen dat toeslach van mackt is lanck C ende 88 roden ende V voet.

Item van de Byesen XCIII roden en III1/2 voet..

Item een scyllynck I 1/2 golt groet, een st[]llenck I 1/2 cleyn I 1/2 [] stunt.
 

Nummer 5

Item int jaer 1500 ende 83 doe wast een sulcken droegen voersomer so dat de beesten alle landen uut en in lepen so dat mense nyet daer in holden en konde.

Item int jaer ons heren 1500 en 90 doe wast so scone soemer alst in lange tijt [...] geweest enwost so scoenen.

Item in jaer ons heren 1500 93 op donderdach saevens om (doorh.: 9 u) negen uer woer sant Martens doen verbrande gralyen eest ende worden vel bij de honde wyer sten [...] verbrant.
 

Nummer 6

Niet getranscribeerd, latijn.

Diverse transcripties: Stadsarchief Elburg (2)

  • dinsdag 28 januari 2014 22:31
Inv.nrs

1244 Uitspraak door scheidslieden in de geschillen tussen de magistraat van Elburg en Adriaan van Ysendorn genaamd Van Bloys.

Afschrift, gewaarmerkt door de secretaris van het stadsgerecht te Utrecht.

10 Augustus 1562.

Wij Cornelis Bigghe, Henrick Rheeffs, Lubbert then Haeve und Bartoldt Veghe van weegen der ersamen burgermeistern, schepenen und raeth der stadt vander Elburgh, an die eene zijde ende wij Henrick van Ysendorn genant tot Bloys, heer tot Stockhem und Lathum etc., Anthonius van Amstell van Mijnden, heer tot Mijnden, Loesdrecht, Teckop und Kroenenburgh und heer Gerrit van Leesten, pastoor tot Eepe, van wegen des wirdighen edelen und vesten heren, heer Adriaen van Ysendorn, genant Van Bloes, comes palatunis ende prothonotarius und domheer des stiffts Utrecht an die andere ziede, doon condt allen lueden und bekennen in diesen apene brieve dat wij als gekaren gescheidtzluede van beyde sieden dair toe onthaelt und gebeden een vrundtlick mintlick erffgescheidt averdraghen, gededinght und uudthgespraecken hebben tuschen den vurseide burgermeisteren, schepenen und raeth der stadt Elburgh, hoeren burgeren und naekhoemelingen und heer Adriaen van Ysendorn sijnen erven, naekhoemelingen als van sulcken twisten schelunghe und gebreecke die geweest sinnen tuschen der stadt vander Elburgh und heer Adriaen van Ysendorn, herkhoemende van den accijsen, gruyt und gruytgelde oft hoe dat genoempt mach wesen binnen derselver stadt und vrijheyt gelegen welck erffgescheydt erfflick und ewelick (doorgehaald: ewelick) dueren zal in manieren und vurwoir­den hiernae beschreven.

Idt is te weten inden yrsten dat alle dieghiene die nu op dagh, datum sbrieves oft hiernaemaels tot eniger tijdt binnen der stadt vander Elburgh hoppenbier ofte keyt brouwen to verkoepen sullen heer Adriaen van Ysend­orn voorseid sijnen erven und naekhoemelingen geven und betalen van elcke dree hondert ponden moltz sulcke ponde als dair die stadt vander Elburgh hair accijse nu ter tijt van buert anderhalve stuver gevaluert Brabandtsche payement ofte die rechte weerde daervuer in elcker tijt der betalungen an andere guede golde ofte silvere ganghe und geene gelde und wes hoppenbier ofte keyte alle andere burgere offet ingesetenen der stadtz vurseid brouwen tot haerselves drincken und niet en vercoopen, daer zal heer Adriaen van Ysendorn vurseid sijnen erven und naekhoemelingen nyet off hebben.

Und oft saeke weer dat die burgermeis­teren, schepenen und raeth der stadt vander Elburgh hoor burgere hoor naekhoemelingen nhu off naemaels eenige andere ordonnantie offe nyeheyt vanden gewichte des moltz op der brouwerijen off anders maecken und de verandersaten wolden, sullen sie doon bij wille und consent heer Adriaen van Ysendorns vurseid, sijnen erven und naekhoemelingen und anders nyet.

Voort so sal alle bier dat van bueten binnen der stadt und vrijheyt vander Elburgh khoempt daer die stadt hoor accijse van heeft und men aldaer tapt und verkoopt vreembt bier weesende wair dat ouck her queme und van elcker tonne van sulcken

vreembde bier sal heer Adriaen van Ysendoern vurseid, sijnen erven und naekhoemelingen hebben und bueren eenen alden Vleemschen vur datum sbrieffs gemundt und geslaegen ofte die gerechte weerde dairvoor an andere gueden payement.

In elcker tijt die betaelungh und dair die stadt vander Elburch eghiene accijse van en heft, daer en sall men heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und naekhoemelingen nyet van geven.

Voort so sall die stadt vander Elburg hair dienaers vander accijsen jarlix meede beeden dat sie heer Adriaen van Ysendoorn vurseid, zijnen erven und naekhoemelingen tgoene dat oen vanden brouweren und vanden uutheemschen bier nhu toegescheyden is, alsoe vurseide stadt to rechte averschrieven und dat nae hoeren vijff sinnen trouwelicken und wal verwaeren sullen und doen heer Adriaen vurschreven Ysendoorn vurseid, sijnen erffgenamen und naekhoemelingen daerentendens hantasthonghen und gelaven hou bij den eedt die sie der stadt alsoe gedaen hebben, dat trouwe­licken und wel te verwaeren und leveren, hou dat in schriften aver tot sijnen sijnre erffgenamen und naekhoemelingen gesinne, daer heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und naekhoemelingen den dienaer inder tijt jaerlicx van loenen sall tweeten den schriever een mijns genedighen heeren riedergulden, achtiendenhalven witten stuver vur den vurgenoemde gulden gerekent und den boeden eenen halven riedergulden payements vurseid und heer Adriaen van Ysendorn voorseid, sijnen erffggenamen und naekhoemelingen muegen den vurgenoemde penninck vanden brouweren und de vander uutheemschen bier verpachten ofte zelve maenen ofte doon manen und bueren bueten bekroen van yemant, und die vurseide dienaers sullen dan die pachters dat in schriften overleveren tot haeren gesinne.

Und wanneer heer Adriaen van Ysendoorn vurseid sijnen erven und naekhoemelingen hoer des vurseide dienstsverdreght, soe sullen sie eghien loen dairvan hebben.

Voort weert saeke dat yemant binnen der stadt und vrijheyt vander Elburgh gruytbier brouwen wolden, die sall sijn gruyte haelen van heer Adriaen van Ysendoorn vurseid, sijnen erven und naekhoemelingen und van nyemant anders und betalen hem die nae older gewoonten hiermede und in manieren vurseid sullen burgermeisteren, schepenen und raeth der stadt vander Elburgh vuoorseid haer burgeren und naekhoemelingen und haer brouwers inder tijt weesen, und heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und naekhoemelingen mindtlick und vrundtlick, erfflick und ewelick geslicht verleecken und gescheyden weesen und blieven van alsulcken twisten, schelunghen und gebreeken als vurscreven staet.

Twelcke erffgescheydt wij burgermeistere, schepenen und rayth der stadt vander Elburgh vuer uns und unsen naekhoemelingen an die eene ziede, und ick heer Adriaen van Ysendorn vurseid unde mij, mijnen erven und naekhoemelingen an die ander siden dith aldus avergegheven hebben. Soe gelaeven wij an eedtz statt dit zelve erffgescheit in alle manieren und voorwaerden gelijck vurseide staet volnkhoemenlicken vast stede, erffelick und euwelick, unverbreckelicken tho halden daertegens niet to doen, don ofte to laten geschien mit ghiene privilegien, exceptien, geestlick ofte werltlick noch mit ghiene saeke usiert sijn ofte worden mueghen.

Und allent sonder argelist und des to ourkunde und getuech der wairheyt, soe hebben wij burgermeisteren, schepenen und raith der stadt vander Elburgh vuer uns und unsen burgeren und unsen naekhoemelingen unses stadtssegel an desen apene brieve doen hangen und ick heer Adriaen van Ysendoorn vurseid hebbe mijn zegell voor mij ,mijn erven und mijnen nakhoemelingen aen deesen apene brieve gehangen und wij Cornelis Bigghe, Henrick Rheeffs, Lubbert then Haeve und Bartholdt Vege vurseid alse gescheidtzluede van wegen der stadt vander Elburgh an die eene ziede und wij Henrick van Ysendoorn genant Van Bloes heer tot Stockhum und Lathum etc., Anthonius van Amstel van Mijnden, heer tho Mijnden, Loesdrecht, Teckop und Kroenenburgh, und heer Gerrit van Leesten, pastoor tot Eepe vurseid van weghen duckgemeltes heren Adriaen van Ysendorn genant Bloes an dandere ziede daertho unthaelt und gebeden elck unse segel ther ourkunde der waerheyt an desen apene brieve gehanghen, dess breve sijnt twee alleens spreckenden, daer die stadt vander Elburg und heer Adriaen van Ysendorn vurseid elck een hebben.

Gegeven inden jaere unss Heren duesent vijffhundert tweentsestich op dach sancti Laurentii martyris.

Ende was besegelt met acht uuthangenden segelen alse twee in rooden ende ses in groenen wassche ende dubbelde sterten neffens welcke noch was uuthangen ende een dubbelde sterten zonder zeegel.

.ecollten tegens sijne ... ende bevonden hiermede t accorderen in kennisse van mij ... secretaris vanden gerechte der stadt Utrecht.

...
Los vel.

Verdrag op bepalinge der gruytaccise van driehondert pont molts te geven anderhalve stuyver ende van iegelick vat vreemt bier een oldt Vleemsch de gruyt der brouweren sal daer tegen geloest worden van den sij genade der accise.

Anno 1562.

1244 Cornelis Bigghe, Henrick Rheeffs, Lubbert then Haeve en Bartoldt Veghe vanwege burgemeesters, schepenen en raad van Elburg enerzijds en Henrick van Ysendorn genaamd Van Bloes, heer van Stockum en Lathum, Anthonius van Amstell van Mijnden, heer van Mijnden, Loesdrecht, Teckop en en de heer Gerrit van Leesten, pastoor te Epe, vanwege heer Adriaen van Ysendorn genaamd Van Bloes, comes palatinus, prothonotarius en domheer te Utrecht anderzijds, doen uitspraak in de geschillen tussen de beide partijen over de gruit en het gruitgeld binnen de stad en de stadsvrijheid.
Wij Cornelis Bigghe, Henrick Rheeffs, Lubbert then Haeve und Bartoldt Veghe van weghen der ersamen burgermeisternn, schepenen und raeth der stadt vander Elburgh an die eene ziede ende wij Henrick van Ysendorn genant Van Bloes, heer tot Stockhom und Lathum etc., Anthonius van Amstell van Mijnden, heer tot Mijnden, Loesdrecht, Teckop und Kroenenburgh und heer Gerrit van Leesten, pastoer tot Eepe van wegen des wirdigen edelen und vesten heren, heer Adriaen van Ysendorn, genant Van Bloes, comes palatunis ende prothonotarius und domheer des stiffts Utrecht an die andere ziede, doon kundt allen lueden und bekennen in diesen apene brieve dat wij als gekaren gescheidtzluede van beyde zieden dair toe onthaelt und gebeden een vrundtlick mintlick erffgescheidt averdraghen gededinght und uuthgespraecken hebben tuschen den vurseide burgermeistere, schepenen und raeth der stadt Elburgh, hoeren burgeren und naekhoemelinghen und heer Adriaen van Ysendorn sijnen erven, nakhoemelinghen als van sulcken twisten schelunghe und gebreecke die geweest sinnen tuschen der stadt vander Elburgh und heer Adriaen van Ysendorn herkhoemende van den accijsen, gruyt und gruytgelde oft hoe dat genoempt mach wesen binnen derselver stadt und vrijheit gelegen welck erffgescheidt erfflick und ewelick dueren sall in manieren und vurwoirden hiernae beschreven.

Idt is te weten inden yrsten dat alle diegeene die nhu op dagh datum sbrieves off hiernaemaels tot eniger tijdt binnen der stadt vander Elburgh hoppenbier ofte koyt brouwen to verkoepen sullen heer Adriaen van Ysendorn sijnen erven und naekhoemelinghen geven und betalen van elcke dre hondert ponden moltz sulcke ponde als dair die stadt vander Elburgh hair accijse nhu ter tijdt van buert anderhalff stuver gevaluyrt Brabandische payement ofte die rechte weerde daer vuer in elcker tijdt der betalungh an andere guede golde ofte silvere ganghe und geene gelde und wes hoppenbier ofte koyte alle andere burgere oft ingeseten der stadtz vurseid brouwen tot haerselves drincken und niet en verkoepen, daer sall heer Adriaen van Ysendorn vurseid sijnen erven und nakhoemelinghen niet aff hebben und oft saeke weer dat die burgermeistere, schepenen und raeth der stadt vander Elburgh hoer burgere haer nakhoemelinghen nhu oft naemaels enige andere ordon­nancie ofte nyeheit vanden gewichte des moltz op der brouwerijen oft anders maeken und de verandersaten wolden sullen sie doon bij wille und consent heer Adriaen van Ysendorns vurseid, sijnen erven und nakhoemelinghen und anders niet.

Voort so sall alle bier dat van bueten binnen der stadt und vrijheit vander Elburgh khoempt daer die stadt hoir accijse van heeft und men aldair tapt und verkoopt vreembt bier wesen wair dat ouck her queme und van elcker tonne van sulcke vreembde bier sall heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und nakhoemelinghen hebben und bueren eenen alden Vleemschen vuer datum sbrieffs gemundt und geslaegen ofte die gerechte weerde dair vuer an andere gueden payement in elcker tijdt der betalungh und dair die stadt vander Elburgh eghiene accijse van en heeft daer en sall men heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und nakhoemelinghen niet van geven. Voort so sall die stadt vander Elburgh hair dienars van der accijsen jaerlix mede beeden dat sij heer Adriaen van Ysendorn vurseid sijnen erven und nakhoemelinghen tgoene dat een vanden brouwe­ren und vanden uutheemschen bier nhu toegescheyden is alsoe vurseid staet tho rechte averschrieven und dat nae hoeren vijff sinnen trouwelick und wall verwaren sullen und doon heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und nakhoemelinghen daerentendens handttastunghe und gelaeven hou bij den eedt die sie der stadt alsoe gedaen hebben, dat trouwe­licken und well te verwaeren und leveren hou dat in schriften aver tot sijnen sijnre erven und nakhoemelinghen gesinne daer heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und nakhoemelinghen den dienar inder tijdt jaerlix van loenen sall tweten den schriever een mijns genedighen heren riedergulden achthiendenhalven witten stuver vuer den vurgenoemde gulden gerekent und den boeden eenen halven riedergulden payementz vurseid und heer Adriaen van Ysendorn vurseid sijnen erven und nakhoemelinghen mueghen den vurgenoemde penninck vanden brouweren und de vanden uutheemsche bier verpachten ofte selve manen ofte doon manen und bueren bueten bekroen van yemant und die vurseide dienars sullen dan die pachters dat in schriften averleveren tot haeren gesinne. Und wanneer heer Adriaen van Ysendorn vurseid sijnen erven und nakhoemelinghen hoen des vurseide dienstsverdreght soe sullen sie eghien loen daer van hebben. Voort weert saeke dat yemant binnen der stadt und vriheyt vander Elburgh gruet bier brouwen wolden, die sall sijn gruyte haelen van heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und nakhoemelinghen und van nyemant anders und betalen sou die nae older gewoonten hiermede und in manieren vurseid sullen burgermeistere, schepenen und raeth der stadt vander Elburgh vurseid hair burgeren und nakhoemelinghen und hair brouwers inder tijdt wesen und heer Adriaen van Ysendorn vurseid, sijnen erven und nakhoemelinghen mindtlick und vrundtlick, erfflick und ewelick geslicht verleecken und gescheyden wesen und blieven van alsulcken twisten, schelunghen und gebreeken als vurseid staet. Twelcke erffgescheidt wij burgermeistere, schepenen und raith der stadt vander Elburgh vuer uns und unsen nakhoemelinghen an die eene ziede und ick heer Adriaen van Ysendorn vurseid vuer mij, mijnen erven und nakhoemelinghen an die andere ziede dith aldus avergegheven hebben. Soe gelaeven wij an eedtz statt ditselve erffgescheit in alle manieren und vurwoirden gelijck vurseid stait volnkhoementlick vast steede erfflick und ewelick, unverbreckelicken to halden dairtegens niet to doon, doon ofte to laten geschien mit eghiene privilegien, exceptien, geestlick ofte werltlick noch mit eghiene saeke usiert sijn ofte worden mueghen und allent sonder argelist und des to ourkunde und getuech der wairheit so hebben wij burgermeistere schepenen und raith der stadt vander Elburgh vuer uns und unsen burgeren und unsen nakhoemelinghen unses stadtzzegell an desen apene brieve doon hanghen und ick heer Adriaen van Ysendorn vurseid hebbe mijn zegell vuer mij, mijnen erven und mijnen nakhoemelinghen an desen apene brieff gehanghen und wij Cornelis Bigghe, Henrick Rheeffs, Lubbert then Haeve und Bartoldt Veghe vurseid als gescheydtzluede van weghen der stadt vander Elburgh an die eene ziede und wij Henrick van Ysendorn genant Van Bloes heer tho Stockhom und Lathum etc., Anthonius van Amstell van Mijnden heer tho Mijnden, Loesdrecht, Teckop und Kroenenburgh und heer Gerrit van Leesten, pastoer tot Eepe vurseid van weghen duckgemeltes heren Adriaen van Ysendorn genant Van Bloes an dandere ziede dair to unthaelt und gebeden elck unse zegell ther ourkunde der wairheijt an desen apene brieve gehanghen desen brieve synt twe alleens spreckenden dair die stadt vander Elburgh und heer Adriaen van Ysendorn vurseid elck een hebben.

Gegeven inden jaere uns Heren duesent vijffhundert tweentsestich op dagh sancti laurentii martyris.

1246 Henrich van Isendorn genaamd Van Blois verpacht voor drie jaar de gruitaccijns en de accijns op vreemde bieren voor 20 gulden Brabans aan Wilhelm Jongbloit.
Kundt und z...sen sie jedermenniglich wie das ick Henrich van Isendorn genant Van Blois, herr zu Stockum und Lathum erfmarckschalck des furstenthumbs Lymborg, dem erbaren und fromen Wilhelmen Jongbloit die gruitaccijs und die accijs vanden fremden bier zu der Elburch in pachtung ausgegeben hab drey jaer lang durende, darfor sal ernanter Wilhelm Jongbloit, wolermeltem herren zu Stockem alle unnd jeder jaer zwaintzig gulden Brabans und zwein gutter zallamen geben. Und gehet dat erste jaer disser pachtung auss aller heilligen drey konnigstag ahn der weniger zins zall funf und ..ntzig und vertan alle jaer drey jaer lang beurendt. Und sal obgemelte Jongbloit den secretario und betten ... und besonder baussen welgemelten herren zu Stockum, schaden ire gerechtigkeit darab geben. Gevern der herr zu Stockum ennige erfburgen zu der Elburch zu haben begerten, so sal der rechter vurseid binnen viertzehen tag darnach wilchs durch den herren van Stockum, schrieftlich oder muntlich versteetdigt sall sein, schuldich und gehalten sein, dishalbs dem herren zu Stockum obgemelte zu tellen binnen der stat van der Elburch, wie sulchs van rechtzwegen ... und .... der warheit ... diser pachtzedulen van wort zu wort gleich leudend zwae..

Actum Vaessen up aller helligen drie konigendach anno 1576.

H. Ysendorns a Blois

Wilhem Cornelissen anders genant Jongbloit.

Burgemeesters, schepenen en raad der stad Elburg verklaren aan Marten van Bloys genaamd Van Isendorn, dat zij een kopie van een verdragsbrief der alpenaccijns terug gevonden hebben.

8 Mei 1579.

Edler, ernfester, gunstiger, guider freundt, als lestleden frume, edele, lieve schriftlick van uns begeert und overmals durch frume, edele. lieve soehn weder angelaght um copie eines vertraghbriefs tuschen unser stadt (doorgehaald:vanden) und frume, edele, lieve der alpenaccijsen antreffende van uns tho erlangen. So heft unser stadtsecretarius uth unsen beuch.. unser stadtsecreten und brieven durch syen, doch mehr sulcken brieff niet gevonden, doch endtlick eein doese gevonden, dat up geschreven staht; hierin light ein brief vander alpenaccijse. Derhalven frume, edele, lieve uns sulckes tho guidt holden werden (doorgehaald:om) wente wij niet weten war der genanter brieff tho bekhomen, dem almechtigen hern bevelen.

Actum am 8en maij 1579.

Frume, edele, lieve, gunstige fruenden, burgmeister, schepen und raidt der stadt Elburg.

Dorsaal:

Dem edlen ehrenfesten Marten van Bloys genant Van Isendorn, unsen gunstigen guiden frundt.

 

Secretaris Johan van Holte laat jonker Van Isendorn weten dat hij hem wederom een jaar zal dienen, mits hij herkozen wordt.

9 October 1579.

Edler, ehrentfester, guidtgunstiger juncker, frume, edele, lieve missive an mij gesunden hebb ick untfangen, doe frume, edele, lieve darup dienstlick tho weten, dat ick deselve also willig bin uth tho richten. Also nochthanss, dat ick mij niet langer dartho kan verbinden (doorgehaald:dat) dan leth tho pontiani, wen de ampter deses stadt van den burgmeyster weder vergeven werden. So ick alsdan daran ick neit twivel, mit eigenen officio weder versyen werde, begeer ick frume, edele, lieve in desen ock wel weder ein jar tho dienen.

Wil derhalven nodig wesen dat ick frume, edele, lieve mij de restand ordelen bij desem boden tho schicken und schriftlick mij tho weten doen, hoe vuel frume, edele, lieve van ein ieder hondert molds van wijn und bier etc. hebben inthovorderen up dat ick darin noch frume, edele, lieve noch den burgenn alhier magh tho kurth doen, der almechtig Godt erholde frume, edele, lieve in langduiriger gesindheit.

Gegeven thoe Elburg am 9en octobris anno 79. Captim.

Frume, edele, lieve dienstwilliger

Johan van Holthe, secretarius.

Dorsaal:

Frume, edle, lieve dienstwilliger Johan van Holthe.

Den edlen und ehrntfesten Isendorn mijnem guidtgunstigen junckern.

Henrick van Isendorn genaamd Van Bloys verpacht voor een jaar de gruitacciijns en de accijns op vreemde bieren voor 15 gulden Brabans aan Gerrit van Sutfen, burger van Elburg.

8 Juni 1583.

Anno domini 1583 heft Henrick van Isendoren genant Bloys ridder, her toe Stockum und Latum verpacht sien liefden accijs, soe hij heft ter Elborrich geldende, soe wal van die gruitaccijs als van die vremde bieren Gerrit vann Sutfen, borger der stat vann der Elborch een jaer lanck beginnende op dach und tijt als Meister Evert Rits, secretarius der stat vann der Elburch und mien scriver Jann van Astenn afgelatenn hebbenn in die opteikenung des accies, doe Jann van Astenn lest ter Elburch geweest omtrent jaersdach anno 1583, wie men dan op het stataccisboeck bevinde sal und sal Gerrit vann Sutfen guut und wal betalenn dit jaer vijftien gulden Brabans ider gulden ad 20 stuver gerekent sunder enich feel bij pantsterkung und daer hij begint anno 83 sal hij anno 84 weder aflaten. Sal oick binne die tijt het malt wegen latenn und het gewich opteikenen latenn, wij sullix die stat van der Elburch die van Isendoren zeliger broder beloeft hebben in zegel und breve voer hem und sinen naekommelingen, daer die van der (doorgehaald: van) Elburch oeck brieven af hebben.

Allet sunder arch und list, oerkund des waerheit, sinne deser cedulen tve alleens liedende und van Henrick van Isendoren voerscreven und Gerrit van Sutphen underteckent, actum den 8en junij anno 83.

H. van Isendoren van Blois.

Gerrit van Sutven.

Belangende den uuitganck ende aenganck van dese pachtungh voerschreven, soe heb ick onderschreven hierop gesien die uuitschryft uuit der stataccijsboeck Gerrytde van Sutphen durch der selver statsecretarium verleent, alsoe dat die pacht uuit ende aengaet den 10en aprilis anno 83 ende soe vortaen ende is dese pachtungh verlenget ende gecontinueert noch twe jaeren.

Actum Elburch den 15en januarij anno 85, oerkunde van beide partien onderteickent.

Johan Bussel van Asten, schrijver des heer tot Stockem.

Gerryt van Sutven.

Ick Henrick van Isendoren genant Van Blois voerseid heb mij naeff ... van Isendoren, toner deeses dat ... accis ter Elborch ... voirseid sall verpachten aenge....

Anno LXXXII ... tienden aprilis bis tot LXXXIII.

Henrick van Isendoren heer tot Stockum zendt zijn diender Johan Bussel naar Bette van Emps om de accijns te verpachten en naar Gerrit van Sutphen en anderen om hen te manen hun accijns te betalen.

14 Januari 1585.

Alsoe ick Henrick van Isendoren heer tot Stockum die publicatie heb laeten geschieden, oir op desen tegenwordigen vrijdage mijn accijs van bier ende molt soe mij die stat vander Elburch is geldende te verpachten, schick derhalven aldair mijnnen diender Johan Bussel van Arlen ten huise van Bette van Emps, om den vaesten accijs te verpachten, wes hij dairin wert doen ende laeten sal mij gevellich sijn oeck tselve in te maenen aen Gerit van Sutphen, oder anderen die haeren accijs noch niet betaelt en hebben.

Oerkunder der waerheit heb dit met mijn eigen hant onderteickent.

Actum Vaesen den 14en januarij anno 1585.

H. van Isendoren a Blois.

Dorsaal:

Gruytaccisen chartebellen.

Henrick van Isendoeren genaamd Van Blois verpacht voor een jaar de accijns van molt en vreemde bieren voor 15 keizers gulden aan Willem van Emps burger van de stad Elburg.

4 Maart 1586.

Anno XVc LXXXVI den 4en marti heeft uuitgedaen ende verpacht Henrick van Isendoeren genant van Blois, ridder, heer tot Lathum ende Stockum etc. sijne accijs soe hij geldende heeff inder stadt vander Elburch, soewoel van molt als vreemde bieren, Wilhelmo van Emps, burger der stadt Elburch vurseid een jaer lanck aengaende den thienden dach aprilis anno 1586 ende uuitgaende den thiende aprilis anno seven ende tachtentich. Waervoer Willem van Emps sal geven ende gereet aenstondt betaelen vijftien keisers guldens ad 20 stuver Brabans tstuck. Ende twe heerlicken vischen tot behoiff des heeren tot Stockum vurseid sonder feel bij pantsterkung, sal oeck bij sijne tijt sijnes pachtunghs t molt wegen ende opteiknen laeten, bij sulx die stadt vander Elburch den Van Isendoeren zeliger broeder beloift hebben in segel ende brieff voer hen ende sijnen naecomelingen, daer die vander Elburch oeck brieven van hebbe.

Allet sonder argelist, in oerkunde der waerheit soe sint deser sedulen twe eenes inhalt ende van beiden partien vurseid onderteickent ende bij ieder partien berustende. Actum ut supra.

H. van Isendorn a Blois.

Willem van Emps.

Ick Henrick van Isendoren van Blois hyrboven in dese pachtcedule begrepen heb ... aen mijn neeff Wolter van Isendoren ... ter Elborch wider to ... die accijs to ....

10 Mei 1586.

Inden iersten 3½ gulden van sattinge.

Noch eenen daler, dat Gerrit van Zutfen copy uut het stat(doorgehaald:bok)bock heeft ghehalt van den accijns.

Arnt Jackubsen in drie jaeren 5 gulden, 6 stuver die hi in ghehalden heeft, dat mijn joncker hem noch van verterde costen noch sculdich was.

Noch aen Jan Bransen betaeldt 15 stuver. (doorgehaald:welck) Hierteegen heeft Gerrit van Zutfen 5 gulden gebort.

In orcont deer warheit hebbe ick Gerrit van Zutfen den heer van Stockum wegen hiervoor doen besetten daer Willem van Empts borger is vor gheworden, binnen 14 dagen te voldoen oft ter rechten te staen. Orcont mij eigen hant.

Actum der Elborch den 10 maio anno 1586.

Ick Gerrit van Sutven.

29 Mei 1589.

Hereckent den 29 may anno 1589 met Willem van Emsts.

Inder irsten ghepacht Willem van Emsts (doorgehaald:gepacht) den accins anno 1586 ende worden het irsten jaer verscenen anno 1587 opten 10en april ende heevet betalt tevoren als hij et aenghevangen heeft met 15 gulden.

Noch heeft Wyllem van Emst ghebruckt den accins van anno 1587 byst tot anno 1588 (doorgehaald: alte jaer) ock voer 15 gulden.

Noch heeft Willem van Emst ghebruckt den accins van anno 1588 byst tot anno 1589 verscenen opten ende uutghegaen opten 10 en aprill dit jaer vor 12 gulden.

Want ick dat nyet uut com manen om datter ettelicken weeren die met Willem van Emst hadden verdraegen, int voerscreven jaer heeft Willem van Emst betalt op desen twee lesten jaeren als vorscreven 22½ gulden, 3 stuver. Is Willem noch sculdich ghebleeven 3 gulden, 7 stuver.

Willem van Emps.

Moeten vertert 4 stuver, noch ick vertert met het pert 6 stuver aen havver, noch 4 ... 3 malt (doorgehaald: onleesbaar) ieder vijff stuver, noch 4 stuver eyder ...

Arnt Jacubsen halfpaep, burger der stad Elburg belooft de gruitaccijns van zijn vader zaliger te betalen.

29 Mei 1589.

Ick Arnt Jacubsen halffpap, borgher der stat Elborch becenne mits desen dat ick vernucht byn vanden heer van Stockum van alles wat mijn selighe waeder met heer Aryaen van Isendoren ende met sijn lijffden met malcanderen te doen hebben ghehadt, belangende dat mijn sellighe waeder rentmester is gheveest vander gruitacsynssen tot der Elborch. Soe van mijn waeders sollaryes alles bedancke ick mij goeder betalinghe ende hiermet alle dynghen doet endet te nyet nae luidt den heere van Stockums eigen handt (doorgehaald:ubs). Vort gheloeve ick Arnt Jacubsen den heer van Stockum oft sijnen erven te betalen sijnen gruitacsijns, ghelick van als ghevontelick is nu vortaen dat dit ghesciet is, hebbe ick Arnt Jacubsen dit met mijn eigen hant onderschreven ende hebben Willem van Emst gheboden dat te willen met ondertecken als ghetuighe.

Actum der Elborch den 29en maij anno 1589.

Ick Jacobsen halfpaep, bekenne dit mit mijn eygen handt onderschreven toe hebben.

Willem van Emps.

Item dat ick met recht sculdich byn ghewest bijnder dat ick met Johannes het verdrach hebbe ghehalden, was nyet meer dan seven duisent ende neegen hondert pont ...avont deses.

Arent Jacobsen, halfpaep.

Dorsaal:
Memory.

Inden irsten aen Gerrit ea.

Item tot Willem van Ems vertert 2 gulden, 14 stuver.

Op dit jaer 89 verscreven, Willem.

Memorie.

Inden irsten aen Gerrit van Sutpfen betalt 6 gulden, 1 stuver noch (doorgehaald:13) 11 stuvers aen gherichcosten.

Noch met Hockellum ghesant een achtendeell botteren ghecost met het overgheven 6½ gulden.

Noch drie scepell gersten cost 3 gulden.

Noch een tall scollen cost (doorgehaald:10) 18 stuver.

Noch voer 10 stuver herrinck.

Noch een tonne byrs 3 gulden, 9 stuver.

Met den impost.

Summa 21 gulden.

Dit verscroeven heeft Willem van Ems betalt op die gruitaccins op anno 88 und 89 verscenen op den 19 en april.

Op dit jaer 89 verscenen (doorgehaald:Villem) Willem van Ems niet meer geeven dan 10 gulden.

Ick Willem van Ems vertert 2 gulden, 14 stuver.

Henrick van Isendoren van Blois verpacht een jaar de gruitaccijns en de accijns op vreemde bieren, die Lambert van Eep dit jaar in pacht heeft gehad, aan Bernt Gijsbers van Ra wonende te Epe, voor 14 Karolusgulden.

29 Maart 1592.

Anno 1592 heft den edlen eerentfesten Henrick van Isendoren van Blois, ridder van Lathum unde Stockum verpacht een jaer lanck die gruitacsijs binnen die stad van der Elburch met die acsijs van die fremde bierren, so hij daer jaerlix geldende heft (doorgehaald: onleesbaar) die ... Lambert van Eep dit jaer in pacht gehat heft. Den erbaren unde vroemen Bernt Gijsbers van Ra wonende te Eep angaende den 10en aprillis van het toekommende jaer 93 unde sal den voerschreven Bernt Gijsbers daervoer geven unde wal betalen den baven genuemden Hendrick van Isendoren dit voerschreven jaer veertien Karolesgulden den gulden van 20 stuver, waervan die helft geven sal fuer Jacob toecommende.

Oerkond der waerheit sijn deser sedulen twe alleens luidende van verpachter unde pechter, onderteikenen wye die namen voerschreven staen.

Actum op den Kannenburch den 29en marcius etc. 1592.

H. van Isendoren a Blois.

Bernt Gijsbers.

Dorsaal:

Dem edlen und ehrntfesten Isendorn mijnem guidt gunstigen junckern.

Vaissen 1592

1250 Overeenkomst, waarbij Wolter van Isendoren van Bloys voor vijfhonderd Karolusgulden de gruitaccijns aan de stad Elburg verkoopt.
29 Juli 1597.

Junckher Wolter van Isendorn a Bloys verkoft eigendomlick van sich selven und intredende vor sijner edele medegeerfden, dem magistrat der stadt Elburg den alijm en mut accijsen, so derselve sijner edele zaligen vader angeerft, und van voersaten eniger komen, vallende in der stadt Elburg und derselven vrijheit warvor gemelte magistrat belovet tho betalen vijfhondert Karolusgulden tho twintig stuver und tho in verehring vor sijner edele suster twe rosenoblen (doorgehaald:tot) drie hondert gulden kumstigen Lamberti und de reste volgende meye, tho leveren tho Aperlohe (dar dese koep geschiedt) then huse van Reinier de Brehe. Bij de erste penningen beloven ist und om tho leveren vullmacht sijner edele medegeerfden, und alle schriften und registeren, so sijn edele darvan heft, dartho nu ther tijtt ein schrijvend und bekentnisse van sich tho geven unb binnen Utrecht tho lichten original oft copie van eniger updraght und schriften so alder under guden heren muegen berusten. Bij den lesten penninge sall hiervan vor den leenheren mit desselven consent behorlick transport geschieden, und na Veluwschen gebruick wahrschap gestellet worden. Vur den kooppenningen treden in underschreven gedeputierden der stadt Elburg ... privatim verbindende oire guderen in Veluwen gelegen.

Sunder arglist, orkund uns underschreven am 29 julij anno 97.

Henryc van Putten, Wolther van Isendoren a Bloys, Andrees Feyth, Ernst Reeffs, Arent Franckess, Johan van Holthen, en Pelgrim van Hijschen.

Hierop beken ick onderscreven ontfangen toe hebben den ersten termien toe weten drehondert gulden ad twintich stuver het stuck. Actum den negentienden septembris anno 1597

Wolther van Isendoren a Bloys.

Die resterende 200 gulden sind betalet binnen Arnhem in augusto 98 als idt transport geschiede.

Den coopcedel tusschen die stadt van der Elburch end Wolter van Isendoorn over die gruitcijssen binnen der selver stadt anno 1597.

Verklaring van de magistraat van Elburg betreffende een magescheid tussen leden van de familie Van Isendoren.

23 September 1597

Wij burgmeister, und rahdt der stadt Elburg certificieren und betugen in kraft deses, dat wij gesyen und gelesen copiam copie beide beteikent Arnt van Stienlen, landtschrijver van Veluwen, inholdende maeggescheidt van junckern Martin van Isendorn a Bloys, Steven van Isendorn, Wolter van (doorgehaald: id) Isendorn und juffer Anne van Isendorn darin gemelten jungste bruedern und de suster tho gedielet is, die gruitaccijss in der stad Elburg.

Wesende gemelt maeggescheidt gedatiert up den 13 julij.

Orkund unser stadt upgedruckter am 23 septembris anno 97.

Aernt Franckss.

Dorsaal:

Wolter van Isendoorns maechgescheydt is gesien dat bij hem cum suis de gruytaccese gevallen is.

Afschrift van een akte van borgstelling voor de goedkeuring van de verkoop door familieleden van Van Isendorn.

4 Augustus 1598.

Extract tot het schepen sigment der stat Arnhem.

Voer Johan der Vaegt und Wilhem Huygen schepen , sijn gecompariert Hessel van Dueverden burger ter Elburch, sich onderwerpende deser stat jurisdictie, und Johan van Ratingen. Und hebben hun geconstituiert burgen voer den eherenfesten Wolter van Isendorn a Bloys, als dat der oick eherenfeste Steven van Isendorn und juffer Anna van Isendorn, des voerseide Wolter van Isendorn broeder und suster sullen behoerlick und wederlick retificiren sulcken opdracht und vertichnisse die Wolter van Isendorn voer hemselven, und sich starck maeckende voer sijn lieve broeder und suster voerseid tot behuiff der stat van der Elburch gedaen und gepassiert hefft, und dat Wolter van Isendorn sulke ratifiatie binnen die tijt van drie maenden nae date van dese, aen die magistraet der stat Elburch leveren sal in forma. Twelck geschiet sijnde, sullen die voerseide burgen oerer burchtucht ontslaegen sijn. Und Isendorn voerseid hefft gelaefft dese sijne (doorgehaald:onleesbaar) burgen schaedeloos tho halden. Geschiet den 4en augusti etc. XCVIII.

J. Verstegen
secretaris.

1251 Akte waarbij Wolther van Isendoren genaamd Van Blois, het goed Calengoet gelegen in het ampt Rheden, in de buurtschap Ellekom bij Dieren verpandt, voor het geval de door hem aan de stad Elburg verkochte gruitaccijns niet vrij van lasten mocht zijn.

4 Augustus 1598.

Ick Wolther van Isendoren, genandt a Blois, doe kondt ende kennende craft deses alsoe ick soe voor mij selven als mij sterck makende voor joncker Steven mijnen broeder ende juffer Anna mijne suster opden 3 augustus lestleden den eerbaeren raedt der stadt vander Elborg voor den stadtholder der lehnen vercoft ende opgedragen hebbe, onsen algemeynen gruytaccijs, aldaer inder stadt vallende dat ick tot meerder vasticheydt ende versekerheydt der voorseide stadt ende vande sincere opdracht voorseid ende dat dvoirnoemde chijs gerechticheidt van alle lasten bij mij niet gespecificeert vrij ende exempt is oeren eersamen tot regter waerschap gestelt hebbe wie ick stelle midts desen ons algemeyn erff ende goett geheeten Calengoet daer itsiger tijt Evert Pietersen op woent gelegen inden ampte van Rheden onder die buirschap Ellickom bij Dieren in Veluwersoem om inval der noot ende bij openbaringe eeniger wijdere lasten oft ammeren dan inde opdracht gespecificeert mett recht durch peindonghe daarop te spreken ende sulcx te verhaelen sonder eenighe pandtkeringhe daertegen te doen allet nae waerschaps rechten van Veluwenzoem voirseid ende tot meerder vasticheydt van tghene voorseid, hebbe dese met onderschrijvinge eigenes naems ende toenaems bevesticht ende alsoe ick to deser tijt mijn segel niet bij de handt hebbe, soe hebbe gebeden mijnen schwager Lambertinus Croll dese van mijnent wegen te willen besegelen. Diewelcke ende daerneffens Joost van Reyde, leengriffier als mede geerffde in Veluwesoem hiertoe bij mij versocht ende gebeden deses waerbrieff over mij besegelt hebben.

Allet sonder arch off list.

Actum Arnhem den 4 augustij 1598.

Lambertus Crol, Wolther van Isendoren a Bloys.

Jost van den Reyde.

Dorsaal:

Coopbrieff van de gruytaccise aen de stadt van Elburch van Wolter van Isendoorn gecofft anno 1598.

Los bijgevoegd.

De beraming van secker accoort over die gruitcijs tusschen die stadt vander Elburg end Henric die Vos anno 1468.

1252 Elbertus Leoninus kanselier en stadhouder van de lenen van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen verklaart dat Wolter van Hendorn met Steven zijn broer en hun zuster Anne van Hendorn, te leen ontvangen hebben het gruit en de gruitgelden met toebehoren, welke hun toebedeeld zijn in de boedelscheiding na het overlijden van Henrick van Hendorn hun vader.
3 Augustus 1598.

Ick Elbertus Leoninus cantzler ende stadtholder der leenen des furstendoms Gelre ende graeffschap Zutphen doe cond, dat voor mij ende mannen van leen hierna beschreven erschenen is Wolter van Hendorn, ende heeft voor sich ende mede tot behoeff sijnes broders Stevens ende suster joffrou Anne van Hendorn te leen ontfangen die gruyt ende gruytgelden ter Elburch met haren tobehoren an dem furstendom Gelre ende graeffschap Zutphen te Zutphenschen rechten met een pond goets gelts te verhergewaden leenroerich als hen sulx van haren vader wijlen Henrick van Hendorn anbestorven ende in maechgescheydt den 13den julij XVc XCVI togedeylt is. Daervan gemelter Wolter van Hendorn hulde ende eedt van trouwen gedaen heeft ende gelooft dem furstendom Gelre ende graeffschap Zutphen sampt der overicheyt van dien trouw, hold ende gehoorsam te sijn ende alles te doen wat een goet ende getrouw leenman sijnen leenheer schuldich is ende behoort te doen, dergelijcken hij ende sijne nacomlingen so duck des noot gebeurt ende tselve leen erle­digt oyck doen sullen. Terstont daerna heeft Wolter van Hendorn voornoemd sich mede sterck makende voor sijnen broder ende suster voornoemd het voor verhaelde leen met sijnen vrijen wille in mijnen handen opgedragen ende overgegeven, daerop met hand, halm ende mond vertegen, also dat die nabeschreven mannen voor recht wijsden, dat Wolter van Hendorn sijn broder ende suster voornoemd ende hare respective erven daervan gantz ende al ontleent ende onterft waren, ende dat ick als stad­tholder vande leenen mijnen vrijen wille daermede doen mochte.

Doe dit geschiet was heb ick ter wytigen bede gedachten Wolter van Hendorn het voorseyde leen voort opgedragen ende overgegeven.

Johan van Holte secretaris der stadt Elburch, die sulx uut crachte eener procuratie voor Bartold Vege ende Willem van Empss leenmannen des huyses to Dort den lesten julij XVc XCVIII bij burgemeester, schepen ende raedt der selver stadt gepasseert tot behoeff der selver wederom tot Zutphenschen rechten met een pond goets gelts te verhergewaden te leen ontfangen heeft, daervan hulde ende eedt van trouwen gedaen ende gelooft gemeltem furstendom ende graeffschap sampt der overicheyt van dien trouw, holt ende gehoorsam te sijn ende alles te doen wat een goet ende getrouw leenman sijnen leen­heer schuldig is ende behoort te doen, dergelijcken die stadt Elburch so duck des noot gebeurt ende tselve leen van eenen hulder erledigt oyck doen sall. Beheltlick in allen meer gemeltem furstendom ende graeffschap sampt eenen yederen sijnes goeden rechten sonder argelist ende want int verheffen deses leens versuym gevallen was, wordt sulx om beweglicken redenen quyt gescholden, hier sijn over ende angeweest als mannen van leen Willem Sluysken griffier des Hoffs van Gelderlandt ende Jacob van Meurs, des t'oorconde ende in ge­tuygnis der waerheyt heb ick stadtholder voornoemd des furstendoms ende graeffschap segel an desen brieff doen hangen.

Geschiet t'Arnhem den derden dagh des maents augusti inden jare na onses Heeren ende saligmakers gebeurt duysent vijffhondert achtentnegentich.

J. van Reidt.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1252 zijn getranscribeerd

1270 Overeenkomst tussen de magistraat der stad, Joest Toeniss en Wilhem Berntss Winter betreffende de verkoop van een schip tufsteen.
9 April 1584.

Burgemeister und rhadt der stadt Elburg hebben verkoft Joest Toeniss und Wilhem Berntss Winter een schipp vull (doorgehaald: sten) dufsteins binnen Utricht tho leveren und wat idt alsdan an meten dragen, und anders mehr kostet, sall stahn tho laste der kopern vurseid und sullen aldar mit guden gangen gut de vur ieder tonne, mate wie aldar gebrukelick, betalen twalftenhalven stuver Brabants.

Sunder arglist in orkundt der wahrheit sindt hiermede twe gelike cedulen gemaket und van den secretario genanten stadt und den kopern und is underteikent am 9en aprilis anno 1584 stilo antiquo.

Johan van Holthe.

Secretario.

Wilhem Bertssoen Wynter.

1277 Pachtcondities van de naweide van de haven en het havenmeentgen.
1569.

Die burgemeisteren und rendtmeisteren deser statt willen verhueren und verpachten een jaer lanck op een hogen die voirweide und naweide van die haven und cleine meentgen mit voirwarden hier na beschreven:

Dat men die voirweide und (doorgehaald:off} naweide niet verhueren offt enig beesten daerup annemen sal dan allene die burger und inwoeneren deser statt und vriheit, und dat men die voirweide beslaen sal met koenen und veersen und met genen ossen dan die naweide mach die pachter gebruicken tot sijnen schoe.. en myt allerley (doorgehaald:koe} beesten und men en sal der statt werren dair niet aft jagen.

Item sinnen voirweiden dat die gene die den slach krieget van enigen parcelen voirseid die ene helffte daervan betalen sal up Petri ad cathedram anno 69 und die ander helftte up .. dairnaist volgende wil betalet. Daer een ieder na part mach (marginaal, doorgehaald:und bij gebruck van dem die pennungen tho vorderen als um der statrenthen van oldes in tho vorderen gewohn is.}

Noch sinnen voirwerden dat die burgemeisteren und rendtmeisteren voirseid mede bevoirwerden dat niemant der statt gelt en trecke hie sij der soe gestelt, dat hie der statt genoechsampt (doorgehaald:burge} erffburger te stellen, oft sij dencken den schaden an em to (doorgehaald:beta) verhalen. Voirt willen sich die burgemeisteren und rendtmeisteren halden an den eersten anderd derde lesten hoe idt um geliven sal.

Die voirweide van die haven hefft Jan Ottenszoen voir 50 gulden, 3e burge Jacob Lambertszoen, Jan Evertszoen.

Die naweide van die haven hefft Dirrik Baeck voir 76 gulden, 1e burge Albert Dirricks und Jacob Stuerman.

Die voirweide van den meentgen hem Johan Everts voir 14 gulden, 1e burge Herman Dirrickszoen, Lambert van Bimel.

Die naweide van den meentgen hefft Jacob Lambertszoen voir 22 gulden, 2e burge Johan Evertszoen, Johan Voss.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1277 zijn getranscribeerd.

1301 Akte van belening van het Sint Agnietenconvent te Elburg door de proost van Sint Marie te Utrecht met een made land te Oosterwolde.

Heer Aernt Penninck van Doesborch, pater van het Sint Agnietenconvent in de stad Elburg, legt de leeneed af in handen van Mr. Wychart Schuiring, vicaris van den proost heer Maximilien Morillon, wegens het leengoed genoemd in de brief d.d. 1557 23 juni (zie inventarisnummer 1337). Afschrift, gewaarmerkt door Claes van Urck, secretaris te Kampen.

23 Juni 1557.
Copia.

Wij Anthonius Perrenot bijder gnade Gods, biscop vann Atrecht, prost ende archydiaken der kerke vann Sancte Marien tUtrecht doen kondt ende kenlick allen luydenn dat vor ons unde onsen proostijen mannen vann leene hiernae bescreven, gecomenn is die eerbaere heere Aernt Penninck vann Doesborch, nae dode sijns hulders, heere Egbert van Hasselt ende heefft aen ons ther gueder tijt versocht tot behoeff der beslotenn susterenn des convents van Sancte Agnietenn bynnenn der stede vandenn Elborch daer hij pater ende verwaerren off was, eene maede landen, gelegenn bynnenn denn kerspel vann Oestenwoelde buytenn denn Somerdijck, daer zuytweert naest gelant leyt Gheertruyt Stickers myt haerenn kynderenn, noirtwaert Bernt Veghe Lubberssoen, oestweert streckende aendenn Somerdijck ende westweert inde zee.

Ende als dit geschiet was, soe hebbenn wij heerenn Aernt Penninck van Doesborch, pater ende verwaerre des convents vorgenoempt mitten vurseide landenn verlijdt unde verleendt, verlijen ende verleenenn, mits desenn tegenwoirdigenn brieve beholtlijcken ons ende onser proostijen ende een yegelickenn zijns rechts inn voirwairdenn ende manieren hiernae bescreven, dats te weetenn dat menn dese maede landes voirgenoempt sall versoecken ende verheergewaidenn nae doode des paters, ofte soo dicke alse verschijndt oft overset wordt, mit eenre merck older engelschenn.

Ende des gelijcx sullenn doenn alle sijne nacomelinghen, paters des convents vurseid beholtlickenn, dat hij ons altijt eenenn goedenn mann sall settenn, die hulde ende eedt voir hem sal doenn.

Ende op dit mael heeft hulde ende eedt gedaen vann wegen des paters ende convents vurseid Heinrick vann Puttenn als een leenmann sijnenn rechtenn leenheren schuldich is te doen, daer dit gescheide warenn over, aen ende bij Ffrederick van Rodenborch ende Meester Gherrit vann Latingenn, leenmannenn onsen proostijen vurseid ende meer goede luyden genoch.

In oirconde der waerheit, soo hebbenn wij onsen zegel uutgehangen aen desen brieff gedaen.

Gegevenn indenn jaere onsen Heeren duysent vijffhondert soven ende vijfftich opten drie ende twintichsten dach junij.

Jo de Goch. Sancte ...

Concordiert mit sijn bezegelde principael bij mij; Claes van Urck, gezwoiren secretaris pater Sancte...

In dorso litterarum stondt aldus;

Indenn jaere XVc twe ende tsestich op dynsdach den 28en aprils heefft heeren Aernt Penninck vann Doesborch, pater tot behoeve der besloter susternn des convents vann Elborch bynnen der stede vann Elborch, mit Heinrick vann Puttenn, sijnn hulder mittes leger handt versocht aenn handenn heeren ende Meester Wychart ende Hueringen connonick Sancte Marien tUtrecht, als vicaris ende stadthouder vandenn eerweerden heeren heeren Maximilien Morrillon proost die zekerlicken, dit leengoet doer desen tegenwoirdigen brieff off spreckt. Ende Heinrick van Putten heeft wederomme vann wegenn des paters ende convents voirseid huldt ende eedt gedaenn, alst gewoertlickenn is, in tegenwoirdicheit vann die eersame mannenn Heinrick die voecht ende Ryenelt ende Johann vann Groesbeeck, leenmannenn der proostijen vurseid... put....

Nots.

Gecollationiert ende auscultiert mit ende tegens sijn bezegelde originaell ende is bevonden dairmede van woirde to moinde accordierende bij mij:

Claes van Urck, gezwoiren secretaris der stadt Campen, pater Sancte....

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1301 zijn getranscribeerd.

1304 Lambert Frankenss en Henderick Rheeffs, schepenen van Elburg, oorkonden dat Lubbert ten Have en Arendt van Waemell zijn vrouw, erkennen schuldig te zijn aan Caerl Knoppertz en zijn broers Henderich en Harmen, jaarlijks een rente van vijftien gulden, gaande uit hun huis aan de Susterenstraete.
17 Mei 1561.

Wij Lambertt Franckenss und Henderick Rheeffs bynnen der statt Elborch doen kondt allen luyden . apenbaerlicken mytz desen apenen brieve, dat voer ons ende sijnnen Lubbertt ten Have und Arendt van Waemell echte huysfrouwe unde bekenden voer oir unde oiren schuldich thoe wesen Carell Knoppertz unde sijne bruders Henderich unde Harmen Knopperttz unde ... vifftyn gulden, acht en twintich stuvers gevaluirtsche payementt andere guede golde offte silvere ende an gueden gelde voer elcke derselve gulden voerschreven tho kommer vrij sonder enniche aftkortinge vant schaede, offte des anders daerup unde techens gesatt mochte altijtt onvermyndertt, in einen seeckere behalt tlene betaelen jaerlix unde alle jaer und dach Jacoby wesende den viff en twintichsten dach julij, vierthien dagen voer ofte nae onbehaeltt uuhtt eine allinge huyssinge, hoff, hoffstede mydtt alle sijn ihn unde thoebehoeren als in sijn muirwerck laett unde gelegen is bynnen onse stadtt voerschreven in die Susterenstraete, streeckende vander Breedestraette wes an die Achterstraete thoe Derrick Baeck westwertt naest an nye huysset unde L. die straete langest bij der stadtmuyre voer uht alle ... andere guederen, reede unde onreede als sie nhu ter tijtt hebben unde noch namaels ennich sie krijgen sullen moege bynnen, offte buyten der stadttvrijheitt vander Elburch vurgenoemd umb alle gebreck, hinder unde schaden quader betalingen halven geleden unde gedaen daeran thoe moegen verhaelen. Oeck gelaefden Lubbert und Arent voerschreven voer aher unde aheren erven merder vestenisse van desen thoe dhoen, daermidt Carel, Henrich unde Harmen Cnoppert voerschreven und oere alle erven thoe allen rechten wall vervaertt unde aengehalden moegen sijn unde blijven, doch voer behalden Lubbert ten Haeve, Arent van Waemell voerschreven vur aher erven alle jaere up dag unde termijn voerschreven an dese jaerlixer renthe die laeste medt die somma van driehondertt derselven gulden paimentz voerschreven midt alle verschennen unde onbetaelde rente daerbij.

Sonder arglist, oerkoende der waerheitt hebben wij schepen voerschreven ellick unse zechell under an desen apenen brieve gehangen.

Geschiett ind en jaere unsen Heren duysentt viffhondertt een en tsestich tsaterdaeges nhae onser liever heren hemmelvaertt.

Gecollationiert ende ansultiert mit ende tegens die originaell bezegelde, ongecancellierde brieve ende is bevonden daermede van woirde to woirde, accodierende durch mij, Claes van Urck, secretaris derr stadt Campen.

1323 Peter van Apeldorn, Gerrit Gerritss en Gerrit Franckenss enerzijds en de conventualen van het Sint Agnietenconvent te Elburg anderzijds, stellen hun geschil over de nalatenschappen van Arntgen Franckenss en Grietgen Toyers in handen van scheidslieden.
31 Augustus 1562.

Alsoe sych soeckere onverstandt und twist een tijdtlanck herwertz onthalden heft tuschen Peter van Apeldorn, Gerrit Gerritss und Gerrit Franckenss ther eender und pater mater procuratersche und gemene conventualen des conventz van Sanct Agnieten binnen der stadt Elburgh ther andere zijden, belangende seeckere versterff und erffnisse naegelaten bij zelige Arntgen Ffranckenss und Grietgen Toyers, conventualen vurgenoemde conventz. So yst dat nae langhe disputatie hinc inde tuschen parthien vurseid durch oere daghalderen vuergenoemdt then lesten averkhoemen, dat sie oere vurseide schelungh und onverstant geheell und all uuth der handt gecompromitteert und verbleven hebben an vier seggeslueden hiernae beschreven; tweten van wegen Peter van Apeldornn mit sijnen adherenten vurseid anden eerbaren und vursichtigen Jan van Haerst, camener der stadt Swoll und Gerrit Mauriss, schepen der stadt Harderwijck und van wegen des paters und conventz vurseid den erntfesten und vroemen Johan vanden Holt und Cornelis Bigghe, allent in manieren hiernae volgendt. Nemtlicken dat die vier vurseide seghslueden macht und auctoriteit uuth kraft (doorgehaald: unt) deses hebben sullen eenen entlicken uuthspracke tdoon van vijffhundert gold gulden verwonnen pennynckgelt und gerichtelicken kosten und schaden dairop verloepen inder vrundtlicheit, dan sullen die vurseide Peter van Apeldorn cum suis hebben und behalden die vijff molder roggen erffrenthe to Epe als sie hierbenevens mit recht ingewonnen hebben und van in besitt sinnen, des sullen sie wederom verlaeten und affstahen oere actie und anspraeck als sie tegens den vurseide convent tho Dornspijck op vier mudde roggelandtz und twe campgen gresslandtz geintentieelt und begonnen hebben tot behooff des vurseide conventz und aen naekhoemelingen und ofte sych die vurseide seghslueden inden vurseide uuthspraecke niet vergleicken kunnen, alsdan sullen sie tsaemen eendrechtelicken sonder tho doon der parthijen vurseid tot sych nemen eenen onpartijeghen (doorgehaald:onleesbaar) super arbiteren ofte avernemen welcker zijdt de bijvellich wurdt sullen sich parthien vurseid then byeden zijden sadigen laeten (doorgehaald:als) ende daermede oeck in alle oere schelungh und onverstandt herkhoemende vanden vurseide versterff und erffnisse eens vuer all stede vast und onwederropelicken ouck lieffelick und vrundtlick gescheyden sijn und blieven, well verstaende die vurseide Peter van Apeldorne mit sijne consorten vuer hem und vanden erffgenaemen und dat convent vurseid (doorgehaald:mit) vuer hem und den naekhoemelingen. Und wie van beyden parthien vurseid mit alsodane vurseide uuthspraeck niet to vreden sijn wolde, sall peenwellich sijn in de summa van vijff hondert gold gulden und de to gaen nae penenrecht alst alhyr int quartier van Veluwe gebrueckelick is.

Sonder alle bedroch ofte argelist, ourkunde der wairheyt, hebben parthien als hier under benoempt staen dit compromiss behandteykent,

Actum the Elburgh den lesten dagh oustz anno XVc twe ent sestich,

Ingevall die parthien haeren seghlueden vurgenoemd niet ther plaetzen op dagh lamberti naestkhoemende, welcke dagh dairto angestalt brengen en kunde, sall dieselve parthie eenen anderen seghsmen muegen kiesen und die vurseide dagh thalden yemant ongelegen were, sall die parthie an wiens sijdt des gebrecke den anderen sulx verwittigen und opschriven und beraemen eenen anderen bequemen dagh (doorgehaald:onleesbaar).

Actum ut supra.

Gerrit Gherrytss ffoer mijn sselff ende ffolniech mijn addrenten.

Item yck her Arnt Pennynck van Doesburch paeter van Sancte Agnytenconvent, bekenne dyt met mijn eygen hant dyt als dus geschijt te weesen und te bekennen, ende avergegeven te hebben, vermytz sijn zekeren und togelaten mombar in diesen, tweten Johan Marrisson.

Actum ut supra, voor Arendt Heymanss, Lambert Franckenss, schepenen binnen der stadt Elburgh.

Peter van Apeldorn, Goeris Gerritss ,ook optredend voor zijn vrouw Anna en Gerrit Franckenss, ook optredend voor Jennetgyn Wilhems zijn vrouw, verklaren het geschil bij te leggen dat zij hadden met het Sint Agnietenconvent binnen de stad Elburg, over landerijen gelegen in het ampt Doornspijk en een jaarrente in de ampt Epe, waarbij het convent de landerijen behoudt.

22 November 1562.

Wij Peter van Apeldorn, Goeris Gerritss vuer mijn selvest und alse volmechtich Anna mijne echte huessvrouwe und ick Gerrit Franckenss vuer mij selvest und mede alse volmechtich Jennetgyn Wilhems mijner echte huessvrouwe doon kundt allen luede­n und bekennen samenderhandt vuer uns und unsen erven mytz diesen apene brieve naedem wij langhe tijdt herwartz twistich und dinghplichtich gewesen synnen mitten pater mater procuratersche und sampt allen conventualen des conventz van Sanct Agnieten binnen der stadt Elburgh, ethliche landen halven gelegen inden ampte Dornspijck und vijff molder roggen erfflicke iaerrente gelegen inden ampte Eepe und sulckx mit maniere van compromissen an vroemen verbleven und durch deselve compromissarien hingeleght, verglecken und uuthgesproeken, in vurwair­den und manieren hierna beschreven. Dat idt vurgenoemde convent eens doch op twe termijnen uns uuthrichten sullen die summe van twe hundert und vijffentwyntich Joachimdalers vuer alsulcken verwyn als wij dairop mytz ordell und giner van ritter und knechten gewesen erlanght und erhalden hadden und wij und unsen erven sullen daerbenevens die vijff molder roggen erfflicke iaerrente vurseid hebben und behalden, erfflick und ewelick besitten rustelick und vrede­lick gebrucken etc..

Daertegens sullen die conventualen vurgenoemde conventz und oeren nakhoemelingen hebben und behalden die twistige landen inden ampte Dornspijck gelegen, tweten vier mudde roggenlandtz als dat daer mit egghen und eynden gelegen und noch twe campgens gresslandtz vuer Wilhem Henrickss duere daer zuedtwert Roeloff Andreess und Gerrit Rabbe mit sijn gesellen naist bij gelandet noordtwert an die meente streckende oustwert vanden wegh westwert Ingen Zerhe. Alsoe und dieser gestalt dat wij unsen erven ofte yemant van unsent wegen van nu voort mheer an diese twistige vorgenoemden landen eghienerley actie recht ofte to seggen en hebben ofte behalden enther umb erffschap eygentschap ofte lossunghe sonder dair aff onrechtiget und onterft und die conventualen vurseid und oeren nakhoemelinghen dair to und an de vurgenoemde twistige landen weder to landt und allen rechten gerechtiget und beervet wesen stede und vast bliven, ewelick und erfflick besitten, rustelick und vredelick gebrueken sullen tot alre slichter noott sonder bekroon und wederseggen van uns, unsen erven ofte yemant van unsent wegen loevende mede bij desen vuer uns und unsen erven, altoos tot des faters, maters proc­uratersches und conventualens vurgenoemde conventes und oere nakhoemelingen yrste gesynne van diesen nae natuer derselver vorder opdracht und beter vestenisse mit handt, halm und mondt, woe und wair sych des nae rechte behooren sall to doon. Des stelle und sette ick Goeris Gerritssen vurseid in qualiteit as boeven und mede vuer Peter van Apeldorn und Gerrit Franckenssen vurseid den vurgenoemde convente tho rechter wairburge und wairschap mijn erve und guet als ick hebbe inden ampte Dornspijck, inden buerschap van Wessungh naist Lambert Franckenssen erven und guet gelegen umb allen sijnder kosten, schaeden und interessen diesenthalven enichsins geleden, gekregen und gedaen, dair an to sullen muegen verhaelen. Des loeven wij Peter van Apeldorn und Gerrit Frackenss vurseid vuer uns und unsen erven, Goeris vurseid und sijnen erven hier van allenthalven schadeloos und kosteloos twaeren und halden.

Sonder argelist, ourkunde der wairheyt hebbe ick Peter van Apeldorn vurseid vuer mijn und mijnen erven mijn zegell underan dessen opene brieve doon hangen und bij gebreck unse zegell hebben wij Goeris Ger­ritss und Gerrit Franckenss vurseid gebeden und bidden Lubbert then Haeve und Johan Marrisson dessen opene brieve vuer uns und unsen erven to willen bezegelen, dat wij Lubbert then Haeve und Johan Marrisson vurseid ther ourkundt van allent vurseide op oer begerent gedaen hebben.

Gegeven inden jaere unss Heren vijfthienhondert tweentsestich op dach ceciliae virginis.

Dorsaal:

Peter van Apeldorn cum suis fur 4 mudde roggelandts und 2 campgen gresslandts tho Dornspijck.

1326 Peter Henricksoen richter in het ampt van den Oldebroek, oorkondt dat juffer Margreta van Putten aan het convent van Sint Agnieten in de stad Elburg overdraagt, het recht van aflossing op het Geytenlant in de genoemde ampt, dat het convent van haar voorouders in pand heeft bezeten, zulks onder een jaarlijkse tijns, te betalen in de hof te Putten.
10 December 1552.

Ick Peter Henricksoen richter inden ampte vanden Oldebroeck van wege unde in stadt Koniclicken Keyzerlicke Majesteit, onsen aller genadichtsten heren, doen kondt unde certificire vuer dye gerechte waerheyt myts desen oepenen breve, dat vuer mij unde mijnen gerichluyden hiernae bescreven, gekoemen is in enen eede gerichte unde gespander bancke als dat myt ordell unde myt recht toebehoert, juffer Margreta van Putten myt hoere gekoeren mombar Berent Lubbertsoen, die hoer myt ordell unde myt recht toegekant is. Unde heeft aldaer gerichtelicke opgedragen unde overgegheven vuer hoer unde vuer hoeren arffghenamen offte naekomelyngen, draecht op ende gyfft over, dat sie verkofft hefft in enen steden vasten ewegen arfftkoep, dat convent van Sancte Agnytencloester, gelegen bynnen der stadt Elborchte alle alsulcke loesse unde toeseggen. Als ick juffer Margreta off mijnen arffghenamen unde vuervaders nu ter tijt off hier vuermaels gehadt hebben an alle perselen van guet gelegen inden vuerscreven ampt vanden Oldebroeck, die datt selve vuerseide convent van mijnen vuerolders in pantscap beseten unde gebrueckt hebt, naementlicke Geytenlant myt sijn toebehoer nae vermoegen een breeff daervan wesende. Unde voert van ander perselen offte tyns inden selven ampt gelegen, beholtelicke enen oltgroet dat dat convent alle jaere op sonte Martensdach betalen sullen op dat hoff toe Putten, als sie dus langhe gedaen hebben. Unde ick juffer Margreta vurseid myt mijnen gekoeren momber Berent Lubbersoen dancken dat convent van desse vuerseide loesse unde toeseggen guede betalynghe, den lesten pennynck mytten iersten unde hebbe dat opgedragen myt hant, halm unde mont. Alsoe dat dat gerichte kande dat juffer Margreta vuerseid unde hoeren arffghenamen daervan ontarffts sijnnen nu ende tot ewegen tijden gien recht noch toeseggen an en hebben noch an beholden unde dat dat vuerseide convent daeran dat vuerseide guet nu ende tot ewigen tijden sullen angearfft wesen unde costelicke unde vredelicke besitten tot aller slichter noet. Ende beloeve mede dat ick dat convent vuerseid wyll overleveren alle zeegele, breven, cedulen offte registers dat op dit vuerseide guet holt, daermede doetdede ende ten neet maekkende nu ende tot ewigen tijden nae datum van desen. Ende desse vuerseide opdrachte ende gerichtelicke overgiffte hefft Erensts Jacopsoen ontfangen van wegen des convents vuerseid sonder argelists offte nye in vyndynge daer dit geschyde weren over unde an als gerichtluyden Arent toe Boeckop de jonghe unde Dirrick Baeck unde om merer vestenisse van desen hebbe ick Peter Henricksoen richter vuerseid mijnen zeegell beneden an desen oepenen breeff gehangen.

Geschiet int tjaer ons Heren duesent viffhondert unde tweenvifftich opten tienden dach inden maent december.

1327 Henrick van Eck richter van het ambt van Oldebroek, oorkondt, dat Wilhem van Haefften en Heile zijn vrouw, aan de heer Arent Penninck, pater van het Sint Agnietenconvent binnen de stad Elburg ten behoeve van dit convent afstaan het Geitenerf, gelegen in het ambt Oldebroek.

Concept voor oorspronkelijke stuk, zie inventarisnummer 1328.

17 Juli 1567.

Ick Henrick van Eck, van wegen Coninclijken Majesteits tot Hispanien (doorgehaald:tot) etc. onses aller gnedichsten heren richter inden ampte van Oldebroick doe kondt idermenlicken und betuge aepentlick mitz desen aepenen breve, dat voir mij und gerichtsluden nabeschreven dair ick gebuerlick te gerichte sadt, gerichtlick erschenen sinnen die edelfeste (doorgehaald:jonker) Wilhem van Haefften und juffer Heile sijne echte huisfrouwe vermits (doorgehaald:jonker) Wilhem voirseid oeren echten man und momber die oir mit ordel und mit recht dair to gegeven worde. Und hebben aldair voir sick und voir oiren erven und nakomelingen inder bester samen und gestaldt, als sich sulcx op idt krefftichste aller rechten und gerichten (doorgehaald:und bisunde na Veluwsche recht landtrechte) eigeden und gebuerden, den werdigen heren Arent Penninck alse pater van Sint Agnetenconvents binnen der statt Elburg tot behueff dessulvigen convents vertichnisse gedaan und gerenuncieert als recht is doin vertichnisse und renuncieren mits desen van allen rechte, gerechticheit anspraick und opseggen sonder noch de wesen mochte, giene uitgesondert. Als oire voirsaten voirhin gehadt moegen hebben sie nu ter tijt hebben (doorgehaald:mochten) und sie oire erffgenamen und nacomelingen (doorgehaald:tot na) na (doorgehaald:deses na) data deses na (doorgehaald:verschrevene) vermuegen brieff und siegel offt enige (doorgehaald:off) ander verschrivongh nu gevonden ader noch gevonden mochten werden (want die selve in desen gevalle nu voirt an van onweerden und ganss krafftlooss sijn und bliven sullen) sullen muegten an een alinge erve und guet Geitenerven geheiten soe als dat mit eggen und einden mit (doorgehaald:va) hoige und leege voirt, mit allen sijn in und tobehoeren niet uitgesloeten in siner bepalinge in den ampte voirseid gelegen is. Beheltelick dat (doorgehaald:jonker) Wilhem van Haefften und juffer Heile voirseid und oire erffgenamen und nacomelingen soe voele als (doorgehaald:ene gebuerlicke) .. van den thies bebraget inden nabemelte recesse bender gespecifieert und inden gerichtsacten des (doorgehaald:gerichts) ampts voirseid gereght weert (und wider niet) oere gerechticheit voirbehalden an Geitenerve voirseid. Und dit alleth na vermoegen enes sekeren recesses inden negestvergangen jaere ses und tsestich den vier und twinticht maij van (doorgehaald:jonker) Wilhem van Haefften voirseid binnen der stadt Aernhem biden edelen vesten weerdigen hoichgeleerden hoichwisen heren mijn heren den contzeler van hoichstgedachter Majesteits wegen in Gelderlandt ver... ingewilliget und voir mij richter voirseid und mijnen nabeschreven gerichtlueden in aller mathen als (doorgehaald:boven) voir und na beschreven van (doorgehaald:jonker) Wilhem und juffer Heile vurseid voir aen oiren erven und nacomelingen ingewilliget und overgeven als sie oeck inwilligen und overgegeven mits desen weert oick saicke dat idt convent voirseid teniger thit worden vestnisse hiervan begeerden soe beloiffden (doorgehaald:jonker) Wilhem und juffer Heile voirseid voir sich, oiren erven und nacomelingen (doorgehaald:als sie oeck loefden mits desen) den weledele heer Arent Penninck und sinen nacomelingen tot behoefft des convents vurseid ther plaitsen dair sulcx nodich mocht wesen (edoch op des convents voirseide kosten) handt halm und mondt voirt alle gebuerlicke noitdrufft dair to tdoen.

Sonder argelist etc..

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1327 zijn getranscribeerd.

Burgemeesters, schepenen en raad der stad Elburg oorkonden dat Reyner Lambertssoen en Lubbert ten Have, ten verzoeke van heer Arent Penninck, pater van het Sint Agnietenconvent aldaar, onder ede hebben verklaard; dat zij getuigen zijn geweest hoe in 1566 omstreeks Kerstmis de pater met Henrick van Eck richter in het ampt Oldebroek, een accoord sloot omtrent door de laatste in beslag genomen landpachten van het convent.

17 April 1569.

Wij burgermeistere, schepenen und raidt der stadt Elburch doen kundt allen lueden und certificeren voir die gerechten waerheit in krafft deses, dat op dach und date onder geschreven voir ons inden gerichte erschenen is Reijner Lambertszoen oldt omgeverlicht veertich jaren, om der waerheit getuichenisse tho geven geboit wesende und hefft aldaer ther instantiën heer Arents Penninck pater van Sant Agnetenconvent binnen der stadt vurseid wairhafftich tho wesen gedeposeert, geaffirmeert und mit ede bevestiget als recht is dat hie getuige anno sess und zestich lestleden, in die weke voir idt hoich tit van Kersmiss off daer omtrent then huise saliger Henricks van Eck domails richter inden ampte Oldebroeck, inden ampte vurseid daer bij und tegenwoirdich gewest is als die producent vurseid van wegen sijns convents sich mitten richter vurseid die des convents vurseide pachten had doen besaten verdrach und denselvenen tho weder stellede. Und dat die richter vurseid gemelten producent do ter tit bedanckten guder betalungh, oick consent und beveel gaff dat idt convent vurseid sijn korn voren und brengen solde laten (naden die besatungh affgedaen was) wair idt ten gelieffden, und in mathen als vurseid hefft gemelter depo­sant sijne depositioen gedaen und geëndiget. Volgents is voir ons burgermeistere, schepenen und raidt vurseid erschenen onse live mede raitz vrunt Lubbert ten Hove und affirmerden ther instantiën als baven bij den eedt hie onser stadt als een lidt mathe des raidtz gedaen hefft, dat hie oick op tit und ther plaetsen vurseid daerbij und tegenwoirdich is geweest als sich die producent vurseid mit den richter vurseid verdrach und dat tsulve verdrach tusschen den beiden geschiet sin in aller mathen als kenner Lambertssoen vurseid gedeposeert hefft.

Sonder arch und list ourkonde der waerheit hebben wij unsere stadtsecreetsiegel hier onder opt spatium deses raitlick doen drucken.

Gegeven am seventhienden aprilis anno XVc LXIX.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1327 zijn getranscribeerd.

Sijman van Cleve richter in Oldebroek, verklaart ontvangen te hebben van Lubbert Sanders een som geld, vanwege heer Arendt Penninck, pater van het Sint Agnietenconvent te Elburg, zijnde kosten van het proces tussen genoemd convent en wijlen jonker Willem van Haefften.

1 Januari 1570.

Ick Sijmen van Cleve, richter int Oldebroeck, bekenne midts desen ontfanghen thebben uuyt handen vanden eersamen Lubbert Sanders zeker soma van penninghen in ende van wegen heeren Arendt Penninck, pater van Sinte Agnyeten convent binnen der stadt Elborch hercomende van zeker onkosten ende verlechte gulden van zeker proces gehangen tusschen den voorseide convent ende salighe joncker Willem van Haefften, die salighe Hendrick van Eck ter oirsaken vant voorseide proces dat convent voorgenant verschoten hadde midt die gerechtelicken onkosten daerop verlopen. Quicteren ende bedancke in kracht van desen den voorseide heeren Arendt Penninck derhalven guder betalinghe.

Oircondt mijn eyghen handt ende gewoentlicke hanteyken in data anno XVc LXX op dach circuncisionis domini.

S. van Cleve.

1328 Henrick van Eck richter van het ambt van Oldebroek, oorkondt dat Wilhem van Haefften en Heyle zijn vrouw, aan de heer Arent Penninck, pater van het Sint Agnietenconvent binnen de stad Elburg ten behoeve van dit convent afstaan het Geytenerf, gelegen in het ambt Oldebroek.

Zie voor concept inventarisnummer 1327.

17 juli 1567.

Ick Henrick van Eck, van wegen Coenentlijcke Majesteits tot Hispanien etc. onses aller gnedichsten heren richter inden ampte vanden Oldebroeck doen kont unde betuyghe oepentlick myts desen oepenen breve dat vuer mij unde mijnen gerichtsluyden hier naebescreven, daer ick geboerlick tho gerichtelicke sadt, gerichtlicke erschenen sijnnen den edelveste Wilhem van Haefften unde juffer Heyle sijn echte huysfrouwe, vermyts Wilhem van Haefften vuerseid oeren echte man unde momber, die hoer myt ordell unde myt recht tot deser saecken gegheven worde.

Unde hebben aldaer vuer sich unde vuer hoeren arven unde naekoemelingen inder bester forme unde gestaldt als sich sulcx op id crefftichste aller rechten unde gerichten achden unde geboerden, den weerdigen heren Arent Pennynckt als pater van Sint Agnitenconvent bynnen der stadt Elburch, tot behoeff dessulvigen convents vertichnisse gedaen unde gerenuntiert als recht is, doen vertichgenisse unde renuntieren myts desen van allen rechten, gerechticheyt, anspraecke unde opseggen, hoedanich die wesen mochte, ghyene uythgesondert.

Als hoere vuersaten vuer hen gehadt hebben, se nu ter tijt hebben unde se hoere arffgenamen unde naekoemelingen nae data deses nae vermoegen breve unde segell offte eneghe ander voerschrivunghe nae gevonden off noch gevonden mochten werden (want die selve in desen gevalle nu voertan van onweerden unde gans craffteloes sijn unde blijven sullen) hebben mochten om eyn alinge arve ende guet geheten Geytenarven soe als dat mit eggen unde eynde, myt hoeghe unde leghe voert, myt allen sijnen in ende toebehoeren niet uytgesondert in sijne bepalinghe inden ampte vuerseid gelegen is. Beheltelicke dat Wilhem van Haefften unde juffer Heyle vuerseid unde hoer arffgenamen unde naekoemelingen, soe vuele als die actie vanden tijns bedraget inden naebemelten recesse breder gespecifiert unde inden gerichtsacten des amptes vuerseide geregistriert (unde upden niet) hoer gerechticheyt an Geytenarve vuerseid voerbeholden. Unde dit allet nae vermoegen eynes seeckeren recesses inden neest vergangen jaren sess ind tsestich den vier ind twyntichste maij, van Wilhem van Haafften vuerseid bynnen der stadt Arnhem bij den edelenvesten, weerdigen, hoechgeleerden heren mijnen heer den cantzeler van gedachter Coenentlicker Majesteits wegen in Gelderlandt verdint, ingewilliget unde vuer mijn richter vuerseid unde mijnen naebescreven gerichtluyden in aller maten als vuer unde naebescreven van Wilhem unde juffer Heyle vurseid, vuer hoer unde hoeren arven unde naekoemelingen ingewilliget unde overgegheven, inwilligen unde oick overgegeven myts desen weert oick saicke dat dit convent vuerseid toe eyniger tijt voerden vestenisse hiervan begheerden, soe beloeffden Wilhem van Haefften unde juffer Heyle vuerseid vuer hoer unde hoeren arffgenamen unde naekoemelingen den weerden heren Arent Pennynck unde sijnen naekoemelingen tot behoefft des convents vurseid ther plaetsen daer sulcx noedich mocht wesen unde behoeren, (edoch op des convents vuerseide kosten), handt halm unde mont, voert alle geboerlicke noetdrufft daertho tho doen.

Sonder argelyst daer dit geschyde weren bij mij richter vuerseid over unde om alse gerichtluyden Evert Garrissoen, Joychijm Goessenssoen unde Raijer Thijmanssoen unde ommerer vestenisse van desen, soe hebbe ick Henrick van Eck, richter vuerseid mijn zegell beneden an desen oepenen breeff gehangen.

Geschiet int jaer ons Heren dusent viffhondert unde suventsestich opten suventienden julij.

23 Juni 1557.

1337 Anthonius Perrenot, bisschop van Utrecht, proost en aartsdiaken van Sint Marie te Utrecht, beleent heer Aernt Penninck van Doesborch ten behoeve van het Sint Agnietenconvent in de stad Elburg met een made land in het kerspel Oosterwolde, na de dood van heer Egbert van Hasselt.
Wij Anthonius Perrenot bijder gnade Gods, biscop van Utrecht, proost ende archydiaken der kercke van Sinte Marien tUtrecht doen kondt ende kenlijck allen luyden dat vor onss unde unsen proostijen mannen van leene hier naebescreven, gecomen is die eerbaere heere Aernt Penninck van Doesborch, nae doode zijns hulders, heere Egbert van Hasselt ende heeft aen onss ther gueder tijt versocht tot behoeff der besloten susteren des convents van Sinte Agnieten bynnen der stede vanden Elborch daer hij pater ende verwaerre off was, eene maede landen, gelegen bynnen den kerspell van Oestenwolde buyten den Somerdijck, daer zuytwaert naest gelandt leyt Gheertruyt Stickers myt haeren kijnderen, noortwaert Bernt Veghe Lubberssoen, oestwaert streeckende aenden Somerdijck ende westwaert inde zee.

Ende als dit geschiet was, soe hebben wij heeren Aernt Penninck van Doesborch, pater ende verwaerre des convents voirgenoempt mitten voirseide landen verlijdt unde verleendt, verlijen ende verleenen, myts desen tegenwoirdigen brieve beholtlijcken onss ende onser proostijen ende een yegelijcken zijns rechts in voirwairden ende manyeren hier naebescreven, dats te weeten datmen dese maede landes voirgenoempt zall versoecken ende verheergewaiden nae doode des paters, ofte soe dicke alse verschijndt oft overgeset wordt, myt eenre marck older engelschen.

Ende des gelijcx sullen doen alle sijne nacomelingen, paters des convents voirseid beholtlijcken, dat hij onss altijt enen goeden man zall setten, die hulde ende eedt voir hem zall doen.

Ende op dit maell heeft hulde ende eedt gedaen van wegen des paters ende convents voirseid Henrick van Putten als een leenman zijnen rechten leenheeren schuldich is te doen, daer dit geschyede waeren vuer aen ende bij Frederick van Rodenborch ende Meester Gherrit van Latingen, leenmannen onsen proostijen voirseid ende meer goede luyden genoch.

In oirconde der waerheyt, soe hebben wij onsen segell uuthangende aen desen brieff gedaen.

Gegeven inden jaere onss Heeren duysent vijffhondert seven ende vijfftich gedaen opten drie ende twintichsten dach junij.

Jo de Goch.

1343 Joist van Germen genaamd Van Praiffstinck, beleent als vertegenwoordiger van Johanna van Rossum weduwe van Diderick, heer toe Doirth en haar onmondigen zoon Seijne, heer Arnt Penninck van Doisborch ten behoeve van het klooster te Elburg met tienden in het kerspel Epe in de buurschap te Goirtel.
30 Mei 1550.

Ick Joist van Germen genanth Van Praiffstinck, dusser uyth een gekaeren mumbar und holder in slath ind van wegen der erntfesten jufferen Johanna van Rossum wedue zaliger junckeren Diderickz, heren toe Doirth, die zielen Godt almechtich begenade myt oeren lieffden onmundigen son Seynen van Doirthz leenheren, doe kondt allen lueden kenne und tuege vermytz diessen apenen bezegelden breve , dat ick oirkunde mannen van lene nabescreven , in stath gedachter unde frouwen myt oeren lieffden oildesten onmundigen son Seijnen vurseid leenheren vurseid, den erbaren heren Arnth Penninck van Doisborch tot behuiff dess kloisterss ther Elborch beleenth hebbe und belene in kracht van dessen den alingen thienden groff ind small, aever vier bouhaeur ind vier kaemer steden inden lande van Veluen, inden kerspell van Eep, indie buerschap toe Goirtelle gelegen, tot enen Sutphenschen rechte, ind toe verheergewaiden myt enen Sutphenschen punde guetz geltz, soe vaicke die vurseide thiende verselth, wairvan mij Bartolth Vege die dairtoe vanden pater ind girente vurseid als oeren hoilder gekaeren , hulde ind ede gedain, voirth allet wess een man van lene sijnen leenheren schuldich is ind wass tdoin.

Beheltlicken der vurseide wede ffrouwen, myt oeren son alz leenheren vurseid, ind enen ideren sijns gueden rechten anden vurseide thienden.

Sunder argelist oirkunde mannen van lene hier aiver beropen die erntfeste Johan vanden Boitfeler int Ailbert van Stiener die oeren oirkundt hier van ontgangen. Ind in een getuch der wairheith soe hebbe ick Johanna van Rossum wedue vurseid voir mij ind mynen son Seijne vurseid ind onsen erven ind nakommelingen mijnen zegel wetlick beneden an dessen brieff doin hangen.

Gegeven inden jair ons heren viffthinhundert ind vifftich am ffridaege naden hilligen pinxterdaege.

1349 Philips koning van Castillien etc. beleent Johan Bentinck met de tienden te Wessingen, na opdracht van Dirck Jansson.
21 Juli 1557.

Philip s bij der gracie Gods connnick van Castillien van Leon van Arragon, van Engelant, van Vranckrijck, van Navarre, van Naples, van Secillien, van Maroccke, van Sardayne, vanden eylanden, indien ende vaster eerde der zee ,occeane, eertzhertoge van Oisterrijck, hertoge van Bourgoingne, van Lothrijck, van Brabant, van Lembourch, van Luxembourch, van Gelre ende van Milanen. Grave van Habsbourch, van Vlaenderen, van Artois, van Bourgoigne, Palsgrave ende van Henegouwen, van Hollandt, van Zeelant, van Namen ende van Zutphen. Prince van Zwave, marcgrave des Heylycx rycx, heere van Vrieslandt, van Salins, van Mechelen, van der stadtsteden ende landen van Utrecht, Overijssel ende Groningen. Ende donuanateur in Asie ende in Affricke, doen ende maecken kondt dat voer den waelgeboren onsen lieven ende getrouwen ridder van onser orden, stadtholder ende capiteyn generael onser lande van Vrieslandt, Overijssel, Groningen ende Lingen, heeren Johan van Ligne grave to Arenberch, vrijheer to Barbanssen etc., ende voer onse mannen van leene hier naebescreven, gecommen is, Dirick Jansson onse leenman mit Reijner van Doetinchem sijnen gecoren ende toegelaetten momboir ende hulder, daer hij an quam als recht was, ende droech up in onsen handen mit zijnen vrijen moetwille den thienden to Wessingen, groff ende smal mit allen sijnen toebehoeren.

Ende Dirck Jansson voirseid ghinck den voirseide thienden uuyt, ende verteech daer aff claerlijcken, als onse mannen wijsden dat recht was ende hij schuldich was to doen, soe dat hij daer neyt meer an enbehielt noch wachtende en was, ende wij onsen vrijen willen daermede doen mochten.

Twelck geschiet wesende hebben wij doe rechte voert verlyet ende beleent bij handen onses voirseide stadtholders, verlijen ende beleenen mit desen onsen brieve, Johan Bentinck den voirseide thienden to Wessingen, groff ende smal, mit allen sijnen toebehoeren to holden, hij ende sijne erffgenamen van ons, onsen erven ende naecommelingen. In aller manieren als Dirck Jansson voirseid den geholden heeft ende alsinen die onleesbaar onser voirseide landtschap van Overijssel mit rechte schuldich is to holden.

Beholdelijck ons, onsen erven ende naecomelingen ende eenenyederen sijns rechten hier waonleesbaar over ende aen Johan van Doetinchem ende Ghert van Mouwijck onse mannen, ende meer goeder luyde genoech.

In oirconde sbrieffs besegelt myt onsen zegel vanden leenen onser voirseide lantschap van Overijssel.

Gegeven in onsen stadt van Deventer de 16en dach van julio int jaer ons Heeren duysent vijffhondert zovenenvijftich van onsen rijcken te wetene van Spaenguien, Sicilien etc. tweede ende van Engelant, Vranckrijck ende Napels tvierde.

Dorsaal:

Mij tegenwoirdich

Bualtezotte

Enden kunnick, ter Relen van Inner Ajat, statholder, generael den grave van Aeremberch etc.

1350 Akte van verhuur van 3 gresen in Lemmienmaete en 4 voedergronsen op de Kijfheve, door de pater van het Sint Agnietenconvent te Elburg aan Heyltyen Vegen.
23 November 1577.

Int yaer ons Heren dusent vyfhondert LXXVII op sunte Clemensdach, soe hebbe yck heer Gerryt Hechuys pater van Suinte Agnyetenconvent yn Elborch verhuyert van wegen des convents Heyltyen Vegen onse convent 3 gresen dye wij hebben yn Lemmienmaete, voer welke 3 gresen Heyltyen vurseid alle yaer Martyny yn den wynter het convent toe pachte geven sall 6 daeler van 28 stuver Brabants den daeler, noch heft Heyeltyen vurseid vant convent yn huere 4 voer gronts op dye Kijfheve, daer sye alle yaer van toe pachte geven sall 64 stuver Brabants den ersten betaeldach Martyny in den wynter anno 78 van beyde perzelen.

Myt guede vurwerden hyr nae beschreven Heyltyen sall dat vurseide lant yn dye huyere als baven vermellt haer leven lank hollden gebrueken sall. Dan nae haer dott sall het convient dat vurseide lant frij moegen verpachten toe hoeren schenste buten eimants weder seggen.

Sunder ergelyst ys dyt geschyet myt belyeff van den pater matersche Stijne Sleweers Tongeren procuraterschen ende gyemyene conventualen.

Orkonder der waerheyt ys dyt ondertyekent myt A, B, C, D.

Dorsaal:

 

pachte .