Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

grote oorlogbanner2.jpg

Minuten van testamenten Elburg 1626-1810

  • vrijdag 25 oktober 2013 15:17

Minuten van testamenten 1626-1810.
Oud-Rechterlijk Archief
inventarisnr.: 143.
Transcriptie H. Kranenburg 2013


Nummer 1.
Copie.

Wij ondergeteekende Theunis Vos en Susanna Grada Alpherts, ehelieden overdagt hebbende de zeekerheyd des doods en de onzeekere tijd en uure van dien, en niet gaarn uyt deese weereld willende scheyden voor en al eer wij over onse natelaatene goederen bij uyterste wille hebben gedisponeert, doende zulx kragt ende mits deesen op volgende wijse.

Voer aft verclaaren wij te inhereeren zodaene huwelyxvoorwaardens als wij op den 19 july 1776 ter goeder tijd voer ‘t ingaan van ons huwelijk hebben gemaakt willende en begeerende dat deselve effect zullen sorteeren voer zoo verre uyt kragt van de clausule reservatoir daar bij ervintelijk om elkandere ten alle tijde te moogen begiftigen en betugtigen daar aan geen verandering bij deese is gemaakt.

Voorts willen en begeeren wij dat de daarbij aan de langstleevende van ons beyde gemaakte en versprookene lijftugt zal standgrijpen tot de dood toe van diegeene welke de goederen van de eerst aft stervende na tugtregte zal bezitten en dus door het angaan van een tweede huwelijk niet zal cesseeren.

En alsoo volgens ons huwelijxcontract de ten huwelijk aangebragte en aangeerffde goederen moeten retourneeren aan die zijde daar deselve van daan gekoomen zijn en er dus tusschen onsen voor en nakinderen na ons overlijden different zoude kunnen ontstaan over het erff en goed Vossenbroek genaamt met alle de daar onder gehoorende landereyen in den ambte van Epe,

1.2.

buurschap Emst geleegen zo in als hen zelve staande huwelijk van onse moeder aangekogt en bij ons bewoond en gebruykt word, zoo willen en begeeren wij tot voorkoominge van alle differenten dat het gemelte erff Vossebroek met alle zijn ap en dependentien zal devolveeren op de twee nakinderen in ons huwelijk verwekt voor behoudene en ongeprejudicieerd de lijftugt de langst-leevende van ons beyde daar aan soo wel als aan onse geheele nalaatenschap competeerende en met dien verstande nogtans, dat het gemelte goed door die onse nakinderen niet anders zal worden bezeeten als met den last van fideicommis, zodaanig dat deselve off wel de langstleevende van haar beyden daar van alleen de opkomsten en revenuen geduurende haar leeven lang zullen kunnen genieten en het dus niet zullen vercopen, veralieneeren off beswaaren, maar dat na dode van deselve dat fideicommissaire goed als daer op derselve kinderen off bij ontstentenisse van dien op haare naaste erffgenaamen ab intestato van moedere zijde zal moeten vererven.

Wijders verclaard den testateur zijne voorkinderen bij zijn eerste vrouw en zijne nakinderen bij de testactrire verwekte jedes in egaale porties te institueeren en zijne verdere nalatenschap, op de speciaale conditie nogtans, dat geene van die voorkinderen eenige actie off pretentie hoe ook genaamt off uyt welke hooffde ook profaneerende tot laste van de boedel zullen kunnen off moogen maken en speciaal meede dat zijn zoon Gerrit Vos geene pretentie uyt hooffde van een door den testateur vercogt vaandel zal kunnen sustineeren, alsoo hij

1.3.

testateur volgens de aan hem overgegeeven quitancien naerder ten behoeve van denselve heeft uytgeschooten als weegens dat vercogte vaandel ontfangen is. En zo het des niet te min tegen de begeerte van hem testateur na zijn overlijden mogte gebeuren dat een van die voorkinderen met pretencien hoe ook genaamt mogten voor den dag koomen zal offt zullen die geenen welke zulx vorderen zal off zullen die geenen welke zulx vorderen alleen met de legitime portie van des testateurs nalatenschap moeten genoegen neemen en het des niet te min de testatrice soo die de langst leevende is oft de nakinderen vrijstaan ten regten uyt te maaken in hoeverre zodaane vorderingen zullen behoeven gevalideert te worden, alles ongeprejudicieert de lijftugt de langst leevende van haar beyde competeerende. All hetgeen voorzeid is verclaaren wij dus te zijn onse uyterste wille en volkoomen begeerten welke na ons overlijden stiptelijk zal moeten agtervolgd en nageleeffd worden. Zoo en als jemands uyterste wille het beste na regte zal kunnen bestaan. In waarheyds oirconde hebben wij deese eygenhandig geteekend en beseegeld op den 17 juny 1806.

Nummer 2.

Extract uit het protocol der stad Elburg.

Compareerde voor onderbenoemde schepenen en secretaris der stad Elburg Jacobus van der Poll, prædicant alhier, welke verklaarde mids desen, so in absentie van sijne vrienden mogte coomen te overlijden, tot zijne meerder gerustheid tot executeur en erfuytter cragte en mids desen aan te stellen over sijne gansche nalatenschap met exclusie van allen ananderen, in specie ’t gerigt deser stede, Hendrik van den Berg, medicinae doctor alhier woonagtig, met nagt om aanstonts na comparants overlijden, sijnen boedel t’ aanvaerden, de begraffenis met

2.2.

met den aancleven van dien en al wat verder van ’t erf en sterfhuys dependeert te besorgen, voorts aan den selven te geven sodane magt, regt en auctoriteit, als enigsints aan executeurs, erfuytters en boedelhouders van eene nalatenschap, so na gemene regten als na de wetten deser provincie eenigsins is competerende, en verleent can worden. Edog sal dese erfuyttinge buiten alle effect sijn en cesseeren so rad eene van comparants vrienden præsent is.

En wijl dit comparants ernstige wille en goedvinden is, so begeerde hij, dat dese na sijn dood effect sorteren mogt, so

2.3.

so en in dier voegen als de selve op de beste en bestendigste forme regtens bestaan can: actum coram Hoeclum en Barneveld als schepenen en mij Gijsbert Gerhard Sandberg als secretaris van voornoemde stad op den 11e april 1769.

Wij Dirk Gerit van Hoeclum en Anthony Barneveld als burgemeesteren en J.B. Tulleken schepen en Gijsbert Gerhard Sandberg als secretaris der stad Elburg doen cond en certificeren hier mede, dat wij ten versoeke van Jan Pothoff en Jan Daniel Topander sijn verschenen ten huyse van wijlen den

2.4.

den weleerwaarde geleerde heer J. van der Poll, bedienaar des heyligen Goddelijken woords alhier, alwaer ons door J. Pothoff is vertoont en overgegeven een besloten en gecachetteert papier, dat volgens des selfs superscriptie en opgeschreven verclaring in dato den 14e julii 1764, voor schepenen en secretaris alhier gepasseert soude behelsen de testamentaire dispositie van welgemelte heer J. van der Poll, met versoek, dat na voorgaande visitatie van ’t een en ander en recognitie der segulen na

2.5.

na behooren door ons, dat geslotene papier mogte worden geopent, vervolgens gelesen en ten protocolle deser stad geregistreert invoegen, sulx na ordre en ten effecten als na regten word gerequireert, dat wij vervolgens ’t een en ander hebben gevisiteert, de seguls en ondertekeningen hebben geexamineert, en alles gaaff, ongeschonden en sonder eenige cancellatie hebben bevonden, en dien volgens na aperture daar in de dispositie voorscreven so als die superscriptie en inleggende

2.6.

inleggende dispositie door onsen secretaris sijn op en voorgelesen in præsentie van voornoemde comparanten so als t’een en ander onder ’t cachet van onsen secretaris is getransfixeert, om daar van de nodige registrature te doen en te laten geschieden, gelijk sulx behoort, des t’oirconde is dese bij ons burgermeesteren, schepen en secretaris bovengenoemt getekent en gesegult, en daar en boven met ons stads secreet zegul gecorroboreert op den 15e april 1769.

Was getekent: D.G.V. Hoeclum, A.

2.7.

A. Barneveld, J.B. Tulleken, Gijsbert Gerhard Sandberg en was daar en boven met vier cachetten alle in roden lakke nevens ’t segul van de stad mede in rood lak besegult.

De inleggende dispositie luyde als volgt: Also er niets sekerder is dan dat ’t den mensche geset is te sterven en egter niets onsekerder sijnde dan de tijd en uur van dien, zo verclare ik Jacobus van der Poll thans bedienaar des Goddelijken woords te Elbug, uit overweginge van ’t zelve geresolveert te wesen, om over de tijdelijke goederen die de almagtige God mij genadiglijk gegeven

2.8.

gegeven heeft, bij desen testamente voorziening te doen in maniere als volgt. Eerst en vooraff herroepe en vernietige ik alle testamenten, codicillen en alle soorten van uitterste wils, dispositien, ofte de cragt van dien hebbende, bij mij voor dato deses, ’t zij alleen ofte met en benevens ymand anders opgeregt en gepasseert, welke alle voor nul kragteloos en van onwaarde zullen gehouden worden. Ende nu dan na mijne siele in de barmhartige handen van

2.9.

van God mijnen schepper en mijn lichaam de aarde, in hoope en verwagtinge van eene salige opstandige bevolen te hebben, nu geheel op nieuws disponerende verclare ik te legateren en te bespreken, zo als volgt.

Aan de diaconie armen van Elburg eene somme van een duysend guldens eens. Aan de diaconie armen te Voorst eene gelijke somma van een duysend guldens eens. Aan de diaconie armen te Venhuysen mede eene somma van

2.10.

van een duysend guldens eens. Aan mijn dienstmaagd Maria Griff uit consideratie van haar langdurige en getrouwe dienst eene somme van vier duysend guldens eens. En van ieder van mijn andere dienstmaagden, die ten dage van mijn overlijden bij mij woonen en in dienst wesen sullen eene somma van twee hondert guldens alle welke legaten zullen moeten voldaan en betaalt worden binnen den tijd van vier maanden na mijn overlijden vrij van ’t collateraal. ende

2.11.

Ende in alle mijne overige natelatene roerende en onroerende goederen, midsgaders actien, crediten en geregtigheden, hoe ook genaamt en waar deselve gelegen berustende off uitstaande souden mogen wesen niets uytgesonderd daar in verclare ik tot mijn eenige en universele erfgenaam te nomineeren en institueren mejuffrouw Gesina Bontekoning, huysvrouwe van mijn broeder de heer Hugo van de Poll, medicinæ doctor te Amsteldam

2.12.

Amsteldam. Edog geschied dese institutie niet anders, als onder de volgende conditien en bepalingen. Eerstelijk dat deselve mijne behuwdsuster en na haar overlijden hare erfgenamen of de representanten haares boedels gehouden en verpligt sal of zullen wesen om aan mijn voornoemden broeder of desselfs ordre, jaarlijks sijn leven lang gedurende te voldoen en uyttekeren eene somme van twee duysend guldens vrij

2.13.

vrij geld, te voldoen in twee of vier termijnen van drie of ses maanden, naar de verkiesing en het goedvinden van deselve mijn broeder, de voorschreve somme van twee duysend guldens aan hem in voegen voormelt legaterende bij desen. En ten anderen dat na het overlijden zo van mijn gemelden broeder als van mijne behuwdsuster en zulx binnen den tijd van vier maanden na hunner beider dood, door de erfgenamen of

2.14.

of repræsentanten des boedels van mijne behuwdsuster uit haare nalatenschap bij wijse van legaat sal moeten voldaan en uytgekeert worden aan mijne nagenoemde vrienden een capitaal van vier en vijftig duysend guldens hollands courant geld, vrij van ’t collateraal, te weten aan Margaretta Roghé, laast weduwe Willem Mooy, en bij vooroverlijden van deselve aan hare natelatene kind of kinderen en verdere discendenten bij repræsentatie

2.15.

repræsentatie eene somma van twaalf duysend guldens eens. Aan Maria van de Poll, huysvrouw van Anthony Thopander en bij voor overlijden van deselve aan haare natelatene kind off kinderen en verdere descendenten bij representatie eene somma van tien duysend guldens eens. Aan Johanna Roghé, huysvrouw van Homme de

2.16.

de Vries en bij vooroverlijden van deselve aan haare natelatene kind of kinderen en verdere descendenten bij representatie mede eene somma van tien duysend guldens eens. Aan de vier nagelatene kinderen van Dorothea Roghé in der tijd huysvrouw van wijlen Huybert van Delden, te samen in egale portien eene somma van agt duysend guldens eens en bij vooroverlijden van eene of meerdere der selve

2.17.

selve wettige desendenten bij plaats vulling, en die ontbrekende aan de overige, die als dan van haar in ’t leven sullen sijn. Aan Jan Pothoff en Abraham Lambertus Pothoff te samen en een van beide voor overleden wesende desselfs wettige afkomelingen bij plaats vulling en die mede ontbrekende aan de langst levende van hun beide alleen, eene somma van tien duysend guldens eens. En

2.18.

En aan Elisabeth de Roij, huysvrouw van Lambert Post, en bij vooroverlijden van deselve aan haar zoon Hendrik Post, en die mede voor overleden wesende aan sijne natelatene descendenten eene somme van vier duysend guldens eens. Welke legaten door de erfgenamen of representanten des boedels van mijne behuwdsuster ten tijde voormelt in ’t geheel off ten deele sullen mogen voldaan en

2.19.

en uytgekeert worden met obligatien op de generaliteit, off ten laste van ’t gemeene land van Holland en Westvriesland zonder onderscheid van comptoiren,

en ter keuse van deselve erfgenamen off representanten, de obligatien te rekenen tegen ’t volle capitaal, waar op die belegt sijn, dat is honderd voor honderd; waarmede de voorschreve lagaatarissen genoegen zullen moeten

2.20.

moeten nemen, zonder dat door of van wegens deselve onder eenigerley protext van mijne behuwdsuster of haare erfgenamen eenige cautie of versekering voor de uytkeringe der voornoemde legaten in regten of daar buyten sal mogen geeist worden, sullende die geene, welke sulks des niet tegenstaande mogt doen van des selfs legaat ten profijte van mijn behuwdsuster of haare erfgenaamen verstoken wesen. Voorts versoeke en committere ik

2.21.

ik tot executrice en executeur van desen testamente en om mijnen boedel te redderen en tot liquiditeit te brengen mijne voornoemde behuwdsuster juffrouw Gesina Bontekoning en den heer Frans Bosboom koopman te Amsteldam.

En bij aldien onder de bovengemelde legatarissen minderjarige persoonen bevonden mogten worden, stelle en benoeme ik tot voogden over deselve minderjarigen

2.22.

minderjarigen en tot admistrateurs van ’t aan hen gelegateerde, de langst levende, ’t zij vader of moeder van deselve. En so beide de ouders overleden mogten wesen, stelle en committeerde ik tot voogden en administrateurs over de minderjarige legatarissen en hunne portien in de voorschreve legaten, de selve persoonen, die bevonden sullen worden over hunne ouderlijke goederen gesteld te wesen. Gevende en verlenende ik aan

2.23.

aan voornoemde executrice en executeur als mede aan gemelde voogden en administrateurs zodanige vrije en onbepaalde magt en gezag, als eenigsins nodig is en naar regten can off mag gegeven en verleend worden en wel speciaal van assumtie surrogatie en substitutie tot den uiteinde van de voorschreven commissien toe. Met eerbiedige uytsluytinge van den Hove Provinciaal van Gelderland, als mede van alle andere geregten wees

2.24.

wees en momboirs kamers, daar mijn sterfhuis soude mogen coomen te vallen, of eenige van mijne goederen gelegen, berustende of uitstaande souden mogen wesen deselve voor hunne andersins te nemene moeite bedankende. Eindelijk behoude ik aan mij de magt, om bij een onderhandsche geschrift de vorenstaande dispositien en legaten te mogen veranderen, vermeerderen of verminderen, als mede om sodanige

2.25.

sodanige andere of meerdere legaten te mogen bespreken als ik naderhand sal coomen goed te vinden. Welke nader gedisponeerde van die selve kragt en waaarde zal gehouden worden, als of al ’t zelve woordelijk in dit testament geschreven stond, al het voorenstaande mijn uytterste wille sijnde, begeere ik dat na mijn overlijden sal worden agtervolgt en nagekomen als

2.26.

als een volkomen testament, codicil, of so als ’t anders na regten en costumen best sal konnen of mogen bestaan, versoekende hier omtrent het uiterste beneficie van regten te mogen genieten. Des t’oirconde heb ik desen eygenhandig ondertekent en met mijn cachet gesegelt te Elburg, heeden den veertienden july des jaars seven tien hondert en vier en sestig,

was get. Jacobus van den Poll, en

2.27.

en met een cachet in rood lak besegelt. De acte van superscriptie luyde: compareerde voor ons ondergeschreven schepenen en secretaris der stad Elburg de wel eerwaarde zeer geleerde heer Jacobus van der Poll bedienaar des heiligen Goddelijken woords alhier aan ons overgevende seker gesloten en gecachetteert papier, waar in hij verclaarde, dat zijne uiterste

2.28.

uiterste wille was vervat, die hij wilde en begeerde, dat allesins valeren en na sijn dood sorteeren mogte, als testament, codicil, legaat, gifte onder de levende ofte op alle andere betere wijse, schoon alle solemniteiten regtens niet geobserverteert, versoekende daaromtrent alle faveuren als eenigsins aan testamentaire dispositien cunnen werden

2.29.

werden verleent. Des t’oirconde is dese bij ons (doorh.: D.G.V. Hoeclum) J. B.Tulleken en D.G. van Hoeclum als schepenen en mij Gijsbert Gerhard Sandberg als secretaris van opgemelte stad getekent en gesegult en daar en boven met ons stads secreet segul gecorroboreert op den 14 julii 1764. En was get. J.B. Tulleken

2.30.

ken, D. G. V. Hoeclum, Gijsbert Gerhard Sandberg, secretaris, en was daar en boven met drie cachetten , 2 in roode en een in swarten lakke nevens ’t segul deser stad mede van rood lak besegult. Vorenstaande acte van apperture testamentaire dispositie en superscriptie, geregistreert ten overstaan van de heeren Hoeclum

2.31.

Hoeclum en Barneveld cossulibus, J. B. Tulleken als schepen en na gedane collatie met sijn originele bevonden te accordeeren.

Quod testor, Gijsbert Gerhard Sandberg, secretaris.

Nummer 3.
Copia.

Op huyden dato ondergeschreven is er tussen Theunis Vos Gerritszoon wedunaar van Maria Hengeveld te Elburg toekomende bruydegom ter eenre en Susanna Grada Alpherts jonge dochter te Arnhem toekomende bruyd ter ander zijde ten overstaan van wederzijdsche ouders en versogte onderbenoemde huwelijksvrienden en dedingsluyden tussen personen voornoemd beraamt en uitgesproken een echt en wettig huwelijk op conditien als volgen sal.

Eerstelijk dat toekomende echteluyden nae ordere en constitutie der gereformeerde kerke in den huwelijken staat zullen bevestigt worden, so brent den bruydegom aan tot stuur van dit huwelijk alle zodane gereede en ongereede goederen als hij thans (doorh.: heeft) bezit en naderhand van zijne ouders en vrienden aanerven mogte.

Insgelijks zo brent de bruyd ook aan tot onderstand van dit zelve huwelijk sodane medegifte als haar grootvader (doorh.: en grootmoeder) sal goedvinden welke tegens quitantie in minderinge zullen verstrekken van die tien duysent gulden die haar grootvader en grootmoeder bij vrijwillige gifte met consent van haar vader is bemaakt, vorders alle zodane goederen als sij thans bezit en naderhand van haar ouders en vrienden aanerven mogte.

Indien ’t mogte gebeuren dat God lange gelieve te verhoeden dat eene van dese toekomende echtelieden kwamen te overleyden zonder wettige blijvende geboorte na te laten in sulken geval de bruydegom de eerste sijnde dan geeft hij aan zijn bruyd tot een morgen gave uyt den

3.2.

den gemenen boedel een somma van twee duysent gulden en in tegendeel de bruyd de eerste zijnde zo geeft zij aan haar bruydegom ook tot een morgengave uit den gemenen boedel een somma van vijfthien hondert gulden en de andere gereede en ongereede goederen sullen aan die zijde blijven en wederkeeren na die kant daar deselve vandaan gekoomen zijn.

Belangende de aangeerfde goederen van bruydegom en bruyd zullen zijn en blijven aan die zijde daar deselve oorspronkelijk vandaan gekomen zijn winst en verlof half en half.

Zo kind of kinderen uit dit huwelijk geproflueerd waren sullen op malkanderen erven en sterven tot ’t laatste toe dat dan gestorven sijnde sonder lijfserven dan sullen de goederen weder wederkeeren en gaan na die zijde daar deselve oorspronkelijk vandaan gekomen zijn. Edog bruydegom of bruyd een van beyden in leeven zijnde en als dan nog ongetrouwt of getrouwt zal de morgengaven sijn stand houden als of er geen kinderen geweest waaren, vorders betuchtigen malkanderen toekomende echteluyden in alle door de dood natelatene gereede en ongereede goederen ten eynde alle die goederen door de langstlevende zijns of haars leven lang na tuchtregten te mogen gebruyken zonder bespieringe van iemand. En in geval een van beyde toekomende echtelieden in een tweede huwelijk willende treeden daar meede de tucht ten eenenmaal sal verbroken en afgedaan zijn. Wijders

3.3.

Wijders bedingen toekomende echtelieden om malkander ten allen tijden te mogen begiftigen en te betuchtigen, en sal sulks van kracht en waarde gehouden worden als of sulks in dese ware gepasseerd. Dit alles zonder erg of list zijn hier van twee alleens luydende huwelijksvoorwaarden gemaakt en van bruydegom en bruyd neffens de wederzijdsche onderbenoemde versogte huwelijksvrienden getekent in Arnhem op den 19 july 1776.

Nummer 4.

Extract uit het prothocol der ambt Doornspijk.

Voor de onderbenoemde leden van het gemeentebestuur en secretaris der stad Elburg compareerde Geurtjen Peters Vierhouten, weduwe van wijlen Jan van der Maaten, gezond met ons gaande en staande en haarer zinnen volkomen magtig, zo als ons is gebleken dewelke verklaarde uit overweging van de broosheid dezes levens en de wisheid en onzekerheid des doods niet gaerne uit deeze waereld willende scheiden, zonder alvorens over haar tijdelijke goederen te hebben gedisponeerd, na dat zij alvorens bij magescheid van den 26 maart 1786 haare kinderen wegens haar vaders versterf had afgegoedet, en alnu ter dispositie over haare eigendomlijke goederen overgaande. Zo verklaarde de comparante tot haare eenige en universeele erfgenamen te nomineeren en te institueren, doende zulks kracht dezes haar zoon Peter Jochem van der Maaten of in cas van vooroverlijden des zelfs kind of kinderen in zijne plaatse voor een derde part.

Voords haare dochter Stijntjen van der Maaten getrouwd aan den captein Willem van der Linde of bij haar vooroverlijden haare kind of kinderen in derzelver moeders plaatse met uitsluiting van den captein Willem van der Linde voornoemt, dewelke, om redenen haar testatrice daar toe moverende geenerhande recht op derzelver goederen of de inkomsten van dezelve in eeniger (doorh.: onleesb.) manieren hoe ook genaamt verkrijgen zal. Terwijl aan meergedagte der testetrices dochter Stijntjen van der Maaten (doorh.: testatrice) alleen de vrije dispositie over die goederen en inkomsten word overgelaten, zodanig en met de absolute magt en faculteit dat zij zulks nodig oordeelende, die zal kunnen en mogen verkoopen en bezwaaren zonder

4.2.

daar toe de adsistentie van opgedagte haaren man nodig te hebben, kunnende in dien gevalle met eenen anderen momboir volstaan, en zulks mede voor een gerechtigd derde part. Laatstelijk haare kleindochter Johanna Geertruida Gigandet bij Gijsbert Gigandet en Hendrica Margaretha van der Maaten geprocreëert voor het laatste derde part, met dit speciaal beding dat de laatste portie zijnde die van des testatricen kleindochter Johanna Geertruyda Gigandet voornoemt zal zijn en blijven fideicommis subject ten behoeve van de twee andere geinstitueerde erfgenamen, zodanig dat het deeze laatsten zal vrijstaan om de erfportie van voornoemde der testatricen kleindochter te laaten taxeeren en voor zich behouden mids dan het een derde van de waarde dier goederen het zij die verkogt of getaxeert worden tot haarer keuze onder secure hypotheeken en onderpanden op intrest gedaan zullen moeten worden om de intrest bij haare kleindogter daar van genoten te worden.

Edog inval meergenoemde haare kleindochter met genoegen van haare naaste vrienden van ’s moeders zijde een huwlijk mogte aangaan en kind ofte kinderen verwekken, zal dit fideicommis geen plaats hebben, maar zo zij tegen zin en wille van haare gemelte naaste vrienden kwaame te trouwen dan zal dit fideicommis in voegen hier voren vermelt volkomen stand grijpen. Stellende comparante over dit haar testament en tot agtervolging van haare wille en begeerte tot voogden aan den ontfanger Hendrik Arend Wijnne en IJsebrand Jansen. Begeerende de comparante dat met revocatie van alle vorige dispositien

4.3.

bij haar gepasseert en kracht van uiterste wil hebbende speciaal dat geene het welke voor mr. E.G. Ardesch, adjunct scholtus en gerichtslieden te Ermello op den 23 maart 1793 bij haar is verleden dit tegenwoordig testament na haaren dood alzins effect zal hebben als testament codicil gifte ter zaake des doods of onder de levenden. Voords op alle betere wijze na rechten bestaanbaar, alle geomitteerde solemniteiten geadhibeerd houdende.

Dus geschied voor mr. D.G. van Hoeclum en W. Straatman, leden van het gemeentebestuur en mij, D. Hoefhamer, secretatis van welgemelte stad op den 30 maart 1799,

In fidem extract,

D. Hoefhamer, scholtus.

N.B.Rechtsboven op het 1e blad staat de letter H.

Nummer 5.

Extract uit het prothocol des ambts Doernspijk.

Voor de onderbenoemde leden van het gemeentebestuur en secretaris der stad Elburg compareerde Geurtjen Peters Vierhouten, weduwe van wijlen Jan van der Maaten zo veel ons uiterlijk is gebleken haar verstand en uitspraak volkomen magtig, dewelke verklaarde uit overweging van de zekerheid des doods en onzekerheid des tijds en uure van dien niet uit deezer wereld te willen scheiden zonder nog nader bij codicillaire dispositie over haare nalatenschap beschikt te hebben, waar toe zij verklaarde te corroboreeren en te bekragtigen zodane testament als zij op den 30e maart 1799 voor schepenen en secretaris deezer stad heeft gepasseerd, welken zij wil hebben dat in allen deele zal effect sorteren, met deeze verandering dat haare dogter Stijntje van der Maaten al nu gesepareerde huisvrouwe van Willem van der Linde ofte bij vooroverlijden haar dochter Geertruyda Petronella genoemt in derzelver moeders plaatse en met seclusie zo veel des noods van Willem van der Linde voornoemt wegens derzelver noodlottige en zedert haare voorige dispositie merklijk verergerde omstandigheden, als ook wegens veelvuldige diensten en oppassing van haar in derzelver hooge ouderdom onophoudelijk genoten, tegens eene zeer modique vergaeding en om dezelve daar voor eenigzints te gemoete te koomen voor uit en uit den vollen boedel zonder eenige korting zal genieten vrij geld eene somme van een duizend vijfhondert guldens eens, blijvende voor het overige derzelver boedel en nalatenschap

5.2.

egaal deelbaar als en onder de clausulen bij opgedagte testamentaire dispositie van 30 maart 1799, vervat al het welk zij vrouwe comparante voornoemt verklaarde te zijn haar laatste en uiterste wille, welke zij bij forme van codicil tot opgedagte testamente wilde gevoegd en het daar voor gehouden hebben als waare die in het zelve woordelijk geinsereerd en zo als het zelve na rechten best zoude mogen bestaan, met adhibitie van alle solemniteiten welke mogten zijn geomitteerd.

Dus geschied voor Arnd. Mouw en Hendrik Arend Wijnne, leden en D. Hoefhamer secretaris van het gemeentebestuur te Elburg den 16 september 1801.

In fidem extract,

D. Hoefhamer, scholtus.

N.B. Rechtsboven op het 1e blad staat de letter I.

Nummer 6.

Extract uit het prothocol der stad Elburg.

Voor de onderbenoemde leden van den magistraat der stad Elburg en secretaris van welgemelde stad compareerde Geurtjen Peters Vierhouten, weduwe van wijlen J. van der Maaten wel ziek zijnde doch zo ver ons is gebleken haar verstand volkomen magtig, dewelke verklaarde uit overweging van de zekerheid des doods en der onzekerheid des (doorh.: des) tijds en der uure vandien, als rechtens geadsisteerd bij wege van nadere codicillaire dispositie over haare tijdelijke nalatenschap gedisponeert te hebben op volgende wijze. Eerstelijk dat zij testatrice wel hebben gecorroboreerd, nagekomen en bekragtigt zo als zij verklaart te corroboreeren en te bekragtigen bij deezen zodaane testamentaire dispositien als bij haar op den 23 maart 1791 en 30 maart 1799 als ook zodanig codicil als op den 16e september 1801 zijn gepasseerd, die zij alle voor van volle kracht en waarde wil gehouden hebben voor zo ver in dezen niet nader is gedisponeerd.

Ten tweede verklaarde zij comparante te legateren uit haare nalatenschap aan Geertruyda Petronella van de Linde haare kleindochter eene somme van achthondert guldens vrij geld om ter verbetering haarer educatie te worden geemployeerd.

Ten derden verklaarde de vrouwe testatrice haare uiterste wil en begeerte te zijn dat gelijk zij aan haare dochter Stijntje van der Maten gesepareerde huisvrouw van Willem van de Linde voor kost oppassing verpleging en zorg over haar gehad en ge-

6.2..

houden, gewoon is geweest haare jaarlijksche revenues uittekeren bij wijze van dedommagement, zij alnu dan ook uit eene oprechte dankbare toegenegenheid, aan dezelve wilde doen toekomen alzodane te provenieren penningen als wegens de verkogte afbraak boomen en holtgewasschen onder den ambte van Ermella staan in te komen midsgaders het lopende jaar pacht der goederen van de testatrice inval zij binnen ’s jaars mogt komen te sterven, of ook vervolgende altijd over dat jaar in het welk den sterfdag van de overledene zal komen te vallen, en zulks bij uitsluiting van alle anderen en tot een recompens voor haare goede diensten aan haar testatrice gedurende haren hoogen ouderdom en ziekte bewezen.

Al het gunt voorscreven verklaarde de testatrice te zijn haare uiterste wille en begeerte die zij na haare dood wilde agtervolgt en nagekomen hebben. De executie daar van mede aan haare genomineerde executeuren demanderende en zulks als testament codicil legaat gifte onder de levende of ter zaake des doods. Voords op alle betere wijze na rechten bestaanbaar.

Aldus gepasseerd voor A. Mouw en A. Lutteken Brouwer, leden van de magistraat en D. Hoefhamer, secretaris der stad Elburg op den 8e maart 1806.

In fidem extracte,

D. Hoefhamer, secretaris.

N.B. Rechtsboven op blad 1 staat de letter K. Linksboven staat: Copiaia, de origineele was geschreven op een zegel van 3 gld.

Nummer 7.

Teunis van der Salm, testeert op den 30 augustus 1758, nalaatende drie kinderen, met naame uti sub B.

Fietje Teunis, zijnde zonder kinderen natelaaten begraven te Schiedam den 23 februari 1793 ad C no. 1.

Bruno Teunis, kinderloos overleden op den 5 october 1797 te Brielle ad C. no. 3 en begraven 9 october 1797, sub. H.

Neeltje Teunis van der Salm, almede zonder natelaaten kinderen, begraven te Schiedam den 25 augustus 1794, ad C no. 2.

7.2.

Neeltje Bruno van der Salm, uti sub B, de zuster dezes testateur is getrouwd geweest met Arie van der Hoek en waarbij 3 kinderen verwekt te zien bij D - 1, 2, 3, als Maria, Anna & Arien.

Maria gedoopt den 9 november 1700 – blijkens D no. 1, begraven den 18 january 1776 – E – 2e, gehuwd geweest met Jan van den Bol, zaliger gelijk te elicieren uit gemelde - E – 2e, gewinnende 1 zoon, dewelke de naam van Arie ten doop ontfangen heeft op den 5 september 1732 – E - 1e, begraven den 25 october 1781 – E – 4e, getrouwd met Margrita de Baan, waarbij één zoon Pieter genaamd, dewelke gedoopt is den 29 januari 1763, sub. E – 3e, zijnde requestrant mede in dezen.

Anna, gedoopt 9 maart 1699 – D – no. 2, begraven 2 juny 1763 – F – 2e, getrouwd geweest met Christiaan Kurkhuizen, evident F – 1. wiens dood appareert F – 2, en uit welk huwlijk één zoon gecreerd.

Arie, gedoopt 29 april 1736 – F – 1, requestrant.

7.3.

Arien, gedoopt 14 maart 1714 – D – 3, begraven 15 februari 1783 – H, getrouwd geweest met Jacoba Mensij, sub. G – 3, waarbij drie kinderen geteeld, ad. G – 1, 2, 3, namelijk

Anna, gedoopt den 17 augustus 1738 – G – 1e , gealimenteerd doch requirante qualitate qua.

Adriana, gedoopt 5 februari 1741 – G – 2e, getrouwd met Hendrik Nieuwenhuizen, requestrant, nomine [rex:]

Hendrik, gedoopt den 19 november 1751 – G – 3e, mede requestrant en requirant.

7.4.
B.

Extract uyt het protocol der stad Elburg.

Ik Teunis van der Salm overdenkend de sekerheid des doods, en onsekere uure van dien en niet lieft uyt deze weereld willende scheiden voordat over mijne tijdelijk goederen hadde gedisponeeert verclare na revocatie en cassatie van alle vorige testamenten en dispositien inhoud dezes eenigzints contrarie, mijne volkomene laatste en uyterste wille te zijn als volgt.

Aavankelijk ordonnere ik testateur dat alle mijne erfgenamen die eenig geld off capitaal tot haren lasten en ten voordeele van mijnen boedel hebben dat zelve geld oft capitaal met de renten nae mijn dood eerst weder in dezen boedel zullen inbrengen oft bij de verdeelinge als ingebragt aangemerkt en wezentlijk gerekent zullen worden als hebbende mijne te noemen kinderen en erfgenamen haar moeders versterf reeds voor langen tijd

7.5.

genoten gehad, voorts legatere ik testateur aan mijnen dienstmaagd die tijdes mijn dood bij mij zal woonnen tot eene gedagtenisse tweehondert guldens eens, midsgaders eene dubbelde rouw oft in plaatse van die dubbelde rouw vijftig gulden aan geld eens, tot keur van die dienstmaagd en eyndelijk t volle jaarloon daar tijdes mijn afsterven zal getreden wezen, en tot kostgeld ter week eene gulden ter tijd toe dat het laatste opgemelde jaar sal verstreeken en omweezen en niet langer.

Aan Wilhelmus Eevers legatere ik testateur mijn schrijfcabinetjen dat tegenwoordig in mijn voorhuys staat. Vervolgens nominere en instituere ik testateur tot mijne eenige en universele erfgenamen mijn drie kinderen met naamen Fietjen Teunis, Bruno Teunis en Neeltjen Teunis van der Salm een yder even na onder deze speciale conditien belastinge dat mijne hare boedel daar van egter afgetrokken het

7.6.

hetgeen na regten behoort afgetrokken te worden - ende legitime portie altoos vrij en onbezwaard - om bijzondere mij daartoe moverende redenen zal zijn en blijven fidei commis subject onder deze mijne drie kinderen invoegen dat een ofte meer sonder lijfserven stervende derzelver deel zal vererven op de kinderen tot de laatste toe, welke laaste mede alzo overleden zijnde zal mijn halve nalatenschap als vermelt devolveren op de gezamentlijk kinderen en kindskinderen - deze laasten bij representatie in haar ouders plaatse - van mijn suster Neeltje Bruno van der Salm, gewezen huysvrouwe van Arij van der Hoek. En op dat deze mijne dispositie alzo deste beeter effect moge sorteren zo verklaar ik testateur tot erfuiter nae preambulaire erfhuys verburginge loco van mijne respective gemelte erfgenamen en tevens tot universele executeur van deze mijne laatste wille

7.7.

wille - alles in zo verre eenyder qualiteit in dezen nodig en dienstig is - te stellen Wilhelmus Everes wonende alhier met alle zodane magt en regt als enigzints aan erffuyters off universele executeurs testamentairs nae land- ofte stadregten verleent kan en mag worden, speciaal verder om sonder consent en buiten toedoen van mijne erfgenamen, inhoud dezes bij de aperture bekent geworden en inventaris van mijne gansche nalatenschap intijds door welgemelde erfuyter en executeur testamentair gemaakt ende mijne respective kinderen ofte erfgenamen ter hand gestelt zijnde, in tijds dezen gehelen boedel of halven boedel tot keur van mijnen erfuyter ofte executeur testamentair vermelt, gereede en ongereede goederen te gelde te maaken en na stads gewoonte publicq te verkoopen, die ongereede goederen in commune forma te cederen de penn.

7.8.

penningen daarvoor te ontfangen en voor den ontfangst te quiteren voor alle evictie en opspraak onder verband van deze nalatenschap te caveren de onwillige copers desnoods regtelijk door genoegzame volmagtiger haar woord en belofte van betalinge der koopspenningen te doen nacomen, lasten des boedels te betalen schulden ofte pretensien des boedels het zij minnelijk het zij gerichtelijk ten eynde toe ofte in persoon ofte door een genoegzame volmagtiger ten costen des boedels in ter orderen die penningen te ontvangen en daarvoor te quiteren van eenige of eene nadelige sententie desnoods te appeleren dit vooraf gegaan en den boedel alzo ofte met eenige andere veranderinge rond gemaakt en te gelde gebragt zijnde en den erfuiter ofte executeur testamentair vermelt in zoverre rekeninge van zijne administratie gedaan hebbende, midsgaders van de overig zijnde penningen

7.9.

gen des halvens fidei commis fairen boedels voor zijn gedaane moeite en versuim als erfuiter en executeur testamentair universeel in zoo verre gereekend en na redelijkheid betaalt zijnde, de gemelte legitime portie vrij en onbezwaard aan geld ofte goed, nadat den gehelen of den halven boedel zal te gelde gemaakt weezen afgetrokken alle boedels lasten en aan mijne gemelde erfgenamen zuiver en wel uit te reiken daarvan met de gezegde erfgenamen intijds ten lasten des boedels behoorlijke acte oprigtende en de nog overig zijnde penningen dat is al hetgeen boven de legitime resteert, en het gene nog niet belegt mogte wezen op bequaam onderpand alhier teegens behoorlijk percent uyt te doen, van welk capitaal of capitalen, zoo reets belegt zijn ofte hier na door den erfuiter ofte universele executeur testamentair vermelt, staan belegt te worden de jaarlijksche renten en opkomsten bij hem als vermelt, zullen ingemaant en ontfangen worden; ont-

7.10.

ontfangen zijnde zullen dezelve renten en oplomsten door welgemelde Wilhelmus Everes quantum placet van tijd tot tijd aan mijne respectire erfgenamen uitgekeert en betaald worden.

Dat den erfuiter ofte executeur testamentair vermelt ook bij magte zal weezen opgemelde capitalen door den testateur reeds belegt ofte door den erfuiter ofte executeur testamentair vermelt, staan belegt te worden te denuncieren zo zulks nodig zal oordeelen in cas van onwilligheid de zelve ten uyteinde toe regtelijk in persoon of door eene genoegzame volmagtiger innen dog bevoegt blijven dezelve penningen - afgetrokken dat tot bereikinge derzelve moet afgetrokken worden - voort zo ras hem doenlijk is weder op vast onderpand uyt te schieten tegens behoorlijke intresse zullende de erfuiter of executeur testamentair vermelt, van deze penningen ofte opkomsten jaarlijks voor

7.11.

voor zijne ontfangsten en uitgave profiteren van yder 100 gulden ontvangst en uytgave (doorh.: profiteren) vijf percent ende zo na rato. Dat het ook eyndelijk aan mijnen erfuiter of executeur testamentair vermelt zal vrijstaan sonder tegenseggen van ymand wanneer hem enige swarigheden in den beginne bij mijn overlijden ofte namaals mogten voorkomen, ofte zo hem eenige tegenstand en door mijne erfgenamen ofte anderen gedaan wierden, of te onder wat schijn ofte regt van cautie mijne gemelde erfgenamen mogten vermeenen tot al of tot een gedeelte van het gunt voorscreven beregtigt te wezen om zeg ik andere zig dat stuk beter verstaande tot costen des boedels daar over te consuleren en het noodige oft vereischte te doen vervaardigen, tegens de opposanten des noods in regten door eene genoegzame volmagtiger te ijveren ten eynde deze mijne laatste wille exactelijk moge worden nagekomen, met verder begeerte dat diegeene van mijne erfgenamen op het ser[..]ste na rechten mogen worden gestraft die zig den inhoud dezes enig

7.12.

enigzints komen aan te kanten, en worden mijne gezamentlijke erfgenamen en kinderen verzogt om binnen veertien dagen nadat inhoud dezes tot haar kennisse zal zijn gekomen deze mijne laatste wille in alle zijn deelen bij eene formeele hete alhier te lauderen en agiteren waar mede ik testateur mijne dispositie eindige, willende en begerende dat dezelve als mijn testament, codicil, legaat, fidei commiis ofte zo als dezelve best na regten bestaan kan, zal agtervolgt worden en volkolkomen effect sorteren al waren alle solemniteiten in qualiteiten niet geobserveerd die men in zo een val deeze evenwel wil gehouden hebben voor geinsereerd. Oircond mijne onderteekeninge en bezegelinge binnen Elburg den 30 augustus 1758.

Onder stond: was getekend Teunis van der Salm, en met een zegel in zwarte lak gedrukt bezegelt. Verder stond: was getekend in fidem extracti, D. Hoefhamer, secretaris.

7.13.
Copia C.no 1.

Was getekend,

Lectori Salutem.

Extract uit het register der begraven lijken binnen de stad Schiedam, beginnende met den 5 january 1786.

Den 23 february 1793.

Fijtje van der Zalm,

Gewoond op de Gooijstraat,

Laat geen kinderen na.

Accordeert met het voorscreven register berustende ter secretarie der stad Schiedam den 22e december 1797. Het derde jaar der Bataafsche Vrijheid.

Bij mij gezworen clercq,

Was getekend,

T v.d. Schalk Hz.

7.14.
Copia C.no3e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

De ondergetekende verklaare bij desen dat ten hunnen huysen overleden is op den 5 october 1797 en aangegeven op het secretarie der stad Brielle op den 9 dito Bruno van der Zalm, gene kinderen nalatende; verklarende zij ondergetekende al verder dit bovenstaande uyt de mond des overledene dikwerf te hebben verstaan.

In kennisse der waarheid dit met onse eygehande onderteekend, gedaan te Brielle den 25sten december 1797.

Was getekend,

Jan Betist L.zoon en Jannetie Kleijnenberg, egtlieden.

7.15.
H.

Was getekend,

van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het register ofte aanteekening der dooden, begraven binnen de stad Brielle, zedert den 1 january 1779.

1779 January
january

4 de Den Hoogwelgeboren heer Jan etcetera

1793 January January

2 de Een kind van etcetera

February
February

3 de Een kraamkind van etcetera

15 de Arij van der Hoek. Nalatende drie kinderen etcetera

1797

1798 January

January

2 de Jean etcetera

October
october

4 de Jacob etcetera

9 de Bruno van der Salm, etcetera

Accordeert voor zoo veel het geextraheerde aangaat met voorscreven register, bij mij secretaris der stad Brielle, dezen 28 december 1797.

Was getekend:

T. Brouwers.

Collatio Copia accord

D.H. Escher, schout van IJsselmuiden.

7.16.
Copia C.no 2e.

Was getekend,

Lectori Salutem.

Extract uit het register der begraven lijken binnen de stad Schiedam, beginnende met den 5 january 1786.

Den 25e augustus 1794.

Neeltje van der Zalm,

Gewoond in het Buiten Hofje,

Laat geen kinderen naa.

Accordeert met het voorschreven register, berustende ter secretarie der stad Schiedam, den 22e december 1797, het derde jaar der Bataafche Vrijheid.

Bij mij gezworen clercq,

Was getekend,

T. v.d. Schalk Hz.

7.17.

Copia D. no. 1.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

1700 november den 9

Kinderen: Maria

Ouders: Arien van der Hoek en Neeltje van Salm

Getuigen: Hendrik van der Hoek en Elisabeth van der Hoek

Accordeert met het Doopboek in het hooft dezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den F.J. Brouwer

26 december 1797

Prædikant in den Briel.

7.18.

Copia E.2e.

Was getekend,

Van der Schilt

Lectori Salutum.

Extract uit het Register of aantekening der dooden, begraven binnen de stad Brielle zedert den 8sten april 1679 tot den 30 december 1778.

Den 8 april 1679 begraven etcetera;

1776 january

january

5de Jan etcetera,

8de Marijtje van der Hoek, weduwe Jan van der Bol, nalatende een zoon, etcetera.

Accortdeert, voor zoo veel het geextraheerde aangaat met voorscreven Register, bij mij secretaris der stad Brielle dezen den 28 december 1797.

Was getekend,

F. Brouwer,

Secretaris.

7.19.

Copia E.1e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in de stad Briele.

1732 5 september

Kinderen: Arij

Ouders: Jan van der Bol en Marijtje van der Hoek

Getuigen: Neeltje van der Salm

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft dezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den 26 December 1797

F.J. Brouwer Prædikant in den Briel.

7.20.

Copia E. 2e.

Was getekend.

Lectori Salutem.

Extract uit het register der persoonen, overleeden of begraven binnen Rotterdam, begonnen den 6 juny 1779.

Arij van der Bol hebbende gewoont in de Langebijnstraat en op den 25 october 1781 op het Westerkerkhoff alhier begraven.

Accordeert met het voorschreven register bij mij als koster van de kerken der stadt Rotterdam op den 27 december 1797.

Was getekend,

Cornelis Brouwer F:zoon, 1797.

7.21.

Copia E.3e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

1763 januari den 29

Kinderen: Pieter

Ouders: Arij van der Boll en Margrita de Baan

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek an ’t hooft dezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den 26 december 1797

F.J. Brouwer Predikant in den Briel.

7.22.

Copia D. No.2e.

Was getekend,

Van der schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

1699 maart den 3den

Kinderen: Anna

Ouders: Arien van der Hoek en Neeltje van der Salm

Getuigen: Elisabeth van der Salm

Accordeert met het Doopboek in het hooft dezes gemelt.

Quod testor,

Was getekend,

Brielle den 26 december 1797.

F.J. Brouwer Prædikant in den Briel.

7.23.

Copia F.1e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in de stad Briele.

1736 april den 29

Kinderen: Arij

Ouders: Kristiaan Korkhuisen en Anna van der Hoek

Getuigen: Marie van der Hoek

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft deezes gemeld.

Quot testor

Briele den 26 december 1797

Was getekend, F.J. Brouwer, prædikant in den Briel.

7.24.

Copia F.2e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het register of aantekening der dooden begraaven binnen de stad Brielle zedert den 8 april 1679 tot den 30e december 1778.

Den 8 april 1679 begraven etcetera:

1763.

1763 1 januari, Een kind van etcetera.

Juny Den 2, Een kind van etcetera,

Johanna van der Hoek weduwe van Christiaan Kulkhuysen etcetera.

Accordeert voor zoo veel het geextraheerde aangaat, met hett voorscreven register bij mij secretaris der stad Brielle dezen 30 december 1797.

Was getekend,

T.Brouwer.
7.25.
Copia D. no3e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

Anno 1714 Meertius den 11 dito

Kinderen: Arien

Ouders: Arien van der Hoek en Neeltje van der Hoek

Getuigen: Dirk van der Hoek en Cornelis van der Hoek

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft deezes gemeld.

Quod testor,

Briele den 26 december 1797

Was getekend, F.J. Brouwer Prædikant in den Briel.

7.26.

Copia G.1e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in de stad Briele.

1738 augustus den 17 dito

Kinderen: Anna

Ouders: Ari van der Hoek en Jacoba Mensy

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek in ’t hoof deezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den 26 December 1797

F.J. Brouwer, Predikant in den Briel.

7.27.

Copia G.2e.

Was getekend,

van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboerk van de kleine kerk der Gereformeerde Gemeente in Den Briel.

1741 Februari Den 5.

Kinderen: Adriana

Ouders: Arij van der Hoek en Jacoba Mensy

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek in ’t Hooft dezes gemeente gemeld.

Quod testor – was getekend:

Briele den 26 December 1797.

F.J. Brouwer Predikant in den Briel.

7.28.

Copia G.3e.

Was getekend,

van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de kleine kerk der Gereformeerde Gemeente der stad Briele.

1755 November den 19.

Kinderen: Adriana

Ouders: Arij van der Hoek en Jacoba Mensy

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft dezes gemeld.

Quod testor – was getekend:

Briele den 26 december 1797

F.J. Brouwer Predikant in den Briel.

Nummer 8.

1761 Den 23 augustus is mij vaeder Simon H. Fleurij de klok half 9 uur overlede en in de franse kerk begraeve saterdags.

Anno 1756 den 4 november is mij moeder Anna Elisabet Strikkers te Campen overleden en in de franse kerk den 12 dito begraven.

Nummer 9.
Copia..

Extract uyt het protocol der stadt Elburg.

Compareerde voor heeren schepenen en secretaris der stadt Elburg vrouwe Josina van Erkelens in huwlijk hebbende de heer Hessel van Lawijk in desen getreden uit de momberschap van haer eheheer en soo veel dienstig geassisteert met Hendrik Claessen Top, welke geexhibeert heeft een besloten testament voor heren schepenen en secretaris deser stad in desen mede als geerfdens in Veluwen op den tienden martie 1732 door vrouwe Bartha ten Holte weduwe wijlen de heer burgermeester Joost van Erkelens als ook door vrouwe comparante gepasseert ende versogt dat het selve omtrent sijne segelingen en teekeningen voorts het aengebondene swart lintjen als anders mogte werden gevisiteert, geopent, gelesen en ten protocolle van dese stad geregistreert om te strecken nae behoren dat hetzelve diesweegen geexamineert en in alles bevonden is ongeschonden en ongevitieert en dat op deplica geschreven stond; aldus compareerden voor schepenen en secretaris onderbenoemt in desen mede als geerfdens in Veluwen vrouwe Barta ten Holte weduwe wijlen de heer burgermeester Joost van Erkelens alsmede vrouwe Josina van Erkelens in huwlijk hebbende de heer Hessel van Lawik die gebeden sijnde uit de momberschap hares ehemans voornoemt en beide de comparanten wederom geassisteert met den secretaris Toewater, gaende en staende en hare vijff sinnen magtig overdenkende de broosheit hares levens, sekerheit des doods en onsekere uure van dien, hebben verklaart dat sij comparanten in dit besloten papier hare uyterste wille vervat hebben willende en begerende dat dese hare dispositie, als testament codicil of gifte ter oorsake des doods of onder de levendigen omnimeliori modo moge verleenen en bestendig sijn al waren alle solemniteiten nae regten daeraen niet geobserveert dies ten waren oirconde hebben wij Egbert Jan van Ommeren en Derk Christiaen Tulleken en Heimerik Toewater als schepen en secretaris dese nevens stads secreet segul eygenhandig getekent en besegult

9.2.

in Elburg den tienden marty 1732. Was getekent E. J. van Ommeren, D.C. Tulleken, H. Toewater secretaris en was met drie cachetten gedrukt in roden lacke, gemanieert nevens het segul van dese stad in roden wasch gedrukt en een swart lintjen aen het selve gebonden, luydende de ingeslotene dispositie als volgt:

Wij vrouwen Bartha ten Holthen weduwe wijlen den heere Joost van Erkelens, in leven burgemeester der stad Elburg en Josina Johanna van Erkelens, ehevrouwe van den hoogedelgeboren heere Hessel baron van Lauwijk overdenkende de sekerheid des doods en de onseekere uire van dien, hebben alvorens over onse gereede en ongerede goederen ons door den goedertieren en God genadelijk verleent willen disponeren ten dien eynde voor af revocerende, dood en te niet doende alle onse voorgaende dispositien en maekingen hoe die gemaekt moge werden, het sij afsonderlijk het sij gesamentlijk met yemant gemaakt.

Revocerende mede testatrice mede speciael sodane clausulen, continerende dispositie over hare goederen voor soverre dese hare dispositie mogte contrariëren en welke vervat staen bij huwlijkse voorwaerden den eersten october 1708 met voornoemde haren eheman opgerigt ende comende ter dispositie soo instituere ik vrouwe Bartha ten Holthe weduwe wijlen welgemelten heer Joost van Erkelens tot mijne universele erfgenaem mijnen voornoemde dogter Josina Johanna van Erkelens in huwlijk hebbende den welgemelten heer Hessel van Laeuwijk in alle mijne nae te laten goederen actien en crediten waar en op wat plaatse gelegen met desen verstaende dat deselve in de legitime portie vrij onbeswaart geinstitueert blijft mits nogtans de verde goederen buiten de legitime portie nae dode van meergemelte mijne dogter bij fidei commis sullen retourneren en devolveren op mijne

9.3.

mijne ende haere nae te noemen erfgenamen te weten de kinderen en de kintskinderen van wijlen mijnen neef Gerard van Mijnningen in leven burgemeester der stad Zalt Bommel bij vrouwe Geertruida Buschman in echte verwekt soo engelijk hierna sal werden gespecificeert.

Doch geconsidereert het met apparent, maer om het bereik veur jaeren van gemelte mijn dogter genoegsaem seeker en buiten twijfel is dat uit het huwlijk van meergemelte mijne dogter met welgemelte haren voornoemde eheman geen kinderen staan geprocrieert te worden, soo hebben wij testatricen eygener motive en uit sonderlinge affectie en genegentheid voor de kinderen en kindskinderen van wijlen onsen gemelten neef Gerard van Mijnningen verder gesamentlijk en afsonderlijk gewilt en begeert, willende en begeren mits desen wel expresselijk , niet alleen bij forme van laaste uiterste wille en testamentaire dispositie die wij bij desen mede onherroepelijk en onveranderlijk maken maer ook bij forme van speciael contract soo en gelijk het selve best nae regten kan valideren en onveranderlijk maeken dat nae doode van ons beyden alle onse na te latene gerede en ongerede goederen actien en crediten waar en op wat plaatsen gelegen, gout silver gemunt en ongemunt, juwelen klederen etcetera in voegen hier nae volgende sullen devolveren erven en versterven in vier egale portien op dese onse naer te noemene erfgenaemen, legaterende wij testatricen alvorens aen de kinderen van de heer Jan Gijsbert Sandbergen, scholtus tot Elburg bij vrouwe Anna van Ingen in egte verwekt ons geregte vierde part van den aenwas met andere gemein mitsgaders nog een stukjen bouwland genaamt het Wijne Goor beyde in den amte van Doornspijk gelegen. En

9.4.

En aan de kinderen van burgemeester Herhem Jacob van Erkelens een campje hooyland leggen voor de Goorpoorte genaemt de Koeweyde.

Ende aan onse nigt Margreta Comner een som van vijfhondert guldens eens, soo nogtans dat inval onse nigt voor de langst levende van ons quam te overlijden, deese vijfhondert gulden sullen verblijven aen onse hier nae geinstituerde erfgenaemen alle nog aen onse nigt Everharda Henrica Sandbergen, getrout met Rijnvis van der Horst een somme van hondert gulden eens beyde staende gevestigt in het Bosschenbroek tot Vaessen; item aen onse nigt Arnolda Folker, weduwe Mestebiers een somma van vijfhondert guldens eens, mits nog tans mede dat inval nigt Arnolda Foelken voor de langstlevende van ons quam te overlijden de gemelte vijfhondert guldens sullen sijn en verblijven aen onse hier nae geinstitueerde erfgenaemen.

Ende laestelijk ongedacht aen onse nigt Gerarda van Minningen, dogter van wijlen captein van Minningen de somme van vijfentwintig gulden eens mitsgaeders nog ses hembden met drie letters getekent alles nae onsen beyden dood in voegen voorschreven uit te keeren ende instituerende dien volgens in het eene vierde part de kinderen van wijlen onse neeff Georguis Godofridus van Mijnningen bij vrouwe Catrina Elijsabeth van Bijstervelt in egte verwekt.

In het tweede vierde part het kind van onse nigt Johanna Cornelia van Mijnningen, bij wijlen den heer Niclaes Lehalleur geprocreëert mitsgaders de verdere kinderen soo deselve onse nigt uit enig ander wettig huwlijk mogte procre-

9.5.
procreëren.

In het derde vierde part onsen neeff Gerard van Mijninngen, dijkschrijver in Bommelerweert en schepen der edele en H.O. gerigte van Thyl en Zuilichem. In het laeste vierde part ons neeff Matthijs Huijbertus van Mijnningen, schepen en raad der stad Zalt Bommel willende en begerende dat dese onse laaste en uiterste wille en testamentaire dispositie naar onsen dode sijn effect sal sorteren ’t sij als testament codicil legaet gifte ter oorsaak des doods ofte onder den levenden ende wel speciael mede als een onderling contract en overkomste. Soo en gelijk het selve best nae regten sal mogen bestaen; schoon enige solemniteiten hier toe gerequireert niet waren geobserveert, hebbende tot verdere ende volle corroboratie dese onsen laesten en uiterste wille testamentaire dispositie, contract, overkomst eygenhandig geschreven en beyde onderteykent op den tienden maert 1732 en gesegult.

Was getekent: Bartha ten Holten weduwe van Erkelens (lectori salutem); Josina Johanna van Erkelens (lectori salutem). Aldus gedaen geregistreert door mij onder geschreven coram Feith et Tulleken. Consulibus den 3 february 1736.

Was getekent: R.O. Schrassert, secretaris.

Lager stond: pro vero extractum en was getekent; R.O. Schrassert, secretaris.

Nummer 10.

Testament van Wilhelmus Everes en Johanna Vos, egtelieden.

Wij Wilhelmus Everes en Johanna Vos, egtelieden in overdenkinge nemende de broosheyd des leevens, de sekerheyd des doods en de onsekere uere en tijt van dien hebben terwijl onse verstandt sinnen en memories ten vollen machtig sijn uyt een vrijje en onbedwongen wille sonder persuatie van ymand goed gevonden niet uyt deese werelt te willen scheyden voor en aleer over onse tijdelijke nalatene goederen waar meede ons den heemel heeft gelieve te zegenen te hebben gedisponeerd wien volgende onse onsterffelijke sielen in de genade Gods hebben aenbevoolen en onse sterffelijke lighaamen tot een eerlijke burgelijke begraffenis alvorens bevoolen hebbende verclaaren onse uyterste wille te zien soo en in manieren als volgt. Eerst en voor af verklaaren wij als nog te inhereren en te persisteeren bij alsodane reciproque lijftugt als wij malcanderen bij dispositie voor de heeren scheepenen deeser stadt in dato den 24 november 1779 ten

10.2.

ten overvloede hebben gedaan, houdende deselve in haar volle kragt en waerde zoodanig af die van woord tot woordt hier in wederom geinsereert waaren, komende tot ’t formeren van deese onse dispositie. Zoo is ‘t dat wij tot erfgenamen stellen de vrouw van Lambert Gerrits Mulder, Johanna van Tongeren, de volgende gerede en ongerede goederen.

Eerst.

Mijn waarde aendeel in de Doornspijker ses in Oosterwolde bij de Gortelse ses gelegen.

Ten tweeden.

Een hoekje buytendijks teegen Jacobs huys geleegen.

Ten derden.

Drie greesen weylandt aent Beginendijkje bij ’t oude kerkhoff tussen Feytenhofs zaaylanden geleegen. Nog een oblegatie groot seshondert gulden met dien verstaende dat alle gemelde ongereede zoo gemelde Johanna van Tongeren huysvrouw van Lambert Gerritz Mulder zonder kinderen na te laaten koomt te

10.3.

sterven dat dan haar oudste broeder of zuster de oudste op straate mag weesen deselve deese goederen zullen erven en dus de selve goederen niet moogen beswaard of vercogt worden. Verder stel ik tot erfgenamen aen den IJsseldijk van ons geleegen goederen als ’t erfje van Jan van Leuwen, de voorste en agterste maate d’Helle en de Caaterhoek ses schepel zaaylant te Veesen in de Luushoek en Smitjes en Bakhuys nieu oever zoo als door ons publieq jaarlix is verpagt, except ’t erfjen van Jan van Leuwe, waarvan jaerlix vijftig gulden zal moeten worden betaelt, welke stuure zal continiweren zoo lange als Jan van Leuwe en zijn vrouw of dogter leeven van deese aen den Ijsseldijk. Op genoemde goederen worden gestelt tot erfgenamen den drie kinderen Arent, Geertje en Everdina Vos in egt verwekt bij Egbert Vos en Egbertje vam Zoes zullende deese goederen tot den mundigen dag vant jonkste kindt verpagt worden en de pennigen door de excuteurs ontfangen en bewaard worden welke excuteurs van ons zijn genoemd zijnde Gerrit Dwars en Pouwel Westhoff Gz. Zoo ene van deese excuteurs kwame te overlijden zoo heeft de langstlevende magt om ene na zijn genoegen te nemen. Zoo

10.4.

Zoo menigmael als zulx gebeurt de gemelde kinderen of wie hoe genaamt met deese hare erfportie niet waaren te vreeden of gecontenteert dan zullen se van haar op genoemde erfportie worden ontstooken en verclaren dan tot erfgenamen van dit gemelde goed bovengenoemde excuteurs. Als nu ’t laaste van deese kinderen koomen te sterven dan zullen de excuteurs erfgenamen van gemelde goederen weesen namentlijk Pouwel Westhoff Gz. en Gerrit Dwars. De drie kinderen met deese dispositie te vreeden zijnde zoo zal de jaarlixs verpagtinge geschieden als van ouds en dan ’t laaste kind mondig zijnde zal ’t geld aen de in levende zijnde kinderen worden overgetelt genietene de excuteurs voor haer moeyte en arbeyd ider jaarlix drie ducaaten en de conditi gelden niet moogen verhoogen.

Vorder stel tot erfgenamen voor deese navolgende gerede en ongerede goederen onse dogter Susanna Anna Boeduijnx, weduw van Johannes Everes

10.5.
Eerst.

Ons huys agter en pakhuys door ons selfs bewoont en gebruykt met altgeen in ’t selve worde bevonden hoe genaemt.

Ten tweeden.

Onse groote hoff voor de Goorpoorte aen de Weerdhoogte en in de Bredegang als mede het kleyne hofje daer schuyns tegenover aen de Bredegang kennelijk gelegen.

Ten derden.

Onse erve aen de Hoogewegh op de Werfhorst zoo door mijn van den boedel van wijlen d’heer van Dedem is aengekogt en zig thans bevint. Zoo vermeerdert van mevrou Spaen met ½ mud zaaylandt en vermindert door ‘t verkoopen van twee hoekjes wijdelant die daar dus niet meer bij zijn.

Ten vierden.

Een bos bij ’t erve van de weduw G. Vos en Jan Munnik geleegen, van de weduw Arent Wijne aengekogt.

Ten vijfden.

Een bos aen Hendrik Tops wegh van J. van Vaasen en zijn vrouw Teunigje aengekogt.

Ten sesden.
10.6.
Ten sesden.

6 Greesen aen de Zoomerdijk van Aalt Eijbersen en Teune Hendrik aengekogt.

Ten sevende.

Een haagen in Oosterwolde naast Morren , ’t erf van baron van Oldenbarneveld kennelijk gelegen.

Ten agsten.

Een halve toebaksschuur in gemeenschap met monseigneur J. Munnik en wat verder tot dat fabriek behoord met alle haar nut en onnut voor- en nadeelen actien crediten lusten en lasten zoo in de coopmanschap alle boecschulden te ontfangen en de daer uyt voortvloejende te betalen al nog te betalen alle onse lossige schulden van onsen boedele blijvende ook ten haaren prophijte. Alle contanten oblegatien met een woord al wat tot voordeel en beswaar van onsen boedel word gevonden. Ook zal zij gemelde onse dogter ons verpligt weesen na overlijden ordentelijk borgelijk te doen begraaven laatende ’t bestier van de begraffenisse geheel aen haar orders over.

10.7.

Verder stelde tot erfgenamen van onse 8 greesen in Oosterwolde van wijlen burgemeester Brouwer en E.H. vrouwe aengekogt, Gerrit Hengeveld Wz. en Maria Geertruy Boeduynx egtelieden. Verder worden tot erfgenamen van onse elf huysjes in den Endenhoek gesteld de diacony van Elburgh mitz zorg draagende dat de selve sindelijk bewoont en ordentelijk onderhouden worden.

Eyndelijk zoo zal aen onse meyt worden gegeven die bij den langst overlevende van ons testementmakers woont de zomme van twee hondert guldens eens sonder meer als zijnde ’t geveu van rouw door haer wel edele en agbare verbooden welke twee hondert guldens door onse dogter als boedelschult zullen worden voldaen binnen jaar en dag voor behoudenis de testementmaakers bijde en ieder voor sigh haar regt uyt kragt van huywelijksvoorwaerden elcanderen gegeven ook hebben wij testementmakers in onsen boedel gestelt tot excuteurs G. Hengeveld Wz. en de weduw Everex. Zoo onvermoedelijk ietz menselijk met de excateur of onse dogter voorviel heft de langstlevende vrijheyt om een andere daarvoor te mogen bij noemen […] lende de gemelde excuteurs Exctelijk

10.8.

deese onse uyterste wille doen nakoomen en buyten regten ten costen van de revenuen den boedel ja van den boedel zelfs zonder verantwoordig van niemand dus aen den excuteur testamenten zoodane magt gevende als na constumen deeser lande zijn competerenden, waar mede wij Wilhelmus Everes en Johanna Vos egtelieden onse testamentaire dispositi eyndigen. Hebbe wel expresse gewilt ende begeert dat deselve sullen bestaen en effect sorteren het zij als een constitutie van tugt testament codicil legaat off donatio ad piof usus gifte ter saake des doods off nae deselve op ’t favorabelse na regten gemainteneert worden ab waaren alle solemniteyten nu regten hier na behoren met geobserveert. Des ten ware oirconde hebben wij egteluyden boven gemelde deese eygenhandig getekent en besegelt met intenti om deselve in duplo besloten aen een wel edele gerigte ten fyne van transfix met een stads zegel over te geven.

Actum Elburg den 20 september 1781.

Was getekent,

Wilhelmus Everes.

Johanna Vos.
10.9.

Deze actens van aperture, inliggende dispositie benevens de superscriptie ten protocolle der stad Elburg geregistreerd ten overstaen der heeren præsidenten Tulleken en Sels tot den 17den april 1783.

Bij mij,

Herman Henrik Vitringa. 1783.

Nummer 11.

Wij Johan Bu rchard Tulleken en Jan Rutger van Oldenbarneveld & Maurits Sels schepenen en Herman Henrik Vitringa secretaris der stad Elburg doen kond en certificeeren hier mede, dat voor ons gecompareerd zijn Gerrit Hengeveld Wz. & Susanna Anna Boeduynx, geadsisteerd als rechtens met J. de Fluiter ten sterfhuize ( mede in præsentie van Lambert Gerritszen Mulder & Johanna van Tongeren geadsisteerd met haren man, Hendrik Duutman wonende te Harksen onder Wijhe in de provintie van Overijssel, voogd der onmondige kinderen van Egbert Vos & Egbertjen van Soes, Arend, Geertjen & Everdina Vos, voords Gerrit Dwars wonende onder Heerde (doorh.: & Pauwel Westhoff Gz., wonende onder Heerde) & Pauwel Westhoff Gz., wonende te Vorgten mede onder Heerde in qualiteit van executeurs van de erfenis der drie boven gemelte kinderen).

Hebbende gemelte executeurs Gerrit Hengeveld & S. A. Boeduynx geadsisteerd als boven. Aan ons overgegeven twee met vier cachetten geslotene papieren, die volgends der zelver superscriptien en opgeschrevene verklaringen in dato den 20 septenber 1781 voor schepenen en secretaris dezer stad gepasseerd, zouden behelzen de testamentaire dispositie van de bovengemelte ehelieden, met

11.2.

met verzoek, dat naar voorgaande visitatie van het een en ander en recognitie der zegelen naar behoren door ons, dat besloten papier geopend, gelezen en vervolgends ten protocolle dezer stad geregistreerd mogt worden in voegen zulks naar ordre en ten effecte als naar rechten word vereischt; dat wij vervolgends het een en ander hebben gevisiteerd, de zegels en ondertekeningen geexamineerd en alles gaaf ongeschonden en zonder eenige cancellatie hebben bevonden en vervolgends naar aperture daar in gevonden de dispositie, zo als die superscriptien en inliggende dispositien door den secretaris zijn op en voorgelezen in præsentie als boven. Zoals ’t een en ander onder ’t cachet van den secretaris is getransfixeerd, om daarvan de nodige registrature te doen en te laten geschieden gelijk zulks behoord. Ten teken van waarheid is deze bij ons voornoemde schepenen en secretaris getekend & gezegeld en daar boven met onzer stede secreet zegel gecorroboreerd op den 9den van april 1700 drie & tachtig.

J.B. Tulleken. J.R. van Oldenbarneveld. M. Sels. Herm. Henr. Vitringa 1783, secretaris.

Nummer 12.

Voor de onderbenoemde leden van de magistraat der stad Elburg de laatste ten dezen als secretaris van welgemelte stad fungerende, compareerde vrouwe Diderica Maria Olders, weduwe wijlen den predikant Martinus Vitringa, zijnde zij vrouwe comparante bij blijkenden verstande en zo veel nodig geadsisteerd met den als secretaris in desen fungerende, als haaren gekoren momber. Dewelke verklaarde over haare tijdelijke natelaten goederen te hebben gedisponeerd op volgende wijze.

Vooraf verklaarde zij vrouwe testatrice te revoceren te annulleren dood en te niet te doen alle vorige dispositien kracht uiterste wille hebbende bij haar gemaakt (doorh.; en gepasseerd) speciael mede haar testament op den 15 november 1798 voor schepenen in Campen gepasseerd, welke zij wil dat geen effect zullen sorteren.

En alnu van nieuws disponerende verklaarde zij testatrice zoo ter voldoening aan de intentie van haare overledene echtgenoot, als (doorh.: onleesb.) uit (doorh.: onleesb.) hare eigen verkeering te legateren aan Martinus Vitringa van Grasveld eene obligatie groot duizend guldens op het Comptoir van Vollenhove, en aan Diderica Maria van Grasveld mede een obligatie groot duizend guldens op het zelfde Comptoir, of wel zodanige effecten op schuldbrieven als bij de te doene conversie in plaats van de gemelde obligatien zullen worden afgegeven met bepaling echter (doorh.: om) dat dezelve (doorh.: niet te mogen verkopen hun leven lang geduurende maar te laaten onder administratie en bewaringe van haren na te melden executeur (doorh.: om) blijvende (ingevoegd: doorh.: onleesb. testatrice) de haare overige nalatenschap deelbaar tusschen haar intestate erfgenamen).

effecten tot dat de voornoemde respective[.] legatarissen zullen zijn gekomen tot den

ouderdom van 28 jaren eerder huwelijk of anderen geapprorbeerden j[..] sullen moeten blijven berusten onder de (doorh.: onleesb.) en […]van den natemelden executeur of deszelfs ge[..]tueerden welke jaerlijks de interessen wil uitkeren om tot derzelve educatie of alimentatie te worden gereserveerd, aan die genen [.] waren zulks (doorh.: onleesb) zal behoren

12.2.

en voorts noch met dien verstande dat indien de voornoemde legateurs of een van (doorh.: deselve) hun voor den […] mochte komen te overlijden, het (doorh.: onleesb.) aan de overledene […] gelegateerd en sullen in vrijen eydendom zal om […] op derzelver moeder Aebigael Martha Vitringa, huisvrouw van den heer Carekl Hendrik van Grasveld indien zij alsdan noch in leven mochte zijn, en bij vooroverlijden van deselve op de ver[..] (doorh.: onleesb.) den noch in leven zijnde […] en […] van voornoemde vrouwe Abigail Martha Vitringa ingevolge het versterfrecht (doorh.: onleesb.) vigerende ter plaatse daar de voornoemde legatarissen of een van hum zal […] te overlijden, daar […] (doorh.: onleesb.) […]. Dat al hetgeen de vrouwe testatrice van den bij haar overlijden zal haar na te laten (doorh.: onleesb.) zal worden geerfd door haar (doorh.: onleesb.) kinderen en […] (doorh.: onleesb.) zodanig als deselve welke haar ab intestato moeten […] en G meede[…] van elk [..] het geen hen is gelegateert zal uitreiken.

Stellende zij vrouwe testatice tot executeur (doorh.: en) van dit haar testament, en administrateur over (doorh.: he) de hier voren beschreven legaaten midsgaders redder van haaren boedel en nalatenschap en besorger van hare burgerwens haar zoon meester Lambertus Julius Vitringa woonende in ’s Haage, den zelvenen daar toe verleenend alzodane ampele magt en gezag als aan executeuren administrteurs en boedelredders in rechten kan of mag gegeven worden speciael mede (doorh.: om) van adsumtie en surrogatie, mitsgaders aan alle gerede, en ongerede goederen en effecten des boedels te mogen verkoopen en transporteren zonder daar toe eenige auctorisatie of nadere qualificatie der mede erfgenamen of van ymand anders nodig te hebben en omme het zuiver rendement des boedels alleen aan de gezamenlijke erfgenamen uittereiken, en zullen inval opgedagte (doorh.: mijn) haaren executeur testamentair op haar overlijde mit present mogt zijn met assumtie van de secretaris, D. Hoefhamer alhier woonagtig dewelke in dat geval speciael word gelast om haar sterfhuis intetreden en provisioneele nodige arrangementen te maaken tot de overkomst (doorh.: ofte) en præsentie of nadere voorziening van (doorh.: weegen) haaren executeur (doorh.: onleesb.) vornoemd.

Al hetgeent voorschreven verklaarde zij vrouwe testatrice te zijn haar uiterste wil en begeerte welke wille dat na haare dood zal valeren en effect hebben als testament codicil legaat fidei commissair verband, gifte onder de levende ofte oorzake des doods en voorts op alle beste wijze.

Nummer 13.

Compareerde voor onderbenoemde scheepenen en secretaris der stad Elburg Jan van der Beek, siek te bedde leggende, doch sijn verstand, memorie en uytspraak volkomen machtig, in overdenking nemende de sekerheid des doods, en de onsekerre tijd en ure van dien, en uyt deese wereld niet willende scheiden, voor en alleer over sijne tijdelijke goederen hem van God almachtig verleent te hebben gedisponeert. Soo verklaarde den comparant - tot deese sijne laaste off uyterste wille overgaande -

vooraff te annulleren en casseren en te niete te doen, alle zodaene testamentaire dispositien, welke den comparant ’t zij met sijn vrouw, ’t sij naederhand afsonderlijk voor sich selve mogte gemaakt hebben speciaal die dispositie voor schepenen en secretaris der stad Elburg op den negenden october 17 hondert vijffentachtig gepasseert, deselve herroepende, en buyten effect stellende bij deesen.

En allnu tot deese sijne laaste dispositie overgaande, so verklaarde den comparant uyt vrijen wille, zonder inductie off persuasie van iemand tot sijne eenige en universele erffgenamen van alle sijne natelatene goederen te institueren, en te nomineren doende sulks kragt ende mits deesen mijnen neeff Evert van der Beek Hz., in huwelijk hebbende Wobbina Magdalena Bigge, en bij vooroverlijden van deselve haarlieder kind off kinderen onder dese conditie nochtans dat deese mijne geinstitueerde erffgenamen uyt mijne naelatenschap zullen uytreiken deese volgende legaten.

1e. Aan Jan Brummel in huwelijk hebbende Evertje van der Beek een huys en erve kennelijk staande in de Susterenstraat naast het huys bij de jood Emanuel Wolff, de woont, ende gansen Steeg ter andere zijde, vlak over het huys van comparant selve door Evert van der Beek Hz thans bewoont vordende

13.2.

met deese restrictie nochtans, dat wanneer voernoemde Jan Brummel en vrouw dit aan haar gelegateert huys off selvs komen te bewonen, off door een ander daar in nog door den eygenaar, noch huurder, geen winkel hoe genaamt, sal mogen gedaan worden.

En sullen voornoemde Jan Brummel en vrouw hier voren genaemt bovendien noch profiteren, en genieten eens eene somme van twe hondert guldens hollandsch, welke penningen benevens het huys door mijne gemelte geinsitueerde erffgenamen ½ jaar nae mijn overlijden sullen moeten uytgereikt worden en bij overlijden van haar aan hare kinderen.

2. Aan Zebus van der Beek te Heerde, offte sijne erven een huys en erve staande in den dorpe van Heerde, thans bewoont wordende door Derk Proper, en bovendien mede eene somma van twee hondert guldens hollandsch wel verstaande echter, dat wanneer voornoemde Zebus van der Beek voor mij testateur mogte komen te overlijden, sonder kind off kinderen nae te laten, dat als dan in soo een val mijn geinstitueerde erffgenamen tot geene uytkeringe van dit legaat sullen verpligt, off gehouden zijn.

3. Aan Maria van der Beek eene capitale somma van twee hondert guldens eens sonder meer doch voor den testateur komende te overlijden sal die somma mede door mijne erffgenamen niet behoeven uytgereikt te worden.

4. En ten laasten aan comparants neeff zijnde de oudste van gemelte Evert van der Beek Hz. en Wobbina Magdalena Bigge met name Jan Hendrik van der Beek twe derde parten in Aalts Camp in den Horsthoek in den ampte (doorh.; onder) van Heerde kennelijk gelegen, waar in Hendrik Steenberg een geregte derde part in eygendom toebehoort.

13.3.

met dit exspres beding dat deese gelegateerde camp altoos sal overblijven onder de directie van de vader Evert van der Beek Hz., deselve te verhuren, de pagt daar van te ontfangen, de penningen nae welgevallen te besteden en ook deesnoods de twe voornoemde derde parten te vercopen, mits nochtans dat in het laaste geval, de als dan te provenierene penningen ten meesten nutte van gemelte mijn neeff Jan Hendrik van der Beek door der selver ouderen besteet worden, en in gevalle deese mijn neeff Jan Hendrik van der Beek ’t zij voor, ’t zij nae mij testateur mogte komen te overlijden, dat alsdan dit legaat van gemelte 2/3 parten in Aalts Camp sal vererven en versterven op sijne ouderen E. van der B. Hz. en vrouw Wobbina Magdalene Bigge.

Nummer 14.

Compareerde voor ons onderschreven burgermeesters en secretaris der stad Elburg Fennigje Elderbeek, geadsisteert met Hendrik van Duren, welke haer verstand en sinnen ( so verr ons uitterlike bleek) volcomen magtig, en heeft aan ons overgegeven dit papier, waerin verclaerde haar uitterste wille mede begrepen te sijn, die sij begeerde, dat allesins valeren en na haar dood onvercort haare vorige dispositie voor sover deselve bij desen niet en gealtereert, effect sorteren mag, als testament, codicil, legaat, voorts op alle andere latere wijse, al ware alle solemniteiten regtens niet geodserveert.

Des ’t oirconde hebben wij Dirk Gerrit van Hoeclum en Anthony Barneveld als burgermeeesters nevens Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris van opgemelte stad desen getekent en gesegult en daerenboven met ons stads secreet segul doen corroboreren op den 10 november 1767.

(Get.) DGVHoeclum, ABarneveld, Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

Nummer 15.

Extract uit het protocol der stad Elburg.

Compareerde voor onderbenoemde schepenen en secretaris der stad Elburg Regina Elderbeek, in desen zo veel nodig geassisteert met Cornelis Lansbergen, welke verklaarde in overdenking van de zekerheid des doods en onzekere uure van dien besloten te hebben niet uit deeze waereld te willen scheiden dan na alvorens over haare tijdelijke na te latene goederen te hebben gedisponeerd, in voegen na beschreven, waar toe dan overgaande so verklaarde comparente haar verstand en zinnen zo ver ons uiterlijk gebleken is volkomen magtig sonder persuatie oft inductie van iemand, tot haare eenige en universeele erfgenaame te instituerren en te nomineeren zulx doende mids desen alle de kinderen van haar broeder Jurien Elderbeek so echt als onecht geene uitgeslooten. Voorts te legateeren aan Jan Dalenoord en Barta Koots egtelieden hunne hoff voor de Goorpoorte gelegen en thans bij Peter van Koot in gebruik.

Willende en begerende comparante dat deeze haare dispositie allesins valeere en na haare dood effect sorteren mag, als testament, codicil, legaat, gifte ter zaake des doods, voords op alle andere betere wijze gedaan. Coram Julien en Hoeclum als schepenen en mij Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris van opgemelte stad op den 11e october 1771.

In fidem extracti,

D. Hoefhamer, secretaris.

Nummer 16.

Ik onderschreven Fennigjen Elderbeek bij mij selven overdenkende de sekerheid des doods en de onsekere uyre van dien verclare sonder persuatie of inductie van ymand onvercort mijne vorige dispositie, so verr bij desen niet verandert is, te legateren aen mijne neve Everd Bosch, na doode van mijn suster Regina Elderbeek mijn huis inde (doorh.: Suster) Bloemstraat bij de Saatmert tusschen ’t huis van juffrouw Boeduynx en de weduwe van Rutger van der Heide staande en thans bewoond bij Geerlof Gijsberts weduwe.

Willende en begerende ik onderschrevene dat dese mijne dispositie allesins valere en na mijn dood effect sorteren mag als testament, codicil, legaat ofte op alle andere betere wijse. Des t’ oirconde heb dese betekent in præsentie van Joh. Top en Gerrit Dreessen coopman als hier toe versogte getuyge op den 10 november 1767.

Dat dit merk (een kruis) door Fennigjen Elbeek in onse præsentie eygenhandig is geset op voorscreven datum sulx getuygen wij ondergeschreven.

Joh. Top. Gerrit Driesen, koopman.

Nummer 17.

Ik Fenna Elderbeek weduwe van wijlen Eijbert Olthuis overdenkende de brosheid des levens, sekerheid des doods en de onsekere uyre vandien, hebbe sonder inductie of persuatie van ymand uit een vrije en onbedwongene wille besloten niet uit dese wereld te willen scheiden dan na alvorens invoegen na beschreven te hebben gedisponeert.

Daar toe dan overgaende, so legatere en maake ik aan mijne suster Regina Elderbeek mijn huis alhier in Elburg in de Noorderkerkstraat tusschen de huysen van Jan van Gelders erfgenamen en Gerrit Aardsen staande, egter onder die conditie dat ’t selve bij haar niet vercoft oft beswaert sal kunnen worden maar dat het selve na doode van haar sal vererven en versterven op Hermanus Vos en Gerrigje Bosch egtelieden en bij vooroverlijden van deselve voor mij testatrice op haar kinderen. Edog so opgemelte mijne suster voor mij comt te overlijden, so legatere en make ik voorschreven huis direct aan voornoemde egtelieden off hare kinderen.

Willende en begerende, dat dese mijne dispositie allesins valeren en effect sorteren mag als testament, codicil, legaat fidei commis, gifte ter sake des doods off onder de levende, ofte op alle betere wijse. In waerheids oirconde heb ik testatrice dese getekent in Elburg den 19e january 1767.

Fennetyen Elderbeek.

Nummer 18.

Wij D.G. van Hoeclum en A. Barneveld burgermeesteren (doorh.: der stad Elburg)

en Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris der stad Elburg doen cond en certificeren hier mede, dat voor ons gecompareert en erschenen is Hermanus de Vos, welke aen ons vertoont en overgegeven heeft een gesloten en gecachetteert papier, dat volgens des selfs superscriptie en opgeschreven verclaring in dato den 19e january 1767 voor burgermeesteren en secretaris alhier gepasseert soude behelsen de testamentaire dispositie van wijlen Fenna Elderbeek weduwe van Eijbert Olthuys met versoek, dat na voorgaendes visitatie van ’t een en ander en recognitie der segulen na behoren, door ons dat geslotene papier geopent en vervolgens gelesen mogte worden en ten protocolle deser stad geregistreert invoegen het na ordre en ten effecte als na regten word vereist, dat wij vervolgens ’t een en ander hebben gevisiteert, de seguls en ondertekeningen hebben geexamineert en alles gaaf (doorh.: en) ongeschonden en sonder eenige cuncellatie hebben gevonden en dienvolgens na aperture daerin bevonden de dispositie voorschreven, so als die superscriptie en inleggende dispositie door onsen secretaris sijn op en voorgelesen in presentatie van Everd Bosch, so als ’t een en ander onder ’t cachet van onsen secretaris is getransfixeert, om daer van de nodige registratie te doen en laten geschieden gelijk sulx gehoort. des ‘t

Rechtsboven staat: “Dese acte van aperture testamentaire dispositie en superscriptie geregistreert ten overstaen van de heere Hoeclum en Barneveld (cossbrus?) op den 1 december 1767.

Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris”.

18.2.

Des ’t oirconde hebben wij als burgermeesteren en secretasris bovengenoemt desen getekent en gesegult en daer en boven met ons stads secreet segul doen corroboreren op den 28 november 1767.

D.G. van Hoeclum. A. Barneveld, Gijsb. Gijsb. Sandberg, secretaris.

Nummer 19.

Compareerde voor onderbenoemde burgemeesteren en secretaris der stad Elburg Fenna Elderbeek weduwe van Eybert Olthuis geadsisteert met J. Top, gaende en staende haer verstand, so ons uitterlik bleek volcomen magtig, welke aen ons overgegeven heeft, dit gesloten papier, waer in zij verclaarde hare uitterste of laatste wille vervat te wesen, die zij wilde, dat na hare dood valeren en effect sorteren mogte als testament, codicil, legaat, fidei commis, gifte ter sake des doods ofte onder de levende, voorts op alle betere wijse.

Des t’oirconde hebben wij D.G. van Hoeclum en A. Barneveld als burgermeesteren en Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris van opgemelte stad, desen getekent en gesegult en daerenboven met ons stads-secreet segul gecorrobereert op den 19e january 1767.

D.G. van Hoeclum; A. Barneveld; Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

Nummer 20.

Wij D.G. van Hoeclum en A. Barneveld als schepenen en Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris der stad Elburg, doen cond en certificeeren hier mede dat voor ons gecompareert en erschenen is Harmanus de Vos, welke aen ons heeft vertoont en overgegeven een gesloten en gecachetteert papier, dat volgens desselvs superscriptie en opgeschreven verclaring in dato den 10 november 1767 voor burgermeesteren en secretaris alhier gepasseert soude behelsen der testamentaire dispositie van wijlen Fennigjen Elderbeek met versoek dat na voorgaende visitatie van ’t een en ander en recognitie der segulen na behoren, door ons dat gesloten papier geopent en vervolgens gelezen mogte worden, en ten prothocolle dezer stad geregistreert in voegen sulx na ordre en ten effecte als na rechten word vereijscht, dat wij vervolgens ’t een en ander hebben gevisiteert, de seguls en ondertekeningen hebben geexamineert en alles gaaff, ongeschonden en sonder enige cancellatie hebben gevonden, en dienvolgens na aperture daer in bevonden de dispositie voorschreven, so als die superscriptie en inleggende dispositie door onsen secretaris sijn op en voorgelesen in præsentie van Everd Bosch, so als ’t een en ander onder ’t cachet van onsen secretaris is getransfixeert, om daervan de nodige registrature te doen en laten geschieden gelijk sulx

Rechtsboven staat: Dese acte van aperture, testamentaire dispositie en superscriptie geregistreert ten overstaen van Hoeclum en Barneveld (cossbrus?) op den 1 december 1767.

Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

20.2.

sulx gehoort. Des ‘t oirconde hebben wij schepenen en secretaris bovengenoemt dezen getekent en gezeguld en daer en boven met ons stads secreet segul doen corroboreren op den 8e november 1767.

D.G. v. Hoeclum; A. Barneveld; Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

Nummer 21.

Voor de magistraat der stad Elburg compareerde den heer J. Tulleken, wonende alhier te kennen gevende dat de weledele heer, meester Andries Christiaan Boode zoo in qualiteit als eenige overgeblevene executeur van den testamente van wijlen zijn heer comparants zuster mejufrouw Susanna Tulleken als in qualiteit als met en benevens den heer Jan Boes, executeuren van de testamentaire dispositien van wijlen zijn heer comparants broeder, de heer Ambrosius Pieter Tulleken van Hogenhouck en nog hij heer mr. Andries Christiaan Boode, als in plaatse van de overleden heer Jan Kornielis Best gesubintreerde cashouder van deze laatstgemelte boedel en nalatenschap op des zaek van hem heer comparant bij twee onderscheidene actens op den 5 dezer maand september voor en ten overstaan van den notaris Jan Fredrik Meier en getuigen te Amsterdam gepasseerd, de heer Job Seceburn Maij bij zijn edele absentie in zijne plaats

21.2.

plaats in de voorschreven commissien gesubstiticeerden bij deszelfs overlijden daarin gesarrogeerd eerst met zoodanige magt als bij dezelve actens is gemeld. Dat de voornoemde heer mr. Andries Christiaan Boode daardoor niet alleen aan hem comparant en zijnen famille een blijk van vriendschap en verpligting heeft gegeven en hetzelve alzoo, hunlieden volkomen goedkeuring is wegdragende; maar hij heer comparant daar door in de verpligting is gekomen, om zoo wel

21.3.

wel de heer mr. Andries Christiaan Boode als de gemelte heer Jan Boest wegens alle zoodanige verrigtingen als door de voornoemde heer Job Seceburn Maij uit kragt van de voorseide op hem gedisioneerden commissien zullen worden gedaan, buiten eenige verantwoording te stellen en hun edele wegens alle zoodanige nadeligen gevolgen, die onverhoopt daar uit zouden kunnen komen te resulteren te guaranderen vrij kost en schadeloos te houden zoo als hij heer comparant zoo voor zich zijnen kinderen en verdere erfgenamen wel expresselijk verklaard te doen, bij dezen, met belofte hetzelfve ten allen tijden te zullen respecteren, doen respecteren en naarkomen en dit alles onder rementiatie van relief en verband als volgens de wet gepasseerd voor de heeren Wijnne en Vos. Oircond dezer stads zegel en de subscriptie van den secretaris in Elburg den 10 van herfstmaand 1810.

Nummer 22.

Extract translaat.

Testament.

Aan ons ondergeschreven heeft de hooggeleerde Joseph Zeby van Praag versogt zijn testament van woord tot woord te schrijven, wij hebben dan ook van hem vernomen, dat ieder woord door hem wierd uitgesproken met vollen verstand, uit vrijen willen en niet door dwang (’t welk zij verre) ook niet als een bevel van een zieltogenden, maar als een bevel van een gezond mensch, en deeze is d’extensie van zijne woorden;

Aangezien dat de geboorene [..]

  1. Ik begeer dat gijlieden zult neemen uit mijn geld tweehonderd agt & vijftig stuivers, uitmaakende ’t getal van mijn naam Joseph Zeby, en van dat geld zal gegeeven werden aan drie theologanten yder drie gulden ten einde

22.2.

dat zijlieden voor mijne ziel zullen leesen van den dag mijner begraving af tot het einde der dertig dagen des morgens & avonden een capitel van de mischna en agtien psalmen etcetera.

  1. Het overschot van de voornoemde tweehonderd agt & vijftig stuyvers, zal in de zeeven treurdagen uitgedeelt werden aan arme lieden, en die van mijne bloed verwanten zullen geprefereerd werden boven de vremdelingen.
  1. Uit mijne nalatenschap zal aan ymand gegeeven werden twaalf gulden, ten einde dezelve geduurende een geheel jaar voor mij zal leezen des avond en des morgens een capitel van de mischna na ’t ordinair gebed [..]
  2. Ik begeer dat uit mijne nalatenschap voldaan zal werden zo veel als nodig zij tot ’t branden van een ligt gedurende een geheel jaar.

22.3.

  1. Ik begeer dat gijlieden voor mij zult koopen een graft bij de joodsche gemeente te Zwoll, mitsgaders ’t geen vender tot mijner begraving nodig zij, en mij aldaar begraven.
  1. Men zal moeten betaalen aan een iegelijk ’t geen dezelve van mij te vorderen heeft, wat ’t ook mag zijn.
  1. Aan mijne dogter Blommetje zal uit mijne nalatenschap betaald werden twaalf guldens veertien stuyvers die haar competeeren, mitsgaders ’t beloop van vijftien ponden vleesch.
  1. Alle de huysraade, kaggel, fournuise, kisten, kasten, bed als anderssints zullen gegeeven werden aan mijne dogter Blommetje, dat ook ’t geld dat zij mij van ouds schuldig is, aan haar zal blijven geremitteerd.
  1. Aan mijne klijndogter Rebecca geef ik van nu af aan tot eene volmaakte

22.4.

donatio, en niet onder den titul van erfenis, honderd guldens, en aan mijne klijndogter Egla en mijne klijndogter Eva aan yder van dezelve uit d’overschietende penningen. Zullende dat geld op interest in handen van een derden uitgezet werden tot dat zij in staat zullen zijn te trouwen voor haar huwelijks geld.

  1. En ter consideratie dat ik aan mijn klijndogter Rebecca meerder tot præsent als aan mijne verdere klijnkinderen gegeeven heb, zo zal zij gehouden zijn, wanneer zij door Gods gunste, getrouwd zijnde, eenen zoon ter wereld brengt, dat denzelve met mijnen naam genoemt zal werden.
  1. Mijn silver horologie geev ik tot eene volmaakte donatio aan mijnen klijnzoon Joseph, ten einde hij dezelve verkoope en daarmeede betaale leerloon vor hem selvs etcetra

22.5.

  1. Ik geeve van nu af aan tot eene volmaakte donatie aan mijne drie klijnzoonen David, Joseph & Gabriel alle mijne boeken, ten einde, dat dezelve verkogt en derzelver provenuen in drie deelen verdeelt werden, en zo zal daarmeede gehandeld werden.Uit de tweederden zal leerloon betaalt werden voor mijne klijnzoonen Joseph & Gabriel, en ’t laatste derde deel zal zijn voor mijn klijnzoon David, om hem daar voor een convenabel handwerk te laaten leeren.

(in dorso staat)

De geheelen inhoud van dit geschrift hebben wij van woord tot woord uit zijn mond vernoomen, derhalve onderteekenen wij dit om dezelve woorden te bevestigen, alhier ‘t Elburg den 9e dag den 28e Adar Scheny 540 naar ’t klijngetal des

22.6.

Joodsche tijdreekening, overeenkomende met den 4e april 1780.

(waaren geteekent)

Joseph, zoon van den eerwaarde Jacob Abraham zaliger. Jehiel zoon van den eerwaarde Israel zaliger.

(lager stond)

Ik heb meede vernomen zodanige woorden uit de mond van den hooggeleerden Joseph op den 8e Schebat 540 naar ’t klijngetal der Joodsche tijdreekening, overeenkomende met den 15 january 1780.

(was geteekent)

Kalman, zoon van den eerwaarde Abraham zaliger.

Op de voorste pagina onder aan staat ’t volgende:

Ik ondergeschrevene verklaare genoegen te neemen met het testament door wijlen mijn vader de hooggeleerde Joseph zoon van den eerwaarde Ruben zaliger gemaakt

22.7.

en ik wil niet querelleeren, min noch ’t allergeringste daarteegen opposeren nemaar zal uytgevoerd werden zo als ’t zelve beschreeven staat, en tot een blijk heb ik dit onderteekent en mijn bruidegom Samuel Ruben is meede content dat de beveelen van den overleeden volbracht zullen werden, dat de ziele mijnes vaders mag genieten de eeuwige zalighijd benevens verdere rechtvaardige; den 6e juny 1780.

Waren geteekend

Blommetje Josephs, Samuel Ruben.

Getrouwlijk geextraheert en vertaalt uit ’t hebreuwsch & Joods hoogduitsch respective in Amsteldam den 29e october 1781,

Jacob d’Lion Arons, beëdigd translateur.

Resolutieboek Elburg, 1703-1745

  • vrijdag 25 oktober 2013 12:37

Stadsarchief Elburg
Inventarisnummer 1


pagina 1

artikel 1.
Wij burgermeesteren, schepenen en raadt der stad Elburg, neffens de geszwooren gemeente van dien hebben geresolveert en geapprobeert, gelyk resolveren en approberen kraft deses dat ‘t gebruyk van de Mehn coers sal nemen als van outs, te weten nieuwe mey sal men de beesten de selve beslaan oude meyavont, daar weder afnemen, als wanneer ‘t Goor sal beslagen worden. Waar mede dan alle burgers en ingesetenen deser stads Vrijheydt gelast worden, om haar beesten tegen den 1 nieuwe mey te brengen aande Mehnpoorte, om na behooren opgebrant te worden. Voorts wort gelast, dat niemant meer als vier beesten of twee peerden sal mogen opslaan en van geene uytheemsche eenige peerden of beesten aannemen bij een boete van 10 heeren ponden. Indien ook een beest opgebrant op de Mehn bevonden wort, dan sal des selfs eigenaar gelijke 10 ponden betaalen.

Actum Elburg 16 April 1703.

Aldus gearresteert bij burgermeesteren schepenen en raadt neffens de gemeensluyden.

Ter ordonnantie H.Toewater, secretaris.

pagina 1v

artikel 2.
Die veneris zijnde 5 may is geresolveert ende verstaan dat ‘t grese getal op de beesten en paerden in ‘t Goor uytgesett sal blijven op den ouden voet, te weeten een koe 1½, een paert 2¼, een pinke 1 gres en soo voorts.

artikel 3.
Eodem die is geresolveert ende verstaan dat, die, op sijn behoorlijken tijt, als de Mehn beslagen wort niet en erschijnt, om sijn beesten op te laten branden, sal verliesen sijn regt om naderhandt daar geen beesten op te slaen.

artikel 4.
Wijders ipso die geresolveert ende verstaan dat alle vreemdelingen hier in ‘t schependom koomende sullen niet alleen cautie stellen dat sij den armen ofte diaconie niet lastig sullen vallen, maar ook moeten speciale getuygenisse, daar sij vandaan koomen van haar haar goet comportement inbrengen.

pagina 2

artikel 5.
Lunæ 14 may, is na voorgaende deliberatie bij de magistraet en gecommitteerdens uyt de gemeente geresolveert, dat de besoignes aen half uyr na de verboodinge præcise met de præsente sullen worden geëntameert en afgedaen.

artikel 6.
Sabbathi 26 may, is bij raat en gemente geresolveert en verstaen dat men moet blijven bij sijn oude regt en possessie, om sluysegelden in Osterwolde uyt te setten.

artikel 7-1.
Sabbathi 9 juny, is goetgevonden en verstaen bij raat en gemeente, dat de weesemeesters alhier sullen doen rekening et reliqua van d’ontvang en uytgaaf haar domeynen op aanstaende july 3 et 4.

artikel 7-2.
Eodem die geresolveert dat Henrik Top onse stads scholde sal kost en schadeloos restitueren ter plaats daar ‘t behoort.

pagina 2v

artikel 7-3.
Ipso sabbathi verstaan en geresolveert, dat d’eigen banken in de kerk alhier sullen geremoveert, en stoelen in de plaats gestelt worden.

Ingevolg d’ stads willekeur cap 11, art 1.

artikel 7-4.
Die solis 10 juny, is geresolveert, dat,alsoo de samentlijke inwoonders van ons schependomb seer verarmt zijn, door de groote watersnoot die se in ‘t afgelopen jaar, door swaere storme uytgestaen hebben en andere staden deses lang soo hoog niet in de taxatie van de vijf specien zijn aengeslaegen, wij derhalven souden ernstig versoeken, door ons gecommiteerde dat ons haar edele moogenden een hondert gulden of drie afslag geliefden te geven, en dit bekoomen hebbende souden continueren in d’ opgemelte taxatie, edog, indien er geen afslag konde bekoomen worden, dat men evenwel mogt insteren om voor een jaar bij provisie te continueren.

artikel 7-5.
Ipso die dat men de monopolie nog voor twee jaaren soude continueren, maar sorge draegen dar er suffiante burgen gestelt worden. Dat de waegen in de steden publyq souden verpagt worden.

pagina 3

artikel 7-6.
Dat de promotie van de generaels personen indien ‘t uytstel kan lijden, soude gerenooiseert worden tot de eerstkoomende landdags vergadering.

artikel 7-7.
Martis den 17 juny, is voorgaende delibiratie van raat en gemeente geresolveert; dat de boonen met schaepen mogen in de Vrijheidt geweidt worden, mits versoekende verlof van burgermeesteren en de caveerende voor alle hinder en schaade.

artikel 7-8.
Solis den 7 december 1703, is geresolveert dat de kerkenspraken van de heer Johan Spoltman alhier ingekoomen sullen geaffigeert en gepubliceert worden, dog sonder de titul van burgermeesteren van Arnhem en gedeputeerde des Veluschen Quatiers.

Præsentibus; Santberg, Ingen, A.Feith,. Olofsen, P.Feith et Ten Busch.

pagina 3v

artikel 7-9.
Veneris den 8 february 1704, is bij raat en gemeente geresolveert en verstaan, dat onse veerschippers over t jaar 1704 tot ordonaantie en extradienst havengelt sullen betaalen 90 en de bootschuyvers 85 ‘t welk van haar te betaalen is aangenoomen. 90 + 85 + 175.

artikel 7-10.
Eodem die geresolveert, dat d’ huysvrouw van Aarien Aartsen solemnelen ede sal sterken alhier in judiocis dat ‘t jaar van 1700 tot 1701 van de open staene pagt verrekent is geweest, en dit geperfecteert zijnde als dan haar voor betaelinge sal verstrecken.

N 1 juravit coram senatu den 20 feb. 1704.

artikel 8.1.
Veneris den 15 february 1704, na voorgaande deliberatie mede geresolveert dat ‘t beslag in ‘t Goor sal verblijven als van eenige jaaren herwaarts is geweest, 1¼ gres voor een paart, 1½ gres voor een koe en veerse, 1 gres voor een pinke §c;

Præsentibus raad en gemeente.

pagina 4

artikel 8-2.
Jovis den 14 may 1704, is na voorgaande deliberatie over de missive de dato den 12 may deses lopenden jaars, van onse gecommitteerde de heer Alert Ten Busch in ‘s Gravenhaage den 14 may ingekoomen, bij raad en gemeente geresolveert, dat hij heer gecommitteerde sig verder sal hebben gouverneren volgens sijn medegegeve commissie, en beooghen de welstand van ‘t Gemeene beste.

Præsentibus raad en gemeente ut supra.

artikel 8-3.
Veneris den 4 july 1704, is na voorgaande rype deliberatie bij raad en gemeente goetgevonden en verstaan dat Aaltjen van Ommeren bij provisie sal gegeven worden een ordonnantie van 80 gulden sonder in de selve te noemen, waaran over dese penningen uytgetelt sijn.

pagina 4v

artikel 9.
De heeren van de magistraet vernomen hebbende, dat er een vrouw met twe kinderen genaamt Aaltjen alhier is gekoomen met er woon. En de wijl hier uyt te verwagten staat, dat haar kinderen ofte sij selfs de diaconie mogt lastig vallen. Soo is gecompareert Cornera van Grootvelt wedele wijlen Wilhelm Jansen Schaa en heeft hij als burge verklaart voor de voornoemde Aaltjen en haar kinderen. tot aanstaande Paschen 1705 toe om voor alles in te staan.

Actum coram senatu den 4 decembris 1704.

artikel 9-2.
Veneris den 5 december. 1704, is na voorgaande rijpe deliberatie op de missive, de dato 2 decembris deses jaar 1704 onsen mede raadsvrund heer Henrik Wolfsen op de Quatiersdag althans tot Arnhem vergadert uyt onsen naame gecommitteert goet gevonden en verstaan gelijk wij goedvinden en verstaan bij desen dat sijn wel edele op de althans vergaaderde Quatiersdagh uyt onse naame niet bevoegt sal zijn, om over eenige, ‘t sij hoogh of laaghe militaire charges te disponeren maar daar mede soo langhe te super sederen tot dat wij nader over der selver gestalte geinformeert sullen zijn.

pagina 5

artikel 10.
Instructie voor de heeren gecommitteerden te weten Wolfsen en Ten Busch, die onsent wegen na Nijmegen zijn vertrocken op de verschrivinge van ‘t Hof provinciael van den 26 novembris 1704, om de Landdaghs vergaderinge aldaar te assisteren.

1.
Dat sij heeren gecommitteerden over de bestellinghe van de magistraturen in de steden sig niet vermoghen of sullen inlaten, als met volkoomen wille en consent van hunne heeren principaelen, en voorkennisse van de geswooren gemeente.

2.
Dat alle polityqen en militaire charges althans vacant, en nu onverkooptelijk mogten vergeven worden van onse gecommitteerden niet sullen verlooft of vergeven worden voor en al eer wij collegialiter hier over gekent sijn omdat ons ontdekt moet worden, wat voor charges ‘t sij polityq of militair, al nu vacant zijn geworden eerdat wij hier in accorderen ofte met onse stads stemme accorderen wilden.

3.
Dat sij heeren gecommitteerden van alle saaken van inportantie en wat voorts op dese vergaderinghe passeert naukeurige kennisse en rapport sullen moeten geven aan haar

pagina 5v

haar heeren principaelen sonder eenighe dissimulatie, en als dan kost schaadeloos sullen gehouden worden onder verband als na regten.

artikel 10-2.
Wij burgermeesteren schepenen en raad der stad Elburg doen hiermede kond dat wij gecommitteert en genomineert hebben sulx doende bij desen onse mede raadsvrunden de heeren Rudolph van Ingen, Henrik Wolfsen, Arent Feith, Gijseberd Gerhard Sandberg, P. Feith, en Alert Ten Busch, om uyt onsen naame sampt of elk int bijsonder sessie te nemen op de landdagh, althans tot Nijmegen vergadert, en met Ridderschap en Steden over alle saaken van importantie van wat aart of natuyr de selve ook wesen mogten en tot welstad van ‘t gemeene beste zijn streckende, te helpen delibereren, en resolveren doende daar omtrent alles ‘t geene de tijds gelegentheid, en nood exigeert. Belovende dit alles voort vast bundig en van waarde alsmede de heeren gecommitteerdens kost en schaadeloos te sullen houden, onder verband als na regten.

Oirkonden onses stads opgedrukt secreet segel en de secretaris subscriptie.

Actum den 14 december. 1704.

Ter ordonnatie van de selve, H.Toe Water secretaris.

pagina 6

artikel 10-3.
Alsoo ons door onsen gecommitteerde d’heer Henrik Wolfsen uijt onsen naame op de althans vergaderde Quatiersdagh binnen Arnhem gecommitteert, bij missive is te kennen gegeven, dat hij heer gecommitteerden uyt onsen naame een minlijk accoord door intercessie van de heeren Van der Goes van Natris Buijs, Van der Dussen, en Hoornbeek van Haar, edele grootmoogende de heeren Staten van Holland en Westvriesland speciael hier toe gedeputeert, tussen de heeren gecommitteerden van de Ridderschap en Edelen neffens de gecommitteerden der steden des Quatiers van Veluwen op approbatie van sijn heeren Principaelen mede getekent en geslooten hedde op den 13 december deses jaars 1704, waarvan wij een authentiqe copia hebben ontvangen. Versoekende van ons dat wij dese sijne onderhandelinge tussen welgemelde contrahenten opgerigt accorderen en ratificeren wilden soo is ‘t dat wij burgermeesteren schepenen en raad der stad Elburg, dit voorscreven accoord gesien en met rijpe deliberatie van articul tot articul geexamineert hebbende, goetgevonden en verstaan hebben, dat wij dese onderhandelinghe, soodaanig als de selve van onse gecommitteerde de heer Henric Wolfsen getekent geslooten en aan ons gecommuniceer is, accorderen, ratificeren en van volle waarde houden souden, gelijk wij deselve accorderen, ratificeren, en van volle waarde houden bij desen, om te strecken na behooren.

In oirkonde der waarheid is dese met ‘t stads secreet segul en dese

pagina 6v

secretaris subscriptie bekraftigt

Actum den 14 december 1704.

Ter ordonnatie van selve, H.Toe Water, secretaris.

Compareerde mede de geswooren gemeente en hebben na dat haar dese gemelde articulen en geslootene poincten verbotenus voorgelesen waaren dese bovenstaande acte geaccordeert en geratificeert.

Actum ut supra.

artikel 10-4.
Marcury den 17 december 1704, is op de missive van onse gecommitteerden d heeren Henr. Wolfsen en Al. Ten Busch uyt Arnhem van den 16 decembris deses jaars 1704, nopende ‘t poinct over ‘t innemen van eenighe oude bedankte regenten in de magistratuure alhier ‘t welk door intercessie van de heeren gecommitteerden van haar edele grootmoogendhedenende de heeren Staten van Holland en Westvriesland op de althans vergaaderde landdagh binnen Nijmegen tot dempinge van verdere onlusten getenteert soude worden, bij de heeren magistraet alhier neffens de geswooren gemeenten na voorgaande rijpe deliberatie over de voerscreven saake goedgevonden en verstaan, sulx doende bij desen, dat onse gecommitteerden op de voorscreven landdagh ‘t innemen van eenighe gedankte regenten in de magistratuure alhier absulvit sullen declineren.

pagina 7

artikel 10-5.
In omvraaghe gebragt zijnde door d’heer præsident burgermeester Ingen, of men de collonels plaats door de dood van de generael major Beinheim vacant geworden war over wij soo mondelijk als schriftelijk gekent zijn, niet bekoorde vergeven te worden, soo hebben de præsente heeren geresolveert hier over in volgender gestalte te stemmen. De heer broeder Arent geeft sijn stem tot de vacant collenels plaats op N.N. Swaan luit.collonel onder ‘t regiment van Elft. en commandeur tot Arnhem. de heer broeder Santberg op en welgemelden heer Swaan d’heer broeder P.Feith op idem.

D’heer burgermeesteren Ingen op Evert van Deelen majoor van ‘t selfde regiment.

En indien de majoorsplaats van t [..]lde gemelde regiment vacant mogt worden.

Soo heeft de heer broeder A Feith sijn stemmen geconfereert tot majoor op N.N.Lindenaar, d’heer broeder Santberg op Dirk van Haarssolte, d’heer broeder P.Feith op gemelde Haarsolte, d’heer burgermeesteren Ingen heeft sijn stemme mede geconfereert op Haarsolte.

pagina 7v

artikel 11.
Sabbathi den 27 december 1704. Alsoo de droevige ervaerentheid geleert heeft, dat dicwils sommige saaken de secretesse rakende uyt dese raat uytlecken en gedissipeert worden op plaatsen door zulx niet bekoorde te geschieden, soo is bij raad en gemeente om sulx in t ’toekomende voor te koomen, geresolveert en verstaan zulx doende bij desen dat, indien yts wederom mogt uyt lecken de secretesse rakende en openbaar wiert, wie van ‘t collegie dit ontdeckt hadde, desselfs kussen sal omgekeert en nooyt in sijn functie wederom geadmitteert worden.

artikel 12.
Mercury den january 1705, is na voorgaande deliberatie bij de magistraet goetgevonden en verstaan sulx doende bij desen, dat d’ontvanger Ten Busch mits desen geordonneert sal worden sonder conniventie van yemand in te manen alle schulden die den selven bij sijn ontvank zijn overgegeven.

pagina 8

artikel 13.
Op den 8 january 1705, zijn ten raathuyse gecompareert dr. Egbert Lutteken, David Otten, Gerrit Grootvelt, Aart Wolfsen, Henrick Benecamp, Wolter Henriksen van der Horst, Willem Reintjes, en Arien Aartsen, alle in qualiteit als gecommitteerde van de burgerie samentlijk in de kere alhier vergadert aan haar edele en agtbare voorstellende, dat de burgerie twee gemeensluyden hadden verkooren te weten Willem Decker en Wijne Gerrits inplaats van den overledenen Henrik Top, en van ‘t vrijwillich afstaan van d’heer Meynard Wolfsen, versoekende dat dese haare verkiesinge van haar edele en agtbare geapprobeert en geratificeert mogte worden.

Daar op is præsentibus oibg. scabinis excepto Wolfsen bij een parigheid van stemmen goet gevonden en verstaan, dat sij voornoemde gecommitteerden versogt souden worden, om aan de burgerie een dubbelt getal hadde opgeworpen, op dat daar twe van de magistraet verkooren mogte worden en de luyster en eminentie van haar edelen en agtbaren niet gekrent en wierde, of dat ‘t nog leitsamer soude zijn dat de verkiesinge soolanghe uytgestelt wierde, tot dat er bij d’andere en voorsittende steden van Veluwen hier over met haar gemeentens bij nader


pagina 8v

nader reglement geaccordeert sal zijn hoe verre, dat en de regten van magistraet en die vande gemeente geextendeert waaren al ‘t welke mede aan onse en dese burgerie soude geconcedeert worden, ingevolghe de belofte bij de hertellinge van de regeringe gepasseert.

Hier op is wederom door de voornoemde gecommitteerden op ‘t geproponeerde en geresolveerde van de magistraat ter vergaderinge gerapporteert, dat de burgerie niet en clineerde om haar edelen en agtbaren de geproponeerde poincten te accorderen, versoekende dat die voorgemelde persoonen bij provisie voor een jaar mogten aangenomen worden.

Derhalven hebben haar edelen en agtbaren endlijk verstaan dat d’opgemelde persoonen bij prooihem en voor een jaar op d’ordonnaire keurdagh in den eed sullen genomen worden, en sulx met expres beding van een yder sijn goet hebbende regt onverkort.

artikel 14.
Martis den 13 january 1705. Zijn ten raethuyse alhier gecompareert, vijf gemeensluyden uyt de geldens proponerende aande magistraet dat d’ geldens met de verkiesinge van een schepen wilden supersederen van dit jaar, indien sij een acte de n præjudicando verkregen konden, voorts

pagina 9

versoekende authentiqen copiavan de acte van bedenkinge van d’oude regenten en aanstellinge van de nieuwe regenten, daar op is bij nader deliberatie goetgevonden, en verstaan dat de geeiste acten geextradeert souden worden.

Op den selfden dito erschijnden tien gecommitteerden van de burgerie te kennen gevende dat de burgerie met ‘t verkiesen van een schepen in d’openstaande plaats geensins supersederen wilden, waar op d’magistaet heeft binnen doen koomende de gemelde vijf gemeensluyden de gulden representerende die welke beloofden dat sij willen met de keur supposederen in dien de burgerie sulx ook wilden doen of anders waaren sij gesint een persoon op te werpen versoekende dat zulx mede van de burgerie gedaen wierde.

Soo dat de gemelde gecommitteerden van de burgerie wederom binnen gestaan zijnde van de magistaet versogt zijn, om aan de burgerie voor te dragen, dat ‘t haar edelen en agtbaren aan genaem sou zijn bijsonder in dese conjuctuure van tijden dat d’openstaande schepen plaats met een bequaam man gesuppleert wierden, indien de burgerie mede een wilden opwerpen, gelijk de samentlijke gilden hadden geproponeert also

pagina 9v

artikel 15.
Alsoo door de dood van wijlen Willem Olofsen een schepenplaats alhier vacant is geworden, en dienstig is dat des selfs plaats met een bequaam man gesuppleert werd, op wiens bequaemheid wij ons vertrouwen mooghen.

soo zijn ten raadhuyse wederom gecompateert 12 gecommitteerden na dat sij welgemelde gecommitteerden aan d’borgerie in de kerke alhier vergadert, onse laatste resolutie hadden gecommuniceert en hoe de samentlyke gildens geintentioneert waaren inleverde daerop een nominatie uyt naam van de burgerie en wie datvan de selve waaren opgeworpen.

Desgelijks de gemeensluyden uyt de gildens geassisteert met haare gildemeesteren overgevende een geslooten briefjen, vervattende wie dat van de gildens was opgeworpen tot aanstaande schepen. Versoekende soo wel de gemelde gecommitteerden van de burgerie als gemeensluyden van de respective gilden yder in sijne qualiteit, [..] dat haar edelen en agtbaren een schepen uyt opgeworpene en gepræsenteerde persoonen mogten verkiesen en aanstellen.

Hier op is bij een parigheid van van stemmen bij de magistraet goetgevonden en verstaan’, dat op d’ordinaris keurdagh zijnde saterdag na Pontiani uyt de gepræsenteerde nominatien van haar edele en agtbaren een scepen soude verkooren worden.

pagina 10

artikel 16.
Sabbathi den 17 january 1705. Bij resumptie gedelibeert zijnde op d’ingekoomene nominatien tot aanstaande schepen, in plaats van wijlen Wilh. Olofsen, soo van de respectieve gildens, als gecommitteerden van de samentlijke borgerie, den 13 january deses jaars reverentelijk overgelevert. Daar op is bij een parigheid van stemmen door de heeren van de magistraet verordent, geeligeert en gecontueert voor een jaar de schepen de persoon van Egbert Lutteken [..].

artikel 17.
Sabbathi den 31 january 1705. Is bij de magistraet goetgevonden en verstaan, dat de heeren Van Lennip en Ten Busch mogten versogt worden nefens 2 gecommitteerden uyt de gemeente om de saaken van ‘t weeshuys te examineren, en daar van ter vergaderinge alhier behoorlijk rapport te doen.

artikel 18.
Des gelijks is bij de magistraet verstaan dat de kooperen van eenige openstaande parcelen van gekofte landerien, neffens min heer Potgieter soo van sijn huys, dat hij bewoont en gekoft land tegen eerstkomende vrijdag sullen gesomeert worden om haare saaken te verantwoorden.

pagina 10v

artikel 19.
Martis den 10 february 1705. Is bij raad en gemeente geresolveert, dat men bij missive de gecommitteerden Staten van Holland en WestVriesland, soe te bedanken voor haare gedaane devoiren over de conventie tussen de Ridderschap en Steden aangewend, en haar edelen grootmoogendheden te versoeken dat de ratificatie van de Ridderschap omtrent ‘t geconvenieerde, in beter forme, en niet onder de hand van Van Ruyven als secretaris van de Ridderschap, maar van de gecommitteerden van Ridderschap self mogt geextradeert worden.

artikel 20.
Ipso die mede verstaan, dat Ten Busch et Lutteken neffens de secretaris, en Nuck en Becker als gecommitteerden van de gemeente versogt zijn, om met heer Nieuvelt over de stads verschulde verpondinge tegen de sluyse gelden te liquideren, en daar van ter vergaderinge alhier rapport te doen als mede

artikel 21.
dat Potgieter door hem selven of door een genoegsaame volmagtiger sijn differenten soe van ‘t huys als gekofte delle tegen eerstkoomende vrijdagh ten raadhuyse alhier sal verantwoorden

pagina 11

artikel 22.
Solis den 15 febryary 1705. Op de missive van de magistraat der stad Harderwijk van den 14 february deses jaars gedelibereert zijnde is goetgevonden en verstaan de heeren Wolfsen en Lutteken te versoeken en te belasten, gelyk sij versogt en belast worden bij desen.

Ten eersten; om uyt onsen naame de aloude vrundschap en nauwe correspondentie, die tussen de steden Harderwijk, Wageningen, Hattum en Elburg van outsher is gecultiveert geweest, soo veel moogelijk en voor desen is gepractiseert geweest, te doen herleven.

Ten tweden; dat die steden die aloude privilegien en loflijke regten (een yder in de haare) soo in’t vergeven van politijqs commissien als militaire charges en anders moeten maintineren, en zulx op ‘t kragtigste tegens die geene, die haar onverhooptelijk in de selve hebben benaedeelt of benaedelen mogten, alles tot welstand van ‘t gemeene beste.

Ten derden; dat tegens de vergevinge van dese charges (soo politijq als militair) en onverhooptelijk buyten onsen voor weeten mogt geschiet zijn op ‘t kragtygste sal geprotesteert worden.

Ten vierden; dat een neutrale plaatse benoemt sal moeten worden indien selve nader te konnen en mogten besoigneren: doende van ‘t gepasseerde wederom ter vergaderinge alhier rapport.

pagina 11v

artikel 23.
Wij burgermeesteren schepenen en raad der stad Elburg doen kond, en certificeren mits desen, dat wij gecommitteert en genomineert hebben,zulx doende bij desen onse mederaatsvrunden, de heeren Henrick Wolfsen en Egbert Lutteken sampt of elk in ‘t bijsonder om uyt onsen naame en onsent wegen sessie te nemen op de Quatiersdag, althans tot Arnhem vergadert, om over de lasten van desen lopenden jaare, item over de conventie met de Ridderschap ingegaen, en over alle retro acten van diverse saaken die sedert den laatsen landdagh ingekoomen zijn, en over andere nootsaakelijke en inkomende acten meer, te helpen delibereren en resolveren, dat ten meesten dienste van ‘t Quatier strecken kan, met de clausule van ratihabitie en belofte van indemnisatie onder verband als na regten.

Actum den 16 february 1705.

artikel 24.
Instructie voor de heeren Wolfsen en Lutteken die op de verschrievinge van de stad Arnhem van de 9 february 1705 na Arnhem zijn vertrocken na de [..] dagh den 16 february 1705.

1.
Soo worden sij heeren gecommitteerden gelast op de althans vergaderde Quatiersdagh hun niet in te laten over ‘t vergeven van de polityqe of militaire charges.

2.
Maar ter contrarie te vorderen ter plaatse daar

pagina 12

daar ‘t behoort, een nette en exactie lyste van d’opgemelde vacante charges, om die aan ons hunne heeren principaelen te extraderen.

3.
Dat sij heeren gecommitteerden mede versogt worden van de staat van ‘t Quatier te weeren sulke lasten als er van de Ridderschap van Veluwen sedert eenige tijd herwaarts, soo wegens de wervinge van de soldaten als anders opgelegt zijn geworden.

4.
Desgelijks moeten sij heeren gecommitteerden soeken te erlangen een exacte cognitie van de appointeer plaatsen die ten laste van ‘t Quatier zijn en op wie met naem en toenaem dat de selve geconfereert zijn.

5.
Dat de acten en retroacten bij ‘t Quatier geschiet van de Ridderschap geapprobeert en geratifireert moeten worden.

6.
En sullen die heeren gecommitteerden van alle saaken van importantie en wat voorts op dese vergaderinge passeert, naukeurige kennisse en rapport moeten geven aan ons sonder eenige dissimulatie, en als dan kost en schaadeloos gehouden worden.

pagina 12v

artikel 25.
Lunæ den 2 marty 1705. Bij ons verlesen zijnde de requesten, rakende de vacante, soo hooghe als laeghe militaire charges, en op dese repartitie staande, daerop gedelibereert zijnde met rijpen raede, is goet gevonden en verstaan in volgerder gestalte. Tot collonel van ‘t vacante regiment van de heer generael majoor Beyntheim de heeren N.Swaan met 4 stemmen.

Evert van Delen met 4 stemmen daerbij zijnde de præsidents stem.

Indien Wittenhorst collonel titulair word van ‘t regiment van graaf van Athlone.

soo is Schimmelpenninck van de Ooye wederom tot majoor verkooren

Indien de luitenant collonel onder Lauder collonel word, als dan is de baron van Genths wederom tot luitenant collonel titulair verkooren.

Tot majoor onder Plettenberg N.van Beets, en indien N.van Beets, luit. coll. word, dan Zuylen van Nieuvelt majoor.

Inval Evert van Delen collonel word N.Haarsolte dan majoor.

Tot majoor onder Lauder Haquet.

Tot capitains, Renesse, Avercamp, Wijnbergen en Lauwik.

Tot luytenant Ottho Witte, Ingen, Monet, Sijwart Schraffert en Wijnen.

pagina 13

Tot vaenderighs; Bartold Lutteken, Harmen Jacob Erkelens, Tago en Luylofs.

Tot ‘t Gouvernement van Maestrigt, graaf Claude de Tilly.

artikel 26.
Wij burgermeesteren schepenen en raad Claude de Tilly der stad Elburg doen kond en certificeren mits desen dat wij gecommitteert en genomineert hebben gelyk wij doen kraft deses, onse mede raads vrunden de heeren Rudolph van Ingen, Christiaen van Lennip, Henrik Wolfsen, A.Feith, Gysebert Gerhard Sandberg, D.Feith, Alert ten Busch en Egbert Lutteken, sampt of elk in ‘t bijsonder om uyt onsen naame sessie te nemen met Ridderschap en Steden op de althans vergaderde Landdagh tot Zutphen, om over d’ingekomene propositie van de raad van Staten, rakende de consenten, neffens de ordinaris en extra ordinaris staat van oorlogh over den lopenden jaare 1705, en over ‘t geene dat verder inkoomen mogte, helpen resolveren en delibereren als tot welstand van de Provintien in ‘t gemeene en desen Furstendom en Graafschap in ‘t bijsonder bevonden sal worden te bekooren. Met de clausule van retificatie belofte van indemnifatie als na regten den 2 marty 1705.

pagina 13v

artikel 27.
Instuctie voor de heeren gecommitteerden op de landdagh tot Zutphen op de verschrivinge van ‘t Hof provinciael van den 14 february 1705 bestaande in de volgende articulen.

1.
Soo worden sij heeren gecommitteerden gelast om onsent wegen te accorderen die lasten die er over den jaare 1704 ingewilligt zijn, en de selve over dese lopender jaare 1705 tot d’oorloghskosten gepetitioneert wederom te accorderen en in te willigen.

2.
Dat op de brandewijnen, en gedisteleerde wateren een seker tantum geset, de vrije commercie open gestelt, en de monopolie afgeschaft moet worden.

3.
Doende met verslagh van ‘t gepasseerde op dese vergaderinge aan ons haare heeren Principaelen met belofte van ratihabitie en belofte indemnisatie.

pagina 14

artikel 28.
Sabbathi den 25 april 1705. Is na voorgaande rijpe deliberatie ingevolghe voorgaende resolutien, bij de magistraet goet gevonden en verstaen, sulx doende bij desen, dat van nu af aen en soo vervolglijk de vervaartijd en ‘t vertrecken der dienstbooden sal geschieden op nieuwe mey.

Instructie voor de heeren gecommitteerden gelast sigh te reguleren na de voorsittende steden en leden van ‘t Quatier over de sluytinge der poorten voor de gecommitteerden op de Landschap tot Zutpen

artikel 29.
1.
Ten eersten soo worden sij heeren gecommitterden gelast sigh te reguleren na de voorsittende steden en leden van ‘t Quatier over de sluytinge der poorten voor de gecommitteerden op de landdagh te Zutphen.

2.
Dat op de brandewijnen en gedisteleerde wateren een seker tantum geset, de vrije commercie open gestelt, en de monopolie afgeschaft moet worden.

3.
Insgelijks dat de vijf specien publyq verpagt, soo wel ten plattelande als in de steden, of een ander middel uytgevonden moet worden.

pagina 14v

4.
Nopende de taxatie vanden leden vanden regeringe dat die ten minsten soo wel in de steden als ten platten lande moet geschieden, oordelende nogtans ‘t gevoeglijker te zijn dat ‘t samen mede publyq verpagt word.

5.
Dat sij heeren gecommitteerden hun over ‘t poinct van de executie op een Willem Jansen timmerman tot Velp door haar edele moogendheden de Gedeputeerde Staten deses Quatiers van de adjunct scholtis Zeger van Arnhem, neffens een sergiant en 8 soldaten getenteert en naderhand den selven door eenige burgers der stad Arnhem uyt handen van de justitie ontweldigt, kunnen vervoegen en daer over concerteren met de Ridderschap en andere steden deses Quatier.

6.
Doende van al ‘t geene vorders rapport van hunne commissie aan ons hunne heeren Committerden met belofte ralihabitie en indemnisatie als na regten.

pagina 15

artikel 30.
Gehoort ‘t rapport vande heeren gecommitteerden tot ‘t verschenen deser stads verpond: met den ontvanger van Nievelt gecommitteert geweest; Daarop bij resumtie gedelibereert zijnde is goet gevonden en verstaan, om de heeren gecommitteerden voor haar genoome moeyte te bedanken, en haat verder te versoeken om tot liquidatie met den voorsc: ontvanger te treden mits dat de kortinge vande palen dijken daer in vervat moeten worden.

artikel 31.
In curia den 18 augustus 1705.

‘t Trappeniers gilde proponcert dat Johan Ten Busch in de eed mogt aangenoomen worden tot der selver gemeensman.

Op gedaene remonstrantie van ‘t Trappeniers gilde is verstaen bij de magistraet, dat de remonstranten twe persoonen moeten opwerpen als ‘t Kleermakers gilde gadaen heeft in de jaare 1703. uytstellende voorts dese keur op d’ordonnaire keurdagh.

pagina 15v

artikel 32.
Sabbathi den 13 february 1706. Gesien ‘t request van eenige winkeliers versoekende dat er nog 2 bootschuyvers bij dese vier moghten, geconstitueert worden en verleesen ‘t berigt van de bootschuyveren hier op gegeven waar op bij de heeren vanden magistraet gedelibereert sijnde is goetgevonden en verstaen, dat dese vier bootschuyveren, al nog sullen continueren en dat veerschippers en bootschuyvers geen occasie sullen geven, aen passagiers om te klaegen.

artikel 33.
Lunæ den 1 marty 1706. Bij ons verlesen de requesten, raakende d’onderbenoemde vacante charges, soo polityqe als militaire, en op dese repartitie staande, waer op gedelibereert zijnde is goetgevonden en verstaan als dat onse gecommiteerden op d’althans vergaderde land sullen gouverneren in dier gestalte.

Dat ‘t Landrentmeester ampt, door de doodt van Goltsteijn vacant geworden, geconsereert is op Joh. van Wijnbergen, mits offerende aan dese kerke 200 ducatons, maer in van daer

pagina 16

daerover dissentie resulteerde tussen Ridderschap en Steden, soo blijft dese resolutie als ongedaen en gerevoceert.

Dat ‘t Hoogh Schout Ampt van Hattem vacant geworden door d’ontijdige dood van N.Haarsolte op Tulleken broeder tot Hattem is geconsereert, in dien die chargie aan Hattem gegeven wort, mits dat hij met de stads stemme van Hattem effectuere, dat d’ordonnantie Gedeputeerde plaats al nog voor twe jaaren aan dese stad sal continueren.

Dat tot lieutenant collonel Van Weelderen met acte Harmen Erkelens. En tot de majoriteit van ‘t selve Regiment is verheven Rutger van Minningen en bij des selfs gagement Rhode van Heekeren.

Tot de vacante Compagnie van Lauwijk is verheven A.van de Wart, en in val de stad van Arnhem ons dienst doet met haare recommandatie tot de continuatie van de ordonnaire Gedeputeerde plaats Monet.

Tot lieutenant bij avancement van A. van de Wart of Monet, De Vries, of bij changement Bartolt Lutteken.

In de plaats van Blok; N.Koornbreek.

Tot vaenderigh Harmen Jacob Erkelens et Junius

pagina 16v

Zijnde mede geresolveert bij raad en gemeente, dat de gecommitteerden sig over de exeentie van de contraventien en frauden van de pagten, sal volgen met de voorsittende steden.

artikel 34.
Veneris den 5 marty 1708. Door eenige gecommitteerdens uyt de naem van respective Gildens en burgerie ter vergaederinge alhier geproponeert zijnde met versoek, dat de heeren van den magistraet ‘t nieuwe pagtboek van de stads domeinen over den jaare marty 1705 vervallen aan de samtelijke gemeens luyden transporteren en confereren wilden; waer op bij de magistraet gedelibereert zijnde is goet gevonden en verstaen, gelijk verstaen word bij desen, dat bij den vrijwilligen afstand van den ontfanger Ten Busch op versoek van

pagina 17

van de respective gecommitteerden van Gilden en burgerie den ontfank geconsereert word, op de samptlijke gemeensluyden, mits dat elk en een yder van hun in ‘t particulier daer voor als principael burger caveren.

artikel 35.
Sabbathi den 10 april 1706. De heeren van de magistraet gehoort hebbende uyt ‘t rapport van haar Edele en Agtbare gecommitteerde op den jongstleden Landagh deses jaers in martio et primo aprili tot Arnhem ordinarie gehouden en althans bij recesse gescheyden, hoe dat de respective gecommitteerden van de stad Harderwijk in ‘t Quatier hebben geproponeert, dat de ordinaire deputatie althans aen Elburg wettigh gehoorende aen haar edele agtbare moeste devolveeren; waer op bij ons bij resumtie gedelibereert zijnde is goetgevonden en verstaen ons gecommitteerden te gelasten om

pagina 17v

uyt onse naeme de heeren gecommitteerden van de stad van Harderwijk te verstaen te geven, dat sulke ongefundeerde sustinuen, strijden tegens d’ordre en maxime van regeringe die’er altoos is gecultiveert geweest en die in een welgefundeerde regeringe geobserveert moet worden. Dat de stad van Harderwijk op dus daene wijse voort vaerende te handelen, geen stad of integerent lid van desen Quatiere gerust konde sijn, om te ganderen van eenige chargie of commissie maer altoos occasien soude verschaffen over de staden en leden van dien onder malkanderen gaande te houen, tot totale cruyne en ondergank van desen Quatiere.

Dat de voorsittende steden, en speciaal de stad van Hattem dese commissie drie jaeren rustigh heeft beseeten en hierom op dese gemeene regul regtens gereguardeert moet worden uti possedistis, ita et nos possideamus, te meer als geconsidereert word, dat dese voorsieide drie jaeren ons Quatierlijk onder de hand van de secretaris H.W.van Ruyven op den 19 April des jaers 1705 zijn afgegeven.

pagina 18

Dat de magistraet der stad Elburg uyt dien hoofde en om andere welgefundeerde redenen maar vertrouwen moet, dat de stad van Harderwijk, de ruste van dses Quatiere beooghende, van haer Edele en Agtbare ongefundeerde sustinue sullen gelieven af te staen; maer inval de selve al verder mogten insteren, soo zijn onse heeren gecommitteerden gelast, gelijk de selve wel expresse gelast worden bij desen op alles naukeurigh te letten, dat hier over geen registratuijre ten recesse en geschiede, ‘t welk ons in dese saeke nadeligh was, ofte te lyden, dat er yts bestendigh tot præjuditie van ons gedaen wierde, maer daer van aen ons haere heeren Principalen te rapporteren, op dat wij in staet mogten verblyven om tegens alle onvermoedelijke gevallen te vigileren, als ‘t behooren sal.

artikel 36.
Is mede geresolveert dat ‘t Hof Provinciael de militie mag gebruyken tot stuyr van de finantie ingevolghe voorgaende resolutien, en wel speciael die van den jaare 1651. Edoch met voorkennisse van de respective vijf steden.

pagina 18v

artikel 37.
Lunæ den 26 april 1706. Is op d’ingecommen missive van onse heeren gecommitteerden op de Landagh nopende d’ordonnantie gedeputeerden plaets nader geresolveert, onse heeren gecommitteerden bij missive nader te gelasten, om onse resolutie de dato den 10 april te inhiereren en haar directe of indirecte, ‘t sij bij form van compromis, arbitragie of rigters daer over hun niet en te laten maer alles daer op ten uytersten af te wagten.

artikel 38.
Veneris den 30 april 1706. Is verstaen, dat voortaan niemant met paarden of beesten, langs de landerien of in de slooten van de selve sal weyden en contrarie doende bij de boeten van 4 heeren ponden, soo die en menighmael sulx onverhoeptelijk gebeuren moghte.

artikel 39.
Alsoo ‘t bij ondervindinge meer als bekent geworden is, dat door ‘t hollen der paarden sedert eenige tijd herwaerts droevige exempleren voortgekoomen zijn, die welke nog dagelijks door d’onvoorsigtigheid van voerluyden, wagenaren en

pagina 19

en voorts van die geene die paarden mennen, souden konnen accresseren, indien hier in bij tyds van ons soo veel mogelijk is, met wierde voorsien.

Soo is t dat haar edele en agtbare de loflijke exemble bij sonder van onse naburige steden willende navolgen, na voorgaande rijpe deliberatie goetgevonden hebben en verstaen sulx doende bij desen, om de toekoomende onheylen hier door te weeren, dat alle voerluyden, wagenaren, en voorts alle die geene die paarden mennen, haar sullen hebben te wagten, dat haare paarden voor wagener of kerren gaende, niet op hollen raeken. En soo onverhooptelijk contrarie bevonden wierde, dat d’eygenaer van dese hollende wagen en paarden sal incurreren de boete van 50 gulden om de selve sonder eenige conniventie daer op promptelijk te voldoen behoudelijk sijne actie tegens den voerman of knegt die de wagen ment.

En op dat van onse resolutie niemant eenige ignorantie mogte hebben, derhalven u goetgevonden desen alsoo tot een yders narigtinge te publiceren en affigeren.

pagina 19v

artikel 40.
Mercury den 12 may 1706. De heeren vanden magistraet, neffens de gemeente hebben bij resumtie geresulveert dar d’heer Joach: Greve sijn restant ad 68-17-8 aen den ontfanger Ten Busch sal hebben te voldoen.

artikel 41
Sabbathi post meridien den 15 May 1706. Is verstaen bij raad en gemeente, dat de wesemeesteren sullen hebben te compareren tegens 5 uyren van avond op ‘t weeshuys, om aldaer aen de gecommitteerden. van de raad en gemeente aen te toonen wanneer en aen wien de 2813 gulden uytgetelt zijn of waer de selve geland bennen.

artikel 42.
Lunæ den 14 juny. Bij resumtie gedelibereert op d’ingekoomen missive van haar edelen moog: de heeren Staten deses d=is in dato den 11 juny 1706 insubstantialibus continerende, dat de aanschreevinge der redemptie vander vijf specien, mitsgaders de taxatie vande leden vande regeringe voor den impost haaren consumtie in omvraege gebragt zijnde, van onse heeren gecommitteerden niet en was geapprobeert ter oorsaak deselve daer toe niet gelast waeren maer, dat ‘t contrarie vanden heeren vanden Ridderschap eenpaerigh gesecundeert vanden steden van Arnhem en Wageningen was geapprobeert

pagina 20

‘t welk nader met verscheiden redenen was geadstrueert, breder uyt haar edelen moogendheden welgemelte missieve aftenemen.

Waer op bij ons rijper gedelibereert zijnde is goetgevonden en verstaen, sulx doende bij desen en onse heeren gecommitteerden gelastende dat wij lyden konnen, dat de aanschreevinge der redemtie van vijf specien, en de taxatie vande leden vande regeringe door den impost haarer consumtie geschiede, inval wij in de vijf specien ordinaris met hooger als uyterlijk op 14 of 1500 gulden aen geschreven wierden, maer soo dese aanschrievinge als soo wij ten reguarde vanden voorsittende staden te hoogh van te vooren aengeslaegen zijnde, ons onverhoopelijk afgesneden wierde, dat wij geen redenen vinden, die ons permoveren souden, waerom wij van sentiment, dat de verpagtinge vanden voornoemde posten niet gedaen, of een ander middel uytgevonden wierde, souden desisteren.

artikel 43.
Mercury den 7 july 1706. Is bij resolutie verstaen, bij raad en gemeente, dat bij provisie ‘t Mehnweegjen door dese stad gemaakt, en in toekomende tot soulagement van dese kosten een expedient sal uytgevonden worden, ‘t sij bij t opbranden van de beesten als anders.

pagina 20v

artikel 44.
Mercurij den 28 july 1706. Resolutien dat de heer Landrost van Veluwen in dit lopende jaar vergunt word ‘t landgerigte alhier in curien te houden, mits dat d’voorseide heer Landrost bij de missive van de jaarlijkse verschrievinge van comparatie op respectieve Gerigten, of bij particulierden advertissiment des selfs continuatie s’jaarlijks belieft te versoeken.

artikel 45.
Veneris den 17 september 1706. Is bij raad en gemeente geresolveert en verstaen, dat de cedule vande 500ste pennink over desen jaare 1706, niet geextradeert sal worden, voor en al eer dat wij versekert waeren, dat de gemelte cedule, soo als de selve van ons geconcipeert is, in allen delen van haar edele moogendheden geratificeert wierde.

artikel 46.
Zijnde post meridien ter vergaderinge erschenen Daniel van Heerde hebbende gegicht, dat Willem J: van der Horst boven gekoomen is en hadde hem belast, dat hij de gemeensluyden tegens morgenochtent te negen uyren soude citeren, dat hj moeste gaen bij die kraemers, die tot Jacob Munninks of Willem heerdinghs waeren gelogeert, dat sij souden boven koomen

pagina 21

En dat sij souden aentoonen uyt wat krachte sij alhier quamen te gaen, door dien sulx bij placaete verbooden was. Waer op bij de heeren van de magistraet rijpelijk gedelibereert zijnde is geresolveert en verstaen, onse gerigtsdienaeren te interdiceren op versoek van de gemeente de bovenstaende verboodinge, alsoo sullen regt de magistraet privative competeert niet te doen.

artikel 47.
De heeren van de magistraet hebben de vacante ontfangers plaats van de uytgesette sluyse gelden van de 4 sluysen in Osterwolde over de jaaren 1703 1704 et 1705 geconfereert op de persoon van Egbert van Coot snijder, hebbende dese sijne ontfank verburgt door de persoonen van Wilhem Decker en Wilhem Camp, die sig als burger hebben ingelaeten haare persoonen en goederen ten fine van alle aanmaeninge en opspraek onder belofte van quarantie verbindende.

Actum coram A.Feith et Sandberg den 8 october 1706.

pagina 21v

artikel 48.
Solis den 10 october 1706. Resolutum, dat t schoutampt van Nijkerk, op Geurt van Tylen Munninnkhuysen, rentambt op N.Tulleken van ons geconsereert is.

artikel 49.
Veneris den 31 december: 1706. Is op ’t geproponeerde ter vergaederinge alhier voorgestelt na rijpe deliberatie bij de magistraet en gemeente goetgevonden en verstaen, dat Henr. Vesterink geordonneert word te extraderenin handen van de magistraet de maencedule van den ontfanck deser stads verpondingen mitsgaders hem te prepareeren tegens Petri 1707 aanstaande tot de liquidatie van deser stads verschulde verpondinge.

artikel 50.
Lunæ den 27 december 1706. Resolutum, bij de magistraet dat door een acte, die geassigeert en gepubliceert sal worden, sal verboden worden bij de boete van 10 heeren, ende dat hem niemant sal verstouten om door dese stads wierden te vaeren ‘t sij dat se west of noortwaert aen de stadgelegen zijn quod ita factum.

pagina 22

artikel 51.
Sabbathi den 8 january 1707. Tot besorginge van deser stads finantie is bij raad en gemeente bij eenparigheid van stemmen provinsioneel geresolveert, dat men vervolglijk sal betaelen voor ‘t opbranden de beesten op de Mehen, soo dicwils sulx geschiet, te weeten een burger van een pinke en een koe, een halven stuyvers, van een paard, eene stuyver en een vrijheder van een koe en pinke een stuyver, en van een paard een stuyver en een halve.

artikel 52.
Lunæ den 24 january 1707. Gehoort ‘t rapport vanden heeren Ten Busch et Lutteken tot ‘t ondersoek van ‘t havengelt, of negende part vanden vragt gecommitteert; als dat de veerschippers en bootschuyveren voor ‘t havengelt of negende part van de vragt præsenteeren 200 gulden waerop gedelibereert zijnde soo is bij raad en gemeente geresolveert, dat ‘t havengelt over den jaare 1707 verpagt blijft aen de respective schipperen en boorschuyveren voor 200 gulden mits dat dese pagt van jare tot jaare los blijft.

pagina 22v

artikel 53.
Sabbathi den 5 february 1707. Bij resumptie nader gedelibereert zijnde op de requesten, nopende vacante soo politiqen als militaire charges, op de repartitie van desen Quatiere staende, daerop is bij ons goetgevonden en verstaen, dat onse heeren gecommitteerden Ingen et Peter Feith, haer in volgender gestalte daer omtrent souden hebben te gouverneren als dat ‘t rentambt door de doot van Golstein vacant geworden geconfererert blijft op Johan Jan Wijnbergen, of op dusdaenigen een die men met deser stads stemmen de meeste dienst kan doen.

De vacante compagnie van Lauwijk et Beekman zijn gegeven aen Swybert Schrassert, en Zolner of Wichman Joost van Wijnbergen.

De vacante compagnie van Volkna onder ‘t regiment van Eggelijn op Bartolt Lutteken of Goes.

Dat de resolutie omtrent ‘t changement van d’overste luitenant Lindenaer met Henr. Wilh. van Wijnbergen bij ‘t Quatier genoomen, effect kan sorteren.

Dat de lieutenant plaets in de compagnie van Echten, onder t regiment van de heer briegardier Els vacant geworden gegeven is op Osewijn Wijnen.

pagina 23

Het vaendel van de voorseide compagnie door de promotie van Van Wijk vacant gegeven is op Harmen Jacob Erkelens en het vacante vaendel van Monet op Gerrit Ram.

De vacante lieutenants plaetsen soo vande majoor Haarsolte onderdelen, capitain Renes, als Brakel op Bartolt Lutteken van Bassem en De Vries.

Bij avancement van Strassert tot capitain Rhoode van Heekeren tot lieutenant des gelijk bij promotie van Zobier tot capitain, A.van de Wart tot capitain lieutenant.

Tot de vacante vaendels zijn gepromoveert als; De Grutter, Frank van Erkelens, Junius, Feith tot Harderwijk, Schuylenburgh, Jacob van Hoekelum.

Voorts zijnde de voorseide heere gecommiteerden gelast omtrent de verschreven poincten deser Quatiersdagh, als dat ‘t eerste poinct provisioneel voor een jaer geaccordeert blijft voor behoudens de luyster en agtbaerheid deser stads geregtigheid.

pagina 23v

dat de brandewijnen en gedisteleerde wateren en van jaar tot jaar verpagt sullen worden.

Nopende de ‘t derde poinct rakende de ‘t betalen van de 500 per penn. van de leden der tegenwoordige regeringe, refereert men sigh tot ‘t protest vande vier steden de dato den 18 juny 1706 afgegeven.

Het vierde word geaccordeert om ‘t selve quoviscumqde modo ten meesten profijte van ‘t Quatier te konnen verlangen, of ‘t selve te negotieren op lijfrenthe tegens vier per cento mits dat sulx op een minder getal sal moghen versterven tot den laetsten toe.

artikel 54.
Mercury den 27 april 1707. Resolutiede bij raad en gemeente dat de petitie vande Raad van Staate ter somme van vier maal hondert en ses en tagtentigh gulden tot de quipagie van negen nieuwe oorloghscheepen in de Noordzee door onse gecommitteerden ten meeste dienste van den lande geaccordeert kan worden.

pagina 24

Instructie voor de heeren Ten Busch, Sandberg et Potgieter na Arnhem op der selver versoek verschrevinge van den 8 augustus 1707.

artikel 55.
1.
Dat de voornoemde gecommitteerde gelast worden tegens soodaenige verschrievinge van de stad van Arnhem op ‘t aller cierlijkste te protesteren, oordeelende dat de stad van Arnhem sulken regt niet competeert als met voorkennisse van de andere steden.

2.
Voorts gelastende dat al ‘t geene dat van de stad van Arnhem geproponeert word, ad referendum over te nemen, en niets te accorderen als op approbatie van haere principaelen.

artikel 56.
Lunæ den 15 augustus 1707. Resolutum bij de heeren van de magistraet dat d’verdeylinge van de polityqen charges den 10 augustus jongstleden geprojecteert, in genendeele geaccordeert word, maar dat wij de geprojecteerde verdeylinge lijden konnen dat effect sortere, indien wij dese naastvolgende charges optineren konnen

pagina 24v

1.
Als rekenmeester in Gelderland; Rigter van ‘t Oldebroek; Overpanden; Rentampt van Hulsbergen; Schoutampten van Doornspyk en Apeldoorn.

2.
Dit of geprojecteert moet worden dat Arnhem raad ordonnantie Harderwijk raed ordinair of extra ordinair. Wageningen ‘t secretariaet van de heeren gedeputeerden Hattem Rekenmeesteren. in Gelderland en landschrieven, en Elburg ontfanger generael en rigter van ‘t Oldebroek profiteren moesten, en dat over de resterende charges, tussen de vijf voorscreven steden even na gelootet moet worden.

3.
Dat of om tot een amicable inschickinge te koomen, over alle de polityqen charges, sonder onderscheid en tussen de vyf steden even na verdeelt, gelootet moet worden.

pagina 25

4.
Dat in val ‘t rigterampt van Oldebroek of een andere charge aen dese stad vervallende, en van de Ridderschap geambrieert werdende, dat de andere vier steden gehouden sullen zijn, ons zulx te leveren, daerin ons helpen quaranderen en maintineren ‘t welk wij reciproce ande andere steden beloven.

5.
Dat de verdeilinge vande militaire charges volgens ‘t geconcipeerde project, wel magh geaccordeert worden.

6.
Dat de resterende poincten als vande introductie vande stadholder en de raed worden uytgesondert dien articul, meldende de scheuringe van de harmonie.

7.
Bij ene comparitie van eenige der staden op dese conventie, sallen voorseide gecommitteerden in desen niets hebben te verrigten, maer vrugteloos moeten scheiden.

pagina 25v

Wordende voorts voorseide gecommitteerden gelast te moeten vigileren, om een nieuwe acte de n. præjudicando over dese conventie te versorgen.

Lunæ den 22 augustus 1707. Gehoort ‘t rapport van de heeren Sandberg, et Potgieter met de bovenstaende instructie na Arnhem op dato als boven gecommitteert, en zijn van ons nagedaene rapport voor derselver vigilantie in desen aengewent bedankt, met versoek, dat de heer Potgieter hem wederom sal believen te begeven na Arnhem tot een teken van onderlinge vrientschap die wij met de andere Veluwsche staden willen cultiveren, den selve gelastende de voornoemde instructie punctelijk te verkeeren en te versorgen, dat deser stadsluyster regt en geregtigheid in geenerlij wijse gekrenkt werde.

artikel 57.
Veneris den 30 september 1707. Bij de magistraet en gemeente gesien en geexamineert zijnde, ‘t antwoort van dr. Vesterink op heden tot voldoeninge van onse resolutie, in dato den 31 december jongtsleden maands genoomen, geextradeert, hebben

pagina 26

na rijpe deliberatie goedgevonden en verstaen goetvindende, en verstaende bij desen al nog te inhæreren onse voorgaende resolutie op dato voorseide genoomen en daer en boven Vesterink al nog te ordonneren, dat hij verpligt sal zijn op heden over 8 dagen de gemelte maandcedulen met de nieuwste naemen, en copia daervan in handen van de magistaet over te leveren, en bij maquement van sulx, dat hij aen dese stad verbeurt sal hebben een somme van 50 gulden.

Zijnde dese resolutie hem voorshoofds voorgelesen.

artikel 58.
Sabbathi den 1 october 1707. Is bij raad en gemeente met eenpaerigheid van stemmen geresolvert, dat alhier tot gemak van de burgerie, voorplantinge van de koopmanschap en geryf van een yder, van nu af, en soo vervolglijk van jaere tot jaere drie ordinaire vette beestemarkten sullen gehouden worden, zullende de eerste den 12den, de twede den 19den en den laesten den 26sten des maands october gehouden worden.

pagina 26v

artikel 59.
1.
Insructie voor de heeren Arent Feith, Sandberg, Peter Feith et Potgieter.

Solis den 2 novenbris 1707. Dat tot ‘t vacante rigterampt van ‘Oldebroek gepromoveert word de burgermeester Arent Feith, blijvende de vacante raadsheeren en landscrievers plaetsen ter dispositie van de heeren gecommitteerden mits dat de steden die wij dienst met onse stads stemme doen, haer verpligt sullen houden dese onse stemminge tot ‘t voorseide rigterampt te favoriseeren.

2.
Dan tot ‘t landrentampt, door de dood van Goltstein vacant geworden, gepromoveert word, Johan van Wijnbergen, neffens voorige resolutie, indien hij ons wederdienst doet anderputs word dese charge geconfereert op een andere dat ‘t rigterampt, indien ‘t aen de Ridderschap vervalt, gegeven word aen de heer van Putten

De heeren en bovenstaende gecommitteerden tot de bovenstaende verschrievinge op de zaterdagh geconnittert, zijn door raad en gemeente na gedaene rapport genoomene moeijte, en aengewende vigilantie in desen aangewent bedankt.

Actm in senatum præsent Lutteken, nefens de gecommitteerden uyt de magistaret en uyt de gemeente, thien leden en 7 september 1707.


pagina 27

artikel 60.
Sabbathi den 8 september 1707. Is op remonstratie van twalf gecommitteerden deser burgerie, de twede slepers plaetse op Aart Aartsen den ouden geconfereert door raad en gemeente.

Des gelijks zijn de heeren Arent Feith, Lutteken et Potgieter als gecommitteerden op de landdagh tot Nijmegen van den 12 september deses jaers gelast, dat op aensatende may 1708 te vervallene politijqen charges, aen de vier steden Harderwijk, Wageningen, Hattem en Elburg, als Raad van Staten, West Indische Compagnie mitsgaders de vergaderinge van alle de militaire charges sullen verblijven ter dispostie van de voornoemde heeren gecommitteerden

gehoort ter vergaderinge alhier ‘t rapport van de bovenstaende heeren op de Landdagh na Nijmegen gecommitteert zijnde voor de selver rapport, ter completer vergaderinge gedaen, bedankt op de 10 november 1707.

artikel 61.
Sabbathi den 12 november 1707. Is ter vergaderinge geproponeert, hoe de heeren gecommitteerden op de aenstaende


pagina 27v

Landdagh tot Thiel, haer sonder gouverneren, waerop bij de magistraet en gemeente gedelibereert zijnde is verstaen, dat die heeren gecommitteerden ‘t daer heene moeten helpen dirigeren dat al ‘t geene, dat op de gehoudene landdagh tot Nymegen tot den 7 november deses maands incluys, gebesoigneert, en geresolveert is, sullen hebben ter executie te doen stellen tot behoudenisse van de gemeene ruste, en voorts gevoegt sullen zijn op ‘t aller kraftigste onse regt en geregtigheid in sijn volle luyster in alle voorvallende occasien te helpen verweeren, en maintineeren.

artikel 62.
Dingsedagh den 10 junuary 1708. Op ‘t geproponeerde ter vergaderinge of de vacant gestelde ontfangers plaatse wegens de verpondinge van dese stad en schependom, althans niet sal vergeven worden ten meesten nutte, en dienste van dese stad; waerop bij de heeren van de magistraet gedelibereert zijnde, is met eenparigheid van stemmen verstaen, de vergevinge van de voorseide ontfangers plaetse voor dese keer, en

pagina 28

en sonder consequentie in’t toekoomende te renvogeren aen de respective gildens en burgerie om daerover te disponeren na behooren.

artikel 63.
Lutteken et Potgieter.

Resolutum den 14 january 1708.

Instructie voor den heeren gecommitteerden op de landdagh tot Zutphen van den 17 january 1708.

De heeren gecommitteerden zijn gelast te effecteren soo veel doenlijk is, dat ‘t project over de verhoginge van de tractemente verblijven sal, gelijk althans voor eenige tijd herwaerts geobserveert geworden.

Dat de gebesoigneerde en geprojecteerde poincten in dato den 30 november 1707 geconcipeert, op de convenabelste wijse geaccordeert konnen worden, mitsgaders te accorderen de immuniteiten en vrijheden van de bedienden van ‘t Hof provinciael.

Dat tot de vacante lieutenants plaetse onderdeelen bij chargement gepromoveert word Bartold Lutteken, en tot een vaendel Frank van Erkelens.

pagina 28v

Blijvende de resterende militaire charges, nu vacant te dispositie van voorseide heeren gecommitteerden dat Van der Wolde tot ‘t vacante comptrolleurs ampt van de 50ste pennink gerecommandeert kan worden.

artikel 64.
Lunæ den 20 february 1708. Is bij den magistraet geresolveert de vacante hoorn te confereren op Evert Bosch, met een tractement van 22-10 sjaers, neffens den 3 jaerigen rok, zullende ‘t andere overschot bij Reynders Heumer sijn leven lank geprofiteert worden

artikel 65.
Ipso die is bij de magistraet en gemeente geresolveert, dat de vacant gestelde ontfank laestmael door dr. Henri Vesterink bedient, geconfereert blijft op Jan Adam Veltkerker die welke hen voortaen sal hebben te reguleren na de volgende instructie.

Als namentlijk, dat hij voor

pagina 29

eerst s jaers een ordinairis gesalarieert sal worden met twehondert gulden.

2.
Dat ‘t salaris van de extraordinaire verpondinge, gereguleert sal worden na dat de selve uytgeset word.

3.
Dat de ontfank aen voornoemde Veltkerker geconfereert is voor de tijd van drie jaeren, en moet de selve verburgen met thienduysent gulden alwaer ‘t haer edele en agtbare en de gemeente believen sal.

4.
Dat hij sig debiteur gemaekt heeft van alle posten, die hem bij den quohiere en maandcedule geextradeert sijn geworden.

5.
Dat de voorseide ontfanger ‘t eerste jaer van sijn ontfank sal moeten verrekenen in ‘t eerste vierendeel jaers van’t derde jaer van den ontfank.


pagina 29v

6.
En dat verpligt blyven, soo hij van den ontfank contineerde van jaere tot jaere, sijn rekeninge alhier ten raedhuyse te doen, en d’originele afrekeningen, die hij met den ontfanger generael gehouden heeft, ter secretarie moeten overleveren.

7.
Dat d’extraordinaire ontfank der verpondinge van de stads verkofte landerien, voor gemelte 200 gulden ordonneren sal ingemaent worden sullende ‘t extraordinaire mede gereguleert worden gelijk te vooren gemelt.

8.
Dat gemelte Veltkerker alle jaer een nieuwe maandcedule soo van namen als posten op gesinnen van de magistraet en gemeente ter secretarie sal moeten leveren.

9.
Eindlijk geen part of deel mogen

pagina 30

hebben, direct of indirect aen stads os slands pagten, ofte burge daer voor worden.

artikel 66.
Mercury den 25 april 1708. Poincten in ‘t Quatier voor te brengen

1.
De staat des Quatiers finantie over den jaere 1708 is geaccordeert soo als de selve op ‘t afgeloopen jaer, is ingewilligt.

2.
Continuatie van de judicatuire en excentie over saake van finantie soo civyl als crimineel aen de heere gedeputeerden fiat voor een jaar, blijvende nogtans gereserveert de geregtigheid van dese onse stad.

3.
Of niet de redemtie der vijf speiren weder geintroduceert behoort te worden, aengesien de middelen soo langsaem worden betaalt, die te vooren tot betalinge der militie de prompste waeren.

Desen derden articul moet gelijk in voorige jaere geschiet is, wederom over desen jaere 1708 publyq verpagt worden.

pagina 30v

4.
Als mede taxatie van de leden voor d’imposten haarer consumptie desen vierden articul moet publyq verpagt worden.

5.
Een reglement op de jagt te maken dit konnen wij lyden dat geaccordeert word; mits dat der burgeren regt en privilegie geresolveert blijft.

Zijnde dit bovenstaende geresolveerde de heeren gecommitteerden nagesonden ut supra als P.Feith et Potgieter.

Bij de wederom komste van voorseide heeren gecommitteerden , en na gedaene en verhoorde rapport, zijnde de selve, voor haare moeyte en aengewende devoiren bedankt. Actum in senatu den 7 may 1708.

Resoltutum den 8 october 1708. Dat tot ‘t vacante vaendel onder deelen gepromoveert blijft Frank van Erkelens, tot lieutenant onder Els Junius en vacante vaendel Nicolaes Schrassert.

Dat L.van Eck sijn versoek tot griffier van ‘t Hof geaccordeert word en Essen heer tot de Vaenenburg gepromoveert word tot de

pagina 31

admiraliteyt in ‘t Noorder quatier, neffens de Alexander van Dedem tot rigter in’t Oldebroek.

artikel 67.
Resolutum den 2 marty 1709. P.Feith et Potgieter. Dat ‘t vacante veltmarschal ampt voor de dood van Auwerqueqh vacant geworden, in staat sal verblijven tot onder dispoptie.

Dat tot overste lieutenant onder Plettenberg gepromoveert blijft Fredrik Gerrit van Zuylen van Nievelt en tot majoor wederom in plaetse van Nievelt, Ommeren.

Die capitain lieutenants plaetse onder Els, en de andere open sijnde militaire charges sullen verblyven ter dispositie van de heere gecommitteerdenten landdaege aenstaende.

Tot ontfanger van de Gelderse tollen is gepromoveert Giesebert van Brienen

Tot conducteur van Hattem Albert ten Busch, blijvende ‘t rentampt van Claerewater bij inschikinge en ten dispositie van de heeren gecommitteerden, neffens de befrienders plaetse.

pagina 31v

1.
Resolutien sabbathi 9 marty 1709. P.Feith et Potgieter. Fiat de continuatie van civile en criminele saeken voor een jaer aen de heeren gedeputeerden, met reserve van dese stads regt en geregtigheijt.

2.
Fiat negotiatie van 88271-4 st: 2 derten meesten dienste van ‘t quatier.

3.
Dat de stads portie in de monopolie ter somme van omtrent 2000 gulden op ‘t aller serieuste moet versoigt worden met last om met d’andere steden daerover te besoigneren.

4.
Dat den accijs op yder ton van de ingebrouwen burgeren bieren op een legale voet gestelt moet worden met verdere recommandatie aen de heeren gecommitteerden P.Feith et Potgieter om op ‘t krafstigste te vertoonen en voor te dragen, hoe dat Elburg met 4 st: per tonne sedert 10 jaeren herwaerts is beswaert geworden, dat ‘t quatier daer over aen dese

pagina 32

stad een douceur behoorde te doen, moetende wijders dit beswaer met meer redenen ter Quatiere gededuceert worden.

5.
Dat de saake van Vesterink op ‘t krafstigste versorgt moet worden.

In omvraege gebragt zijnde, alsoo de andere steden deses quatiers gehonoreert zijn met een majoor la places, of ‘t niet dienstig was, dat onse heeren gecommitteerden ten Quatiersdaege de saaken soodaenig dirigeerde om met alle mogelijkheyt, en convenabile middelen te effectueren dat dese stad mede met een majoor La Places mogte gebeneficeert worden op sulke emolumenten en profijten als de andere steden deses quatiers quamen te genieten. Waerop gedelibireert zijnde hebben haar edele en agtbare met een parigheyt van stemmen ‘t voorstaende geproporeerde, geapprobeert en voor goet gekeurt.

pagina 32v

en geresolveert, in cas dese charge op dese stad wierde geeffectueert, deselve te confereren op onsen mede raadsvrund de heer Peter Feith gelijk deselve op hem geconfereert word, met onse stads stemme kraft deses, om als dan sijn levenlank te genieten, alle soodaene emolumenten en profijte, als dese stad toe gelegt sal worden.

artikel 68.
Joves den 6 juny 1708. Is ter vergaderinge geresolveert, dat onsen gecommitteerde de heer P.Feith gelast blyft, op dese extraordinaire landdagh tot Arnhem, nopens ‘t vergeven van eenige commissien te helpen behandelen; gelijk tot de meeste ruste aller best doenlijk is; ‘t sij bij wegen van inschiekinge, in deersie van onpartijdige, of bij andere convenabile middelen, als tot de meeste buyten, regt en geregtigheyd van de vier andere steden soude konnen strecken.

pagina 33

artikel 69.
Sabbathi den 1 february 1710. Hoe door de dood van Ernste Bigge open gevallene scholtampt deser stad, is bij pluraliteit van stemmen op de persoon van Cornelis Greve geconfereert geworden mits dat hij met sijn eygenhandige ondertekeninge belove, dat hij niet tegens dese regeringe, direct of indirect, op een ordinaire keur als anders attentere en gehouden blijft alle binnens tijds opkomende seditien van den volke, en tegens dese regeringe yts intenterende tot maintien van slands Hooghheyd, te helpen stillen, edoch soo er een plaets bij dese of geene dood quam open te vallen, dat hij deselve ceteris paribus sal mogen ambieren.

Cornelis Greve heeft bij handtastinge belooft, de voorstaende resolutie te sullen achtervolgen, en doen als een getrouw scholtus behoort te doen.

Oirkonden sijn eygen handinge betekeninge, datum ut supra.

Cornelis Greve.

Mercury den 16 april 1710, is geresolveert, dat d’scholt Greve bij provisie vergund word om mede in de schepenen stoel in de kerk te mogen plaetse nemen.

pagina 33v

artikel 70.
Sabbathi den 22 marty 1710. Is verstaen, dat de negotiatie van drieen negentig duysent gulden geschiede, dat er over de testementaire dispositie nader van ons gedisponeert sal worden, voorts dat er jagtraeden aengestelt worden, dat haer salaris uyt de boeten sal koomen, mits dat soo een gecommitteerde tot jagtraet van ons selve benoemt worden.

Sabbathi den 21 juny 1710. Op versoek van Jan Elbertse en Willem van Empst, die alhier een schip, dat omtrent 12 jaeren out is, op rhede gebragt hebben, versoekende om daer mede in ‘t veer op Amsteldam te mogen vaeren.

artikel 71.
Is door haar edele en agtbare verstaen dat alleen schepen alhier in ‘t veer mogen gebragt worden die niet boven de ses jaeren oud zijn, die welke aldair ook niet langer sullen mogen vaeren als achtien jaeren, blijvende nogtans dit alles tot erkentenisse van haar edelen en agtbaren hoe het uytgevaerene schip als dan bevonden sal worden, voorts voortaen ordonnerende, dat

pagina 34

een nieuw schip in ‘t veer koomende aenstonts sal mogen aenleggen, en dat een bevaeren schip de geheele veerbeurte sal hebben voorbij te laeten gaen, bevoorens ‘t selve sal moghen vaeren, en gehouden sijn achter alle aen te leggen, over sulx de remonstanten haer versoek ontseggende.

artikel 72.
Jovis den 17 july 1710. Gehoort bij raad en gemeente ‘t rapport van de broeder P.Feith nopens ‘t verhandelde op de laetstleden Quatiersdagh tot Arnhem gehouden van 3 july jongtsleden is voor de selver aengewende ijver en devoir bedanckt.

artikel 73.
Veneris den 31 october 1710. Is bij raad en gemeente geresolveert dat Willem van Empst een huys sal mogen timmeren bij de have aen de dijk, mits daer voor s jaerlijks aen dese stad tot een recognitie betalende vijf gulden; waer van ‘t eerste jaer vervallen sal den 1 january 1712.

pagina 34v

artikel 74.
Martis den 4 november 1710. Is bij raad en gemeente geresolveert dat Albert Ariensen vijf en twintig voeten grond voor de nieuwe poorte bij sijn vaders lompenhuys, westwaerts aen, en niet meer sal betimmeren, daer voor s jaers aen dese stad tot een recognitie betalende drie gulden, waer van ‘t eerste jaer vervallen sal 1 january 1712.

artikel 75.
Sabbathi den 17 january 1711. Is bij raad en gemeentsluyden verstaen, dat inval iemant van de schepenen, secretaris, of andere suppoosten binnen s’jaers aflijvigh wierde, dat voortaen het loopende jaer tractement en gebruyk van de doele bij der selver weduwen of erfgenamen geprofiteert sal worden, zullende der selver successeur hem, met de dagelijkse profijte moeten contenteren.

artikel 76.
Veneris den 14 augustus 1711. Is bij raad en gemeente geresolveert dat de restanten van de verpondinge en familie gelt, door D.Vesterink aen dese stad overgegeven, bij de persoon van Willem Boeduynx ge-

pagina 35

innet sullen worde, sullen de daer voor profiteren twehondert en vijftig gulden . Dat de gemelte Boeduynx, na dat hij alle devoiren, en gerigtelijk aenmaningen aengewend heeft, om de overgegeven restanten in te maenen, van alle blinde posten, en die niet ervintelijk zijn, ontheven en bij dese stad naergenoomen sullen worden.

Dat alle en een yder die sijn verpondinge en familie gelt over de jaeren 1699, 1700, 1701, 1702, 1703, 1704 mitsgaders ordinair 1705 en etraordinair 1706 incluys verschult voor den 1 november 1711 deses lopende jaers niet en voldoen met eene stuyver per gulden volgens resolutie gedebiteert sullen worden.

Dat den selven s jaers van sijn ontfank beginnende ordinair 1710 gesalarieert sal worden met 200 gulden blyvende ‘t salaris van de extraordinaire verpondinge gereguleert na dat de selve uytgeset en voldaen sal worden.

pagina 35v

artikel 77.
Sabbathi den 2 january 1712. Op requeste van Johan Georg Vogelaer, versoekende een loterije, om eenige gemaekte nieuw modische stoffen, en manufactuuren te mogen verlooten.

Hebben haar edele agtbare verstaen, dat de versogte loterye, op conditien, die te beroemen staen, alhier getrocken worde mits, dat den remonstrant cavere, dat de loten die alhier ingelegt, en bij eenige verhinderinge niet getrocken mogte worden, wederom in handen van de inleggers schaadeloos sullen gerestiteert worden. Actum ut supra.

Alsoo dr. Wetters na Zwol te vertrecken voornemens 4 en van dese cautie ontslagen wilde zijn, comparant, dr. Wetters en gepræsteert, en sig ten dien sine als burge ingelaten als na regten, soo heeft hij d’ingelegde looten overgegeven aen Jacob Munninck, die sig de bovenstaende burgtogt heeft ingelaten Den 20 april 1712.

artikel 78.
Luna den 15 marty 1712. Resolutum bij den magistraet, dat den ontfank vanden stads domeynen voor drie jaare, beginnende marty 1712, en eindigende marty 1714, geconfereert is op Willem Decker mits dat hij deselve sufficant ten ge-

pagina 36

noegen van de heeren van de magistraet en gemeensluyden verburge, en altijd gehouden blijft d’penningen deses ontfanks niet te employreren tegens de magistraet direct of indirect, soo op d’ordinaire keur als anders maer alles sal moeten dirigeren dat tot behoudenisse van dese regeringe, en ruste van de stad bevonden sal worden, te behooren comparant Wilh. Decker en heeft op voorstaende conditie, den ontfank geaccepteert, en bij handtastige belooft alles alsoo te sullen naer koomen. Dies ter oirkonde heeft hij dese acte eygenhandigh betekent.

Datum ut supra. Wilhelm Decker.

artikel 79.
Mercury den 4 may 1712. Resolutum dat de verdere restanten van Vesterinks verpondinge tegen den 1 september 1712 voldaen sullen worden bij poene van een stuyver per gulden.

artikel 80.
De stads chyrurgijn plaatse is met eenparigheyt van stemmen geconfereert op de persoon van Gerrit Copius voor stads rekeninge op 25 gulden s jaars, en voor rekeninge van diaconie 15 gulden zullende ‘t eerste vervallen jaar tractement

pagina 36v

vervallen op pinxsteren 1713 en soo vervolgens van jaare tot jaare.

artikel 81.
Martis de 26 july 1712. Is bij magistraet geresolveert dat alle verkens, die bij de ponde verkoft en alhier gelevert worden, op deser stads wage sullen gewogen worden. Dat, soo ymant hier jegens contrarie quam te doen den kooper soo wel als de verkooper sullen in curreren de boete van thien heeren ponden.

artikel 82.
Martis den 20 december 1712. Is bij de magistraet excepto et absente Potgieter geresolveert, dat de stad de saake van Morre Augustijnsen ad Jan Gerritsen soo door haar selver, en intervenierende voor haare burgere die in desen over ‘t somerwerk gewesen hebben ten Hove provintiael sal maintineren tot behoudenisse van deser stads en burgeren privilegie sal over dese en alle, de dijk saaken van Oosterwolde hun competerende hebben de gemeensluyden hierover gevraegt zijnde, en desen sigh met

pagina 37

de heeren van de magistraet geconfirmeert.

artikel 83.
Martis den 28 november 1713. Is bij de magistraet geresolveert, dat alle geregtelijk executien en verkoopingen die door den ontfanger generael, of quatiere gedaen wierden, en communi bursa sullen koomen.

artikel 84.
Sabbathi de 2 december 1714. Op reqeste van Geertjen Jans weduwe van Kars Stevensen, versoekende nog 2 jaeren met haer schip ‘t veer te mogen bedienen, om dat ‘t selve reets 18 jaeren gepasseert is.

Is verstaen, dat suppliantinne uyt consideratien in achs vermelt 2 jaeren geaccordeert word om met sijn schip t veer te mogen bedienen, mits dat sij ‘t selve klagteloos sal hebben te onderhouden.

Sabbathi den 14 april 1714 op requeste van de weduwe Broekhuyzen.

pagina 37v

artikel 85.
versoekende, dat sij de doele bij ‘t poortjen, van haer man als rector, voor desen aengemoekt, mogte behouden.

Verstaen haar edelen en agtbaren dat de rector Ouwers ande weduwe Broekhuys sal uytkeren voor de doelen na versterf van de weduwe Broekhuys vervallen ten profijte van de rector in leven, en aen de Latijnsche schoole, beginnede petri 1714 en vervolgens.

artikel 86.
Veneris den 1 juny 1714. Is bij de heeren van de magistraet verstaen, dat voortaen geen veerschipper soo lange sijn veer beurte of 14 dagen continueert, aen die en buyten vragten sal mogen aennemen, zullende de selve overlaten aen d’andere schepen op de rhede liggende waeraen alle sulke vragten sullen vervallen zijn.

artikel 87.
Op requeste van eenige inwoonderen, versoekende dat de bonen, alhier in de vrijheyd gesaagt, met schaepen mogen geweyd worden om redenen, gelijk in

pagina 38

actis vermelt is.

Is verstaen, dat de bonen dit jaer dog sonder consequentie int toekomende, met schaepen sullen geweyd worden, mits caverende niet alle schaade, die daer doer word veroorsaekt, maer ook dat de drift dagelijk sal gedaen worden uyt en in die stad.

artikel 88.
Solis den 13 january 1715. Is na voorgaende deliberatie bij alle de heeren vanden magistraet verstaen dat capitain Renesse, of de commanderende officieren op dese tegenwoordige keur, en andere ongelegene tijden, op ordere van de magistraet gewelt met gewelt sal hebben te steuten.

artikel 89.
Veneris den 1 february 1715. In omvraege gebragt zijnde of men ‘t koster ampt deser kerke op versoek van Peter Willemsen na sijnen dood niet behoorde to confereren op Henrik Petersen, soon van voorseide Peter Willemsen, waer op gedelibereert zijnde is verstaen dat ‘t geseyde koster ampt op Hendrik Petersen geconfereert word na doode van sijn vader, mits dat hij sijn moeder na sijn vermogen dan nog in leven zijnde mede sal onderhouden.

pagina 38v

Op sijn vrijwillige præsentatie.

artikel 90.
Veneris den 1 february 1715. Bij resumtie gedelibereert zijnde bij de heeren van de magistraet over den ontfank van deser stads verpondinge, door Willem Boeduynx vrijwillig vacant gestelt, dat de selve tot besorginge van deser stads finantie, daer ter hooghsten aengelegen is, wederom door een bequaem subject behoorde geadministreert te worden, is verstaen, dat de selve wederom geconfereert word op de persoon van Gerhard Antonides, en wel op volgende conditien, die tussen de heeren van de magistraet en geseyden Antonides obligatoir sullen zijn.

1.
Eerstelijk dat den geseyde ontvanger van de quaadwillige betaalders haare gerede, en bij insufficance van dien d’ongerede goederen voor agterstedige schulden sal moeten executeren, welke executie de heeren van de magistraet niet sullen mogen verweygeren te doen.

2.
Dat de geexecuteerde goederen aenstonts na gedaene executie sullen vervallen ten laste van de stad, die daervoor ten comptoire generael sal caveren, en voor alle schaade instaen


pagina 39

die den geseyden ontvanger daeromtrent sal koomen te bijden.

3.
Dat desen ontvank op geseyde Antonides geconsereert is sijn leven lank, behoudelijk nogtans dat hy de selve sal mogen afstaen, wanneer hem sulx sal welgevallen; blijvende egter verpligt om deselve getrouwelijk te manieren, en voor de heeren van de magistraet te moeten verburgen bij parate executie.

4.
Desen aengestelden ontvanger sal s’jaars ordinaris gesalarieert worden met twehondert gulden.

5.
Dat ‘t salaris van de extraordinare verpondinge gereguleert sal worden nadat de selve uytgeset word.

6.
Zullende den voorseide ontvanger het eerste jaar sijn ontfank moeten verrekenen int eerste vierendeel jaars van ‘t derde jaar van sijn ontfank met verdere verpligtinge, soo hij in den ontvank continueerde, dat hij ontvanger gehouden sal sijn van jaare tot jaare sijn rekeninge alhier ten

pagina 39v

ten raadhuyse te doen, en de originele afrekeningen, die hij met de ontvanger generael gehouden heeft, ter secretarye over te leveren.

7.
Dat de extraordinare ontvank der verpondinge van de stads verkofte landeryen voor gemelten 200 gulden s’jaars bedient sal worden, zullende ‘t extraordinare mede gereguleert worden, soo als de verpondinge uytgeset is.

8.
Dat meer gemelten Antonides alle jaar een nieuwe maandcedule soo van nieuwe namen als poster op gesinnen van de magistraet ter secretarie sal moeten overleveren.

Zullende den aengestelden ontvanger geen part of deel mogen hebben direct of indirect, aen stads of s lands pagten, of voor deselve burge worden. Tot nakominge deses, heb ik mijn hand hieronder getekent ut supra.

Gerard. Antonides.

pagina 40

artikel 91.
Sabbathi den 2 february 1715. Is den ontvank van de stads domeinen geconfereert voor drie jaaren, eindigende Martini 1717, op de persoon van Willem Decker, mits dat hy de selve sufficant verburge, die geen verburginge heeft kunnen obtineren, soo is den geseyde ontfank naderhand geconfereert op Berent Feith

artikel 92.
Sabbathi den 25 february 1715. Is bij de heeren van de magistaet verstaen dat er in deser stads jurisdictie voortaen geen hoij op plaetsen, daer de besmettelykheyd onder ‘t rundvee grasseert, gewassen sal ingebragt, en alhier verkoft mogen worden als na voorgaende vertoonde gerigtelijke attestatie dat t selve op gesonde landen gewassen is, bij poene als na regten.

pagina 40v

artikel 93.
Lunæ den 29 april 1715. In omvraege bij de heeren van de magistraet gebragt zijnde, op wie ‘t rectoraet van dese stad door Rutger Ouwens, die tot de schoolen van Zwol gepromoveert is, vacant geworden confrere souden worden, waerop gedelibereert zijnde.

Soo is ‘t dat ‘t voorscreven rectoraet kraft deses geconfereert word op de persoon van Lodewijk Daniel Reusch SS theologie, candidatus, op sulke tractementen, en emolumenten, als sijne voorscreven prædecesseur altoos gehad heeft, die wij belooven, aen den gemelten Reusch van vier deels jaars, tot vieren deel jaars te sullen voldoen uyt onser stads domeinen, er inkomsten ten eynde dat den meergemelten Reusch deser stads schooldienst neerstedelyk, en getrouwelijk sal waarnemen, tot stigtinge van de jeugt, die deser stad vrije schoole willen frequenteren.

pagina 41

artikel 95.
Sabbathi den 29 junij 1715. is bij de heeren vande magistraet verstaen dat de weduwe van Beert Stevensen in ‘t bootschuyvers ampt van haer man geconfereert word voor een jaer mits dat haer soon Jan Muller dese bedieninge voor de helfte van de profijte sal hebben waer te nemen.

artikel 96.
Is mede verstaen, dat Sijmon Veltkerker de brandewijnen en stadsbieren, beginnende 1 july 1715, en eindigende ultimo juny 1716 sal hebben te collecteren, op een tractement van vijf gulden van yder hondert, sullende mede verblijven derde parten van de frauden ten profijte van de gemelte collecteur, en eenderde part voor dese stad. Denselve voorts ordonnerende van ses weeken tot ses weeken rekeninge van sijn collectie te sullen doen, en die penningen daervan provenerende ten raadhuysen aen te tellen. en dese collecte getrouwelijk te administreren.

pagina 41v

artikel 97.
Veneris den 13 december 1715. Is bij de heeren van de magistraet en de gewonen gemeente eenparig geresolveert, dat haar edele et agtbare voirtaen de sluyse gelden van Osterwolde s jaarlijks sullen hebben uyt t setten, tot verluydinge van swaere (..) behoud en welstand van de voorscreven polder.

Lunæ den 16 december 1715.

Burgermeesteren schepenen en raad, hebben met consent van de geswooren gemeente tot beter gerijf van onse burgeren en ingeseten, geconsenteert, en geoctroyert gelijk wij doen krafft deses aen Joan Georg Vogelaer en sijnen erven, om alleen voor den tijd van twalf agter een volgende jaaren, beginnende primo may 1716 en ciadigen de ultimo april 1628 binnen dese stad te mogen houden en te exerceren den tafel van leningen op voorwaerde hierna beschreven.

1.
Als dat hij van onse burgeren, ingesetenen guarnisoen en andere voor eene gulden 10 stuiver ter weeke op pande te lenen met meer eyschen nog ontfangen sal dan een doyt soowel van kleyne middelbaere als van groote panden.

pagina 42

2.
En van het geene dat onder de eene gulden, 10 stuiver geleent word insgelijks eenen doyt, namentlijk, wanneer het pand binnen de eerste weeke gelost word, andersints naer advernant te nemen, en te ontfangen.

3.
Nog sal den tafelhouder van groote panden de somma van hondert gulden en daer boven ter weeke nemen van een daelder een doyt.

4.
Dat sij ook een jaer en ses weeken op pandengelt te lenen geholde sullen zijn.

5.
En als de eygenaers ondertussen te passe komt sal de tafelhouder hun haer pand laten vrijen en lossen, en hoe kleyne somme sij ook brengen, die selve altijd op goede rekeninge en in minderinge van het losgelt en inteeren aengenomen en ontfangen worde.

6.
Indien den tafelhouder vrijwillig eenige aensienlijke luyden, op haer obligatien sonder pandengelt mogte komen te lenen,

pagina 42v

hebben wij belooft en beloven en versekeren hem ook bij desen van soodaene obligatien, niet alleen voor de hoofdsomme, maer ook voor die interesse naer den teneur van dit contract hem competerende goet onvertogen regt te administreren en te doen executeren na behooren.

7.
Soo vere dat pand ofte panden naer ommegank van een jaer en ses weken, niet gelost wierden, sullen als dan die ontloste en verstaene panden in’t openbaer naer onse stadsregten gerigtelijk op het duurste met oproepen verkoft worden, en op geene andere plaetsen gebragt, om aldaer verset ofte verkoft te worden.

8.
Die penningen soo na afgetogen hoofdsomme, verstaegelt, en onkosten van publyqh verkopinge daerop geloopen, die overig bevonden worde sullen in handen der genen die panden verset hebben,uytgerigt worden.

9.
En soo de eygenaers binnens sjaars na dat die panden verkoft zijn, niet en compareerden

pagina 43

om het voornoemde overschot te ontfangen, sal den tafelhouder ofte sijn erve verpligt zijn opgemelte overschot op regtelyk na haere conscientie, eere en getrouwigheyd te leveren in handen van dese edele en agtbaere magistraet.

10.
Den tafelhouder sal ook geene van alle panden, die bij hem verset zijn selfs gebruyken, nog bij ymant anders laten gebruyken, ofte op eenige andere plaetsen binnen ofte buyten dese stad versetten ofte laten versetten, veel men daerop gelt opnemen, maer die selve getrouwelijk bewaeren, en bij haer schuld niet bederven laten.

11.
Den selve sal insgelijks geen panden buyten verkopen, nog doen verkopen, maer geholden zijn die namen der genen die haer panden stellen op de cedulen in bekende tale met dag en datum wanneer hem die panden gebragt op te tekenen.

12.
En op panden sijnens wetens, gestolen, gerooft, en ontdragen mogten zijn geen gelt te lenen.

pagina 43v

13.
Soo ymand eenig goed gestolen, dat in de banke van leninge gebragt, en daer op gelt geleent was, ja den eygenaer van sulken goed, namentlijk de ingesetenen binnen agt dagen, en de vreemde binnen veertien dagen, quam en sijn goed wedereyschte, sal daervan voor ‘t verloop der selver tijd geen profijt van haer geleende penninge nemen, dan den regten eygenaer sulke gestolene panden ( ontfangen hebbende sijn penningen soo hy daerop geleent heeft) die panden sonder tegenspreken wederom geve.

14.
en soo ymant eenig goed gestolen was, sal den taefelhouder gehouden zijn, de selve op sijn versoek te laten sien, ofte met eede te verklaeren dat hem sulk goed niet gebragt sij.

15.
Sal mede onser stads jurisdictie, en regt onderworpen zijn, voor hem en sijnen erven geduyrende de gemelte 12 jaeren, onser stads vrijheyd en jurisdictie genietende.

16.
Soo veel sijn persoon aengaet, sal niet geholden zijn op de wagt te trecken maer eenen anderen mogen senden, die door de bevelhebber aengenoomen worden.

pagina 44

17.
Den tafelhouder sal ook met geen soldaten geduyrende dese 12 jaeren belet mogen worden, oversulx sal hij met 1 may 1716 aen dese stad betaelen 50 gulden en vervolgens van jaere tot jaere behalve het overschot van de verkofte panden.

18.
Den tafelhouder sal alle jaer gehouden zijn rekeninge te doen van het overschot van de verkofte panden.

19.
Sal ook ‘t cort niet mogen afgetrocken worden van ‘t verschot, tot des taefelhouders particuliere voordeel, maer sal sorg dragen, dat die panden niet hoger beleent worden als sij dragen konnen.

20.
De tafelhouder sal gehouden wesen die panden van armeluyden (van de diaconie onderhoud genietende) aen de bedienaers ofte elemoziniers tegens restitutie van penninge, die op soodaene panden uytgekeert zijn, kost en schaadeloos te moeten wederleveren sonder eenig verstagelt ofte anders.

21.
ook sal den tafelhouder sorge dragen

pagina 44v

om haer comptoir soo te dirigeren dat de behoeftige luyden op haer gesinnen altoos gerieft konnen worden.

22.
Hiertegens sullen wij niet toelaten nog consenteren, dat ymant anders als vorscreven Vogelaer ofte sijn erven geduyrende de voornoemde 12 jaeren die tafel van leninge sal mogen houden.Actum in senatie ut supra.

Ter ordonnantie van selve, H. Toe Water, secretaris.

artikel 99.
Veneris den 17 january 1716. Resolutien bij raad en gemeente dat de grutcys 1 january 1716 beginnende en ultimo december deses lopenden jaers eyndigende publyk verpagt sal worden en vervolgens van jaere tot jaere.

100.
Dat de schouwe van de slooten en wegen over de geheele Vrijheyd voortaen als deser gebruykelijk is geweest van jaer tot jaere geschouwt sullen worden.

pagina 45

artikel 101.
En laestelijk dat het opbrandsgelt van het vee, dat in ‘t voor en najaer op de Mehen opgeslagen word betaalt sal worden, in conformite van de resolutie van de 8 january 1707 die gerenoveert blyft, en met primo may 1716 en vervolgens ter executie gebragt sal worden, om die penningen daervan provenerende ten profijte van de hecke, vonders en wegen op de Mehen te employeren.

artikel 102.
Sabathi 20 juny 1716. Is tot geryf van de burgeren en alle inconvenientie voor te komen bij de heeren van de magistraet geresolveert dat voortaen geen vis alhier op de merkt eerder gebragt en verkoft sal mogen worden als van mei tot september ’s morgens te zes en van september tot mei ‘s ochtens te seven uyren en eerder niet. Ordonneerende dat de eerste mael prijs sal zijn, en daer en boven voor de twedemael pecierende dat de overtreder sal incurreren een boete van thien heeren ponden

uitgenomen de vrich welke des [..] te voren betteld word aan de huizen des vriscken. Statuerende voorts dat des morgens geen vis onderwegen maer op de merkt verkoft sal worden bij een boete van 4 heeren ponde zijnde om dese executie te doen en hier op te passen van haar edele agtbare geauthoriseert deser stadsdienaere.

Aldus gerenoveert en gepubliceert 2 september 1797.

pagina 45v

artikel 103.
Venerus den 13 november 1716.

Is bij raad en gemeente geresolveert dat Brand Gerritsen en Peter Pompert pagteren van stads erven, haer pagt jaeren sullen hebben uyt te houden sonder kortinge te genieten.

artikel 104.
Mercury 1717.

Is bij de heeren van de magistraet geresolveert dat alle Hoven die aengemaekt zijn, voortaen na doode van de tegenwoordige besetters, ten stadsprofijte verpagt sullen worden.

artikel 105.
Sabbathi den 5 july 1717.

Op ‘t versoek van Hendrik Hannissen en sijn huysvrouw om op haer ses schepel zegt midden op ‘t land, midden op 't land een huys te mogen timmeren

Is verstaen, dat den remonstranten haer versoek geaccordeert word, mits dat sij de eygenaren, die rondom haer geland zijn geen schaade daer door sullen komen [te lijden] aen te doen.

pagina 46

artikel 106.
Jovis 8 july 1717.

Op vertoonde attestatie van Hermanus Michaels, geboorne soone van Michael Jacobs en Sara Gomperts begleyde joden, en daer op gevolgde versoek om hier ter stede te mogen woonen.

Is gehouden na de liberatie verstaen dat voorseide Hermanus Michaels alhier sijn woonplaatse sal mogen houden en verpligt zijn hem te gedragen als een onderdaen verschuld is te doen.

artikel 107.
Solis den 12 octobris 1717.

Ter vergaderinge vertoond zijnde een protest, hoe dat Otto van Dijkhuysen, sig gedragende als volmagtiger van de erfgename van Jan Aaltsen voorts de vrouw weduwe Bentink, waer bij sig gevoegt heeft Beert Prins op ‘t solemneelste hebben geheven te protesteren, dat haar edele en agtbare hadden goedgevonden de aerde te halen, uyt haere landern die tot het repareren van de soogenaemde Goordijk ofte liever Wessinger kerkweg ten hooghste nodig is, alles breder in actes vermelt, waer op bij raad en gemeente gedelibereert zijnde, hebben haar

pagina 46v

edele en agtbare neffens de geswoorenen gemeente na dat de vergaederinge daerover onder eede beleyd was, geresolveert, het bestek, dat daerover gemaekt is, te sullen executeren, selfs tot een proces incluys, voorts de aennemeren van het werk tegens alle insulten van de protestanten te sullen maintineren en guaranderen, soo en indien voegen, als de nood sal komen te vereyschen.

Præsentibus orbis scabinis waer bij sig Peter Feith gevoegt heeft.

Uyt de gemeente Antonides Harmen Snock , Henr. Balkhoud, Evert Dietsemerse, Egbert Groen, Henr. van Putten en Evert Nucke.

artikel 108.
Martis den 28 octobris 1717.

Op remonstrantie van Andries Hallen, om voor de Vispoorte daer de laetste volle moole gestaen heeft, erfelijk te mogen oprigten een papieren windmoole, houdende de breete van 40 voete, 8 kad en een schuyre, lank hondert en breet 30 voeten, blijvende een voet of vijf onbegrepen mitsgaders te hebben, soo veel water

pagina 47

uyt de stadsgrafte als tot gebruyk derselver nodig is, belovende daer voor 8 jaars aen de stad tot een recognite te sullen betalen 20 gulden en twe riem wit beste schriefpapier dat ter secretarye alhier gebruykt kan worden.

Hebben haar edele en agtbare neffens de geswooren gemeente na voorgaende de liberatie verstaen dat remonstrant sijn versoek geaccordeert is en soo verre dat hij voor voorseide getimmer en water uyt de stadsgrafte tot een recognitie aen de stad s jaers en orflijk betalen te vordeele van remonstrant het gebruyk van de hof van Arent de Ruyter zullende 't eerste jaer van dese recognitie betaelt worden den lesten juny 1719 en dus alle jaer op de expresse en verdere conditie dat de heere van lande sijn zegt en gerechtigheyd en om men evenueel sal blijven voorbehouden, zijnde bij d' uytkomste gebleken dat remonstrant meerder grond belemmert hadde, als hem boven is geaccordeert, soo is de jaarlijke recognitie met 5 gulden vermeerdert dus dat de remonstrant ’t ’s jaars sal betalen 35 gulden waervan eerste jaer vervallen ultimo 1723 lunæ den 25 octobris 1717en soo vervolgens. Actum den 19 juny 1723

Hebbende de heeren Wolfsen, Santberg, Feith, de heere van de magistraet en de gesworen gemeente gehoort hebbende het rapport van de heeren Potgieter en Bigge, van de landag tot Zutphen den 5 octobris.

pagina 47v

artikel 109.
De schepenen eedele Potgieter, Bigge, Ingen et Brienen gepræsteert en conformite van landschaps resolutie van den 21 octobris 1717 lestleden aldaer gehouden, gecommittert hebben de selve voor haer gedaene rapport soo van het kerstelle van de regerunge als anders, gelijk aldaer in allen deelen en allen gevallen gehouden was, voor haare aen gewenden ijver, en goede officien ten dienste van ’t gemeen aengewend, bedankt.

Zijnde voorts bij de magistraet geresolveert onsen secretaris Heymerink toe Water ad acta vitam continueren en des selfs naam en persoonen en de publicatien als soodanig te insereren hebbende daerop sijn eed in handen van præsteert.

artikel 110.
Martis den 16 novembris 1717.

Is bij raad en gemeente geresolveert, dat [..] Gerhard Witte als verkooren burgermeesteren plaetse van de overledene broeder Henr. toe Water en de schepenen eed sal aengenoomen worden, sonder bepalinge van tijd. Dese eed gepræsteert door d’ broeder Witte den 16 novembris 1717.

artikel 111.
Jovis den 23 decembris 1717.

Is bij de heeren van de magistraet geresolveert dat niemant eenige peuyn en smekolen ofte ander vuylnis op de stadswallen sal hebben te brengen, ofte sand van de selve te haelen bij een boete van 10 heeren ponden.

pagina 48

Voorts ordonnerende dat voor de nieuwe poorte langs de dijk ofte hoogte de boomen binnen 8 dagen geremoveert, en op een andere plaetse gebragt sullen worden, daer de selve geen schaede veroorsaeken met verdere last om voortaen geen boomen daer meer te leggen bij een boete als boven.

Instructie voor den commanderende officieren deser stad beraemte geresolveert præsentibus omnibus scubinis den 4 januari 1718 excepto Witte.

artikel 112.
Dat de commandant sal hebben te vigileren dat er geen samen rottingen van burgeren gedaen worden, om tegens de heeren van de magistraet, gemeensluyden, secretaris ofte andere bedienden van de stad van wat qualiteyt de selve mogten zijn, yts te mogen ondernemen. En yts gewaer wordende dat seditieus was, dat sijn edele daervan aenstonts sal hebben kennisse te geven ande præsident burgermeester.

Dat de commanderende officier voor al sal hebben agt te geven, en bij het woord van parole te belasten, dat sijn onder hebbende manschap nugter blijve, om hun met de saeken, de regeringe concernerende niet [hebben] te bemoyen, dat

pagina 48v

de selve sal hebben te dirigeren, dat de placaten van de lande, over het bestellen van de regeringe geemaneert, gemaentineert het gesag van ’sLands Hoogheyd geconserveert, en de regeringe, soo als deselve alhier geconstitueert is, geprotegeert moge worde tegens isultes van het volk.

Ten drensire sal den commendant alle de militie in ’t quarnisoen doen komen, en den dertienden januari aenstaende met agt man op het stadhuys wagt te houden behalven de ordinaire wagte de selve te vermeerderen nadat de nood sal hebben te exigeren.

Den commendant sal hebben sorge te dragen dat als dan op den 13 en 14 daeraenvolgende niemant op het stadhuys koome, als de heeren van de magistraet, scholtis, secretaris en gemeensluyden, en andere bediende van de stad, voorts alle andere personen van wat qualiteyt die mogte zijn, daervan hebben te weeren, en gewelt met gewelt te keeren, tenwaere dat haar edele en agtbare daeromtrent anders gerante ordonneren

pagina 49

dat de heeren van de magistaet kraft deses aennemen te voldoen de schaede, die de militie aen haer paerden een cas van actie op den bestemden tijd quam te lijden.

artikel 113.
Veneris den 31 decembris 1717.

Is ter vergadeinge van raad en gemeente voorgelesen 't reces van de landschaps vergaderinge den 4 decembris laestleden extraerd.. gehouden, voorts sevreus aen een yder van de leden voor gedragen het placaet nopens de zegeringe geemaneert tot maintien van 'sLands Hoogheyt te conserveren de regeringe soo als deselve thans geconsitueert is te protegeren, en de saeke op aenstaende Pontiani te dirigeren als tot ruste van de stad strecken kan 't welk een yder der leden alsoo te doen aengenoomen heeft.

Zijnde vorders geresolveert dat door de burgereye alleen sonder de gildens de plaetsen van twe vacante gemeensluyden den 10 januari aenstaende gesuppleert en en verkooren sullen worden.

artikel 114.
In senatu lunæ den 24 januari 1718.

Gehoort ter vergaderinge de openinge van de heeren van den magistraet, dat haar edele en agtbare niet gestigt waeren

pagina 49v

door de christelijke gebeden sedert eenige tijd herwaerts door de predicante alhier van den predikstoel publyq gebeden, en niet anders, beoogende als de eere van Gods naame strigtinge van de onderdaenen aen haare wettige regente, voorts weringe van alle oproeren en seditie, waermede 't volk in dese conjunetuyren van tijden geswanget zijn.

Soo hebben haar edele en agtbare na gehoudene rijpen raade, in de vresende heere tot meerder stigtinge geresolveert en verstaan resolverende en verstaende kraft deses, dat de predicanten deser gemeente gehouden sullen zijn 't formulieren in de cristelijke gebeden hier agter gevoegt, nopens de hoogte overigheyd van 't Sinodus van Dortregt beraemt van woorde tot woorde [haere gebede] te observeren, en na te volgen, en daer tegens niet direct of indirect te doen; of haar edelen en agtbaren sullen haar eerwaerde malkanderen dese onse resolutie sullen communiceren, om haer daerna te reguleren tot dat wij daer over nader sullen gedisponeert hebben als wij bidden u voor de overheden, die het u belieft heeft over ons te stellen; voor de hoog moogende heeren Staten Generael van dese Vereenigde Nederlanden, voor de Raad van

pagina 50

Staten, voor mijn heeren de state van desen lande, voor de heeren gecommitteerde raden voor mijn heeren van de heeren van den Hove Provintiael voor de weledele en agtbare magistraet en raad deser stad; verleent hen allen uwer genade en gave een ygelijk, in sijn beroep en staat daer u en van u gestelt is, op dat sij 't volk dat ghij hem toebetrouwt hebt, wijselijk regeren, kloekmoediglijk beschermen uwe dienst getrouwelijk handhaveren en de justitie aen haere onderdaenen regt bedienen: wilt voorsitten met uwe Heylige Geest in haere samenkomsten op dat sij u alle saeke niet anders dat het geene goed en bekoorlijk is, besluyte en daerna het selve ook geliekelikk uytvoeren mogen, ten eynde dese landen van haere vijanden bewaert, de het de quaeddoenders gestraft en de vroome voorgestaen zijnde, uwen naame daerdoor geeert en selve ook geluekelijke uytvoeren mogen, ten eynde dese landen van haere vijanden bewaert, het Rijke des Koninks der Koningen Jesu Christi gevordert mag worden, en dat wij een gerust stil leven mogen leyden in alle Godsaligheyd en eerbaarheyd.

artikel 115.
Sabbathi den 29 januari 1718.

Is bij raad en gemeente tot besorginge van deser stads finantie, vertaan, dat Jan Elbertsen, Frerik Jansen, Gerrit Wijnen, en de weduwe van Veen yder aen de stad tot een recognitie sullen betalen alle jaeren twe gulden cost zullende t eerste jaer vervallen ultimo decembris 1719 waervan in de stadspagten geregistratie [worde] sal worden gedaen.

pagina 50v

artikel 116.
Sabbathi den 5 fabruari 1718.

Bij resumptie nader gedelibareert zijnde of onse raadsvrund Witte als riddermatige en van stads wegen gecommitteert en sijn welgeboren naam in de stadscommissie geinsereert sal worden op den verschreven extraordinaire landagh van de 8 fabruari 1719 is verstaan, dat sijn welgeborenen als riddermatige op land en quartierdagen altijd kan compareeren en dat de comparitie op land en quartierdagen vervolglijk aen de andere schepenen sal blijven gedemandeert met exclusie van de riddermatige personen.

artikel 117.
Sabbathie den 19 fabruari 1719.

Gehoort 't rapport van de raadsvrunden Potgieter en Brienen op de voorseide extraordinaire landag van de 8 deses onsent wegen gecommitteert; en zijn voor haare gedaene rapport, en aengewende dienst door haar edele en agbare en de geswooren gemeente bedankt.

artikel 118.
Mercury den 1 fabruari 1719.

Zijnde bij de heeren van magistraet geresolveert, deser stad willekeur

pagina 51

publyq te laten drucken, waertoe geoctroyeert is de persoon van Jan Rampe.

artikel 119.
Lunæ 17 marty 1719.

Op requeste van Jan de Gogen om 42 voeten grond in de lengte 20 voeten in de brete te mogen betimmeren.

Is verstaen dat de remonstrant sijn versoek geaccordeert word, mits alle jaeren daer voor betalende 3 gulden, waervan 't eerste jaer sal vervallen ultimo decembris.

artikel 120.
Sabbathi den 5 augusty 1719.

Zijnde bij de heeren van de magistraet geresolveert dat de opengevallen schepens plaatse door doode van Ingen, op de 7 augusty aenstaende wederom gesuppleert sal worden met een vrije keus dat om alle disorder te weere door 2 gecommiteerden uyt de magistraet, gemeensluyden en [daer] andere die daer toe gecommtteert mogten worden, die voorseide keur sullen mogen assisteren bij onstentenisse van desen formule, dat voorseide gecommitteerden de vergaderinge sullen doen dissolveren en protesteren jegens a l't geene dat als dan gedaen mogte worden.

artikel 121.
Veneris den 14 april 1719.

De extraordinaire gedeputeerde plaetse van 1 may 1719 tot ultimo april 1719 is op onse raadsvrund Potgieter geconfereert.

artikel 122.
Sabbathi den 13 januari 1720.

Alsoo door d’ vrijwillige afstanden gepromoveert zijnde tot de schepenstoel, het scholtampt door Andries Ernst van Ingen is vacant geworden, soo is inder selfs plaatse genomineert en geeligeert Jan Gijsbert Santberg

pagina 51v

artikel 123.
Sabbathi den 5 july 1721.

Haar edele en agtbare hebben tot benefice van het veer op Amsterdam, en om moeyelijkheden, omtrent het varen voor te komen, vertaan en geordonneert verstaende en ordonnerende kraft deses dat alle beurtluyden die in ’t veer op Amsterdam varen met het begin van haer veer ’s ochtens te negen uyren met haer schip op de rehede alhier voor ’t anker sullen sijn; bij ontstentenisse van dien,sal de beurte vervallen zijn aen die schepen, die op de rhede ten anker leggen, die als dan over de opgevallen tour beurte sullen mogen spelen, en ’t veer sullen bevaeren.

artikel 124.
Lunæ 29 decembris 1721.

Heden gedelibereert zijnde over de staat van den ontfank der verpondingen alhier door Anthonides bedregt wordende; hebbed haar edele en agtbare verstaen dat gemelte Anthonides mits dese geordonneert word

pagina 52

om een conformite van sijn getekende inspraeke van de 1 februari 1715 binnen den tijd van drie weken na insinuatie deses de verpand ordinaire 1718, en extraordinair 1719 te sullen verrekenen, en sijn verdere verantwoordinge 's jaarlijks te sullen doen en bij ontstentenisse deses kan den voorgemelte ontvanger versekert zijn, dat haar edele agtbare op andere middelen moeten bedagt zijn tot convervatie van deses stads finantien en interee..

artikel 125.
Sabbathi den 13 juny 1722.

Alsoo den ontfanger Antonides alnog u mora blijft, om u conformite van haar edele agtbare resolutie van den 29 decembris 1721 de verpondings order 1718 en extraordinair 1719 te verrekenen. Soo doen haar edele agtbare den voorseide ontfanger Antonides alnog ten overvloet denureren, dat hij in de tijd van 8 dagen na insinuatie deses het voorseide jaar verponden niet alleen sal hebben te verantwoorden, maar ook dat hij geholden sal zijn een pernitente restant cedule van sijn ontvank in handen van haar edele en agtbare over te geven

pagina 52v

en daar en boven verschuld zijn den ontfank beginnende met het jaar ordinair 1721 ten genoegen van den ontvanger generael te verburgen, aangesien haar edele en agtbare tot conversatie deser stadsfinantie op ernstige en iteraltive aenmaninge van den ontvanger generael wegens 'dexcerssive restanten die dese stad te agteren is, om dese resolutie te nemen amptshalve verschuld zijn, zijnde de dienaren gelast desen te infinaeren en daervan te relateren.

artikel 126.
Veneris den 15 januari 1723.

Zijnde om het verval van de gruteys te redresseren, en die tot besorginge van de stadsfinantie te maintineren, bij raad en gemeente geresolveert, dat alle dieke bieren sonder onderscheyt, die van buyten in de Vrijheyd ingebragt en alhier door tappers en bierslijters geconsumeert worden, en van yder tons gerekent op 100 ponden[..] sullen hebben te betalen en aen te geven twe banken,alles minder en meerder na advenant bij een boek van 25 gulden tot erkentenisse van haar edele en agbare.

pagina 53

artikel 127.
Sabbathi den 6 februari 1723.

De heeren van de magistraet in ervaringe gekomen zijnde, dat er sedert eenige tijd herwaerts eenige discrepantien en misverstanden zijn ontstaen tussen Lodewijk, Daniel de Reusch, rector der Latijnsche, en Jacob Munnick schoolmeester der Duytsche schoole en haar edele en agtbare niet meer ter herte nemende als dat de voorseide rector, en schoolmeester en een goede harmonie mogen leven tot stigtinge van de jeugt. En dat er niet noodsakelijk is, als dat de jeugd, soo wel in goede sede vordere, in alle christelijke deugden toe nemet als in alle andere wetenschappen, en studie hoe langs hoe meer, komen te vorderen, hebben goed gevonden te ordonneren en te statueren ordonnerende en sttatuerende mits dese eerstelijk dat voorseide [rector] Reusel rector der Latijnscheschoole voortaen en altoos van jaare tot jaare van den 1 april eerstkomende tot den lesten augusti inclusive, sal schoolhouden viermael des daegs, als van 's achtens te 7 tot 8 uyren, van 9 tot elf uyren en van 4 tot 5 uyren, alsmede van

Het derde deel

pagina 53v

van de 17 februari tot ultimo marty inclusive twe mael des daegs, als van 's ochtens te 9 tot elf uyren en van 's namiddag van 2 tot 3 uyren.

Dat de voorseide rector sijn lessen sal reguleren na het winter of somer saisoen, en na de capaciteyt van de jeugt, soo als hij sal oordelen te behoren.

Dat den selve als imand privatim van hem geinstitueert wierde, sijne lessen niet sal moeten reguleren tot nadeel van die geene, die dese private in stititie, niet en genieten, maar d'ordonnaire, voor d'extraordinare institutie moeten præfereren.

Dat de rector ook alle discipelen die bij hem ter school gesonden worden, sonder onderscheyd van discipelen, sal moeten leren, voor het tractement, dat hem van de stad gegeven word, sonder dat hij van de discipelen yts meerder sal mogen vorderen.

Dat hij alle sijne discipelen 's sondaegs of op alle andere feestdagen twemael ter kerke sal doen gaen, die plaets sullen nemen op de twe agterste banken voorin de kerk, daer de kinderen altijd geseten

pagina 54

hebben, en hem nader aengewesen sullen worden.

Dat Jacob Mannink schoolmeester insgelijks de jeugt hem reets aenbetrouwt ofte die hem namaels arbetrouwt mogte worden, sal moeten onderwesen, leeren, schrieven en rekenen, gelijk van ouds practicabel is geweest, voor een tractement, dat hij 's jaers van de stad geniet, en sulx twemael des daegs als van 's ochtens te 9 tot elf uyren, en 's middags van 1 tot drie uyren præcys.

Dat de voorseide scholmeester mede sal besorgen dat de kinderen sonder onderschijd van personen twe mael ter kerke komen, de cathegesatie frequenteren, hiertoe de olderen en kinderen te vernamen, soo veel in hem is, op dat sij in de christelijke religie toenemend, meer en meer in kennisse en vreese des heeren op gevoedet mogen worden, zullende de nalatige daerover mogen corrigeren soo als hij na bevindinge van saeke sal oordelen te behoren.

Gelastende den voornoemde rector reusch, en schoolmeester Jacob Munnink haer na dese order exactelijk te gedragen bij poene

pagina 54v

soo contrarie dese gedaen, of gepractiseert wierde van nadere correctie.

En opdat de rector Reusel en schoolmeester Munnink dese onse goede intentie mogte weten is geresolveert haer dese resolutie ter hand te stellen om haer sampt en yder int bijsonder daer na te reguleren tot onse wederseggen.

artikel 128.
Lunæ den 1 marty 1723.

Bij raad en gemeente wederom geexamineert zijnde de missive van den ontvanger generael en het bij gevoegde staatje, hoe veel Gerhard Antonides als ontvanger van deser stads verpondingen tot ordonnantie 1721 incluys ten agteren is, ten comptoire generael; en te dagten zijnde, dat het geene dese stad ten comptoire te agteren is met middelen van executie, op de stads domeinen en inkomsten mogte verhaelt worden, ‘t welk daar haer edelen en agtbare nevens de gemeente moet verhoedet worden. soo ist, dat haar edelen en agtbaren de geswoeren gemeente inhærerende haare resolutien van den 29 decembris 1721 en 13 juny 1722, verstaen

pagina 55

tot besorginge van de stads finantie, dat de voorseide Anthonides gehouden sal zijn, om binnen de tijd van een maand (na insinuatie deses) d'verpond ordonnantie 1719 en ½ extraordinair 1720 te moeten verrekenen, alsmede een nieuwe maandcedule, en een speersigen rekeninge van sijn restante ter secretarie over te leveren, of bij ontstenteasse van dien, sal den voorsIeide] Anthonidus hem van sijnen verdere ontfank over 1722 en de volgende jaren gelieven te onthouden en daermede sil te staen tot onsen nader order.

den ontvanger Anthonidus præsent zijnde is dese resolutie voorgelesen en een extract daervan ter hand gestelt door Danisent zijnde is dese resolutie voorgelesen en een extract daervan ter hand gestelt door Daniël van Heerde.

Veneris de 22 octobris 1723.

Zijnde op versoek van den ontvanger Anthonides, den selve om dese bovenstaende resolutie te voldoen, doen, door raad en gemeente nogmaels een termijn vergund tot den 1 decembris zullende bij onstentenissen deses als dan sonder eenig dilan nader over den ontfank gedisponeert worden.

artikel 129.
Sabbathi den 26 juny 1723.

Op versoek van Wessel van Eijbergen als deser stads eekweger om te hebben een resolutie, wat den remonstrant van ijder mudde eek te wegen voor sijn salaris sal mogen nemen en wele eek om te wegen aen hem sal zijn.

Waerop gedelibareert zijnde is bij

pagina 55v

provisie verstaen dat de remonstrant van yder mudde eek te wegen van de koopluyden sal moeten en mogen vorderen ses penningen, dat alle eek, die alhier geschuyrt, en in staeken gekapt word, van hem gewogen sal worden, voorts dat alle eek, die alhier komt te passeren van dese resolutie sal blijven geexpimeert.

artikel 130.
Sabbathi den 23 october 1723.

Is bij de magistraet geresolveert, te publiceren dat de ontvanger Antonidus met t ontvanger van ‘t jaer 1722 sal hebben stil te staen tot den decembris aenstaende, als wanneer over den ontvank nader sal gedisponeert worden, contrarie doende, sal ‘t voor geen betalinge verstreeken.

artikel 131.
Veneris den 10 decembris 1723.

resolutien bij de heeren van de magistraet en gesworen gemeente [nemine contradicente [dat] soo den ontvanger Antonidus de verpondings order 1719 en extraorddinair 1720 in de tijd van 14 dagen niet en verrekent sijn restanten overgeeft, en copie van maandcedule extradeert, dat alsdan sonder eenig

pagina 56

dilay den ontvank vacant verklaart, en over de verdere bedicninge gedisponeert sal worden zijnde de gerigtsdienaer gelast om copie van dese resolutie Antonidus ter hand te steelen, quod sie factie est door Gorris Cuypers ut resolit.

artikel 132.
Feneris den 14 januari 1724.

Haar edele en agtbare inhærerende haare resolutie, over den ontvank genomen blijven al nog wagten en waren op d' overleveringe van de maandcedule alsmede van de restanten tot den jaere 1721 incluis. doch soo den gemelten ontvanger Antonidus deselve niet en extradeert in de tijd van 8 dagen na resolutie deses, dat haar edele en agtbare als dan sekerlijk over de ontvank sullen moeten disponeren.

Tot paritie van de resolutie heeft Antonides heden de copie van de cedule overgegeven, de restant cedule word al nog verwagt na den inhoud van deser resolutie.

Zijnde inhoud deses Antonides voortshoofes voorgelesen.


pagina 56v
 
artikel 133.
Resolutie den 21 januari 1724.

Compareerde Gerhardus Antonides, en heeft in præesente van raad en gemeente compleet vergadert, aengenomen om bij sijne eerst te doene rekeninge, die geschiede sal voor den 1 april 1724, een specifiqatie restant cedule te moeten overgeven tot 1721incluys, of bij manquement van dien stelt den ontvank vacant.

En de wijle haar edele agtbare, en de gesworen gemeente, desen ontvanger niet gedenken te vervangen ofte te vernadelen, soo word verstaen, dat denselven de tijd van 14 dagen gratiose vergund word, om in die tijd sijn restante specifici et nominatum te vervallen en ter secretarye over te leveren verklarende bij ontstentenisse van dien de ontvank vacant.

Den inhoud deses is Antonides voorshoofds geinsinneert.

artikel 134.
Martis den 8 februari 1724.

Alsoo Gerhard Antonides al nog weygerig blijft, om de gelibelleerde restant cedule over te geven, met verklaringe dat hij niet gehouden is, zulx te doen

pagina 57

strijdende tegens de opgerigt instructie waarop haar edele en agtbare bij resunitie nader gedelibereert, verklaren inconformite van de voorstaende resolutie en in spene, die van den 21 januari jongstleden, in cas subject genomen, desen ontfank van de verpondinge vacant, voorts ordonnerende den geseyde Antonides, dat hij ‘t jaar 1720 voor den 1 april 1724 sal moeten verrekenen, als wanneer haar edele en agtbare over de verdere administratie sullen willen disponeren inhereren haar edele en agtbare de resolutie den 23 october 1723 genomen en verstaan, dat voor de twedemael geplubliceert sal worden, dat niemant van wat staat, of qualiteit hij sij de verpond ordonatie 1722 an de gemelten Antonides sal hebben te betalen of, dat soo contrarie dese onse goede en heylsame resolutie gedaen wierde, direct of indirect, het voor geen betalinge sal konnen verstrecken.

Hebbende de gemeente daermede [de] geconfirmeert zijnde copia van desen door D. van Heerde Antonides ter hand gestelt.


pagina 57v

artikel 135.
Lunæ den 2 april 1724.

Ter vergaderinge van raad en gemeente geproponeert zijnde, dat gerhard Antonides als ontvanger van de verponding en gevolgen sijn eygen beloften in dato den 21 januari laetstleden in mora is gebleven, om sijn restant cedule, behoorlijk geclausuleert ter secretarie over te geven, en sig heeft gelieve aen te kanten tegens haar edele en agtbare resolutie in dato den 8 februari jongstleden gekomen en onder veele blauwe uytvlugten te declareren, dat hij niet gehouden is ‘t jaer 1720 te verekenen, omdat hem d' inmaninge van de verpondinge van ‘t jaer 1722 verboden was, dog bevindende dat gemelten ontvanger Antonides een merlijk souren is, waertoe sijn goederen, die daer voor verbonden zijn met sufficant zijn, dese nakende schade te konnen vergoeden, dat haar edele en agtbare dese schade van de stad, sooveel mogelijk is, hoe eerder hoe liever te hebben moeten verhoeden, en het intereren van de stad versorgen, amptshalven ten besten genootsaakt zijn geworden op dese sake genootsaakt zijn geworden op dese sake serieuslijk te delibereren

 

pagina 58

te verstaen, en met seer veel leetwesen te verklaren, gelijk kraft deses verstaen en verklaart word mitsdesen, dat de geseyden Antonides hem van de manience van 1722, en de volgende jaren int geheel sal hebbente onthouden, verklarende alsoo den ontvank vacant.

artikel 136.
Sabbathi den 29 april 1724.

Is verstaen bij raad en gemeente over Antonides van de laeste mael te sommeren om in de tijd 8 dagen sijn restanten over te geven en ‘t jaer 1720 van de verpondinge te verrekenen of bij verder dilan sal me op sijn persoon en goederen moeten procederen als na regten, welke sommatie doer Gorris Cuypers gedaen is den 1 mey 1724 utretulit.

artikel 137.
Veneris den 2 juny 1724.

Blijkende uyt aleen desen, dat Antonides buyten alle verwagtinge nog Antonides buyten alle verwagtinge nog restanten op wil geven, nog verderen rekeningen gedenkt te doen, waerom haar edele en agtbare haer niet langer willen laten musoir stellen

pagina 58v

hebbende de ontvank der verpondingen met bewilliginge van de raad en gemeente geconfereert op Egb. Jan van Ommeren en dat op de volgende instructie gelijk vervolgelijk genoteert is

1.
Dat desen Ommere hem eerst en vooral sal hebben te reguleren na de qartierlijke resolutien, die omtrent het inmanen van de verpondinge reets genomen zijn ofte in 't toekomende nog genomen mogte worden, waerna den selven hem stiptelijk sal hebben te reguleren, en alle onverhoopte schade daeruyt resulterende hem selven moeten reputeren.

2.
Dat desen van de draadwillige betaalders eerst de gerede goederen sal hebben te executeren met de tafel voir de duere, gelijk alhier practiquabel is, en bevindende, dat de goede goederen niet suffucant zijn, om de agterstedige verpondinge daer aen te konnen verhaelen dat den selven als dan en eerder niet de ongerede goederen sal mogen executeren

pagina 59

en nu gedaene executie die posten laten en overgeven; met die gerigtelijke onkosten daer omtrent aengewend ten lasten van dese stad, die ook geholden sal zijn, dese geexecuteerde posten hen en sijne te doen rekeninge te valideren, als de tijd van rederntie geexpireert sal zijn, en eerder niet.

3.
Dat de heeren van de magistraet de versogte executien niet sullen mogen verweygeren voornamentlijk als de executie versogt word in die laps van tijd, als het regt van door den ontvanger niet genegligeert is, na uytwiesinge van de quartierlijke resolutien.

4.
Den ontfank is geconserfeert op Egb. Jan van Ommeren sijn levenlank, behoudelijk nogtans dat bij deselve sal mogen afstaan na sijn welgevalen blijvende verpligt de selve getrouwelijk te manieren, en de selve voor de heeren van de magistraet en genoegen van den ontvanger generael te verburgen, onder verband van sijn persoon en goederen de parate en reele executien

pagina 59v

gelijk de ontfangsten beraamt is ofte nog beraamt mogte worden na quartierlijke resolutien.

5.
Desen ontfanger sal 5 jaars ordinaris gesalarieert worden met twehondert st[uy]ver waeronder begrepen is den ontfank van de verpondinge, waermede eenige verkofte landerijen van dese stad beswaert zijn, sonder yts meerder te konnen pretenderen.

6.
Dat het salaris van den extraordineris ontfank gereguleert sal blijven na dat de selve bij den daartiere te betalen uytgeset word.

7.
Zullende den voorseide ontvanger ‘t eerdste jaer van sijn ontfank moeten verrekenen int laeste vierendeel jaers van het twede jaer van sijn ontfank, en daerin moeten continueren van jaere tot jaere soo lange hij in den ontfank continueert, voorts sal den den selve geen andere quitancien in rekeninge mogen brengen, als die tot 't jaer dat verrekent word specteren.

pagina 60

8.
Dat geen particuliere, maer een generale quitantie van de ontvanger generael zijn hand, in rekeninge sal aengenomen worden, en na gehoudene lequidatie deselve alhier ter secretarie moeten overleven, tevens een quitantie en slot van rekeninge, die den heeren van de magistraet met den ontvanger Ommeren gehouden heeft.

9.
Dat den ontvanger geholden sal zijn op gesinnen van haer edele en agtbare sijn restant cedule van post tot post soo die en menigmael ter secretarie over te leven, als deselve van hem gevordert sal worden, alsmede copeie van sijn maenboek met nieuwe namen sonder onderscheyt, waerna hij der verpondinge ontfangt.

10.
Zullende dese ontfanger ook geen part of deel moge hebben direct of

pagina 60v

indirect aen stads of slands pagten ofte daervoor mogen burge worden.

11.
Laestelijk is verstaen, soo den ontvanger mogte manqueren dese voorstaende conditien te præsteren en na te komen dat haar edele en agtbare aen haer behouden het regt, om van den ontvank te mogen disponeren na haer welgevallen met reserve om ese conditien, te konnen vermeerderen of verminderen soo en als na exigentie van saken bevonden sal worden te behooren. Tot een teken der waerheyd, en tot nakominge van dit alles is desen betekent. den 26 juny 1724.

Ter ordonnatie van haar edele en agtbare. J.v. Ommeren.

M. toe Water, secretaris.

pagina 61

artikel 138.
Zijnde ter vergaderinge erschenen, den eerwaarde Wilhelmus Lobbe, bedienaer des Godlijken woords alhier, en Lamb. Hegeman ouderling, mitsgaders Jan Gerritsen als gecommiteerde van de edelagtbare kerkenraad, tot onser twede herder en leraer in plaetse van onsen overledene prædicant dominee Bernardus Fabritius zaliger verkoren heeft de eerwaarde godzaliger Samuel Coenraet de Bruine, predicant tot Dubbeldam versoekende, dat wij dese haere op heden gedaene beroepinge approberen en confirmeren wilden.

Tot welkers versoek genegen wesende soo hebben wij de voorseide beroepinge en verkiesinge geapprobeert en confirmeren op een tractement van seshondert gulden 's jaars, vrije woninge en verdere emolumenten, alles om te strecken na behoren.

artikel 139.
Hebbende sijn eerwaarde de heere van de magistraet bij missive van den 29sten marty 1725 bedankt voor het geoffereerde beroep.

pagina 61v

artikel 140.
Veneris den 1 juny 1725.

Zijnde de vergaderinge erschenen de eerwaarde Wilhelmus Lobbe, bedienaer des Godlijken woords alhier, en onse mede raadsvrund Harmen Jacob van Eikelens als ouderling respective gecommiteerde van de kerkenraad alhier, te kennen gevende hoe dat de edelagtbare kerkenraad tot onsen twede herder en leraar in plaatse van wijlen Dominus Barnardus Fabritius verkoren heeft tot onsen twede prædikant den eerwaarde, en godszalige Franciscus Halma bedienaar des godlijke woords tot Holwerdt in Friesland versoekende, dat wij dese gedaene beroepen geapprobeert en geconfineert, approberende en confirmerende deselve kraft deses op een 1 jaarlijks tractement van seshondert gulden, vrije woninge en andere emolumenten alles om te strecken na behoren.

artikel 141.
Reglement op het veer van Amsteldam.

Sabbathi den 2 juny 1725.

Burgemeesteren schepenen en raad met veele

pagina 62

ondervindinge vernomen hebbende, dat er veel tijds questien resulteren tussen de verschipperen over het waarnemen van het gemelte veer, en daerin willende voorsien om alle [allen] toekomende verschillen soo veel mogelijk is te beslissen en voor te komen, hebben goedgevonden te arresteren en te beramen de volgende articulen, waerna hun de respective veerschipperen sullen hebben te reguleren.

1.
Eerstelijk is verstaen dat van hier op Amsterdam drie schepen 's weeks sullen varen, wanneer, water, en wind zulx toe laet, te weten sondaegs, dinsdags en donderdags.

2.
Dat dese schepen sullen varen op yder dag voorsied 's middags te een uyre precijs bij een boete van 3 gulden.

3.
Dat yder schipper, die int veer sal varen, met den aenvank van sijn veer op die selve dag, als hij varen sal 's ochtens te 9 uyren ofte vroeger met sijn schip op de rede sal zijn, en soo sulx onverhooptelijk

pagina 62v

quam te manqueren, sal dese schipper van sijn veer voor dese keer versteken zijn, over welke vervallen beurte dan die schipperen, die op de rehede leggen sullen moeten spelen, om dit veer te bedienen, sonder dat dese manquerende schipper uyt dese beurte eenig voordeel of profijt direct of indirect sal mogen profiteren.

4.
Soo 't quam tr gebeuren, dat een schipper sijn geheele veerbeurte of veertien dagen quam te versuymen, dan sal den selven aen dese stad verbeuren 12 gulden van yder keer, en geen profijte van 't veer mogen trecken. Blijvende daer van geeximeert soodaene schepen, die in de haven leggen door verloop van 't water niet konnen varen.

5.
Dat geen vreemt schipper over dese open gevallen veerbeurten sal mogen spreeken of loten om te varen, wordende een vreemt schipper gerekent te zijn, die van heer edele agtbare, niet gequalificeert is; mitsgaders

pagina 63

sal den selven geen buytenvragten alhier vallende, mogen aennemen 't welk alleen aen onse burgeren en schipperen sal vervallen zijn, voorts is gestatueert soo omtrent desen articul te vooren ytz anders mogte beraamt zijn, dat haar edele en agtbare zulx voor gecaffeert geannuleert en gemortificeert houden.

6.
Waar 't saake dat een vreemt schipper alhier vragt bragte, buyten het geseyde veer, sal denselven ook buyten het veer wederom vragt mogen mogen laden, voornamentlijk soo denselven komt van een plaetse daar dier gelijk regt aen onse schipperen vergund en geaccordeert word, andersints sal sulx verblijven ter arbitragie van haar eddele en agtbare.

7.
Nog behouden haar edele en agtbare 't regt om dese articulen te konnen vermeerderen of verminderen soo en als na expigentie van saken geoordeelt sal worden te behoren.

pagina 63v

artikel 142.
Sabbathi den 2 juny 1725.

Resolutum dat niemand hem verstouten sal om gras an de Weerde of anderman lande te snijden, behalven op gepriviligeerde plaetsen, bij een boete van 21 heeren ponden.

artikel 143.
Joris den 2 augusti 1725.

De heere van de magistraet aen d' eene sijde considerende den slegten staat, waarin de kerke haar, nopens haare inkomsten sig thans bevind en an d' andere sijde overwegende d' noodsaakelijkheyd, dat 't orgel van dese kerke, ‘t welk gansch vervallen is, dient gerepareert te worden, waartoe de kerkeninkomsten niet magtig zijnde, zijn over sulx te rade geworden naar gehoudene deliberatie, te verstaen dat 't orgel gerepareert en d'onkosten daerover gevallen, half bij de wesen en half bij de besjesmesteren uyt haarer collegien inkomsten, yder met een somma van 122-10-stuiver voldaen sullen worden mits desen expressen bedinge nogtans

pagina 64

dat soo de kerkeninkomsten bij tijd en wijlen mogte komen te avaneeren dat de wesen en weduwen dese verstrecte penningen als dan van de kerke wederom sullen profiteren sonder interesse.

artikel 144.
Sabbathi den 22 juny 1726.

Op versoek van Jan Elbertsen om het ½ mudde zaayland, toebehorende Sint Jansvicarie, gelegen int ampt van Doornspijk, alwaer den Krommeacker westwaarts en Dries Pele oostwaarts aengelegen is, in erfpagt te hebben voor een sekere recogtie 's jaarlijks, om daerop te mogen timmeren een toebaksschuyre, of deselve te converteren tot een wooninge na rade van den suppliant.

Haar edele en agtbare hierover gehoort hebbende het rapport van haare gecommitteerden, om dese sake te ondersoeken genomineert accorderen en vergunnen de suppliant 't voorseide ½ mudde gesay in erfpagt 's jaarlijks voor een somme van negen gulden 10 stuiver voor de tijd van veertig

pagina 64v

agtereenvolgende jaren beginnende marti 1726 en soo vervolgens tot 40 jaren toe mits dat de vicarius indertijd d' inkomsten 's jaars treckende, ook de verpondinge sal moeten suyveren, zijnde verder geresolveert, dat de suppliant of sijn erfgenamen het getimmer na expiratie van dese 40 jaren, niet sullen mogen removeren als met kennisse van den vicarius in tempore die 't selve op taxatie en istimatie van onpartijdige sal mogen naasten of doen removeren, soo en als na tijds gelegentheyd geoordeelt sal worden te behoren. Blijvende het voorseide getimmer voor d' overhoopte wanbetalinge verbonden onder verband en ten fine als na regten.

artikel 145.
Martis den 28 october 1727.

Op requeste van Reinier Otto Schrassert als scholtis van Doornspijk versoekende alhier te komen wonen en aardgunningen om sijn acte alhier te

pagina 65

mogen expedieren, als sijne prædecesseren gedaen hebben.

Haar edele en agtbare accorderen den suppliant bij provisie en tot ons weder seggen toe sijn versoek.

artikel 146.
Mercurii den 3 marty 1728.

Op het versoek van de burgermeester Brouwer, versoekende van de stad te mogen handelen, en te kopen twe gasthuys huysjes om de selve aen sijn huys te incorperen, en tot een stal te maken.

Waarop bij de raad en gemeente gedelibereert zijnde, is verstaen, dat de gemelte huysjes aen den suppliant geaccordeert en verkoft zijn voor een honderttwintig vrijgeld, doende in de ordinaire verpondinge eene gulden elf st[uy]ver 8 penningen ’s jaers, blijvende tot den suppliant sijn last, om de tegenwoordige inwoonders van de huysjes haer leve lank van wooninge te versorgen.


pagina 65v

artikel 147.

Mercurii den 12 may 1728.
Dominee Wilhelmus Sobe en Abraham Gerritsen, neffens Henrik Wijnen, als gecommiteerden ouderling en diacon desen stads kerkenraad ter edele kerkenraad met goede correspondentie van haar edele en agtbare versogte om te mogen voort gaen tot een beroepinge van een twede prædicant hoe eerder hoe liever tot stigtinge van de gemeente etc.

Waarop na gehoudene deliberatie is verstaen dat haar edele en agtbare verscher geheugenis leyd, een seer vreemt voorgekomen is, bij de laetste beroepinge, die tegens alle verwagtinge op de proponent Fabritius is uytgevallen, dat de edele kerkenraad soo weynig heeft gelieven te refelecteren op de recommandatie, die haar edele en agtbare voor de persoon van Dominee Offerhuys gedaen hebben, nademael sijn eerwaarde goed en gesond van leede, erstigtelijk in wandel is

pagina 66

strijdende en regul regt aenlopende tegens alle voorgaende beroepinge, smakende na nieuwigheden, en manieren van doen, die niet overeen komen met het respect, dat een kerkenraad aen sijn overigheyd verschuld is.

Dat hier door de authoriteit van haar edele en agtbare ten hoogsten geledeert zijnde, haar edele en agtbare wel grote redenen souden hebben om de persoon van Dominee Offenhuys wederom te nomineren, recommanderen en te mainteneren ten fine van effect; maer omdat sijn eerwaarde haar edele en agtbare voor hunne ijver voor hem na justitie en regtmatigheyd aengewend heeft gelieve te bedanken en dat sijn eerwaarde tot een hoger en voortreffelijken bedieninge als professor tot Groeninge is beroepen sullen haar edele en agtbare daervan moeten afsien.

Dat Dominee Sobe speciael gerecommandeert word dat sijn eerwaarde alle omsigtigheyd sal hebben te gebruyken, en de sake van beroep tot een goede einde te helpen brengen tot voorkominge van disputen en verder verwijderingen, die dit goede werk slepende houden, niemant voor hetrodox te houden en te infameren die van haar edelen en agtbare met een goede intentie tot stigtinge van de gemeente gerecommandeert worden, of dat

pagina 66v

sijn eerwaarde geholden sal zijn ten genoegen van haar edele en agtbare zulx te te justificeren als na regte.

Onder welkers vast vertrouwen, haar edele en agtbare sullen willen accorderen dat men hoe eerder hoe liever tot een beroep van twede herder en leeraer trede op sulke gronden als hier gebruykelijk zijn.

Of bij nalatigheyd van dese billicke aen pæsenteringe sullen haar edele en agtbare haer dan moeten gedragen als men na tijds gelegentheyd sal oordelen te behoren.

Ordonaerende, dat desen in de acten van de kerkelijke saken alhier moge geinsereert worden, om te strecken na behoren.

artikel 148.
Veneris den 28 may 1728.

Zijnde in dese vergaderinge gecompareert en erschenen, de eerwaarden Wilhelmus Sobe redenaer des godelijke woords alhier mitsgaders Abraham Gerritsen, en Henrik Wijnen ouderling en diacon respective als gecommitteerde van den kerkenraad desen stede.

pagina 67

Te kennen gevende, hoe dat de edele kerkenraad, tot onsen twede herder en leeraer in plaetse van dominee Fransiscus Halma beroepen tot prædicant tot Amsterdam wederom beroepen is bij een parigheyd van stemmen de eerwaarde en hooghgeleerde Jacobus Buschman, bedienaer des godelijken woords in sijn gemeente tot Ackersloot versoekende dat wij dese gedaene beroepinge approberen en lauderen wilde.

Tot welkers versoek genegen wesende hebben hebben wij dese beroepinge geapprobeert en gelaudeert, gelijk wij deselve approberen en lauderen kraft deses 1 som te strecken na behoren.

Lunæ den 14 july 1728.

Op requeste van Andries Waller versoekende een sekeren dag tot inventarisatie en oversendinge van sijn stucken in cas de appel, en saken van hem remonstrant ad Henrik op als volmachtiger van Engelbert Haak.

pagina 67v

Verstaen haar edele en agtbare, dat gemelte stucke en præsentie van parthyen den 17 juny eerst komende ’s ochtens te 10 uyren præcijs gerevideert, geinventariseert, gesloten, en aen den weledele Hove versonden sullen worden, mits dat der remonstrant Wallen binnen dien tijd sal hebben te besorgen, dat in plaetse van de originelen stucken derselver copien ter secretarie alhier overgelevert en aldaer ten dienste van de respective parthyen bewaert sullen worden, bij poene als regten.

Sabbathi den 27 november 1728.

Is na gehoudene deliberatie verstaen dat voortaan soo menig loot al ’t broot van [de] een backer bij de politie te ligt bevonden word, denselven sal verbreaken van ijder loot een heeren pond, een ’t brootprijs voor de twedemael dubbelte boete, en de derdemael bij arbitrarie correctie na bevind van sake.

pagina 68

Jovis den 9 december 1728.

Op requeste van Jurrie van de Beek versoekende om voor de Vispoorte aen de westkant van Novens lompenhuys te mogen betimmeren 22 voeten breete, en 50 voeten langte tot een huys etc.

Verstaan haar edele en agtbare, dat de suppliant [agt] vier en [twintig] dertig voeten in de breete, en sevenenvijftig voeten in de laagte aldoer te gestaan word, mits daervoor ’s jaars aen de stad tot een recognitie betalende vijf gulden waarvan is het eerste jaar varvallen sal ultimo december 1729, en soo vervolgens.

Resolutie den 29 november 1729.

En hof bij Van der Beek en huys gelegen is den selve voor 40tig jaren geaccordeert 5 jaers voor 3 gulden 10 st[uy]ver vervalt ’t eerste jaer den 1 januari 1730; zie 1735.

Martis den 3 januari 1730.

Op ’t request van Luiste Peters versoekende de jaeren 1730 en 1732 met sijn schip ’t veer te mogen bedienen is verstaen, dat hem de gemelten jaeren 1731 en 1732 geaccordeert worde, blijvende nogtans van waerde de resolutien op ‘t waergenomen.

pagina 68v

Resolutie den 18 marty 1730.

Dat er een generale politie geholden sal worden over alle stegen en straten en goten, en dat zulx agt dagen met de klok gepubliceert sal worden tot een yder buigt.

Deparende Jan Balk, en heeft hem als burge ingelate voor Cornelis Gijseberen en Aaltjen Jans egteluyden tot 1 may 1731, dat sij de diaconie of andere collegien ten tijde haere inwoninge alhier, niet lastig sullen vallen, maer dat hij haer als goede inwoonderen betaamt in alles gouverneren sullen; verbindende de comparant ter dien iene sijn personen en goederen als na regten. Coram Ingen et Brienen den 22 july 1730.

Martis den 21 november 1730.

Burgermeesteren schepenen en raad hebben met consent van de gesworen gemeente en beter gezijt van onse burgeren en ingesetene, die anders

pagina 69

Door het versetten van haer goederen als panden der minne tot hoogere interesse bij baetsoekende genootsaakt worden geconsenteert, en geoctrojeert, gelijk wij doen, kraft deses aen Levi van Weenen joode en sijn erve (thans aan Nathan Magints) om alleen voor de tijd van twalf agter een volgende jare (nu drie jaaren, primo mey 1759, primo mey 1759) beginnende 1 januari 1731, en eindigende ultimi december 1742 binnen dese stad te houden en te executeren de tafel van leeninge op voorwaarden hier na beschreven.

1.
Dat hij van onse burgeren en ingesetenen gaurnisoen hebbende, en andere voor eene gulden 10 st[uy]ver ter weeke op panden te leenen niet meer erschen nog ontvangen sal dan een deut, soo wel van kleyne [..] als van groter panden.

2.
En van ’t geene onder eene gulden 10 st[uy]ver geleent word, insgelijk een deut, namentlijk als het pand binnen de eerste weke gelost word, anderseits na advenant te nemen en te ontvangen.

pagina 69v

3.
Nog sal de tafelhouer van grote panden de somme van hondert gulden en daer boven [..] ter weeke nemen[van een daalder] van twee gulden een deut, en van yder briefje een stuyver,dat van ’t gelt afgetrocken word; ook sal niemant een pond mogen lossen, of sal ’t originele briefjen moeten wedergeven.

4.
Dat hij ook een jaar en ses weken op panden gelt te leenen geholden sal[len] zijn.

5.
En als de eygenaers, ondertussen te passe komt, sal de tafelhouder hem haer pand leten vrijen en lossen, hoe kleyne somme sij ook brengen, die selve altijd op goede rekeninge en in minderingen van het losgelt, en intereest aengenomen en ontvangen werden.

6.
Indien de tafelhouder vrijwillig reage aensienlijke luyden, op haer obligatie sonder pandergelt mogte komen te [lijd] leene hebben wij belooft, en belove en versekeren bij dese op sijn gesinnen, over de inhoud van soodaene obligatie niet alleen voor de hoofdsomme, maar ook

pagina 70

voor den intereest na den teneur van dit contract, hem comperende goed, onvertogen zegt te administrieren, en te doen executeren als na regten.

7.
In soe verre dat pand of panden na ommegank van een jaer, sullen als dan die ontloste, en verstaene panden in ’t openbaer na onse stadsregte gerigtelijk op ’t duurste met oproepen verkoft worden, en op geene andere plaetse verkoft, en aldaer verset of verkoft worden.

8.
Die penningen soo na afgetogen hoofdsomme verste gelt en onkosten van publyqen verkopingen daer opgelopen, die overig bevonden worden, sullen in handen dergeenen, die panden verset hebben, uytgericht worden.

9.
En soo de eygenaers binnen ’s jaers na dat die panden verkoft zijn, niet en compareerende om het voornoemde overschod te ontvangen, sal den tafelhouder of sijn erven verpligt zijn opgemelte overschod opregtelijk na hoere

pagina 70v

na sijn conserentie eere, en getrouwigheyd te leven in handen van haar weledelen en agtbaren.

10.
Den tafelhouder sal ook geene van alle panden, die bij hem verset zijn selfs gebruyken, of laten gebruyken bij imand anders, ofte op eenige andere plaetsen binnen of buyten dese stad versetten, veel men daerop gelt op nemen, maer dieselve getrouwelijk bewaren, en bij sijn schuld niet bederven laten.

11.
Derselve sal insgelijks geen panden buyten verkopen, nog te doen verkopen maer geholden zijn die namen der geenen die haar panden stellen in de cedulen in bekende tale met dag en datum, wanneer hem die handen gebragt zijn, op tekenen.

12.
En panden sijnes wetens gestolen gerooft en ontdragen mogten zijn geen gelt te leenen.

pagina 71.

13.
Soo imand eenig goed gestolen, dat van de banke van leninge gebragt, en daerop gelt geleent was, ja den eygenaer van sulken goed, namentlijk de ingesetene binnen agt dagen, gaan en sijn goed wedereiste, sal daervan voor het verloop derselver tijd geen profijte van haer geleende penningen nemen, dan den regten eygenaer sulke gestolen panden ontvangen hebbende sijn penningen soo hij daerop geleent heeft, die penningen sonder tegenspreken wederom geven.

14.
En soo eenig goed gestolen was, sal de tafelholder geholden zijn deselve op sijn versoek te laten sien ofte met eede te verklaren, dat hem sulk goed niet gebragt zij.

15.
Sal mede onser stads jurisdictie, en regt onderworpen zijn voor hem en sijn erven gedurende voorseide twaalf jaren (nu drie jaren) onser stads Vrijheyd, en jurisdictie genietende.

16.
Soo veel sijn persoon aengaet sal niet geholden zijn op de wagt te trecken, maer eenen anderen mogen senden


pagina 71v

die door de bevelhebber aengenomen worden.

17.
De tafelholder, sal ook met geen soldaten geduyrende dese twalf jaren (nu drie jaren), belet worden over sulx sal hij de 1 januari 1732, (nu 1 mey 1757) aen dese stad betalen 50 gulden en vervolgens van jare tot jare behalven het overschod van de verkofte panden.

18.
Den tafelholder sal alle jaren geholden zijn rekeninge et reliqua te doen van het overschot van de verkofte panden.

19.
Sal ook het kort niet mogen aftrecken worden van het overschod tot des tafelhouders particuliere voordeel, maer sal sorge dragen dat die panden niet hoger beleent worden als sij dragen konnen.

20.
De tafelholder sal geholden wesen die panden van arme luyden van de diaconie onderholt genieten aen de bedienaers of [eleinoreners] tegens restitutie van penningen, die op

pagina 72

soodaene panden uytgekeert zijn kost en schadeloos te moeten wederom keeren, en leveren, sonder eenig versta gelt ofte anders.

21.
Ook sal te tafelholder sorge dragen om sijn comptoir soodaenig te dirigeren dat de behoeftige luyden op haer gesinnen altoos gerieft konnen worden.

22.
Hiertegens sullen haer edele en agtbare niet toelaten, nog consenteren, dat imant anders voorseid Van Weenen of sijn erven geduyrende gemelte twaalf jaren (nu drie jaaren), de tafel van leninge sal mogen houden, soo contrarie bevonden wierde bij een boete van 60 gulden, waer van den aanbrenger sal profiteren zo den tafelhouder zo, en den armen alhier 20 gulden, en op dat niemant dese onse resolutie en octroy ignoreren mogte, hebben wij desen met publicatie van de klok doen publiceren om te streeken na behoren.

Actum ut supra. Mij præsent H. toe Water, secretaris.


pagina 72v

Solis den 4 marty 1731.

De heeren van de magistraet in overweginge genomen hebbende, den slegte. en soberen staat van de kerken en diaconie inkomsten, en dat de nood vereist, dat die collegie, sooveel doenlijk is, tot support van haare lasten gesecundeert worden, opdat dieselve in staat mogte blijven, om haer schulden te dragen, de kerke te komen repareren en de behoeftige noodige handreikingen te doen, hebben goed gevonden en verstaen, gelijk gedaen word kraft deses dat voortaen niemant alhier, of in de Vrijheyd wonende buyten dese stad sal mogen trouwen, dat die contrarie deses gelieft te doen, aen de kerk en diaconie sal moeten voldoen vijfentwintig gulden welke somm half bij de kerke en half bij de diaconie sal gepofiteert worden de heeren prædicanten versogt om bij de inschreivinge de bruydegoms en bruyden daer van de nodige kennisse te geven tot haar narigt, alles om te spreeken na behoren.

pagina 73

Sabbathi den 17 januari 1733.

Dat voortaen geen transporten geprothocolleert sullen worden, van man en vrouw, of de selve sullen persoonlijk præsent moeten zijn, of een genoegsame volbragt moeten vertoonen.

Marcurii den 29 july 1733.

Is bij raad en gemeente aen Carlo geaccordeert word voor 15 volgende jaren een hof aen de grafte aen te maken naest de stadshof van Harmen Bosch heengekomen.

Alsmede dat Jurrie van der Beek geaccordeert word. Erfpagt van hovens Compenshuys voor een jaarlijkse loon van 2-10-: dat de grond en getimmer voor de erfpagt verbonden blijft, dat Van der Beek voor den opstal met den eygenaer sal accorderen bij ontstentenisse van dien door onpartijdige ten overstaen van ’t gerigte sal worden gecestimeert.

pagina 73v

De heeren van de magitraet desen stadt en gesworen gemeynte hebben met approbatie van de geconvocerde gequaertierde burgerij tot schepenen super numerair en ad audiendum aan gestalt de heeren Jan Pilgrum Wolfsen, Theodors Wilhelmus Hoff, Jan Gijsbert Sandberg en Dirck Gerrit van Hoeclum, welke bij vacaturen van de tegenwoordige heeren schepenen op hare andere sullen invallen gedaan en gepubliceert den 5 juny 1734.

Ter ordonnantie van deselve R.O. Schrassert, secretaris.

Haar weledele en achtbare accorderen aen Dirck van Gaasbergen, om op de grond van de stadt naast ’t huysje van Wijnand Wijmen een lompehuysje te hebben in die grote, sooals die grond reets beslagen is, mits voornoemde Gaasbergen daar voor ’s jaars tot een recognitie aen de stadt betalende twee gulden, aenvancknemende op heden.

Actum 4 september 1734.

Ordonnantie, waarna de sleper tot Elburg omtrent de vrachten sig voortaan sal hebben te reguleren.

Voor een tonne potasse :-5-8.

pagina 74

Voor een tonne asse cleynder voer advernant : - 5 - 8.

Van een ton teer, haring of soute visch : - 3 - :.

Aan een last tarwe, rogge, raapsoat en boonen : -12 - :.

Boeckweyt, garste of mouwt, betaelt last : -10 - :.

Van een sak meel, gorte, rijst, erften of boonen : -30 - 8.

Van 100 clap hout, banden, pijpehout wegens het voer met de groote wagen : - 6 - :.

Van een wagen met plancken of ander hout voor het voer : - 6 - :.

En van het rolwagentjen : - 4 - :.

Van natte of droge vellen voor het voer : - 6 - :.

pagina 74v

Van het l.l. ijser, indien de qualiteit niet grooter is : - 1 - :.

Andersints voor een vracht met de wollewagen : - 5 - :.

Voor een hoed smee koolen : -10- :.

Van een sak verff : - 3 - :.

Van raapcnollen voor de vracht : - 6 - :.

Van een korfs met glas : - 4 - :.

Van ¼ den deel boter of zeep : - : - 8.

Van een aam olij : - 2 - 0.

Van velligen of speecken, van de vracht : - 6 - :.

Van 1000 l.l. hoppe of wolle : -10- :.

Van 100 l.l. hennep of vlasch : - 1 - :.

Van de laackens of dussels : - 3 - :.

pagina 75

Van buyse koolen, wortellen, of cnollen, van de vracht : - 6 - :.

Voor een ton appelen, peeren, cnollen of aardappelen : - 2 - :.

Van een bussu castanien : - 2 - :.

Van een groote coffer of kist : - 3 - :.

Van 100 l.l. stokvisch, kaas of andere eetwaren : - 2 - :.

Van een ton rosijnen : - 5 - :.

Van een groote toebaks ton : - 4 - :.

Van 100 l.l. toebak : - 1 - :.

Van een ton met toebakspijpen : - 2 - :.

Van 1000 pannen : -12- :.

Van 1000 esteringen : -12- :.

Van 1000 steen : -10 -:.

En van 1000 cleine steen : - 5 - :.

pagina 75v.

Van 100 ton turff : - 4 - :.

Van een hoed kalck : - 4 - :.

Van een sak sout : - : - 8.

Van 1000 grote raapkoecken : - 5 - :.

Van 100 cleine raapkoecken : - 3 - :.

Vqn 100 l.l. sieroop : - 1 - :.

Van een grote balie rijst : - 5 - :.

Van een doot paart of beest in de stadt : - 8 - :.

Van een doot paard of beest buyten de stadt : -15- :.

Sullende niemand eenig veergoed of dat van het water komt door een ander mogen laten dagen of vaaren, als van den stadts sleper.

Aldus gedaen en gearresteert bij burgermeesteren.

pagina 76

Burgermeesteren schepenen en raad ende gesworen gemeente der stadt Elburg op den 4 september 1734.

Ter ordonnatie van deselve R.O.Schrassert, secretaris

Op requeste van Henrik Top, versoeckende buyten de Zeepoort alhier tusschen ’t huys van Van der beek en de sluyse over de weg bij den haven te mogen setten een nieuw pakhuys en daartoe erflik en voor altoos in erfpacht te mogen hebben 36 voet gronds in de breete en 48 voet gronds in de lenckte, soo nogtans, dat ’t uytsigt over de brugge de volle breete van deselve vrijgelaten werden, voorts versoeckende om vergunning van den uytweg om te laden en te lossen in de haven, is verstaen 11 voegende appoinctement en resolutie.

Haar weledelen en achtbaren, desen geexamineert

pagina 76v

Hebbende accorden den suppliant sijn versoeck, in desen vervat, in gevolge de afbaacking, soo haar weledelen en agtbaren sullen laten doen en vergunnen deselven een uytweg direct van ’t pakhuys na de haven, om te cunnen laden en lossen, sullende ’t pakhuys voor met een steenen gevel moeten opgetrokken en boven met pannen moeten gedekt worden, ende sulx mits den suppliant ’s jaars aan de stadt betalende een recognitie van drie gulden, die aenvanck sal neemen, soo ras de eerste steen geleyt is.

Actum den 20 november 1734. ’t Laatste vervalt de recognitie op den 20 maart 1736.

Ter ordonnantie van deselve R.O. Schrassert, secrtaris.

Alsoo de Luttekens Vicarie in Honoren Sanctie Jacobi in de Sint Nicolaaskerk alhier gefundeert, door de promotie tot der rechten Dom. Van Vilkeem, Henrik Toewater als vicarus van geseyde vicarie, is comen te vaceren, soo hebben burgermeesteren, schepenen ende raad tot vicarus van meer gemelde vicarie aengestelt Egbert Neymerik.

pagina 77

Heymerik van Hoeclum, soon van burgermeester Dirck Gerrit van Hoeclum, bij vrouwe Matta Lucretia Lutteken in ele stand verwacht, ende sulx sooverre en op die voet, als deselve vicarie aen geseyden Dominee Toe Water is geconfereert geweest. Actum in senatu den 19 january 1735.

Op requeste van Jurrien van der Beek, versoeckende de grond van sijn huys, groot in de lengte 57 voeten en in de breete 34 voeten, als verder de grond van sijn hoff, sanen buyten de Zeepoort alhier, in erefpacht eeuwiglik en erflik, verstaen haer weledelen en achtbaren.

Dat het versoeck in desen gemelt werd geaccordeert. Actum in senatu den 29 january 1735 zie 1731.

Op rechte van requeste van Rijer jansen versoeckende sijn hof voor een seeckere tijd van jaren in erfpacht vermits hij dan een plancketsel saer aen sou maecken.

Verstaan bij haar weledele en achtbare, dat aen hen geaccordeert werd de versogte grond in een erfpacht voor 30 jaren, mits aen die bos een plancketsel maeckende op sijne lasten gelijck

pagina 77v

gelijck hen aengewesen sal werden en de gestelde recognitie ’s jaarlix als voorheen betalende aen dese stadt. Actum de 29 januari 1735.

Op requeste van de momberen van de onmundige kinderen van wijlen de heer broeder Hendrik Anthonij Bigge, versoeckende een nieuw bouwhuys te mogen laten setten op ’t lest tot Epe buyrschap Zuyck, wijl de boerewoning aldat door de brand was verteert etc.

Verstaan, dat ’t versoeck aen de remonstranten werde geaccordeert. Actum in senatu den 5 februari 1735.

Op requeste van schipper Wijnand Wijnen versochtende, dat hij met sijn schip 2 jaren van de 20tiger jaren het veer sal mogen bedienen etc.

Verstaan dat aan suppliant sijn versoeck geaccordeert word. Actum in senatu den 19 februari 1735.

pagina 78

Op requeste van Jan Balck, versoeckende, om ’t huysjen van sijn vrouws voor-soon, Jan van Soelen, te mogen vermaeken en ’t selve erflick immers voor 60 jaren in erfpacht te mogen hebben etc. verstaen als volgt.

Haar weledele en achtbare ge gesworene gemeente dese geexamineert hebbende accorderen aan suppliant om ’t huysjen van in voor sijn vrouws voor-soon Jan van Soelen, staande naast het huys van Dirck van Gaasbergen voor desen stadts Vischpoort, op sijn eygen costen en sonder die costen den onmundigen oyt in reeckening te brengen, te mogen vermaecken en uytsetten, soo verre dat ’t selve sij groot in de lengte 49 voet en in de breete 33 voet, en verlenen vervolgens aan suppliant ’t selve in erfpagt voor een tijd van sestig jaren, mits dat ’t selve van steen opgemesselt en met pannen gedakt werdende en in plaats van een rixdaalder betalende drie gulden ’s jaarlix tot een recognitie voor dese stadt. Actum in senatu den 23 mart 1735.

pagina 78v

Haar weledelen en achtbaren hebben genomineert & geauthoriseert nomineren en authoriseren mits desen haren mede raadsvrind, de heer Peter Feyth om informante transporteren aan de koperen de verworven ongerede panden van den gewesen ontfanger Gerland Antoinides. Actum in senatu de 20 april 1735.

Op regte van Hermanus Wolfs, versoukende octroy om 15 of 20 jaeren, om alhier alleen te exerceren een hennipspinnerij, hebben haar weledelen en achtbaren verstaan, dat aan hem word geaccordeerd decet een octroy van 15 jaren, die op heden sullen beginnen te loopen. Actum 14 july 1735.

pagina 79

Is so klager als beclaagde

Haar weledele en agtbare verstaan, dat breuckagtigen is sig nillerde desen hare parthij ten dage dienende sig sullende moeten voorsien met beëdigende sig sullen moeten voorsien met beëdigende getuygen of ander legaal bewijs. Actum in senatu den 27 augustus 1735.

1774 den 9 juli bij gevolge is zullende andersins op ’t voorkomende worden regt gedaan gerenoveert en geamplieert en vervolgens met de klok gepubliceert te worden om te strekken tot ijders narigt. Actum in senatu den 9 juli 1774. publicoderen.

Vermits Antonij van Tiffelen ruyter alhier in quanisoen sig niet ontsien heeft ‘s nagts tusschen den 21 en 22 augustus 1735 Lucas Nijchmaats ten huyse van Wille Muys te quoten. Soo hebben haare weledele en achtbare op versoeck van den lieutenant Offenberg thans commanderende officier der selve ruyter overgegeven aan de militeiten, om bij denselve ter oirsake voorseid na behoren gestraft te werden, alles nogtans sonder consequentie en onvercort het recht van haar weledele en achtbare omtrent sulcke gevallen notorie competerende. Actum in senatu den 3 september 1735.

pagina 79v

Op regte van Hermanus Miechieltsen versoekende de bank van leninge alhier.

Verstaan, dat suppliant daertoe word aangestelt,mits hij sig bij de heeren præsidenten in der tijd over de conditiën en instructie nader informeren. En werden die heeren præsidenten versogt en geauthoriseert, om sulx alles te volbrengen en te perfecteren, soo als haar weledele en agtbare het beste voor dese stadt mogten vermeynen te behoren. Actum in senatu den 25 januari 1736.

Hermannus Miechieltsen heeft de bank van leninge op deselve instructie van den 21 november 1730 weder aangenomen voor 6 jaren waervan ’t eerste sal begonnen sijte den laatsten december 1742, ’s jaars 50 gulden. En heeft denselve belooft deselve instructie van articul tot articul na te comen, onder verband als na ruliten [..] overcomen met de heeren Erikelen en Wolffsen præsidenten en hiertoe gecommiteert door de heeren van de magistraat. Actum den 4 mart me præsente R.O. Schrassert.

Dat weledele en agtbare heeren præsidenten Feith en Tulleken in qualiteit als boven hebben de instructie vorenstaande van den 21 november 1730 Hermannus Miechieltsen als tafelhouder voorgelesen en daarbij voorgehouden, om sig daarna te moeten reguleren, waarop hij de bank van leninge heeft aangenomen voor seven agtereenvolgende jaren, waarvan het eerste verschenen sal sijn den laatsten december 1736 en belooft die instructie van articul tot articul na te komen onder verband, als na rechten te waecken zijnde bij desen getekent heeft op

pagina 80.

op de 26 januari 1736. [..]

Dat Hermannus Michielsen dese bovenstaende letteren als sijn naam selfs geset heeft, attestere ick onderstaende dato als boven. R.O. Schrassert secretaris.

De heeren Feyth en Tulleken hebben ter vergadering gedaen 't rapport wegens het geene aangaande de banck van leninge is gepasseert met Hermannus Michielschen, waarop de heeren van de magistraat alles geappriobeert en die heeren voor 't gedane rapport, als anders hebben bedanckt. Actum in senatu den 28 januari 1736.

De heeren van de magistraat verstaen tot voorkominge van alle disordres, verbetering van 't veer dat alle veerdagen de klok præcijs ter eene uyt sal getrocken worden, dat den schipper na 't opbouden van de klock sal moeten maacken aanstonts in de schuyt te sijn, opdat dan aanstonts met de schuyt werde afgestoocken bij de boete van 4 heeren ponden, soo ten opsigte van de schipper wiert beurte het is, als ten aansien van dese bootschuyver waecke bij 't ophouden van de klock niet aanstonts afstaeckt. Actum in senatu den 4 februari 1736.

pagina 80v

Burgermeesteren schepenen ende raad bevindende, dat verseyde schippers met haar voortuygen soo op de roede, als in den haven alhier komende en hare ankers laatende vallen van hier weder weg zeylen, sonder 't haven- en lantarengelt ingevolge reglement daarop staende te hebben betaalt sijnde wegens een veerschip yder veerbeurte.

't Lantarengelt buyten 't havengelt 1 - : -.

Wegens alle wijdschapen jagten en kaagen van die groote met of sonder vragt buyten het veer op dese reede komende en haar anker latende allen yder keer 1 - : -.

Wegens een turf en houtschip van die groote, waeronder begrepen sijn geboede praamen, yder keer 1 - : -.

Minder soort als coffies en van die groote en ongeboeyde praam op yder reyse : - 10-.

Schockers en schuyten, en die van die groote sijn, sullen betalen yder reyse : - 5-.

pagina 81

Een schuyte : - 2 -.

Soo ist, dat haar weledele en achtbare daerin willende voorsien een yder bij desen ordonneren, om sig nadat reglement stiptelik te reguleren en het haven- en lantarengeld te betalen goed te betalen na behooren. Ordonnerende daer en boven haar weledele en achtbare de schuyteluyden van desen stadt, en het haven-en lantarengeld soowel te ontfangen, als de bootschuyvers.

En opdat niemand eenige ignorantie hiervan kan voorwenden, soo ik mede verstaan, dat dese ter gewone plaatsen sau werden geaftigeert, om te strecken tot een yder varigt. Actum in senatu de 11 februari per geresumeert den 18 februari 1736.

Op requeste van Jan Munnik als vader en momber van sijn soon, Reyn Munnik, bij Aleyda Nucke in egt verweilden, ende Petertje Vetmeer als moeder en voogdesse van haar dogter, Aleyda Nucke bij Everd Nucke in elic stand geprocreert

pagina 81v

geprocreert de eerste voor 1/3 en d'andere voor 1/6 part erfgenamen ab in toste to van Hendrik Nucke zalt versoeckende approbatie, om met de weduwe van Hendrik Nucke te mogen sluyten een accoort wegens die nalatenschap en vervolgens te mogen oprigten en te ochenen nevens de mede erfgenamen een magescheid.

verstaan dat sulx is geaccordeert bij app... van haar weledelen en achtbaren van den 18 februari 1736.

Op requeste van Jan Lipke, versoukende de grond agter de waege, om een woning te timmeren, in een erfpacht arflik en voor altoos breder bij dat request vermelt.

Verstaan haar weledele en achtbare en gesworen gemeente, van gedane rapport van de heeren gecommitteerden Feith et tulleken, dat aan de waage van 27 voet van voren en van agteren 35 voet, en in de

pagina 82

de breete, gelijck sulx is afgebracht en door voornoemde heeren gecommitteerden hem is aangewesen, in erfpacht sij vergunt, mits daarvoor 's jaars tot een recognitie voor de stadt betalende eene gulden twee stuyvers, sullende suppliant de straat tusschen dat sijngetimmer en 't huys van de kerckmeester Van der Horst voor de helfte moeten onderhalden en van tijd tot tijd laten repareren, die oock het afdakjen, waar onder stadts-leeren hangen, op sijn costen alleen sal moeten afbreecken en op een andere plaats bij moeten laten maacken. Actum in senatu den 20 februari 1736.

Op requeste van Harmen Nagelhold en Jan Roelofs als momber van 't onmundige kind van Jan Nagelhold en Geesje Roelofs gewesen egteluiden versoeckende dat de sacke van 't kind, als erfgename voor aen 8ste part van Gerrit Nagelhold, mede mag vercoft worden met en neffens de mede ergenamen.

Verstaan dat sulx is geaccordeert, om de vercopinge met en neffens de mede erfgenamen publycq te doen, mits de penningen ten meesten profite van 't onmundige werden aangeleit en de mombers aan desen gerichte daarvan allessints sullen doen blijcken. Actum in senatu den 5 may 1736.

pagina 82v

Schepenen gehoird hebbende het versoeck van schipper Rijcket Wijnen en geexamineert het bescheydt wegens de goede staat van het schip van den selven suppliant accorderen aan den selven, om met dat sijn schip dit vaan van hier op Amsterdam nog twee jaaren boven de twintig jaren te bedienen en waar te nemen. Actum in senatu den 9 juny 1736.

Burgermeesteren schepenen en raad der stadt Elburg in ervaringe gecomen sijnde, eerstelik, dat sig sommige weduwen niet ontsien, om binnen een half jaar na dode van haar overleden man sig te verandersaten, waardoor den placate van den lande dien aengaande ge?maneert en alhier ook gepubliceert grotelix werd overtreden. Ten twede, dat bij verscheyde weduwenaars en weduwen sig in een twede ehe willende begeten, de order van afgoedinge aan der selver kinderen, uyt dat overige huywlick verwerkt, niet na behoren werde nagekomen, ja bij sommige gehelik werde agtergelaten.

pagina 83

soo is 't dat haar weledele en agtbare in 't een en ander willende voorsien goetgevonden [bij] hebben bij desen een ijder weduwe wel serieuslik te waarschauwen, van sig niet eerder te verandersaten dan na verloop van een half jaar na dode van haar man, en deselve alsmede alle weduwnaars te ordonneren, om die verandersatinge bij requeste aan de heeren van de magistraat op te geven vier van de naaste bloetvrienden van hare onmundige kinderen, en bij gebrek van bloedvrinden, vier andere onbesproocken burgers , en daar bij te versoecke, dat daaruyt twee tot mombers ge?ligeert werden ofte soodane twee anderen, als haar weleele en acgtbare daartoe mogten willen despicieren.

Dat de mombarschap aangenomen en verburgt sijnde, de langstlevende vader oft moeder voor hare verandersatinge aan de mombers sal moeten geven opening van den gantschen boedel na behoren, om daarna tot een rechtmatige afgoedinge te kunnen treden, tot approbatie nogtans van haar weledele en agtbare als over mombers.

En opdat sulx des te beter werde nageleeft, soo sullen alle weduwen

pagina 83v

de tijd van den sterfval hares mans zal den pr?dicant, waarbij sij begeren ingeteeckent te werden moeten opgeven, en sullen deselve en oock de weduwenaars aan sijn eerwaarde moeten vertonen genoegsaam blijck, dat de afgoedinge aan haar kind oft kinderen in forma gedaan sij, ten welcken eynde mede geresolveert is, dat hiervan een acte aan de pr?dicanten sal werden ter hand gestalt opdat haar eerwaarde voor de inteeckening alle weduwenaars en weduwen daar omtrent met fundament sullen cunnen en moeten ondervragen, en bij manquement van 't een of ander met de inteeckening super sederen soo egter ijmand bevonden mogte werden wegens het opgeven van de sterfgeval des mans ofte omtrent de afgoedinge den pr?dicaat tot de inteeckening misleit ende alsoo bedrieglik gehandelt te hebben, alsdan sal dusdane persoon vervallen sijn in een boete van vijftig gulden, blijvende daar en boven een ijder tot afgoedinge verpligt. Aldus geresolveert in senatu den 13 july 1736. Publicatie den 14 july 1736.

pagina 84

De heeren van de magistraat bespeurende, dat sig veele niet ontsien om met brandende toebak in puypen te sitten op wagens en karren, met hoy, eeck, heyde, rijsen, verder holt turft en saat geladen en daarbij considererende, dat daerdoor welligt occasie tot brand sou commen gegeven werden, verstaan, dat niemand soe hebben te ondernemen, om met brandende puypen toebaks op dusdane geladene wagens of karren te sitten en daarmede in dese stadt te komen, sullende oock geen voerman omtrent deselve wagens oft karren met brandende toebakspuypen in dese stadt mogen gaan, gelijk oock niemand bij het opdoen van de voornoemde waaren en dorssen van 't koorn en boonen, haven en sacken van eeck een brandende toebakspuyp sal mogen hebben, oft dat den overtreder van het een en ander sal incurreren aan boete van 10 heren ponden, en dat niemand hiervan eenige onwetendheyd kan voorwenden soo sal dese met de klock werde gepubliceert en geaffigeert, om te strecken na behoren. Actum in senatu den 14 july 1736.

Et publicatum dato supra scripto renovat 28 may 1738 renovatum de 27 juny 1739 et publicatie gerenoveert den 8 juli 1741. Gepubliceert den 28 augustus 1747. Gerenoveert den 24 augustus 1743.

Gerenoveert en gepubliceert den 28 januari 1749.

Gerenoveert den 11 juli 1750.

Gerenoveert en gepubliceert den 29 juny 1751.

Renoveren den 2 july 1753 en publiceren.

1754 den 5 july gerenoveert en gepubliceert.

1755 den 27 juny gerenoveert en gepubliceert.

Gerenoveert den 28 juny 1757.

Gererouveert en gepubliceert met onderstaan der publicatie op den 16 july 1791.

En vermits herent mede in overweging genomen hebben, hoe wegens de saake dag op dag invallenden regens, het hooy daar door merkelijk nat geworden is, en de lieden sich niet ontsien om met het inhalen van het hooy 34 talto schielijk te zijn zoo 34 aanschouwingen herent hiermede allen en eeniegelijk, om tot voorkominge van ongelukken geen nat oft niet uytgebroeyt hooy, all te vroegtijdig ten vervoeren en weg te bergen 34 ordende de suppoosten ten dien einde gelast hier omtrent een 34 akep droog te houden.

Gerenoveert en gepubliceert den 10 july 1745.

Gerenoveert den 21 july 1746.

pagina 84v

Op requeste van Antonij van Barneveld, Reyer Jansen en Beerd Reyertsen te kennen gevende, dat sij van gedagten waren coopmanschap in allerhande visch te doen en versoekende, dat geduyrende hare negotie geen afslag ofte diergelijcken besworen mogten werden ingevoert.

Verstaan haar weledele en agtbare na examen van alles, dat sij aan supplianten wel hebben willen doen toestemming mits desen, om geduyrende haren gemelden coophandel alhier niet te sullen invoeren een afslag of dien gelijke belastingen, met die verwagtinge en restrictie, dat die negotie den burgeren van dese stadt niet sal mogen tegengaan. Actum in senatu den 1 september 1736.

pagina 85

Burgermeesteren schepenen ende raad in ervaringe gecomen sijnde, dat verscheyde onbetamelikheden op sondagen in tijde van de jaarmerckten tijde der redestonden alhier werden gepleegt, waardoor de goedheid van God Almagtig en de placaten van desen landen werden overtreden, soo is 't dat haar weledele en agtbare daar omtrent willende voorsien goetgevonden hebben bij desen een ijder wel ernstig te waarschouwen, dat geduyrende de aanstaande jaarmerckt in de herbergen onder de predicatien en verder onder de redestonden niet sal mogen werden getapt, of dat den hospes en oock den geenen, aan wien getapt werd, sal vervallen sijn in een boete van 25 gulden.

Dat oock op de sondagen voor de klock van vijf uyren 's avonds niet sal mogen werden gespeelt op fiolen, hakborden ofte andere instrumenten op de boete van 25 gulden bij den hospes en speelman te verbeuren.

Dat geduyrende de kermis in 't geheel op eenige instrumenten [..] is 't gespeelt ofte moetwilligheden met singen, dansen of diesgelijck gepleegt sullen mogen werden, bij de boete van 25 gulden.

Dat mede geene kramers en cooplieden onder de prédicatien here cramen sullen mogen openen of eenige coopmanschappen op tafels te coopen voor

pagina 85v

setten ofte eenige eet- of andere waaren vercopen off dat dusdanen cramer of vercoper, alsmede den coper sal incurreren een gelijcke boete van 25 gulden.

Dat vervolgens onder de prédicatie met geen drayborden of dobbelsteenen na koeck ofte ijts anders sal mogen werden gespeelt almede bij de boete van 25 gulden, insgelijck bij een ijder te verbeuren.

En opdat niemand hiervan eenige ignorantie sal cunnen voorwenden, soo is dese met de klock gepubliceert en geaffigeert, om te stecken na behoren. Actum in senatu den 21 october 1747 et publicatum eodem die 21 october 1747 [den 23 october 1736]

Dat vervolgens geduyrende de gantsche kermis met drayborden of dobbelsteen na koeck of ijts anders niet sal moegen werden gespeelt ofte koeck gesneden deselve geslagen gelakt, gelijck bij de boete van 25 gulden. sullende aal 't opgemelde oock plaats hebben omtrent de tijd der [..] bedestonden. En hebben haar weledele en agtbare vordt verstaan, dat de kermis alhier sijn begin sal neemen mit de craam te openen op sondag den 29 october 1747 en geeindigt sal sijn op woensdag den 8 november 1747. Sullende na die woensdag geen cramer soo van burger als nijtlandschen cramer meer mogen staan bij de boete van 6 gulden alle daag toe verbeuren.

1737 Den 17 october gerenoveert en gepubliceert den 26 october 1737.

Gerenoveert en gepubliceert den 29 october 1740.

Gerenoveert en gepubliceert den 26 october 1743.

Gerenoveert 22 october 1744.

Gerenoveert en gepubliceert den 25 october 1747.

1750 Is de bovenstaande resolutie sonder de bijgevoegde amplicatie en veranderingen gepubliceert.

pagina 86

de heeren van de magistraat voorgecomen sijnde verscheyde clagten over de gansen, soo binnen als buyten dese stadt, verbriede een ijder wel ernstig, om hare gansen in of buyten dese stadt in 't schependom [..] los te laten loopen bij een boete van 10 heeren ponden, werdende een ijder daar en boven gepermitteert, om deselve doot te slaan en alsdan te laten leggen. Actum in senatu den 1 december 1736.

pagina 86v

De heeren van de magistraat hebben geresolveert en goetgevonden gelijck goetvinden bij desen, om tot maintinue [24] voortsetting van de visch-negotie alhier, en andere raden neer het burgerrecht van dese stadt te schencken aan Jacob en Willem Petersen voorlieden, ende daeren boven aan ijder van deselve te vergunnen een paard weydens in 't Goor bij provisie tot costen van dese stadt, mits nogtans dat selve den gewone burgereed sullen afleggen. Actum in senatu den 23 januari 1737.

pagina 87

Op request van Matthijs Swarts, versoeckende een hoffje te mogen maacken buyten de Vischpoort aen de graft naest de hof van Geerlof Gijsbertsen en eenige jaren vrijheid van recognitie.

Verstaen bij de raad en gemeente, dat sijn versoeck werd geaccordeert sooverre en hier in dier voegen, als de suppliant sal werden aangewesen; ende vergunnen deselven vrijheyd van recognitie voor een tijd van twintig jaren; sullende van die tijd de recognitie gereguleert werden mits nogtans den suppliant alvorens sijn burgerrecht alhier sal moeten winnen. Actum in senatu den 20 februari 1737.

Op request van Albert Wijnen versoeckende de melatenhoff voor de Goorpoort bij suppliants hof erfpacht, waarop bij raad en gemeente verstaan is, dat suppliant deselve [..] hoff in erfpacht sal hebben 40 jaren 's jaars voor 7 gulden is it, it eerste jaer sullende verschijnen Petri 1734.

pagina 87v

De heeren van de magistraat voorgecomen sijnde het voornamen van vrouwe Catharine Greve weduwe wijlen de heer Mainard Wolffsen cum suis, om te willen appellerenvan de sententie tusschen voornoemde mevrouw Wolffsen cum suis ter eene en broeder Egbert Jan van Ommeren ter andere zijden op den 25 may 1737 alhier gepronuntiert, verstaan, dat die saack is inappellabel en vervolgens, dat het appel van deselve sententieniet sou werden gedefereert vermogens de ordonnantie op de appellen. Aldus geresolveert in senatu den 2 juny 1737.

Hebbende a. Tulleken sig in desen geexcuseert.

pagina 88

burgermeesteren, sche[enen ende raad doen te weeten bij desen, dat allen burgers van dese stadt, die in het aanstaande jagtsaysoen ter jagt dencken te gaan, sig sullen moeten voorsien met soodane certificatie, als in den placate van de heeren staaten des quartiers van Veluwen van den 8 juny 1737 is geexprimeert.

1743 den 10 september gerenoveert met uytsondering van 't ingetrockene.

Dat over sulx op dinsdag en woensdag, den 10 en 11 september aanstaande, van 's morgens ten thien tot twaalft uyren ten raadhuyse sal werden gevaceert; ten tijde alsden ijder burger sig aldaar begere en de vereyschte certificatie sonder het minste beswaar van costen afhalen, om die aan de schutten op hare requestitie te cunnen vertoonen, alsmede, en soodoende voor te komen, dat burgers en poorters niet ter eenemaal werden geconfurdeert.

En is mede bij haar weledele en achtbare om goede insigten gestatueert gelijck gestatueert werd bij provisie mits desen, dat alle daghuyrders, alle knegten, die bij werckbaasen hare ambagt voortsetten of leeren, ende alle minderjarige personen sig van de jagt sullen hebben te ontbonden; sullende deselven bij overtredineg van dese resolutie niet alleen daat omtrent niet gemaintineert, neen maar na bevinding van saacken daarover aangehaalt en gecorrigeert werden na behooren. Actum in senatu den 9 september 1737.

pagina 88v

Op requeste van H. Knijnenburg en R. Groenberg versoeckende, dat Groenberg de peylersplaats voor en ten profijte van sijn schoonvader tot sijn leven lang mogen waernemen; en dat Groenberg na dode van sijn vader daerin mogte continueren etc.

Verstaan, dat Reynders Groenberg die peylersplaats voor sijn schoonvader tot sijn leven lang sal mogen waarnemen, gelijck in actis gemelt is; sullende na dode van Knijnenburg over die plaats alsdan bij haar weledele en achtbare gedisponeert werden. Actum in senatu den 16 november 1737.

Bij de heeren van de magistraat geresolveert, dat de boomen op de Lege Stee solden werden vercoft, als oock den eickenboom voor de rectors huys staande. Voorts dat lantarens in dese stadt souden gemaackt werden. Actum den 7 december 1737.

De ges[.] gemeente heeft in 't vercopen der boomen geconsenteert op den 14 december 1737.

pagina 89

Op versoeck van E. Nast en R. Groenberg mombert van Wessel van Meegen etc.

Approberen haar weledele en agtbare de gedane vercopen van de gerende goederen uyt bijsondere insigte en sonder consequentie. actum den 7 december 1737.

Op versouk van Jacob Muys, versouckende een ruymte agter 't rondeel bij de Ouwe Bleecke en enige jaren vrijheid van recongnitie.

Verstaan bij haar weledele en achtbare en accorderen den supplianten sooverre ruymte tot een hof ter plaatse gemelt, als door heeren gecommiteerde sal werden aangewesen, en vergunnen de selven vrijheid van 20 jaren sullende na die tijd de recognitie gereguleert werden, soo als bevonden sal werden te beleren. Actum in senatu den 14 december 1737.

pagina 89v

Burgermeesteren, schepenen en raad voorgecomen sijnde, dat sig sommige niet ontsien, om de boomen op de wallen te schenden en haar weledele en achtbare daar omtrent willende voorsien verbieden een ijder bij desen op 't ernstigste van sig te onthouden, om de stadtsboomen op de wallen en elders met omtrecken ofte op eenige wijse te schenden, oft dat deselve arbitrairlik sullen werde gecorrigeert, en opdat niemand eenige onwetenheid sal cunnen voorwenden, soo is dese met de klock gepubliceert, om te preken na behoren. Actum in senatu den 15 februari 1738.

Publicatie eodem die.

pagina 90

Burgermeesteren, schepenen en raad hebben tot voorcominge van ongelucken verstaan en ordonneren bij delen, dat een ijder, wie hij oock sij, sijne honden geduyrende den tijd van twee eerstcomende wercken sal hebben vast te houden, oft dat vervallen sal sijn in een boete van 4 heeren ponden, sullende de houden daerenboven werden doot geslagen. Ordonnerende vorder, dat een ijder sijne honden soo sij selfs mogten laten dooden off die mogten comen te sterven, sal moeten laten begraven of laten brengen op 't wlaasch in de grond buyten de stadt en die niet mogen werpen langens de wegen ofte in de grafte of slooten, mede bij een boete van 4 heeren ponden. En die sijne honden reets langens de wegen, in de graften of slooten heeft liggen, dat deselve die aenstonts sal moeten removeren of doen removeren, insgelijcx bij een boete van 4 heeren ponden. En opdat niemand eenige ignotantie sal cunnen voorwenden, soo is dese met de klock gepubliceert en geaffigeert om te strecken na behoren. Actum in senatu den 28 may 1730.

Publicatie eodem die. Gerenoveert en gepubliceert den 20 may 1766 en geset in plaats van twee weeken, vier weeken.

pagina 90v

Op requeste van vrouwe M.G. Feith douariere Witte, versoeckende, dat 't bolwerk haer hoogwelgeleerde nog 40 jaren na 't eyndige van de lopende erfpacht nog gegeven werden in erfpagt tegens betaling van 10 gulden 's jaars tot een recognitie breder bij de requeste vermelt, quo relatio.

Verstaan bij de magistraat en gesworen gemeente, dat 't versoeck werd geaccordeert, gelijk in actri gemelt staat. Actum in senatu den 29 november 1738.

pagina 91

Op requeste van Jan Lipky versoeckende agter de stadts wagte eenige grond, om daerop te mogen timmeren.

verstaan bij raad gemeente, dat hen sulx werd geaccordeert, edog soo als 't selve door de heeren pr?sidenten alles aen hen sal aengewesen werden. Actum in senatu den 29 november 1738.

Op dato als boven die plaats door de heeren pr?sidenten Potgieter en Tulleken en gecommerdens uyt de gemeente Nest en Hoefhamer opgenomen en is geaccordeert 70 voet in de lengte en 11¼ voet in de breete van de wagt oft huys van Peter Feyten sullende de stege dan een egale wijte holden, en daar alle jare betaalt moeten werde tot een recognitie 3 guldens, de 1 may 1739 sullende beginnen te loopen.

Na gedane rapport is 't boven gemelte geapprobeert bij raad en gemeente den 6 december 1738.

pagina 91v

Op requeste van Jan Trip versoeckende een hoff tusschen de hoff van Swarts en Jacob Muys.

Verstaen bij raad en gemeente dat sulx werd geaccordeert soo en in dier voegen, als hen sal aengewesen werden ende sulx voor 15 jaren. Actum dem 6 december 1734.

Bij de heeren van de magistraat geapprobeert een erfpagt van de hof aen de Steenstraat, door de wesemeester aen Jan Lypke uyt gedaen 's jaars voor 3 guldens, 3 stuyvers ten allen tijden op de verschijndag af te copen met 94 guldens, 10 stuyvers, breder bij de acte vervat. Actum in senatu den 28 februari 1739.

pagina 92

Burgermeesteren schepenen en raad der stadt Elburg maacken bij desen bekent, hoe dat haar weledele en achtbare geresolveert en verstaen cragte deses, dat voortaan ijder gres van de stadt en collegien van dien in het Goor 's jaars sal moeten doen vier guldens .

Dat geen gres van de stadt en collegien nog voor, nog na het Goor minder sal mogen verpagt werden.

Dat direct of indirect geen meer peerde of beesten in 't Goor sullen toegelaten ofte mogen gebragt werden, do van die, welcke daartoe beregtigt sijn.

Dat oock selfs haar weledele en achtbare aan niemand vrijheid daartoe sullen geven, maar sullen in tegendeel alle soodane gresen, welck haar weledele en achtbare om goede insigten aan sommige mogte vergunnen in mindering van de stadts gresen comen. Actum in senatu 23 februari 1739.

1745 den 13 maart ijder gres gestelt op 3 guldens, 10 stuyvers en soo daarvoor niet conden verpagt worden op 3 guldens hoedende voor 't overige de bovenstaande resolutie van waarde. Actum in senatu dato als boven.

pagina 93v.

Op requeste van Gerrit Wijne en Wijnand Wijne versoeckende 't pakhuys voor de Vischpoort te mogen uytsetten sooverre als Van der Beecken pakhuys is en bij omtrent 't pakhuys van Gerrit Coopman.

Verstaan bij raad en gemeente, dat werd geaccordeert, om dat pakhuys te vernieuwen en sooverre uyttesetten, gelijck in den requeste vermelt staat, voorts de grond aen supplianten te geven in een erfpagt voor altoos. Actum in senatu den 2 mart 1739.

pagina 94.

Op requeste van Jan Lipke versoeckende, dat hij met sijn huysjen in de Hoven aen de Steenstraat sou mogen uytspringen buyten de schuttinge vijff voeten, om 't gesigt van weercanten te kunnen hebben.

Hebben haar edele en achtbare en geswooren gemeente sulx geaccordeert. Actum in senatu den 2 mart 1739.

Burgermeesteren schepenen ende raad voorgecomen sijnde verscheyde klagten over handelingen, die aan lopen tegens 'd ordonnantie op de banck van leninge alhier gearresteert en gepubliceert, ende daar omtrent willende voorsien laten een ijder alnog bij desen weeten, dat niemand anders als Harmannus Michieltsen thans de tafel van leninge in dese stad sal mogen holden, en dat ijmand bevonden wordende contrarie gedaan te hebben ingevolge voornoemde ordonnantie mureren sal een boete van sestig gulden, waarvan den aanbrenger sal profiteren 20 gulden, den tafelhouder 20 gulden en den armen alhier 20 gulden, waarna sig een ijder can rigten gepubliceert door de roeydrager en geaffigeert den 13 mart 1740.

Gerenoveert den 4 mey 1756 ten overstaan van de præsidenten.

pagina 94v.

Burgermeesteren schepenen en raad laten een ijder burger en ingesetene bij desen weeten en aanseggen, dat alle die geene, welcke van de ruyters thans alhierin guarnisoen ijts te prætenderen hebben, hare prætensie met medinge van de qualiteit der geleverde waeren ofte andere oorsaack kunnen inbrengen en overgeven aan de commanderende officier alhier, soo als deselve prætentien in alle oprechtheyd sig bevinden, ende sulx voor aanstaende donderdag, 't welck dient tot een ijders narigt. Actum.

pagina 95

De heeren van de magistraat bevindende dat verscheyde inconvenienten omtrent het incoopen en vercopen van visch (om aengesien alle vorige [latten] resolutien, in specie van den 18 mart 1615, van de 22 mart 1678 en van den 20 juny 1716) werden gepasseert, welcke den burgeren en inwoonders van dese stadt tegengaen en merckelijck nadelig sijn, en daaromtrent willende voorsien hebben geresolveert, gelijck resolveren bij desen, dat voortaan geen visch alhier eerder op de marckt gebragt en vercoft sal worden.

Als in de maanden may, juny, july, augustus en september 's morgens voor 6 uyren, en in de andere maanden [..] voor seven uyren 's morgens. dit marginale bijgevoegt den 11 september 1749 en aldus gepubliceert eodem die.

[dan 's ochtens na ses uyren] sullende (soo contrarie bevonden werd), voor de erste maal de vischprijs wesen, en voor de twede maal de overtreder vervallen sijn in een boete van 10 heeren ponden. Dat oock geen baers, snoeck, bot en diergelijck soort van visch, soo bij de dijckers als de visschers alhier gevangen, sal mogen werden opgecoft in vercoop, dat oock onderwegen geen visch sal mogen werden vercoft en gecoft, maar dat deselve soo wel goede als quade op de merckt sal moeten gebragt ende aldaar sal moeten vercoft en gecoft werden, alles bij de boete van vier heeren ponden, soowel bij den [..] opcoper als vercoper te verbeuren en sullen de dijckers contrarie doende alhier niet meer mogen mercken en daar en boven van alle vrijheid omtrent den haren alhier versteecken sijn. Sijnde om hierop te passen van haar weledele en achtbare geauthoriseert deser stadts dienaren. Actum in senatu den 18 april 1739 et prom. eodem die.

Gerenoveert den 28 augustus 1745 in publicatie eodem die.

renoveren en publiceren den 21 juny 1746.

pagina 95v

bij de heeren van de magistraat geresolveert, dat de tijdelijke heeren præsidenten alle breucken in haar vierendeel jaars vallende sullende moeten voorbrengen an de nodige informatie daertoe inwinnen, opdat die breucken in haar vierendeel jaars bij haar weledele en achtbare sal cunnen werden afgedaen, soo als deselve breuckensaken sullen bevonden werden te bekoren. Actum in senatu den 20 may 1739.

pagina 96

Op rqueste van broeder W.T. Hoff versoeckende voor altoos in erfpagt te kennen seker land van dese stadt over die Goorsluyse liggende tusschen het land van suppliant, genaamt de Vrijdhoff en de weg [..] belovende een bequame sloot voor dat land aen de gewone weg te laten graven, breder bij den requeste vervat.

Hebben haar weledele en achtbare en geswooren gemeente verstaan, dat 't selve werde geaccordeert, mits 's jaars aan de stadt betalende drie gulden en de weg langens dat land op sijn costen onderhoudende voorts alles ingevolge reqeste en blijvende de weg voor de stadt. Actum in senatu den 6 juny 1739.

pagina 96v

Burgermeesteren schepenen en raad inhærerende de vorige resolutien verstaan en resolveren bij desen, dat die geene, welcke haar fixum domicilium in dese stadt sullen willen hoeden, geholden sullen sijn alvorens haar poortrecht te versoecken bij haar weledele en achtbare ende teffens te produceren niet alleen genoegsame attestatie van haar geboorte en goed gedrag, neen maar oock over te geven een behoorlijck certificaat van het rericht der plaatse, vanwaar sij komen, dat sij en (soo sij getrouw sijn) hare vrouwen en kinderen bij verarminge binnen de tijd van seven eerst komende jaren wederom aldaar sullen werden in en aangenomen, vervolgens hare getrouwlickheid bij handtastinge aan den burgermeerster in der tijd ofte bij eede voor schepenen, tot discretie van het gericht, belovende ende sal het niemand vrijstaan een huys of ander woninge aan ijmand van buyten incomende te gunnen off den selven te

pagina 97

logeren, voor en aleer hij bij den burgermeester in der tijd vernomen en verstaan heeft, dat deselve sijn poortrecht gewonnen hebbben, dat oock nimand van buyten sij in 't schependom metter leven sal mogen ten nedersetten of ingenomen werden buyten permissie van haar weledele en achtbare, off dat alle last en ongemak, soo den stadt of diaconie in het toecomende daardoor mog aankomen, op haar sal verhaalt worden, met een boete na bevind van saackenen. Actum in sanatu den 13 juny 1739, et eodem die publicatie. Aldus gerenoveert en met het marginale gecompliceert in senatu den 18 mart 1747. Gerenoveert den 18 octobris 1755.

Gerenoveert den 4 maart 1558.

Gerenoveert en gepublceert den 15 februari 1777.

Gerenoveert en gepubliceert 2 maart 1782.

Op requeste van Wijnand Wijne en W. Everes, versoeckende een plaatse tot bouwinge van een loose buyten de Vischpoort de lengte sijnde van de Vispoort tot aen d'eerste pilaar sijnde 50 voeten en de breete van de stadtmuyr langs de Vishpoort tot 12 voeten op de beer sijnde 34 voeten van de stadsmuyr.

Verstaen bij de magistaat en geswooren gemeente, dat 't versoeck in acht gemelt werd geaccordeert mits daarvan 's jaarlix tot een recognitie aen de stadt betalende twee guldens. Actum in senatu den november 1739.

pagina 97v

Op requeste van Christoffel Boeduynx als outste van de weesen incompsten geoppostilleert, alsvolgt;

De heeren van de magistaat desen geexamineert hebbende verstaen, dat de suppliant den vollen ontfang van de weesen incomsten sal hebben, en alsoo mede van alle de saylanden, soo van outs, als nu nieuw aengecoft, alsmede van alle de coopspenningen van all 't hout. Actum in senatu den 28 november 1739.

De heeren van de magistraat meer en meer in confideratie nemende, dat den welstand van de stadts finantie onder anderen mede afhangt van een goede ordre, hebben goetgevonden te beramen, 't selve doende mits desen, de volgende articulen.

1.
Dat en outste sijne instructie, waarvan hem copie instructie, waarvan hem copie sal gegeven worden, in alle deelen sal moeten nakomen.

2.
dat den selven oock de ordonnantien na de ordre der afschrijvinge en de nummers sal moeten voldoen, ten ware hij anders van haar weledele en agtbare wierde geordonneert.

pagina 98

3.
Dat geene reeckeningen sullen werden afgeschreven, als die geexamineert sijn, waarover, alsmede wegens de verdere finantie, alle vrijdagen van 's morgens ten thien uyren af door de heeren præsidenten en andere heren [præsidenten] schepenen, die daarbij gelieven te komen, sal werden gevaceert: en soo als dan de reeckeningen te hoog ofte ijts van groote cinsideratie omtrent de finantie bevonden mogten worden, sullen die in de volle magistraat gebragt werden om geexamineert en vervolgens daarover geresolveert te werden.

Sullende in het afschrijven der reeckeningen reguard genomen werden op dre selver rang in de tijd, en die voor gaat in tijd, sal voorgaen in de afdoeninge; tot erkentenis nogtans van de heeren die daarover vaceren, soo sig eenige sonderlinge reden ter contrarie mogt opdoen.

4.
Dat alle ordonnantien sullen moeten onderteeckent sijn ten minsten van drie schepenen en den secretaris

pagina 98v

5.
dat de werckmeesteren, poot en straatmeesters niet sullen vermogen ijts te maken off te repareren laten, veel minder ouwe gebouwen te laten afbreecken, 't geen boven de 25 guldens bedraagt; maar sullen het selve eerst in de magistraat voortbrengen, ten fine van deliberatie en haar weledele en achtbare resolutie. Ende sal soovaak mogelik sulx publycq aanbestadet worden.

6.
Dat een bequaem persoon, inval de nootsaekelijkckheid sulx vereydelt, bij de magistraat bij provisie en pro tempore op een soctabel tractement sal werden aangestelt, om op alle stadtsgebouwen, reparatien en 't geene nieuw werd aangelegt, als oock op de nodige aterialen 't opsigt te hebben volgens instructie, die daarvan alsdan sal werden

pagina 99

gemaackt.

Aldus gearresteert en gedaen bij burgermeesteren, schepenen en raad der stadt Elburg op den 5 december 1739.

Als requeste van de heeren Jan Pelgrim Woltsen, Wilhelmus Theodorus Hof, Jan Gijsbert Santbergh, Derk Gerrit van Hoeclum en de Pilgrom van Ingen versoekende de vier eersten als supernumeraire schepenen waervan eerst gemelte niets is angevallen en den laetsten als secretaris supernumerair dat de resolutie van den 3 august 1731 waerbij op de schepenplaets een duysent guldens en op het secretariaet vijftien hondert guldens waeren gestelt moghte werden vernietight en daervan ontlast moghten werden, nemende een ieder van de vier eersten aen soovast als ordinaire schepen in valt aen den secretaris R.O.Schrassert en bij sijn vooraf sterven aen des selfs weduwe en ook bij haer voor aflijvigheyd aen de erffgenamen van den selven te restitueren en te betaelen twehondert caroly guldens, en daervan een behoorlijke

pagina 99v

acte te tekenen en af te geven belovende den uyt den suppliant bij vacatura als secretaris invallende te voldoen op de wijse als voren [..] driehondert caroly guldens en daervan insgelijks een acte naer behoren te passeren alles breder bij den requeste vervat.

Is geresolveert als volgts.

Burgermeesteren schepenen en de raed en gesworen gemeente desen geexamineert, en alles over weten hebbende hebben geresolveert de in den requeste gemelte resolutie van den 3 augusti 1731 waerbij 1000 guldens op de schepenplaets en 1500 guldens op 't secretariaet gestelt sijn, te vernietigen en te mortiticeren, deselve vernietigde en matificerende cragte [en melt deses als of die nooyt ge nomen ofte in wesen waere geweert, en hebben teffens goet gevonden gelijk goetvinden mits desen, dat de heer Jan Pilgrom Wolfsen vermits doode van de heer burgermeester Van Brienen tans ingevalen, aen densecretaris R.O. Schrassert die 1500 gulden aen de stadt hadde betaelt, sal moeten betaelen 200 gulden alsmede dat aen voornoemde secretaris Scrassert en bij des selfs voor afsterven aen sijn weduwe en mede bij haer voorafsterven aen de erfgenamen van den selven door ieder van de drie volgende remonstranten soo ras

pagina 100

sig als ordinaris schepen invalt sal moeten werden voldaen een som van twe hondert gulden en dat daervan bij de gesamentlijke remonstranten een behoorlijke acte getekent en aen voorseide secretaris Schrassert afgegeven sal moeten werden, gelijk sullen in 't brede bij dit request werd ge[..]suteert. Actum in senatu den 28 mey 1740. ]

IJder der vier ingevallen ordinaris schepenene gemelt heeft mij voldaen de voorschreven tweehondert guldens R.O. Schrassert.

En was getekent D.G. Tulleken loco secretaris.

Burgermeesteren schepenen en raad en gesworen gemeente hebben om goede insigten geresolveert en verstaan, dat de ontfanger van de stadts domeinen de pagt van 't haven- en lantarengeld voortaan alleen en afsonderlik van d'andere stadtsincomsten sal moeten holden.

Dat daarvan niet sal mogen uytgeven, als op expresse ordinatien op deselve geslagen, uytdruckelik medebrengende de woorden, om uyt de pagt van 't haven- en lantarengeld te betalen.

Dat den ontfanger de order van die geslagene ordonnantien in het betalen volgens de nummers daerop gestelt sal moeten volgen.

Dat de ontfanger die ordonnantien, op 't haven- en lantarengeld geslagen, niet sal vermengen nder 'd andere ordonnantien, maar deselve apart sal moeten holden omme alsoo sijnen ontfang en uytgave van het haven- en lantarengelt afsonderlik en buyten sijnen anderen ontfang en uytgave apart en als rekening op sig selfs te verandwoorden. Aldus gedaan en gearresteert in senatu den 9 februari 1740.

pagina 101v

Burgermeesteren schepenen en raad in ervaring gekomen sijnde, dat sig sommige personen niet ontsien om gres op de stadtsbeecke te mayen en af te snijden, hebben geresolveert en verstaen, gelijck resolveren en verstaen, gelijck resolveren en verstaen bij desen, dat niemand gres op de bleeke gemelt sal mogen mayen of afsnijden, alles op de boete van 25 heeren ponden, werdende alle de suppoosten geordonneert op hierop agt te geven en de daders aen de heeren regerende burgermeesteren bekent te maacken. En opdat niemand eenige ignorantie sal cunnen voorwenden, sal dese met de klock gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecken na behoren. Actum in senatu den 27 juny 1740.

Publicatie eodem die. gepubliceert den 15 may 1762.

pagina 101

Op requeste van Jan Boeduynx en Rijnvisch ven der Horst kerckemeesteren alhier versoeckende approbatie van een gedane vercopinge aen de heer broeder Derck Christiaen Tulleken wegens 1/3 part welcke de kerck heeft in ongeveer 5 á 6 voeder grondsen soo op de Mehen als buyten dijcks in het schependom van dese stadt gelegen, welckers twee andere derde parten Hannis Pontsteen toegehoren, ende sulx voor 60 guldens versoeckende teffens autorisatie tegens ontfang der gecentioneerde cooppenningen te doen transport in consueta forma, breder bij den requeste geëxprimeert, quo relatio.

Hebben haar weledele en achtbare geappostolleert aldus de heeren van de magistraat desen ge?xamineert en overwogen hebbende de reden in desen vervat accorderen aen supplianten haer versoeck, in actis vermelt. Actum in senatu den 20 augustus 1740.

ter ordonnatie deselve was getekent R.O. Schrassert secretaris.

pagina 101v

Op versoeck van M.A. de weduwe Wijnen en Wilhelmus Everds, te kennen gevende genegen te sijn haar loose buyten aen de Vischpoort staende voor aen bij langs en op de beer te vergroten en daertoe wel 40 voeten langs die beer nodig hadden, om tot meerder cieraat van de stad te timmeren en daer een woning tot gebruyck van negotie te maken, versoeckende vergunning van die 40 voeten bij langs op de beer en in de binnengraft, breder bij 't request relatio.

Hebben de heeren van de magistraat 't selve request geëxamineert hebbende aen supplianten haar versouck in acht vermelt geëxcordeert mits het ryoel in de binnengraft sal moeten blijven. Actum in senatu den 20 augustus 1744.

pagina 102

De heeren van de magistraat gehoord hebbende de clagte van de houttellers alhier, dat somwijl hout van 't oever alhier geladen en weggevoert werde, sonder dat 't selve door haar getelt is geweest, inhæreren hare vorige resolutie van den 12 februari 1724 en verstaen alnog, dat 't houttellen alleen sal verblijven tot het departement van de gesworen houttellers van dese stadt, sonder dat coperen of vercoperen respective haar daarmede sullen mogen bemoeyen, statuerende haar weledele en achtbare daeraenboven voor voorstaen tegens de overtreders van dese resolutie een boete van 6 heeren ponden boven de actie van de houttellers. Aldus geresolveert in senatu den 20 augustus en geresumeert den 27 dito 1740.

pagina 102v

Op requeste van broeder Jan Gijsbert Sandberg kerkmeester en Rijnvisch van de Horst in huywlik hebbende juffer E.H. Sandberg, te kennen gevende, dat haer mouy vrouwe Gerharda van Minningen weduwe van de vaendrig Horst binnen dese stadt is overleden en dat haar twee soons uytlandig dog erfgenaam ab intestato sijn, dat sig niemand in 't sterfhuys bevind en geen erftuytter voor handen is, die de begraffenis bestellen en 't een en ander dirigeren can, versoeckende, dat uweledele en achtbare is gerede gelieven te doen opschrijven ende bij provisie ijmand aen te stellen en te authoriseren, om de begraffenis te bestellen, opdat 't doode lichaem ter aarde besteldet werde, voorts om de gerede goederen ten meesten penninck te laten vercopen en daermede de dootschulden die bewijsselik mogten vooromen, te betalen ende bij insuffisance van 't gerede om oock het ongerede te besweren of in 't openbaar te vercopen en aen den coper te transporteren an met derselver coopspenningen de schulden

pagina 103

als voorseit af te doen ofte ende gelijck breder bij de requeste vervat is.

Hebben de heeren van de magistraat desen geëxamineert hebbende aangestelt en geauthoriseren bij provisie bij absentie van de kinderen van gemelte overledene de remonstranten in desen, als de broeder Jan Gijsbert Sandberg en de kerkmeester Rijnvisch van der Horst, om de begraffenis van gemelte overledene te bestellen en de overledene ter aerde te laten besteden, voorts de gerede goederen, die eerst sullen werden geinventariseert, te doen copen, ende bij insuffisance van 't gerede de ongerede goederen te beswaren of in 't openbaer te vercopen, soo als ten meesten voordeele van de boedel sal werden geoirdeelt, omme uyt derselve penningen de dootschulden en andere schulden, die bewijselijk mogten voorkomen, te betalen, mits van alles werdende gadaen verandwoordinge aen haar weledele en achtbare of aen de erfgenaemen ab intestato van gemelte overledene. Actum in senatu den 22 september 1740.

pagina 103v

[Op requeste van de heer broeder D.C. Tulleken en de heer H. Ottens als momber heeren van de onmundige soon van wijlen broeder Wijnand Jacobs van Brienen bij vrouwe Anna Wobbina Wolffsen zalliger geprocrëert, en vrouwe]

N. bij H. Ottens niet getekent.

Op versoeck van Barent Momme schipper in 't veer van hierop Amsterdam, te kennen gevende, dat sijn schip 20 jaren oud is en versoeckende 2 jaren om met sijn schip 't veer te mogen bedienen.

Hebben de heeren van de magistraat desen geëxamineert hebbende vergant van suppliant twee jaren, om 't veer van hier op Amsterdam met sijn schip te bedienen, mits den selven de passagiers clagteloos holdende. Actum in senatu den 31 december 1740.

pagina 104

De heeren van de magistraat hebben bij provisie de vicarij, door avancement van Chtistiaan Henrik van Lonckhuysen vacant geworden, genaemt Sint Jansvicarij, geconfereert op Christiaan Sadon reets de Latijnsche school frequenterende, mits nogtans dat de ongelden van tijd tot tijd prompt sullen moeten voldaen werden. Actum in senatu den 25 januari 1741.

op requeste van broeder Jan Gijsbert Sandberg en kerkemeester Rijnvisch van der Horst, [..], dat 't huys van haar maey vrouwe Gerharde van Minningen weduwe van de vaandrig Horst, 't welck staat tusschen 't huys van Jan Witteveen ter eenre en 't huys van Jacob Teunissen, ter andere zijden

pagina 104v

zijden, seit bouwvallig is, versoeckende, dat haer weledele en achtbare de suppliante gelieven te permitteren en te auctoriseren, om deselve vercopinge van voornoemde huys met sijn ap en dependentie met de schuyre daeraen in 't openbaer te doen en vervolgens 't selve samen te transporteren in forma comsuetâ, alles breder bij den requesto vermelt, quo relatio.

Is alles verstaen: de heeren van de magistraat desen geëxamineert hebbende en thans bespeurende, dat 't parceel ten deelen rechts aan 't vallen is, auctoriseren de remonstranten, om 't gemelde parceel ten meesten penninck in 't openbaar te vercopen en te transporteren, of daer omtrent te doen soo

pagina 105

als sij ten besten en meesten voordeele van den boedel sullen vermeyene te behooren; mits de penningen (soo 't parceel vercoft werde) ten meesten voordeele van dien boedel secuur uytdoende. Actum in senatu den 31 januari 1742.

Op requeste van Wilhelmus Everes, te kennen gevende, dat hij de helfte van de grond en verdere gerechtigheid aen de zijd van de Zeepoort alhier heeft vercoft aen juffouw M.A. van Hoeclum weduwe van Wijnand Wijnne, versoeckende, dat sulx nog werde geaccordeert; breder bij dat request vervat.

Hebben haar weledele en achtbare 't selve versoeck in actis vermelt aen suppliant geaccordeert, blijvende de recognitie voor dese stadt, als daarop is gestelt. Actum in senatu den 11 februari 1741.

pagina 105v

Op requeste van broeder Herman Jacob Erckelens en qualiteit als aengestelde erftuytter en executeur testamentair van wijlen vrouwe Maria Catharine Feith douariere van heer broeder Gerrit Witten zalliger als ook van de Wilhelmus Lobe en dominee Jacobus Buschman prædicanten alhier, mede namens de eerwaarde prædicanten van 't Oldebroeck, Doornspijck en Oosterwolde, gesamelijck ingevolge voorgenoemd testamentaire dispositie van vrouwe Maria Catharine Feith als aengestelde opsienders en bestierders over dat gedeelte der ongerede goederen gegeven en gemaeckt tot verpleginge van 24 of meerder bejaarde en van middelen beroofde mans 't dat bij te kennen gevende en vrouwspersoonen, 't dat vrouwe testratrice in dien zijnde oock gegeven en gemackt heeft het huys stainde op de westhoeck van de Lege, om door remonstranten tot een bequaem godshuys opgebouwt en gestigt te worden, de dat bevonden word, dat wel een weynig grond te kort sal comen om dit gemelte huys tot sijn vereyschte ordre te voltrecken, versouckende, oft

pagina 106

uweledele en achtbare aen haer in qualiteit prædicant gelieven te accorderen, dat de voorste muyr van 't te bouwe godshuys op de straet van de Leege Stee tot soo verre mogen uytgeset worden dat deselve egaal come met het huys aen uedele vrouwe douaniere Wolfsen en mejufferen Greve toebehorende breder bij dat request vervat, quo relatio.

Hebben de heeren van de magistraat en geswooren gemeente 't selve geëxamineert hebbende aen de remonstranten in geallergeerde qualiteiten haarversoeck in actis vermelt geaccordeert. Actum in senatu den 17 februari 1741

Op requeste van de heer broeder Herman Jacob van Erckelens, te kennen gevende, dat hij als erftuytter en executeur testamentair van vrouwe Maria Catharina Feith douaniere van de heer broeder Gerrit Witten zalliger aen dominee Reinier Otto Schrassert en vrouwe Reiniera Johanna van Brienen egtelieden voor soodane erfpacht, als

pagina 106v

voorseide mevrouw Witten van haar weledele en achtbare en geswoore gemeente heeft gecregen aan het Bolwerck tusschen de Goorpoort en 't Cleynepoortjen alhier kenlik gelegen, voorts oock alle recht en , gerechtigheid als gemelte mevrouw Witten aan dat Bolwerck met sijn ap en dependentie heeft gehad, niets daer van exempt versoeckende tot weider vastigheid uweledele en achtbare en geswooren gemeentes approbatie, om daervan met volkomen effect te kunnen passeren opdracht na behoren sullende de jaarliksche recognitie voor dese stadt verblijven gelijck daerop is gestalt, in 't brede bij dat request verval, quo relatio.

Is verstaan: de heeren van de magistyraat en geswooren gemeente desen geëxamineert hebbende accorderen aen den heer remonstrant in sijn geallegeerde qualiteit sijn versoeck met den acht versochte approbatie te verlenen mits desen. Actum in senatu den 17 februari 1741.

Onderstond: Ter ordonnantie van deselve, was getekend J.P. Wolffsen loco secretaris

pagina 107

Burgermeester Derik Christiaan Tulleken ter vergaderinge van raad en gemeente voorgebragt en versogt hebbende, om seker hoekjen lands, gelegen naast Haalbooms campjen tusschen den dijck en de Delle, sijnde ten deele genoegsaam vergraven, sulx 't selve met groote costen moet werden goetgemaackt, te mogen hebben en erfflik behoeden en aen geseyde Haalbooms campjen aenmaken; Waarop gedelibereert sijnde is aan suppliant opgemelte versoeck geaccordeert. Actum in senatu den 17 februari 1741.

Op request van de secretaris R.O. Schrassert te kennen gevende, dat hij en sijn ehevrouw, vrouwe Reiniera Johanna van Brienen voor hondert ducatons aen de heer broeder H.J.van Eckelens en vrouwe Elisabeth Agnis Schrassert egtelieden vercoft sodane erfpacgt, als reets vergunt is omtrent 't Bolwerck tusschen de Goorpoort en 't Cleynepoortjen alhier kenlik gelegen, voorts oock alle recht en gerechtigheid, als sij aen dat Bolwerck met sijn ap en dependentie, niets exempt hebbe vercregen in confornite de opdragt op den 18 februari 1741, alhier gepasseert, versoeckende suppliant tot meerder vastigheid approbatie van uweledele en achtbare en geswooren gemeente, om daarvan met volcomen effect te cunnen passeren transport na behooren sullende copiren de jaarlikse recognitie voor dese stadt tot haar laste holden en laten blijven, gelijck daerop rechts is gestelt.

Hebben de heeren van de magistraat en geswooren gemeente aen suppliant sijn versoeck geaccordeert, met de in actis versogte applicatie mits desen te verlenen. Actum in senatu den 3 may 1741.

pagina 107v

De heeren van de magistraat hebben aen de heer Van Ingen geconfereert 't eerste anderhalve jaar in de camer van de heere gedeputeerden, op mey 1741 beginnende, en aen de heer Tulleken is volgende anderhalf jaer, voorts aen de heer Wolffsen de daerop volgende [en] extraordinairis gedeputeerde plaats van een jaer, ende aen de heer Erckelens de commissie voor 1½ jaar in de admiraliteit van Westvriesland en 't Noorder quartier. Actum in senatu den 4 mart 1741.

pagina 108

Burgermeesteren, schepenen ende raad der stadt Elburg laaten bij desen weeten, dat alle die geene, welcke nog eenige prætensien, die voor den 4 may 1739 sijn gemaackt, ten laste van de ruyters van de compagnie van de heer Duyrsema hebben, hare reckeningen sullen moeten overgeven aan de heeren præsidenten voor maandag aenstaende 's morgens ten thien uyren, oft dat sij alle schade haar selfs sullen moeten imputeren. Actum in senatu den 5 et publicatum 6 may 1741.

pagina 109

Op requeste van Jacob Pluym te kennen gevende dat hij 't huys met de hof en een schuyrtje van Dirck van Gaasberg en vrouw heeft gecoft en van gedagte is alhier te comen woonen en sijn burgerrecht te winnen, dat vervolgens geinclimeert is, om 't schuurtjen, staande naast 't koolenhock van de weduwe van zalliger Wijnand Wijnen, te laten ophaalen en uytsetten tot 20 voeten in de lengte en in de breette, dat 't selve gelijck comt met het huys van Jan Balck, sullende een pannendack op 't selve geleyt, versoeckende dat selve grond sooverre in erffpacht aen hen door haar edele en achtbare en geswooren gemeente vergunt moge werden, willende de recognitie daervoor 's jaers gaen aen dese stadt betalen, soo als haer weledele en achtbare en geswooren gemeente die na goetvinding en redelikheid mogte gelieven te requleren, in 't brede bij 't regte vervat, geappostilleert: De heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geexamineert hebbende accorderen aen Jacob Pluym de versogte grond voor altoos in erfpacht sullende in de breette ijts moeten swayen na de weerden haer ingevolge de gedane afbaacking, mits 't selve met pannen gedeckt en daervoor 's jaars voor dese stadt sal moeten betaelt werden een recognitie van

pagina 109v

gulden in 't geheel ordonnerende de suppliant bij 't bouwen kennis daervan aen de heeren præsidenten in den tijd te geven. Actum in senatu den 10 juny 1741.

Op requeste van van Jan Balck en Aleyda van Emst egtelieden versoeckende om naast de schure van Dirck Gaasberg sooveel grond te mogen hebben om een schure daerop te mogen setten, breder bij 't request vermelt.

De weduwe van Jan Balck heeft sig doen verclaren van niets te timmeren gadaen den 29 mart 1743.

Verstaen: de heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geexamineert hebbende accorderen aen de supplianten in erfpacht veertig voet gronds in de lengte en in de breette na advenant van 't pakhuys 't geen Jacob Pluym aldaer setten sal, sullende de grond alsoo beginnen naast dat van Jacob Pluym, sullende den suppliant met pannen sijn pakhuys moeten decken en daervoor 's jaers tot een recognitie aen dese stadt

pagina 110

moeten betalen drie gulden werdende suppliant geordonneert, om in 't begin van 't timmeren aenstonts kennis daervan te geven aen de heeren præsidenten in tempore. Actum in senatu den 10 juny 1741.

Op requeste van Simon Balck versoeckende permissie, om een huysjen[om een huysjen] voor aen sijn hoff voor de Goorpoort aen de Steenstraat soo over de sloot te mogen uytsetten,dat 't selve egaal quame met 't huysjen van Jan Lipke aldaer, breder bij request vermelt.

Verstaan: de heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geëxamineert hebbende accorderen aen den suppliant sijn versoeck, ordonnerende hem nogtans, dat aenstonts in 't begin van 't maken kennis daervan sal moeten gegeven werden aen de heeren præsidenten in tempore, opdat 't selve alvorens dan werde opgenomen. Actum in senatu den 10 juny 1741.

pagina 110v.

Burgermeesteren schepenen en raad doen hiermede te weeten, hoe dat haar edele en achtbare is voorgekomen dat deser stadt Swaenen gejaagt, geslagen en mishandelt werden tot groot ongenoegen van haar edele en achtbare gemerckt, dat dese stomme beesten tot playsier van deser stadts burgerije en tot costen van dese stadt gevoedet en onderholden werden, dat haar edeleen achtbare dan op 't allerijverigste willende tegen gaan allerhande soort van mishandelingen ontrent deselve swaanen soo jong, als oud, hebben over sulx geresolveert mits desen te stellen een boete van 10 heeren ponden tegens den geenen, die de gemelte swaanen simpel verjaagt; een boete van 20 heeren ponden tegens den geenen, die na deselve met steen of ander instrument werpt; en een boete van 50 heeren ponden tegens den geenen, die een swaan quest sullende arbitrairlik werden gecorrigeert, den geenen die een swaan mogt comen te dooden; omtrent welke geltboeten 'd ouders voor hare kinderen sullen moeten instaan; en van woedane geltboeten den aanbrenger boven belofte van secretesse sijns naams een derde part [..] sal prosteren; ende een premie van 100 guldens, die ten genoegen rechtens aenbrengt sodane, welcke een swaan comt te dooden. En opdat niemand eenige ignorantie can voorwenden, soo sal dese met de klock gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecken na behoren. Actum in senatu den 8 july 1741.

pagina 111

Op requeste van Henrik Schut versoeckende de open plaats aen de stadthuys tusschen 't huysjen daer Beerd Wijchmants woont en de booge, daar Wijcher Jansen in woond, soo breet als sonder benauwinge een woningjen sal cunnen gemaeckt worden, bij de requeste breder vermelt hebben de heeren van de magistraat en geswooren gemeente het versoeck aen suppliant geaccordeert, mits niet verder op spraack springende, als hen werde aengewesen, en 's jaars tot een recognitie aen de stadt betalende eene gulden. Actum in senatu den 9 april 1742.

pagina 111v

Tusschen de eerwaarde kerkenraad tot Elburg ter eenre ende de heer burgermeester Herman Jacob van Eckelens ter andere zijden geaccordeert over een uytgang van twee guldens, vier stuyvers, 12 penningen 's jaars uyt het huys in de Vispoortstraat alhier kennelik staende de heer Erckelens toebehorende en door sijn weledele thans bewoont wordende op volgende wijse; Dat de eerwaarde kerckenraad gemelte uitgang cragte deses hold vooruyt gecoft, afgedaen en vernietigt, als of nooit geconsitueert of in wesen ware geweest sonder de allerminste actie of opspraek die aengaende op 't huys te reserveren, mits de heer burgermeester Erckelens daervoor aen de eerwaarde kerckenraad, gelijk sijn weledele bij des selfs ondertekening deser aanneemt te betalen een somma van seven en sestig guldens, twee stuyvers en acht penningen eens, alles nogtans tot meerder vastigheid van alles op approbatie van de heeren van de magistraat van de stad Elburg. 'T oirconde is dese bij parthijen contrakenten getekent in de kerckenraad van Elburg den 2 july 1742 uit name en bij laste des eerwaarde kerkenraads W. Lobe sijnde hoc tempore præsident.

Was getekent H.J.V. Erckelens.

Segge 67:2:4.

Was op geappostilleert in de heeren van de magistraat geëxamineert hebbende actis vermelt is. Actum in senatu den 7 july 1742.

Ter ordonnatie van deselve R.O. Schrassert, secretaris.

pagina 112

Op requeste van schipper Bartold Mouwe, versoeckende nog 4 jaren met sijn schip, sijnde in 't 22e jaer oud, het vaer [..] te mogen bedienen, gelijck sulx in 't brede in een request is vervat.

Verstaen: de heeren van de magistraat desen geëxamineert en de redenen daarin vervat overwogen hebbende accorderen aen suppliant, om nog twee jaren met sijn schip in het veer van hier op Amsterdam en van daar na dese stad te vaaren, mits deselve de passagiers holdende buyten clagte en 't schip in goede staat, Actum in senatu den 17 july 1742.

Vermits de ruyter Jan Mulder vraagts tusschen maendag en dingsdag acht dagen geleden op straat [gaen] de meyd van H. Nagelhold bij de cop gecregen en vervolgens H. Nagelhold voor sijn deur geinsulteert heeft, soo heeft de magistraat hem overgegeven aen de militairen om pro hac vice en sonder præjudictie in den competerende jurisdictie van de magistraat den selven na meritas te straffen. Actum den 11 augustus 1742.

pagina 112v

Op requeste van Hijlke Michiels meester scheepstimmerman tot Woudsend als 't recht hebbende van Haytse Selles wegens verschulde cooppenningen van schuyt tegen Feye Jacobs en ook van de schuytebrief daarvan overgegeven (sijnde 't recht getekent door Fijdde Willems als volmachtiger) versoeckende aen een of twee gecomens uyt haar weledele en achtbare om ten overstaen van deselve de vercopinge van die schuyt te doen, opdat alsoo altoos ten overvloede van beyden dat hiermede suyver gehandelt is, prætenderende de suppliant mede de penningen niet in handen te hebben, maar bij den secretaris te laten ontfangen, omme daarvan sijn rechtmatige prætensie van resterende cooppenningen met de aengewende costen maer te ontfangen, waermede suppliant content is, sullende omtrent de meerdere penningen dan cunnen

pagina 113

gehandelt worden, gelijck na rechten sal behooren 't sij dat die bij Feye Jacobs werden ontfangen ofte andersints.

Hebbende de heeren van de magistraat verstaen, dat hierover alvorens een brief sou afgaen aen Feye Jacobs, om de resterende cooppenningen der schuytte binnen 14 dagen te betalen, of dat de schuyt sal vercoft werden in usum jus labertum. Actum in senatu den 11 july 1742.

Op nader request van den selven en oock getekent bij Fijdde Willems als volmachtiger, te kennen gevende, dat daerop een brief aen Feye Jacobs is afgesonden dog dat nog Feye Jacobs nog ijmand sijns vrinde is opgecomen, versoeckende alnog een of heeren gecommiteerdens uyt midden van haar weledele en achtbare, ten eynde deselve schuyt ten overstaen van die heeren alhier moge werden vercoft, breder bij dat request vermelt quo relatio.

Hebben de heeren van de magistraat

pagina 113v

versogt en gecormitteert de heeren Ercklens en Ommeren ten einde d' in actis gemelte schuyt ten overstaen van die heeren in 't openbaar na voorgaende publicatie werde vercoft na inhold van dese requesten. Actum in senatu den 14 augustus 1742.

pagina 114

burgermeesteren schepenen ende raad vernomen hebbende, dat niet tegenstaende alle ernstige resolutien en nog onlangs een met de klock alhier gepubliceert, het steelen in de Hoven van tijd tot tijd toeneemt, ja, dat sig sommige niet ontsien hebben 's nagts tusschen den 18 en 19 july jongstleden veele moetwilligheden en geweldenarijen in de Hoven te plegen, met onderanderen verscheyde huysjes op te breecken en goederen uyt deselve te steelen, soo ist, dat haar weledele en achtbare als oirdelende, dat sulck saacken niet ongestraft behooren te blijven, beloven een præmie van hondert daalders, aen den geene te doen betalen, welcke den daader of daaders mogte aanbrengen, soo, dat deselve in handen van justitie geraacken, sullende des aanbrengers naam (des begerende) werden gesecreteert, en schoon den aanbrenger medepligtigh ware geweest, soo sal den selve boven vrijheid van straffe deselve præmie genieten. Holdende haar weledele en achtbare hiermede voor vernieuwt de vorige gepublceerde resolutie, omtrent het steelen in de Hoven gecomen. Actum den 21 july 1742.

pagina 114v

Op requeste van de welcke wesemeesteren E. Nest, Henrik Wijnne, Willem Boeduynen, Johannes van Loo, te kennen gevende, dat de heer burgemeester Derik Christiaan Tulleken haar lieve is aangeweest, om een ruylinge te doen van de wesen 6 gresen van Antonides, agter de Meen aen de Wijck gelegen, tegen 6 gresen van sijn weledele in 't Eeckrmerck, de vierde camp van de Winterdijck gelegen, en alsoo sijn weledele seit, dat niet begeert, dat de weesen bij de minste schade souden komen te lijden, dat sulx soude doen, omdat de Weesencamp seer gelegen leyt aan sijn weledele erf in de Vrijheid nu nieuws aengecoft, soo præsenteert sijn weledele aen de wesen te betalen, het geene de Wesencamp 't sij bij accoord of ter astimatie van twee onparthijdige mannen sal geaccordeert worden meerderwaardig te sijn, en sal daer en boven alle de oncosten

pagina 115

die over dese ruylinge sullen comen te vallen, versoeckende suppliante haer weledele en achtbare ordre in desen, breder bij den requeste vermelt.

Accorderen de heeren van de magistraat en supplianten, om daer omtrent met de heer burgermeester Tulleken te handelen, soo als raadsaem sullen agten. Actum in senatu den 11 september 1742.

pagina 115v

Op request van de weesemeesteren alhier, te kennen gevende, dat de heer broeder D.C. Tulleken haer versogt heeft, om bij ruylinge met haar te handelen wegens een camp groot 6 gresen gelegen aen het Meenwegjen, doende in ordinaire verpondingen 's jaerlix 10-2-8 die de weesen is toebehorende, tegens een camp van 6 gresen gelegen in 't Eectermerck doende in ordinaire verpondingen 's jaars 7-10-0 welcke sijn weledele toebehoird, en alsoo des selfs camp voor de helfte weleer is leenroerig geweest onder den huyse en heerlijkheyt Kannenburgh, soo verbind hem sijn weledele daarvoor, dat het selve is van sijn leenpligtigheid ontslagen; en is nadat alles overweegt was, dat hier omtrent te overwegen stonde, op approbatie van uweledele en agtbare door ons weesenmeesteren ondergeschreven aen de eene zeyde en door de weledele heer broeder D.C. Tulleken aen de andere zeyde het dus volgende

pagina 116

getroffen, dat over het jaer 1743 de heer broeder Dirck Christiaen Tulleken sal aanvaerden de weesen 6 gresen bovengenoemt, gelegen op het ent van 't Meenweeghjen, en dat om deselve erflijck en voor altoos te behouden in vollen eygendom; mits uytkerende aen de weesen eens een somma van een hondert gulden en dat om binnen de tijd van 3 maenden na dato deses in handen van de weesemeesteren te voldoen; voorts sal de 6 gresen van de weledele heer Dirck Christiaen Tulleken bovengenoemt meede in volle eygendom aen de weesen overgaen en oock over 1743 aenvaert worden, de onkosten die hier over staen te vallen soo van de eene als de andere zeyde sullen sijn tot laste van de heer burgermeester Dirck Christiaen Tulleken, de verpondinge sal aen weerzeyden gesuyvert worden ordinair 1740 en extraordinair 1741 en het mergengelt en sluisegelt soo verre als het

pagina 116v

uytgeset is waerover en waerop wij weesenmeesteren nu uweledele en agtbare approbatie sijn versoekende alles in 't brede bij het request, door de wesemeesteren getekent, vervat quo relatio.

Geappostilleert aldus: de heeren van de magistraat desen geëxamineert hebbende approberen all 't geen de weesemeesteren gemelt in desen met de heer broeder Tulleken hebben verrigt en accorderen teffens aen supplianten, om cessie en transport van hare zijde na behooren te doen. Actum in senatu den 20 september 1742.

De 22 september 1742 opdracht gedaen en de hondert gulden betaalt.

pagina 117

Op requeste van Willem Henriksen te kennen gevende, dat sijn vader langen tijd alhier heeft wairgenomen het werck van de doode beesten in dese stad en vrijheid stervende afte doen, secreten te luyveren voorst alle saken tot die bedieninge gehorende, dat suppliants moeder na dode van haer man daerin en in de arme jagers plaets seer lange heeft gecontinueert ende versoekende suppliant, dat uweledele en achtbare de goedheid gelieven te hebben, van hem met deselve bedieninge te begunstigen, om na doode van sijn moeder deselve soo ten opsigte van het een als ander op sig selfs te hebben en daarin alsdan te mogen continueren.

Geappostilleert: de heeren van de magistraat desen geëxamineert hebbende accorderen aen suppliant sijn versoeck, gelijck in actis vermelt is. Actum in senatu den 31 december 1742.

pagina 117v

Weledele en agtbare heeren.

So sensibel, en smartelijk, als het mij aan de eene tijd was in de jare 1734 mijnen vader, aan wien ik door de tederste banden van eene meer dan kinderlijke liefde op het allernauwste verknogt was, te verliesen, en aan wiens dood ik nimmermeer sonder de levendigste aandoening, en droefheid des harten herdenken kan;

Soo heuglijk, en aangenaam was het mij aan de andere sijde, dat uweledele en agtbare des tijdes op mij een gunstig oog geliefden te slaan met mij neffens vier andere leden in het midden uweledele en agtbare bekend boven het ordinaire getal tot een mede schepen uwer stad te benoemen, waarvan mij door de heer burgermeester Tulleken selfs d' ordinaire gedaan wierde. Een voorslag weledele, en agtbare heeren, die mij des te meer aandede, wanneer ik kwam te reflickeren op mijne jonge jaren, geringe capaciteit, en ervarenheid, die ik in die tijd hadde: het welk mij over sulx dede denken, dat den dartige jaarige dienst van mijnen vader (die in al die tijd, sonder roem gesproken met alle attackement, en ijver ten diensten van de stad sijn post had waargenomen) uweledele en agtbare niet onaangenaam geweest was, het geen voor mij, en wel in het bijsonder voor mijne op die tijd troostelose moeder, en hare andere kinderen geene kleine satisfactie was.

Het is uweledele en agtbare alte overvloedigh bekend, dan dat het nodig soude sijn, mij hierover breedvoerig te claageren, met wat voor betuigingen van de schuldige erkentenisse en dankbaarheid ik die uweledele en agtbare gunstige propositie accepteerende, solang deselve suiver, enbuiten eenige accrochementen was, en hoe seer ik in tegendeel geaffligeert was, wanneer ik expost niet sonder aandoening moeste vernemen, dat die mijne promotie door toedoen van wijlen burgermeester Brouwer naderhand gehegt wierde aan sekere conditie, die mij onmogelijk was, als strijdig aan eene solemnelen, en plegtige belofte aan mijnen vader op sijn doodbedde gedaan, te

pagina 118

amplenteren: waardoor ik dan, wilde ik een eerlijk man blijven, en aan een getrouwe, en tederhartigen vader niet ontrouw worden; tegens de inclinatie van uweledele en agtbare selfs heb moeten gepostpoceert blijven.

Het is wel waar, weledele, en agtbare heeren, dat ik op die tijd eene resolutie man, om buiten mijn geboorteplaats aldus mijn fortuin, was het mooglijk, te gaan soeken; dog het is ook te gelijk waar, dat ik agter nimmer uit het oog verloren hebbe uweldele en agtbare goedgunstige attentie, en genegenheid mijnes waarts; mij altoos flaterende, wanneer de omwentelingen der tijden die obstaculen eens kwamen weg te nemen, als dan te sullen obtineren, het geen ik wegens de injurie der tijd doemaals hadde moeten nalaten.

Ik neme, dat cas nu exterende, over sulx de vrijheid van uweledele en agtbare, gelijk ik meermalen d' eer gehad hebbe van mondlijk te doen, thans schriflijk, en bij dese mijne missive op het eerbiedigste te versoeken, dat uweledele en agtbare van die goedgunstigheid gelieven te sijn, van mij met de supernumeraire schepenplaats in de jare 1734 al op mij geconfereert geweest sijnde te honoreren, waarmede uweledele en agtbare oneindig, en voor altoos sullen verpligten, die de eere heeft, na uweledele en agtbare in godes heilige protexie bevolen te hebben, van buiten alle reserve met de diepste eerbiet, en hoogagting te sijn.

Weledele en agtbare heeren.

Weledele en agtbare seer onderdanig

pagina 118v

en gehoort dienaar.

Arnhem de 28 februari 1743.

Was getekend W.H. Toe Water.

''T opschrift was: weledele en agtbare heeren.

Mijn heeren burgermeester schepenen en raad der stad Elburgh.

Was op geresolveert is aldus: Te Elburgh. Omtrent het gedane versoeck word gedisiculteert. Actum in senatu den 2 maart 1743.

Ter ordonnantie van de magistraat. Was getekend R.O. Schrassert secretaris.

pagina 119

Op requeste van Eybert Jansen, te kennen gevende dat hij inclineert was, om voor de Vischpoort over de haven naast de papiermoole op de slepinge van het oever te laten setten een pakhuys en het selve van steen te laten opmetselen en met pannen te doen decken, en dat suppliant daartoe nodig sou hebben 50 voet in de lengte en 20 voet in de breette, versoekende derselven, dat haar weledele en achtbare en vrinden van de geswooren gemeente sooveel stadtsgrond aldaer, en gelijck met paaltjes aldaar is afgeset aen suppliant en desselfs vrouw Dreesjen Jans gelieven te geven in erfpacht voor altoos, om een pakhuys als voorseit, daerop te laten setten, præsenterende daar voor aen de stad 's jaars te betalen sodane recognitie, als redelik, breder bij 't request vermelt

pagina 119v

quo relatio.

Hebben de heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geexamineert hebbende geaccordeert aen suppliant sijn versoeck, gelijck in actis vermelt is, mits daarvoor 's jaars aen dese stad tot een recognitie betalende twee guldens thien stuyvers ende den eygenaar der papiermoole ten respecte van de wind buyten regtmatige clagte holdende, en niet hoger timmerende, als de schuyre van de moole. Actum in senatu den 9 maart 1743.

pagina 120

Op requeste van Aaltje Boschwinkels huysvrou van Jan Lipke, te kennen gevende, dat door dode van Diliana van Riscam weduwe van Dulken de stadtsvroemoersplaats alhier is comen te vallen, versoekende met die plaats gebeneficeert te werden, breder bij 't request vervat, quo relatio.

Hebbe de heeren van de magistraat de suppliante tot stadtsvroemoer alhier aengestelt, 't selve doende crachte deses, op tractement als anders, als anders, als van outs. Actum in senatu den 13 april 1743.

pagina 120v

Op versoeck van Asje Eyberts en Brand Willems als mombers van Egbert Beertsen en aaltje Beertsen onmundige kinderen van Beerd Willemsen en Aeltje Eyberts egtelieden, voorts Brand Willemsen als momber van Willempje Beertsen oock onmundig kind van Egbert Beertsen bij Aeltje Gerrits verweckt, versoeckende twee 6de parten van de twee eersten in een schepel sayland op den Oostendorper Enck in Doornspijck en twee 3de parten van een pint weyland in dat schelpel voor 1/3 part van een spint in dat schepel van 't laatste te mogen vercopen en transporteren, breder bij 't request vermelt quo relatio.

Hebben de heeren van de magistraat desen geëxamineert hebbende aen supplianten haer versoeck geaccordeert, mits de penningen ten meesten nutte van de pupillen werden aengeleit, en sullen ten aansien van 't laatste, wiens moeder 't selve moet alimenteren.

pagina 121

tot des selfs mundigen dag, soe de penningen bij de momber bewaart of secuur uytgedaen moeten werden. Actum in senatu den 4 may 1743.

pagina 121v

De geswooren gemeente deser stad gehoord hebbende dese resolutie hebben (soo verre haar aangaat) tot supernumeraire schepenen van dese stad verkosen en aangestelt de persone daarbij vermelt en vorder geaccordeert all 't geene bij deselve resolutie vervat is. Actum in senatu den 22 july 1743.

[Mij præsent] R.O. Schrassert secretaris.

De burgerij van dese stad in de kerck vergadert, dese resolutie gehoord hebbende heeft tot supernumeraire schepenen van dese stad verkosen en aangestelt de persoonen daarbij vermelt en vorder geaccordeert all 't geene bij resolutie vervat is. Actum in senatu den 22 july 1743.

Mij præsent R.O. Schrassert secretaris.

De heeren van de magistraat ondervonden hebbende, dat tot conservatie van de eenigheid in de magistratuir en burgerij eenige jaaren een groot middel is geweest, de iterative aanstellinge van supernumeraire schepenen alhier, ende teffens overwogen hebbende, dat alle de supernumeraire schepenen, uytgesondert alleen de heer Derck Gerrit van Hoeclum, reets als ordinaire schepenen sijn ingevallen, souden niet onderdienstig oirdeelen, dat thans weder eenige persoonen tot supernumeraire schepenen in dese stadt werden aangestelt, en dat die na de jaaren bijna van alle benoemt en geboeckt werden sonder præjudicie aen 't recht van in te vallen tot ordinares schepen, hierna beraamt, verlenende dan haar weledele en achtbare sooverre haar betreft hare toestemminge dat tot schepenen supernumerair alhier verkosen en aangestelt werden Ernst Cornelis Bigge, Johan Burgard Tulleken, Dibbelt Arnold van Erckelen, Johan Gerrit van Brienen, Gijsbert Gerrit Santberg, Johan Schrassert, Bernhard Johan Hoff en Eybert Heymerik van Hoeclum,

pagina 122

om als ordinaire schepenen (onvercort nogtans 't recht van voornoemde heer Derck gerrit van Hoeclum, om vooraf en voor alle die supernumerairen te gaan) in te vallen op volgende wijse, dat Ernst Cornelis Bigge , Johan Gerrit van Brienen, Johan Schrassert en Eybert Heymerik van Hoeclum bij vacature van de ordinaire schepensplaatsen 't eerste als oirdinaire schepenen sullen invallen na de ordre, soo als die vier alhier gestelt sijn, soo nogtans, dat soo de heeren schepenen Erckelens, Tulleken, Hoff en Sandberg, wiens soons tot supernimeraire schepenen benoemt sijn, quamen te sterven, alsdan een ijders voornoemde soon respective in sijn vaders vacante plaats als ordinares schepen sal invallen eb in 't sterfval van sijn vader om ordinares schepen te worden voor alle anderen supernumerairen sal gepræsenteert sijn: sullende 't oock vrijstaen aen die vier gemelte ordinaire schepenen, om haar plaats aan sijn soon supernumerair schepen benoemt over te doen. En soo de oudste soons van de heeren burgermeesteren Erckelens en Tulleken voor hare vaders respective quamen te sterven en als supernumerair te overlijden, alsdan sullen de twede tegenswoirdige soons van die twee heeren

pagina 122v

in plaats van hare respective vaders als ordinares schepen sucederen 't sij dat hare vaders quamen te sterven of hare plaats overdeden, sonder daaromtrent verder te springen, welke twede tegenwoirdige soons daer sullen gestelt werden in rang niet van hare overledene broers vooren genoemt, maar na haren ouderdom.

Sullende de rang hier vooren gemaeckt en welke wesen soude, soo de oudste soons van de burgermeesteren Ercklens en Tulleken voor hare vaders als supernumerairen quamen te sterven, altoos bij har allen, soo als ordinares ingevallen als niet ingevallen, moeten blijven en geobserveert werden, 't sij dat ijmand bij vacature of door afstand, aen die vier voornoemde schepenen geaccordeert, ordinares schepen werde en sonder onderscheyd, wie eerst of laatst ordinaris schepen werde.

Edog soo de heer Derck Gerrit van Hoeclum voornoemt quame in te vallen in plaats van schepen, wiens soon supernumerair was, alsdan sal die soon inmediaat op dien heer Derck Gerrit van Hoeclum met het invallen tot ordinares schepen bij 'd eerste vacature volgen.

pagina 123

en soo die soon oock mogt invallen in plaats van een schepen, wiens soon insgelijx supernumerair ware, soo sal des afgestorvens soon weder op die ingevallene bij vacature 't eerste volgen moeten, en soo vervolgens in sulcke gevalle die mundig sijnde ordinares schepen werd, die blijft nogtans, als voorseit, in sijn rang, sonder in rang te springen boven anderen, die boven hem staan en nog supernumeraire schepenen sijn, schoon hij alle opsigte als ordinares schepen dan erkent sal moeten werden.

Sullende het invallen tot ordinares schepen oock plaats hebben, schoon dien supernumerairen alnog onmundig ware, die dan met 't doen des eeds en regeren sal moeten wagten tot sijn mundige dag toe, en sal in soo 'n van den eersten van die supernumerairen, die geen vader tot schepen hebben en daarbij mede Eybert Heymerik van Hoeclum, mundig wesende in plaats van die minderjarige ingevallene mede regeren en omtrent 't honerable en 't profitable als een ordinares schepen geconsidereert werden tot soolang dien ingevallene meerderjarig geworden sij: en soo daar meer

pagina 123v

als een sodanig geval exteerde als dan sal 'd order bij die vier supernumerairen Bigge, Brienen, Schrassert en Geysbert Heymerik van Hoeclum geobserveert werden, sooals in dese gestelt sijn; gelijck oock dusdane order geobserveert sal werden, als den supernumerairen, welcke de plaats van een ingevallene minderjarige voor die tusschentijd waarmeent, selfs voor sijn eygen persoon als ordinares schepen quam in te vallen of te sterven.

Als supernumeraire schepenen sullen deselve niets van de stad genieten en allesints sijn sonder nadeel van de ordinars heeren schepenen, sullende deselve mundig wesende en nog supernumerair sijnde nogtans in eed genomen en mede ter vergadering gebodet werde en compareren mogen ter vergadering alleenlik ad audiendum;

Sullende deselve supernumerairen mundig wesende en alnog niet ingevallen geen commissie mogen hebben, als alleen na lantdagen, quartiersdagen en lantgerichten op

pagina 124

haar eygen beurs, alwaar sij nogtans geen commissie sullen mogen crijgen nog over vacante charsien stem hebben nog in eenige saacke de præsente ordinare heeren gecommiteerdens uyt dese stadt sullen mogen overstemmen.

Hebbende haar weledele en achtbare geresolveert desen de vrinden van de geswooren gemeente en andere gequalificeerdens tot der schepenen keur alhier voor te houden en voor te stellen, dat 't haar weledele en achtbare aangenaem sal sijn, dat sij de opgemelte persoonen tot supernumeraire schepenen alhier volgens den inhold deser verkiesen en aanstellen, om ten allen tijde van volle cragt te sijn. Actum in senatu den 22 july 1743.

Mij præsent R.O. Schrassert.

Desen met de klok gepubliceert op den 22 july 1743.

Burgermeesteren schepenen ende raad deser stadt maecken een ijder mits desen bekent, dat de geswooren gemeente en andere gequalificeerdens tot der schepenkeur alhier met toestemminge van haar weledele en achtbare op heden hebben verkosen en aangestelt tot supernumeraire schepenen ven dese stadt ad audiendum Ernst

pagina 124v.

Cornelis Bigge, Dibbelt Arnold van Erckelens, Johan Gerrit van Briemen, Geysbert Gerrit Sandberg, Johan Schrassert, Bernhard Johan Hoff en Eybert Heymerik van Hoeclum, om als ordinare schepen (onvercort nogtans 't recht van voornoemde heer Derck Gerrit van Hoecelum, om vooraf en voor alle die supernumerairen te gaan) in te vallen op volgende wijse; Dat Ernst Cornelis Bigge, Johan Gerrit van Brienen, Johan Schrassert en Egbert Heymerik van Hoeclum bij vacature van de ordinare schepens plaatsen 't eerste als ordinare schepenen sullen invallen na de ordre, soo als die vier alhier genoemt sijn, soo nogtans, dat soo de heeren schepenen Erckelens, Tulleken, Hoff en Sandberg, wiens soons tot supernumeraire schepenen benoemt sijn, quamen te sterven, alsdan een ijders voornoemde soon respective in sijn vaders vacante plaats als ordinare schepen sal invallen an in het sterfval van sijn vader om ordinar schepen te worden

pagina 125

voor alle andere supernumerairen sal gepræfereert sijn, sullende die vier gemelte ordinare schepenen hare plaats aen sijn soon supernumerair schepen wesende oock mogen over doen. En soo d'oudste soons van de heeren burgermeesteren Erckelens en Tulleken voor hare vaders respective quame te sterven en als supernumeraire te overlijden, alsdan sullen de twede tegenswoerdige soons van die twee heeren in plaats van hare respective vaders als ordinars schepen succederen, 't sij dat hare vaders quamen te sterven of hare plaats overdeden sonder daeromtrent verder te springen, welcke twede tegenswoordige soons dan sullen gestelt werden in rang niet van hare overledene broers vooren genoemt, maer na haren ouderdom. Sullende de rang hier vooren gemaeckt en welck wesen soude, soo de oudste soons van de burgermeesteren Erckelens en Tullenken voor hare vaders als supernumerairen quamen te sterven, altoos

pagina 125v

bij haar allen, soo als ordinares ingevallen als niet ingevallen, moeten blijven en geobserveert werden. Edog soo de heer Derck Gerrit van Hoeclum voornoemt quame uit te vallen in plaats van een schepen, wiens soon supernumerair was, alsdan sal die soon inmediaat op dien heer Derck Gerrit van Hoeclum met 't invallen tot ordinares schepen bij d' eerste vacature volgen, en soo die soon oock mogt invallen in plaats van een schepen, wiens soon insgelijcx supernumerair ware, soo sal des afgestorvens soon weder op die ingevallene bij vacature 't eerste volgen moeten, en soo vervolgens in sulken gevalle. Alles in conformité de resolutie en aanstellinge op heden genomen en gedaen, waartoe haar weledele en achtbare haar vorder omtrent alles daarbij vermelt refereren.

pagina 126

De heeren van de magistraat overwogen hebbende de goede intentie, waarom all op de 30 april 1706 genomen is een resolutie, waarbij een eygenaar van hollende paarden vervallen is in een boete van 50 gulden, ende vernomen hebbende, dat sulx onaengesien, sommige sig niet ontsien, om op een ongehoorde wijse ende als gantsch verwoedt haare paarden ter loop aan te setten, waardoor welligt ongelucken veroirsaackt souden connen werden hebben goetgevonden een ijder door en in dese stadt willende vaaren wel ernstig te waarschouwen, om bij sijne paarden sig te holden en ordentlik over deser stadtsbruggen en straaten te vaaren ende in 't geheel op off omtrent de hoecken der straaten niet te jagen, alles bij een boete van 50 gulden, sullende de eygenaars daarvoor aenspraekelik sijn, die haar regres tegens haer cnegten of voermans sullen cunnen neemen na haren raade. En opdat niemand hiervan ignorantie sal cunnen voorwenden, soo sal dese mit de klok gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecken na behooren. Actum in senatu den 24 augustus 1743.

Publicatum eodem die.

pagina 126v

Op requeste van Barend Stuurman en Magdalena Arentia van Hoeclum versoekende, dat sij agter de houtloose aen de Vischpoort, die met een stoketting tegen de boorg is afgeschoten, tot aen de daeraen volgende boog of tot aen de hoek van de stadtsmuyr aen die cant 't selve mogen hebben in erfpacht, sullende bij 't selve wille met een behoorlike sloot opgemaekt bepoot en beplant werden tot sieraad van de stad breder bij den requeste vervat, quo relatio.

Geappostilleert; de heeren van de magistaat en de geswooren gemeente desen requeste geexamineert hebbende accorderen aan supplianten voor veertigh jaaren in erfpacht ingevolge den inhold den requeste de grond om een hof te maacken agter de houtloose aan de Vischpoort, beginnende met het stakettingen tegens de boog tot de

pagina 127

hoeck toe in de lengte, en 46 voet in de breete, mits daervoor 's jaars tot een recognitie aen dese stadt betalende drie gulden, op heden beginnende te loopen en alsoo 't eerste jaar sullende vervallen op den 27 augustus 1744. Actum in senatu den 27 augustus 1743.

pagina 127v

Op requeste van broeder Jan Gijsbert Sandberg en Rijnvisch van der Horst, dat neef Jan van der Horst in januari 1736 voor 2de meester chirurgijn uyt Texsel na Oostindiën is gevaren met het schip Noortwattingveen, en dar die daer thans is overleden, dat sijn ouders in dese stad haer domicilium hebben gehad en tot haer doot toe oock geholden hebben dat de vader al enige jaren is doot geweest en dat de moeder in de jare 1740 is gestorven. Dat die Jan van der Horst na 't overlijden sijner ouders geen suster of susteren kinderen heeft gehad, en dat hij alleen heeft gehad een broeder, Gert Jurrien van der Horst, dog waarvan men in lange jaaren niet heeft gehoord en men van de selven oock niets weet, dat over sulx de suppliante als naaste vrinden

pagina 128

(die bekent sijn) van voormelde Jan van der Horst hair respectivyelik versoucken, dat uweledele en achtbare twee curatoren en administrateurs gelieven aen te stellen, om de nalatenschap van voorseide Jan van der Horst soo op 't Oostindies huys als elders te ontfangen en desselfs boedel te vereffenen en te mogen handelen in allen opsigte, gelijck rechtens is, breder bij 't request vervat, quo relatio.

Geappostilleert aldus: de heeren van de magistraat desen geexamineert hebbende stellen aan mits desen tot curatoren en administrateurs broeder Jan Gijsbert Sandberg en Rijnvisch van der Horst om de nalatenschap van Jan van der Horst in actis vermelt soo op 't Oostindies huys te Amsterdam als elders te ontfangen an alles omtrent die nalatenschap te redden en in alles te handelen, gelijck na rechten gehoird. Actum in sanatu den 7 december 1743.

pagina 128v

De heer broeder Jacob van Erckelens heeft als erftuyter en executeur testamentair van vrouwe M.L. Feith, douaniere Witte zalliger op requesitie en begente van de heeren van de magistraat der stadt Elburg betaalt de summa van hondert en twintig carolus guldens, tot de costen van de gecofte brandspuyt bij raad en gemeente op den 19 july 1743 op Feithenhoff uytgeset, en waar omtrent de prædicanten in hare qualiteit ten aansien van dat Feithenhoff sedert die gedane uytsetting tot nog toe tot misnoegen van haar weledele en acgtbare sijn nalatig geweest. Aldus dese quitantie op speciale ordre van haar weledele en achtbare in den gerichte opgestelt en geresumeert en doen afgeven aen de heer Erckelens in voornoemde qualiteit, om allesints tot varandwooringe van sijn weledele gesooren te kunnen strecken. Actum den 7 december 1743.

Ter ordonnantie van de magistraat R.O. Schrassert secretaris.

Pro memoria: dese bovengemelde honder en twintig guldens sijn bij den ontfanger Barent Feith in sijn extra ordinare ontfang genomen. Dato als boven.

pagina 129

Op reequeste van de geswooren gemeente (exept Van der Horst) versoekende den etgroen van de weerden, breder vervat bij haer request, quo relatio, is aldus geappostilleert; De heeren van de magistraat desen geexamineert hebbende accorderenaan de ondergeschrevene supplianten als gemeensluyden alhier haar versoeck in actis vermelt, dog alles bij provisie. Actis in senatu den 7 januari 1744.

Op requeste van Barent Deetman te kennen gevende, dat hij de doelen aan de Meenpoort wel genegen was te vergrooten tot aan de eerste booge en die doelen te laten maaken een lose van steen en met pannen gedeckt tegens de stadtsmuyr enz. breder bij dat request vervat.

Hebben de heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geexamineert geaccordeert aan suppliant de versogte grond tot de eerst booge in erfpacht voor den tijd van 40 jaaren, mits de stadtsmuyre niet beschadigende, off dat sulx op hem sal werden verhaalt, sullende de loose van steen gemaakt en met pannen gedekt moeten werden, ende sullende 's jaars door hem aem de stad moeten betaalt werden vier guldens, sijnde daer in gecomprehendeert de pacht van 2 guldens an de doele. Actum in senatu den 22 april 1744.

pagina 129v

Op requeste van Joannes Stuurman, versoekende octroy voor 15 jaaren, dat niemand anders als hij suppliant alleen alhier in die jaren een apotheecq mag hebben off apothecarie doen.

Geappostilleert aldus, de heeren van de magistraat desen geexamineert hebbende accorderen aan suppliant sijn versoeck voor den tijd van 15 jaaren,mits die de gebooren burgers soo chirurgijns als niet een apotheecq thans hebbende daardoor niet sullen sijn uytgeslaten, maar sullen apothecarie mogen doen, soo als thans gewoon sijn. Actum in senatu den 22 april 1744.

pagina 130

Op requeste van Antony van Barnevelt, te kennen gevende soo dat naast 't agterhuys van suppliant staat een huysjen van dese stadt, van outs gedestineert voor den poortier van het Cleynepoortjen, dat 't selve thans seer is vervallen, soo dat het selve niet als met groote costen gerepareert sou connen werden. Dat suppliant wel geenclineert is, om 't selve huysjen aen sijn agterhuys te voegen, meent derhalve de vrijheid van bij dese te versoeken en te verneemen of haar weledele en achtbare en geswooren gemeente 't selve voor een behoorlijke prijs aan [..] souden gelieven te vercoopen of aen [..] over te geven tegens soodanig nieuw huysjen, als suppliant volgens een plan, onderling na redelikheyd te maken, soude doen setten tegens de statsmuyr

pagina 130v

bij het brandspeuytshuysjen ofte elders.

Geappostilleert: de heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geëxamineert hebbende accorderen aen suppliant sijn versoeck, in diervoegen, dat suppliant een plan na behooren en tot genoegen van de werckmeesters alvorens sal moeten overgeven, om het huysjen daarna in alle deelen te laten maken bij de booge aen de stadtsmuyr tusschen het Cleynepoortjen en die booge, sullende den 50 penningen van 't een en ander tot laste van suppliant moeten sijn, en sal suppliant 's jaars wegens sijn huysjen, 't geen suppliant van de stadt moeten betalen twaalf stuyvers wegens ordinair verponding. Actum in senatu den 25 april 1744.

pagina 131

Op requeste van Jacob Polser, versoekende mombers over Eybert van Kooth, breder bij dat request vervat, quo relatio.

Aldus verstaen: de heeren van de magistraat desen geëxamineert stellen aan tot mombers over de onmundigen Eybert van Kooth, Barent de Waal en Henrik Sassenberg, ordonnerende deselve om sig te reguleren na de ordonnantien op de momberschappen gestatueert. Actum in senatu den 25 april 1744.

pagina 131v

Alsoo burgermeesteren schepenen en raad vernomen hebben, dat voor eenige weeken des nagts met steenen sijn ingesmeten de glasen aan 't huys van Lubertus de Haas, waarvan de daaders tot nog toe niet hebben cunnen werden ontdekt, en nogtans geconsideert, dat sulcke saaken in een stadt van justitie niet ongestraft behooren te blijven, soo ist, dat haar weledele en achtbare mits desen beloven te betalen een præmie van hondert gulden aan den geenen, die den daader off daaders daarvan come aen te brengen, soodanig, dat deselve van de daad ten genoegen rechtens werden overtuygt welcke præmie oock betaalt sal werden, schoon den aanbrenger medepligtig daeraen ware geweest boven impuniteit van straffe, resolverende haar weledele en achtbare vorder dusdane præmie, inval ijmand het inslaan of insmijten van glasen, soo hierna alhier gedaen mogt werden, sal comen aen te brengen op de wijse als boven, en opdat niemand eenige ignorantie sal cunnen voorwenden soo sal dese met de klock gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecken na behooren. Actum in senatu den 28 april 1744.

pagina 132

De heeren van de magistraat hebben tot overbrandmeesters omtrent de speuyt sub N. aangestelt de heeren Erckelens en Tulleken en omtrent de speuyt sub N. de heeren Ommeren en Sandberg. Actum in senatu den 21 july 1744.

De heeren van de magistraat hebben tot stadtsvroetvrouw alhier aangestelt Johanna Theodora Lauwerier getrouwt aan Joost Henrik Holsteyn op een jaarliks tractement van 75 gulden [..] en vrij huys en kost. Actum in senatu den 29 augustus 1744.

pagina 132v

Op requeste van Barent Beekman bij raad en gemeente geapposteert:

De heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geëxamineert hebbende accorderen aan suppliant en vrouw de grond [van sijn vrouw] van sijn hoff gemelt af tot aen de sloot van de andere doele toe in een erfpacht van 40 jaaren, mits daarvoor 's jaars tot een recognitie aan dese stad betalende twee gulden thien stuyver, op heden sullende beginnen te lopen. Actum in senatu den 26 october 1744.

pagina 133

De heeren van de magistraat tot haar leetwesen geinformeert sijnde, dat de besmettelijcke siekte onder het rundvee in Noord Holland, voornamentlik omtrent Hoorn, sig reets heeft geopenbaart, en teffens geconsidereert hebbende, dat de inwonders van dese stadt somwijl wel gewoon sijn rundvee van Hoorn na dese stadt aan te haalen, waardoor dan die droevige siekte wel mede sou connen werden overgebragt, soo is 't, dat haar weledele en achtbare daar omtrent sooveel in haar is willende voorsien goetgevonden hebben bij provisie bij desen wel ernstig op 't cragtigste te verbieden, om direct van Hoorn of uyt Noord Holland eenig runtvee, 't sij koeyen, ossen, pinken of kalveren in dese stadt od schependom te vervoeren of doen vervoeren, bij arbitraire correctie en straffe na bevind van saaken.

Sullende oock geen bootschuyver of schuyteman eenig beest aen land mogen setten, van wat plaats die oock mogte comen, sonder speciael consent van de heer præsident, off dat mede arbitrairlik sullen gestraft werden. En opdat niemand hiervan eenige ignorantie sal cunnen of mogen voorwenden, soo sal dese met de klok gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecken na behooren. Actum in senatu den 13 november 1744. Pronuntiatie eodem die.

pagina 133v

Bij de magistraat verstaan, dat in navolging van de resolutie van raad en gemeente van den 16 november 1717 de schepenen in eed sullen genomen werden sonder bepaling van tijd, en alsoo sonder mede voor te lesen de woorden een jaarlanck in 't ouwe formulier. Actum in senatu den 14 november 1744.

De heer Johan Burchard Tulleken heeft den eed aldus gedaen den 14 november 1744.

De heeren van de magistraat hebben tot steutinge van dieverijen geresolveert mits desen te ordonneren, dat sig niemand sal onderstaan om eenige goederen, waaromtrent de allerminste suspencie is van gestolen te sijn, te coopen, maar dat hij verpligt sal sijn aanstonts daarvan kennis te geven aan een der heeren præsidenten, bij wien hij spoedigste can comen, off dat den overtreder niet alleen verpligt sal sijn 't gecofte goed sonder eenige ontgelding of restitutie der cooppenningen weder te geven aan den geenen, die 't selve ofgestoolen mogt bevonden werden, maar sal daarenboven oock wegens het niet bekent maken na bevind en omstandigheyd der saacken werden geboetet. Ende opdat niemand hiervan eenige ignorantie sal mogen voorwenden, soo sal dese met de klok gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecekn na behooren. Actum in senatu den 28 november 1744.

pagina 134

Op requeste van Barent Deetman, versoekende octroy van alhier alleen touwbaan te hebben en touwmakerij te mogen exerceren, breder bij 't request vermelt, quo relatio.

Geappostilleert aldus: omtrent het versoek in desen gemelt word gedificulteert. Actum in senatu den 6 februari 1745.

Op requeste van Jan Deetman versoekende soo veel ruymte van grond, als tot een touwslagerie nodig heeft, breder bij het request vervat, quo relatio.

Geappostileert aldus: de heeren van de magistraat versoekende een committeren de heeren præsidenten, om een plaats tot een touwbaan voor suppliant uyt te sien en daarvan ten naasten regtdagen te rapporteren, om daar over en de recognitie met de vrinden van de geswooren gemeente te confereren en te delibereren. Actum in senatu den 6 februari 1745.

pagina 134v

Op requeste van Jan Deetman, versoekende grond in erfpacht van 60 jaaren tot touwbaan, breder bij 't request vermelt, quo relatio.

Geappostilleert aldus: de heeren van de magistraat en geswooren gemeente desen geëxamineert hebbende accorderen aan den suppliant de grond voor de Vischpoort van de muyr aff tot aan de Vilderstooren toe, sijnde dan inbegrepen 't hofjen van den oudsten roeydrager, om een touwbaan aldaar te hebben in een erfpacht van 40 jaaren, mits aan dese stadt 's jaars tot een recognitie betalende twee guldens en aan den oudsten roeydrager wegens 't hofjen 's jaars twee guldens thien stuyvers sullende op heden beginnen te loopen. Actum in senatu den 10 februari 1745.

pagina 135

De heeren van de magistraat ordonneren mits desen alle burgers en inwoondersvan dese stadt en schependom van dien, dat sij voor de tijd van de aanstaande jagt niet sullen ondernemen hare honden te laten loschloopen bij poene, dat de honden sullen werden doot geschoten, en dat den eygenaar daarenboven sal moeten betalen een boete van 25 gudens, en soo het mogt gebeuren, dat ijmand met sijn hond de weg begeerde te passeren, soo sal hij deselve aan een coort of stok vast moeten hebben, alles ingevolge 't placaat omtrent de besmettelilheid onder het rundvee geëmaneert en gepubliceert. Actum in senatu den 15 may 1745.

Publicatie eodem die.

pagina 135v

Burgermeesteren schepenen en raad in ervaringe gecomen sijnde, dat het placaat van haar edel mogende, de staaten deser provintie over de sabbathschenderij geëmaneert niet werde gerespicieert, maar in tegendeel, dat de son- en andere feestdagen door het drijven van allerhande coopmanschappen, tappen, neringen en handteringen, alsmede door 't speelen met kegels als anders ja selfs onder de prædikdienst grotelix werde ontheyligt; waartegens haar weledele en agtbare serieuselik willen voorsien, met een ernstig voornemen, om 't voorseide placaat, sooals 't selve bij successive jaren is gepromulgeert en alnog op alle paaschmaandagen van de prædikstoel word afgecondigt, sijn volcomen effect is te doen neemen, en de prænaliteiten daarin beraamt stipelik ter executie te stellen, soo ist, dat haar weledele en achtbare mits desen sijn ordonnerende, dat een ijder, van wat staat of qualiteit hij ook mogte sijn, na den inhoud van gemelte placate sig sal hebben te reguleren of dat den overtreder ingevolge 't selve placaat sonder eenige gratie sal werden geboetet, in sonderheid verbieden haar weledele en achtbare mits desen mede alle handwerken, voorts het tappen, alle verdere teringen, handteringen ende allerhande spellen geduyrende de bedestond, soolang die [..] alle week des swoensdags tot God Almagtig sal werden geholden op gelijcke pænaliteiten, als in voorseide placate op de sabbath schenderij sijn gestatueert; en opdat niemand eenige ignorantie sal mogen voorwenden, soo sal deselvs met de klok gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecken na behooren. Actum in senatu den 9 september 1745.

Publicatie eodem die.

pagina 136

Burgermeesteren schepenen ende raad in ervaringe gecomen sijnde, dat verscheyde onbetamelikheden op sondagen en andere dagen in tijde van de jaarmerkten alhier werden gepleegt, waardoor de goedheyd van God Almagtig getergt en de placaten van desen lande werden overtreden; soo ist dat haar weledele en achtbare daaromtrent willende voorsien, voornamentlijk in dese bekommerlijke dagen, hebben goetgevonden op het aller ernstigste en ijder bij desen te waarschouwen, dat geduyrende de aanstaande jaarmerkt in de herbergen onder de prædicatien niet sal mogen werden getapt, of dat den hospes en oock den geenen, aan wien getapt werd sal vervallen sijn in een boete van 25 guldens.

Dat mede gaan cramers en cooplieden onder de prædicatien hare craamen sullen mogen openen of eenige coopmanschappen op tafels te coop voorsetten, of eenige eet of andere waaren vercopen, oft dat dusdanen cramer of vercoper, als mede den coper sal incureren een gelijcke boete van 25 guldens .

Dat vervolgens onder de prædicatien met geen drayborden of dobbelsteenen na koeck of ijts anders sal mogen werden gespeelt, almede bij de boete van 25 guldens, insgelijx bij een ijder te verbeuren.

Dat oock niet alleen op sondagen

pagina 136v

maar ook op andere dagen geduyrende de jaarmerkt niet sal mogen werden gespeelt op fiolen, hakborden of andere instrumenten op de boete van 25 guldens, bij denhospes en speelman te verbeuren.

Dat haar weledele en achtbare vorder inhoreren hare resolutie omtrent het stilstaan van alle neringen en landteringen enz.

in de tijd der weeckelijcksche beedestonden, dus dan oock tegens d'aanstaande jaarmerckt wel op 't aller serieuste werd verboden 't openen van de cramen, coopen en vercoopen, voorts allerhande neringen en speelen op drayborden etc.

op woensdagen geduyrende de geheele beedestond, bij de poene in desen als boven. En opdat niemand eenige ignorantie sal mogen voorwenden, soo sal dese met de klok gepubliceert en geaffigeert werden, om te strecken na behooren. Actum in senatu den 23 october 1745.

Et publicatie eodem die.

 

Stadsrekeningen Elburg

  • woensdag 19 juni 2013 14:59
  • 1443
  • 1441
  • 1447
  • 1451-1453
  • 1453
  • 1454
  • 1455
  • 1456
  • 1461
  • 1462
  • 1470
  • 1471
  • Huwelijksvoorwaarden en testamenten (ORA 144)

    • vrijdag 26 juli 2013 14:10

    Huwelijksvoorwaarden en testamenten.

    ORA 144.

    Nummer 1.

    Copie.

    Wij Arendt Franckesen und Johan Vege van wegen Marcell van Arler, und wij Louwe Loess und Conraedt Dirricxen van wegen Gerrit Loess, doen condt ende betuigen mitz desen dat wij als rechte gecaren hylicxluiden ter eeren Goides gedediget, gemaeckt und met beider consent uuitgesproecken een echt und witlick hylick tusschen personen voorsseid, alles op volgenden conditien. Erstlick versamlen genante personen sich in den ehestand, und beloven daerin eerlick toe leven und brengen aen een ander soodaene guederen als een ieder nu heefft, und naemaels mach krigen nyet uuitgenomen wert verners bevurwart, woevern sie sonder lieves geboerte van hen beiden quemen afftesterven, sall eines iederen guedt gaen in den bloede, daer idt is heergecommen, dan gemelte personen met Johan van Holte, als met Arlers consent genanter Gerrit Loess gecaren mombaren tuchten malcanderen vermueg deses in allen haeren gereden, oeck liggenden guideren giene uuitgenomen, nemlick in den Noirt Camp bij Andries Feit berch, voirt in alle anderen guederen in deser stadt vrijheit van der Elborch, Oldenbrouck, und allenthalven in Veluwen gelegen, giene uuitgenomen, doch wen ein van beiden verstorve und gebuerte nableve, sall die lestlevende die halve tucht genieten, und die kynderen off ein derselven die ander helffte. Sullen oeck die kynderen haere vaderlicke guederen geheell, soe sie nu aengebracht, up malcanderen erven, und nae lester doet bij mangel lieves erven up haeren vader offt haeres vaders naeste bloetverwanten, alles sonder arglist. In oirconde der waerheit hebben wij Arent Franckesen, Johan Veghe, Louwe Loess und Conraedt Dirricxen als gecaren hylicxluiden und als geerfden in Veluwen ter begeerte beider partijen in qualiteit wie baven desen brieff een ieder met sijnen segell witlich besegelt in den jaere sestienhondert und drie, am dertigsten der maendt augusti. Ende was onderteickent Arent Franckess, Jan Vege, Louve Gerris Loeffss und Conrhadt Dirrickss was oeck met vier uuithangende segelen van groenen wasche besegelt.

    Gecollationeert iegens den principalen hilicxbrieff onderteickent und besegelt als boven, ende accordeert daermede bij mij hieronderss secretaris des amptes Oldenbrouck.

    G. te Water.
    Nummer 2.

    Voorshands overgeslagen.

    Nummer 3.

    Wij Egbert Nucke, scholtis ende Arendt Franckessen hylixluiden van Frans Gentssen, bruidegom ter eenre ende wij Egbert Lutteken burgemeister ende Joachim Loeffssen hylixsluiden van Gerritjen Beerts toecoemende bruidt anderdeels, hyer toe specialick van wedersijts olders onthaelt ende versocht; doen condt ende certificeren mits desen, dat wij ter eeren Godes een echt ende wetlick houwelick tusschen d’voorsseide personen gededicht ende uutgesprocken hebben op nachvolgende conditien.

    Als dat d’selve personen den anderen sullen trouwen na ordre der christelicke kercke, daer na hebben Gerrit Warnerssen ende Aeltgen Frans echteluiden haeren soon den bruidegom in houwlixstuir mede gegeven hondert rijxdalers, waer tegens Beert Gerritssen vaeder des bruidts sijne dochter tot onderstant des houwlixs geefft boven haere moeders versterff mede gegeven hondert daelers ad dertich stuiver het stuck, welcke goederen sampt voordere winst en verlos in gemeenschap aenstontz vallen ende verblijven. Wijders hoe der bruidegom deser werelt eerst overlede, sonder geboorte deses houwlixs naertelaten, sal de bruidt uut sijne nalatenschap profiteren ende trecken hondert gulden. Ter contrarie de bruidt also affstervende, sal den bruidegom uut hare nalatenschap hebben ende genieten vijff ende zeventig guldens. Sullen mede echteluiden den anderen t’ allen tijden moegen tuchtigen ende begifftigen. Welcke alsdan so bundich ende van weerden sullen weesen, offt sij nu alrede gepassieert waeren. Sonder argelist in kennisse der waerheyt hebben wij dese hylixsvurwarden onderteickent. Actum 26 novembris anno 1650.

    Nummer 4.
    Copia.

    Wij Dietsemer Jansen ende Jan Dietsemersen, houwelixluyden van wegen Hendrick Dietsemerssen bruydegom ter eener ende wij Antonius Casar ende Jan Warnessen als houwelixluyden van wegen Vroutjen Alberts, bruydt ter anderen sijden; doen scondt ende betuygen mits desen, dat wij door bruydegom ende bruydt voornoemt daer thoe specialijck onthaelt ende gebeden, gededickt, gemaeckt ende tusschen die selve uuytgesproecken hebben een wettelijck houwelijck in naervolgende gestalte, dat de voorschreven bruydegom ende bruydt vergadert sullen naer ordeninge der christelicker kercke ende brenget die volgents die voorschreven bruydegom tot onderstant deses houwelicks aen al sulcke goederen, soo hij tegenwoordich is hebbende, ende naemaels bij erffenisse krijgen mach; gelijck mede de bruydt tot onderstant deses houwelixs aenbrenght alsoodanige goederen, als haer van haer ouders aengeervet ende nagelaten sinnen ende haer noch aenerven mogen, is vorder bevurwaerdet ende noch den gekomen tusschen bruydegom ende bruydt, in præsentie der wedersijts vrunden dat sij bruydegom ende bruydt malkanderen betuchticht hebben tot die leste doot thoe in

    4.2.

    alle gerede ende ongerede goederen soo sij in alles sijn hebbende, als nochmaels moegen krijgen. Ten waere, dat daer kynderen waren, soe sal die tuchtinge van gedender weerden sijn ende blijven, ende voorts linne ende wullen tot haeres lijven behorende verblijven tot die eerst overledene, lestelijck alle aengebrachte ende aengewonnen goederen sullen nae de lestlevende deilbaer sijn. Maer alle aengeerfde goederen sullen blijven aen die sijde daer die her gekoemen sijn. Sonder argelist in oirsconde der waerheyt is dese bij contraheten ende wedersijts houwelixe vrunden onderteyckent. Actum Elburch den 10 juny 1653.

    Was onderteyckent: Dysemer Jansen; Hendryck Dyesemerssen; Jan Diesemersen, alyas knipscheer; Antony Casar; Johan Warnersen; Ffroutyen Albers.

    Dese met sijn principael bij mijn accorderende bevonden, den 10 decembris 1649 ?

    Joackim Greve, 1647 secretaris.

    Nummer 5.

    Nadien Hendrick Diesemerssen van meinonge is hem te willen verandersaten, heeft hij sijn beinden nu levendigh bij zaliger Vrouwtien Alberts sijne gewesene huysvrouwe erworven, ten overstaen van Antony Caser ende Lambert Diesemerssen des voorseide luidts mombaren, bewesen sijn moeders versterff op volgende gestalte namentlijck doet voor eerst Hendrick voornoemt, hebben profiteren ende beholden sal, alle die goederen soo gerede als ongerede, bedden ende sijn toebehoor, clederen (doorh.: ende cleynodien), linnen ende tinnen soo alles sijn voorseide huysvrouw gehoort hebbende. Item gerede ende incomende schulden den sterffhuyse concervierende hier ende teghens Hendrick voornoem wederom betalen sal alle uutstaende schulden. Item wanneer het kindt tot sijn mundighe daghen gekoomen is, aen het selve sal betalen de somma van vijffhondert gulden, den gulden a twintich goede stuyver. Item den mantel. Item het kindt het kindt sal oock beholden sijn zaliger moeders silverwercke ende goldderinghen ende boeck met silverbeslaghen, gelijck zijn zaliger moeder heefft toebehoort. Item oock zijn kindt onderholden tot sijn mundighen daghe in cost ende clederen en anderswat het vereyscht na sijn gestalte. Dit sonder arg off list deste oirconde zijn hier van twe acten gelijcken inholt gemaeckt, ende bij ons hierboven onderteyckent opten veerthienden marty sesthien hondert twe en onsestich.

    Henryck Dyesemersen, Antoni Caser, Lambert Diesmersen.

    Nummer 6.

    Wij Gerrit Pijckeren ende Gerrit Andrisen Mulder, hylicxluiden van wegen (doorh.:Pe) Beert Pietersen Pijckeren bruidegom ter eendre ende wij Lambert Berents ende Dirck Haen hylicxluiden van wegen Henrickjen Hubers bruyt ter ander sijden, ten beiden tsijden hier toe onthaelt ende gebeden als recht is, doen condt dat wij als rechte ende wettelijcke gecoren hylicxluiden gebben gemaeckt ende besloten een echt ende wettelijck houwelick tussen personen voorseid op navolgender gestalte als dat hij bruidegom haer bruyt hebben sal tot een echt ende rechte bedde genoot ende dien volgens malcanderen trouwen na instellen der Christelijcker kercke ordre ende gebruick ende niet van malcanderen scheiden als door den bitteren doot ende brengen bruidegom ende bruyt tot onderstandt deses houwelicx aen alsodanige goederen als sij tegenwoordich hebben ende haer namaels aen coemen moegen. Wijders binnen hylicxe vurwaerden in val een der toemende echte lieden quame te overlieden sonder echte wettelijcke blievende geboerte bij hun beiden geprocrieert na te laeten sal de lanckslevende al de nagelaten guederen (uytgesondert clederen ende cleinodien tot iders lijff behorende) sijn ofte haer leven lanck in tucht blijven. Ende besitten als na tuchten rechten gebruickelijck is, kynderen nalatende sullen in des vuerledens plaetse staen ende sullen naer het overlieden der kynderen ende leste olderen de goederen halff ende halff getrocken ende genoten werden jae oock mede is geconditi-

    6.2.

    oneert dat ooms mueyen ooms ende mueyen kynderen in sulcken gevalle in haer plaetse sullen staen sonder dat beste vader beste moeder eenige preverenti van de outste te sijn op de straete sullen hebben te genieten. Des ten oirconde is de beteickent op den 26 en janueir 1661.

    Nummer 7.

    Ick Beert Petersen Pijckeren bekenne mits desen voor mij ende mijnnen erven deuchdelick schuldich te wesen aen Bethien Otten, weduwe van zaliger Willem Jurryaensen ofte haren erven, de summa van hondert carolus gulden, heercomende van verstreckte penningen welcke voornoemde hondert guldens, ick Beert Petersen Pijckeren, belove wederom te betalen aencomstigen jare zestienhondert vijffent sestich op den 20en aprilis met als dan daer bij te leggen, vijff der voornoemde guldens tot interesse ofte rente. En off betalinge op dach ende thijt alsoo nyet ende geschyede soe belove ick daer van jaerlicx ende alle jaer den interesse te betalen tot soo lange mij de voornoemde summa van gemelte Betgien Otten ofte den rechten toonder deser ingelaten wort, order verband van mijn persoons roerende als onroerende den goederen, submitterende dye selvye den edele heren van Gelderlant, sampt alle andere heeren richteren bij gerichten. Sonder arg ofte list in oirconde der waerheyt, hebbe ick dit met mijn eygen hant beteeckent up den twintich aprilis anno 1664.

    Beert Petersen Pijckeren,

    Cornelis Hermensen als getuigen.

    7.2.

    Op dato onderen bekenne ick van dese obligatie montrerende ter somma van hondert gulden capitael, neffens noch een somma van 20 gulden van verlopen interesse waer over geaccordeert uit handen van d’curatoren Gerrit Gerritsen en Gerrit Camphuis aen gestelt van d’achtbare magistraet over den boedel van Beert Pijckeren zalliger ontfangen te hebben. Bedancke de curatoren boven voornoemt voor goede betalonge. Of geviele dat eenige crediteuren mochten sustineren Jan Marnissen onderen niet mochte gerechticht sijn tot deese boven geexprimeerde en overgetelde somma soo belove ick Jacob Bolt, gelijck ick oock belooft hebbe aen burgemeisteren Wolfsen en Ingen burge te staan voor die geseide somma waer voor verbinde mijn persoon en goederen. Actum Elburch den 14 marty 1671.

    Jan Marckersen, Jacob Bolt.

    Bijschrift.

    Ick onder gheschreve beken ontvangen te heben dye yntress met dy koste dy op dy sende gheschyt ys tot dye yaer 1671, ys mijn betaet met dy ackty ende leveranty dy hij an moey betije ys gerlevert ys hem te dance betaelt.

    Anno 1671 den 29 ocebrys,

    Bert Pijckeren.

    Nummer 8.

    Compareerde voor (doorh.: Hoog-Schelt..) regenten onderbenoemt Henrick Petersen noch gesont van licchaem ende verstandt nevens sijn twe susters soonen met namen Peter ende Abraham Arents van den Hardenberch, (doorh.: ende verklarende) sine naeste erfgenamen ab intestato dat hij met consent ende bewilliginge der selver, met goeden voorbedachten beraedt na wederroepinge en vernietiginge van alle voorgaende testamenten, (doorh.: ende) bemaeckingen en uyterste willen, die hij voor dat deses hadde (doorh.: gemaeckt en) hadde opgericht van mens (doorh.: bij forme van testament op de lestende[.]sft ende met redenen hem daer toe moverende gemaeckt hadde seeckere dispositie gelijck hij maeckte incvracht deses na de bestendichste forme rechtens, waer nu hij wilde dat sijne nalatenschap (doorh.: na dode van hem testatuerse) ende gehele hærediteit soo van gerede als ongerede goederen soude in het versterven en vererven (doorh.: sijnde) geregistreert werden. In volgende manieren; vooreerst dat hij niet en hadde noch kinden andere erfgenamen als sijn susters soonen, met namen Peter en Abraham Arents ende dat hij derhalven de selve institueerden tot erfgenamen elck voor een vierde part, ende de kinderen van yeder mede in den vierdepart, soo van gerede als ongerede goederen niet van alles uytgesondert; met dien bescheide nochtans, soo yemant van beide vaders of oock allebeide voor hem testatuer (doorh.: Henrick) Petersen quamen t’overlijden, dat als dan de kinderen in des vaders plaetse sullen treden, ende in plaetse van ¼ part d’zelfte (doorh.: sullen) genieten. En dat de vaders d’opkomsten ende vruchten van de goederen aen de kinderen gemaeckt, sullen hebben te proufiteeren tot yeders mondige jaeren toe.

    Ten tweden dat sijne voorschreven erfgenamen na dode van hem testatuer sullen hebben uyt te keeren een legaetsomme van duysent gulden aen de (doorh.: nagelaten) samentlick kinderen van Peter Petersen en Henrick Petersen broeders van testatuers eerste vrouw, welcke gelijckelick onder (doorh.: aen) de voorseide kinderen als dan in leven sijnde hooft voer hooft sullen gepartageert ende gedeelt worden ende noch daer ent boven voor uit aen een soon van Peter Petersen als dan d’olste sijnde de beste silveren beecker, met dien verstande nochtans dat d’olders sullen de vruchten van het voorschreven legaat genieten, tot yeders sijns mundigen dagen/jaeren toe.

    Ten derden sullen d’erfgenamen hebben uit te keeren aen Aert Jansen ter Hoeve broeders soone van testatuers twede vrouw een somme/legaet van 100/hondert gulden.

    Ten vierden aen de kercke, het weeshuis, het weduwenhuis ende de diaconye (doorh.: elck een lagaet) elck een legaet van vijftich gulden.

    8.2.

    Welcke legaten al te mael d’ erfgenamen een jaer na testatuers doodt sullen hebben te voldoen met gereet gelt, of obligatien, soo in sijn erfenis sullen bevonden worden (doorh.: soo in) tot kuer van d’erfgenamen.

    Bevelende en belustende sijne voorschreven erfgenamen dat dit sijn testament ende uyterste wille volgens sijnen inhoudt punctuelick onderhouden, ende de legaten (doorh.: daer in) oprechtelick voldaen en uytgereickt sullen worden, ‘twelcken allen oock als met haren goeden wille en weten geschiet (doorh.: Abraham) Peter ende Abraham Arents vanden Hardenberch alle na te komen met hanttastinge belooft hebben. Met voorbeholt nochtans van dit sijn testament soo lange hij leeft te mogen veranderen, verminderen, vermeerderen, te wederroepen ende den ander van nieuws te maecken nae sijn wille en welgevallen. Actum den 5 octobris 1674. Coram Wolfsen et Henrickse.

    Nummer 9.

    Specificatie van kosten door mij onderschreven geleent in ’t waernemen van den Landtgerichten tot Putten, Ermel en Doornspijck.

    In augusti:

    De vracht naer Harderwijck 2 – 0 – 0

    Verteringe op de wech met pleisteren 0 – 4 – 0

    Vracht van Harderwijck op Putten 1 – 0 – 0

    Camerhuir tot Putten gedurende de tijdt van 14 dagen 3 – 3 – 0

    Bellechire voor de meyt 0 – 12 – 0

    Bellechire op de kelnerije 1 – 11 – 8

    Den 1, 2, 3 en 4 septembris:

    Tot Ermel in 4 dage * yder dach een maeltijdt verteert 7 – 0 – 0 *(doorh.: Staelty)

    Bellechire tot Harderwiick ter wijlen wij

    daer onse nachtrust namen, ende avontmael hielden 1 – 5 – 0

    Den 5 septembris:

    Tot Doornspijck terwijlen het gericht

    daer geseten heeft van (doorh.: dingsdach tot vrijdach, maendach) saterdach den 4 (doorh.: aug) septembris

    Den 11 septembris:

    Incluis 6 – 16 – 0

    _________
    23 –11 – 8

    Mantgen Jans Genss Steert met Henrick Petersen haer Eheman ende in deser saecken haer gekooren momber heeft noch gesont van lichaem en verstandt met rijpen beraedt ende overleg bij forme van testament of codicil, of als sulcks in de beste forme rechtens bestaen kan, gemaeckt uyt redenen haer daertoe moverende aen (doorh.: Jans Lambertjen Ribben haer nichtje) de Diaconie aldaer de somme van 50 carolus gulden welcke haere erfgenamen binnen de tijdt van twe maenden na haer testatricen doot sullen hebben uit te keeren.

    Vorders heeft (doorh.: heeft) sij testatrice alle hare verdere gerede (doorh.: ren) goederen alles daer onder begrepen wat eenichsins onder het gerede kan begrepen worden, bemaeckt (doorh.: de gelegateert) aen haer broeders noch in leven sijnde en susters kinderen als namentlick Gerrit, Franck, Aert en Henrick Jansen, en haer susters kinderen als namentlick Grietje en Fietgen Jans in plaetse van haer (doorh.: ouderen) moeder, sullende oock den voorafgestorvene broeders hier vooren genoemt treden in plaetse van haer ouderen volgens representatie na lantrechten, met beding soe die kinderen quamen te sterven, sullen yeder op sijn respective syster en broeder erven, maer alle stervende sonder kinderen sullen de goederen wederkeeren op testatricen naeste bloede als dan in den leven sijnde, mits dat d’vorseide erfgenamen (doorh.: sullen hebben uyt te keeren) aen Jacob Janse, testatricen olste broeder sulllen hebben uit te keeren de somme van 50 gulden jaerlicks, soe lange als hij leeft; sulln de onder de erfgenamen ter genoegen van den voornoemde Jacob Jansen gehouden sijn voor de jaerlicxse 50 gulden verseeckeronge te doen.

    Actum den 14 (doorh.: octobris) 1674 6 april/5may 16[.] coram Wolfsen et (doorh.: Henrickse) toe Waeter.

    9.2.

    Henrick Petersen, om redenen hem daer toe moverende, breeckt mits desen alle t[estamenten ] of giften bij hem gedaen op wat manier, die mochten geschiet of bigebracht sijn verklaert geen erfgenamen t’ hebben of te kennen als sijn twe susters soonen, genaemt Peter Arents en Abraham Arents van den Hardenbarch yeder een recht ¼ ende de kinderen van yeder mede een ¼, soo van geereet als ongereet niet uitgesondert, vorder soo eene van beide vaders voor Henrick Petersen quamen t’overlijden soo sullen de kinderen haer vaders part genieten, ende sullen de vaders alle d’opkomsten en renten, yeder van sijn kinderen tot dat die haer mondige jaeren hebben, en sullen gemelte erfgenamen uyt het ge (doorh.: rede)meen goet uitkeeren jaer na doot van Henrick Petersen uytkeeren aen de kinderen van Peter Peters ende van Henrick Petersen, broeder van testatuers e[erste] vrouw een somme van 1000 keiser gulden om aen de kinderen als dan in leven sijnde gelijckelick hooft voor hooft gepartageert en uitgereickt te worden ende d’olste soon van Peter Petersen als dan d’olste sijnde, de beste silveren beecker, met dien verstande nochtans dat d’ouders sullen de vruchten van het selve legaet genieten tot yeders sijn mundige jaeren toe. Aert Jansen ter Hoeve broeders soone van testatuers twede vrouw een somme van 100 gulden. De kercke, het weeshuis, het Weduwenhuis, de Diaconie, ieder 50 gulden. Welcke testamenten al temale d’erfgenamen een jaer na testatuers doot sullen betalen het sij met gereet gelt, of obligatien, soo in sijn erfhuis sullen bevonden worden, tot kuer van d’erfgenamen.

    Nummer 10.

    Wij Louwe Lueffsen ende Egbert Gerritsen wegens Theunis Gerritsen bruidegom ter eenre; wij Geurt Egbertsen ende Reyer Geurtsen wegens Goertien Geurs bruit ter andere sijden, hebben ter eeren Gods almachtich en tot bevorderinge der zyenen zalicheyts een wettelick houwelick gededingt, gemaeckt ende uit gesproeken tussen Theunis Gerritsen voornoemt en gemelte Goertien Geurs in voegen hier nae (doorh.: onleesb.) volgenden. Eerstelick brengt Theunis Gerritsen bruidegom aen sijn toekomende bruit alle sijne goederen, gerede en ongerede, so als hem van sijn zaliger vader Gerrit Egbertsen stervende is naegelaten ende voorts dat bij hem erworven [ .. ]chte sijn gene daer van exemt, waeretegens Evertien Geurits brengt aen haren bruidegom Theunis Gerritsen alle hare goederen, gerede en ongerede so als haer zaliger moeder Jacobie Lubberse voor haer quota met de doot heeft ontruimt en tegenwoerdich is possiderende en besittende edoch het onmundige kint van zaliger Jacob Henricksen sijn recht beholdende, volgens afgoedinge dye dato den 27en marty anno 1674 is gepasseert. Voorts sijn condities dat indien ene der echteluiden quaeme te overlijden sonder wettelicke geboorte nae te laeten, sal in sulckes val alle die aengebrachte en aenge[… goederen, gerede en ongerede, gene daervan uitgesondert, aen wedersieden erven en sterven, daer die selvige sijn heengekomen en aengestorven, edoch het onmundige kint van zaliger Jacob Henricksen haer recht beholdende van sijn moeders wegen ende so uit desen houwelicke kindren geprocreert worden, sullen die kindren so ervende d een op d andre erven met serlusie van vader en moeder, voorts grootvader en grootmoeder ende het laeste so ervende sal wederom erven die goederen daer die selvige sijn heengekomen en aengestorven noch is geconditioneert dat ingevalle Theunis Gerretsen sonder wettelicke geboerte quame te overlieden, sal in sulken val Goertien Geurs, bruit, erven van haren bruidegom profiteren, de summa van ses hondert carolus guldens, waerentegens Goertien Geurs in voorseide gestalte so sij d eerste mochte sijn comende aftesterven tot een doen aen haren bruidegom belooft van hare goederen uit te keren de summa van vijf hondert carolus guldens noch sijn conditien dat echte luiden malkanderen sullen moegen (begiftigen)

    10.2.

    begiftigen en betuchtigen in soo luttel ende veele soo dickwils ende menichmael, als bij haer sal goet gevonden worden en sal sodanige donatie en tucht voorduchtich ende bundich verklaert worden off die alrede in houwelicks vorwaerden waren gepasseert. In (doorh.: onleesb.) oerconde der waerheit is dit van bruidegom en bruit neffens daer toe gerequireerde houwelix luiden betekent op den sevenend twintichsten marty zestienhondert vier end seventich.

    Thuenis Gerritsen.

    Dit is Guertien (merk) Geurts merck met eigener hant getrocken.

    Louwe Loeffsen.

    Eybert Gerreytsen.

    Dit is Geurt (merk) Egbertsens merck met eygener hant getrocken.

    Reyer Guertsen.

    (onleesbaar).
    Nummer 11.

    Compareerden voor ons ondergenoemde (doorh.: regenten) heeren schout en regenten der stadt Elburch en mede geerfden in Veluwen Willem van Ens en Aertien Egberts echteluiden, sijnde beide van gesonde oordeel en verstande, oock als noch gaende ende staende ende verclaerden, dat sij considererende de sterflickheit des menschelicke geslagtes, bijsonderlick de onseeckerheit van de uyre van dien uyt wiselicke affectie elcanderen, off den eenen den anderen, alsoo reciproce uyt cracht van houwelicse voorwerden in dato den 28 marty 1666 opgerichtet, hebben betuchtigt in hare ungerede goederen doende sulcks cracht deses, waer die souden mogen gelegen en sonder onderscheit van wat aent en conditie die souden mogen sijn, ende inde gerede goederen, mobilia en moventia begiftigt ende sulcks het onmundige kynt, bij haer echte luiden ter tijt verworven, met namen Sophia van Ems de twintig jaren mochte beleven nae die tijt over haere goederen soude mogen gedisponeert hebben, met die expresse voerwerden en bedingh, dat de inhout ofte de teneur van de bovengemelte houlicks voorwerden door dese dispositie in het minste of het geringste niet sullen konnen ofte mogen (doorh.: worden) geoordeelt worden gekrenckt ofte daer van afgeweeken te sijn; willende ende begerende dat dese onse uyterste wille kracht sorteere, quocunque modo proterit etc. si non jure testamenti, codicilli etc. Actum den 10 january 1678 coram P[....], Ingen, Erkelens et Henericides.

    Nummer 12.

    D. van Ruijven.

    Dit kleine segel dynt tot convent van dese nevensgaende hylix brief den 20 juny 1674 tusschen Jan Gerritsen als bruidegom en Engele de Witten als bruit opgericht. Actum Elburch den 26 juny 1674.

    Andries Reeffsen, secretaris.

    12.2

    Wij Rijnvys Feijdt ende Cornelis Becker als versochte hyleksluyeden van wegen Jan Gerritsen ter eener ende wij Gerrijt Dijck wegendt der stadt Elburgh ende Wijllem van der Horst als versochte hyleksluyeden van wegen Engele Maes Wijtte ter andere sijede hebben gemaeckt, gedyecht en uydt gesproeken ter gueder tijdt ende ter eeren Godt almachtygh een wettelyck hylek tussen de echte bruydegom Jan Gerrijtsen ende Engele Maes bruydt ter andere sijede alles op kondytyen hyer meer beschrefen als dat Jan Gerrijtsen haer Engele Maes hebben sal tot sijn echte wijf ende bedde genoedt ende volgens sal trouwen nae de insettinge der Kristelyecke kercke ende noeyt te scheyden dan doer de naetuyrelicke doet ende om dat dyt hylek in merder eenyghheydt mach onderhouden werden brenght den bruydegom aen sijn toekoemende bruydt alsoe daenyge guederen als hij is gewende soe gerede als ongerede ende naemaels krijgen moegende waer en tegen de bruydt Engele Maes brenght aen haer toekoemende bruydegom Jan Gerrijtsen alsoe daenyge guederen de welcke sij eenyghsijns is hebbende ende naemaels krijgen moegenden alles op kondytyen hyer nae beschrefen. Het welcke Godt nochtans lange voerhueden wyl het mochte koemen te gebueren dat Jan Gerrijtsen quaeme te oeferleden sonder wettelijcke blijefende geboerte naete laeten voor sijn toekoemende huys frouwe Engele Maes sal Engele Maes hebben ende beholden alle haer aengebrachte ende aen geerfde guederen soe gerede als ongerede ende daer en boefen noch genyeten uydt Jan Gerritsen naegelaeten

    12.3.

    guederen de somma van tyen hondert gulden insgelijecke soe he oock mochte koemen te gebueren dat Engele Maes quaeme te oeferlyeden voer haer toekoemende man Jan Gerrijtsen sal Jan Gerritsen hebben ende beholden alle sijn aeengebrochte ende aen gerefde guederen soe gerede als ongerede ende daer en boefen noch genyeten uydt Engele Maes naegelaeten guederen de somma van vijf hondert gulden ende voerders is gekondysoenyert soe Godt gegeve mochte kynderen koemen te verwecken uydt dese toekoemende echte luyeden dat als dan het eene kyndt op het andere sal sterven ende naer der lesster doet weer gaen aen de sijede waer vaendaen de (doorh.: onleesb.) selve gekoemen sijn soe van van vaeders als moeders sijede ende voerts wynst ende verlos sal half en half (doorh.; onleesb.) wesen ende voerts is gekondytynert dat de toekoemende echte luyeden ten allen tijeden den eenen ende den ander malkanderen ten allen tijeden noch naeder sullen begiftegen ende betuyghtuegen moegen soe duyck ende menyghmael het haer geraeden vynden sal. Oerkonde onse eygen handen en onderteykenge en sijn hyer van twe allens luyedende gemaeckt ende bij bruydegom ende bruydt nevens getuyegen onderteykendt. Actom Elburgh den 20 juny 1674.

    Grietin Kueles; Jan Gerrytsse als bruidegoem; Rijnvys Feyt; […] vader; Engelien de Wetten als bruit; Cornelis Berker; Geryet Dijck; Willem Janse vande Horst.

    Nummer 13.

    Extract uyt de oirsconden der stadt Elburgh.

    Compareerden Jan Gerritsen Topp ende Engeltjen Witten eheluyden, ende sij Engeltjen in desen geassisteert met Cornelis Barckersen ende hebben uyt cracht van houwelijcksche voorwaerden malkanderen reciproquelijck begifticht in alle haere roerende ofte gerede goederen, bestaende in clederen, linnen, wullen, houdt en iserwerck, silver en gout gemunt en ongemunt, actien ende crediten, soo die staende ehe gemaeckt sijn; ende voorts alles wat onder de naem van gerede kan of en mach begrepen worden, om bij de langste levende geprofiteert ende entlijck behouden te worden. Actum coram Lutteken et Toe Water op den 2 octobris 1678.

    In fidem,

    Joachim Greve, secretaris.

    1681, 21-11.
    Nummer 14.

    Wij Lambert Everssen en Beert Everssen, wedersijts daer toe versochte houwelixluiden, doen cont en certificeren dat een wettelick en onverbreeckelik houwelick is opgericht tusschen Henric Dreessen bruidegom ter eener zijden ende Anna Gerbrichs van Loo bruit ter ander zijden. Tot welcker stuir den bruidegom aen sijn bruit brengt alsodanige goederen als hi tegenwoordich heeft en besit of namaels krigen mochte, daerentegers de bruit aen haren bruidegom alsodanige goederen als si tegenwoordich heeft en besit of namaels kriegen mochte en oft geviel dat de bruidegom eerst quame te overlijden sonder wettelicke geboorte na te laten, sal de bruit uit sijne goederen eens voor al hebben te profiteren een hondert carolus gulden en insgelijx so de bruit eerst quame te overlijden sonder gewettelicke geboorte na te laten sal den bruidegom hebben te profiteren oock een hondert der selfder gulden en so kinderen mochten gegenereert worden sullen die selve erven en sterven na de gemeen rechten, sullen vorders die goederen retoureren daer si van daen gecomen sijn, winst en verlos sal half en half geprofiteert werden, sullen wijders personen voornoemt ten allen tijden en in alle plaetsen malcanderen mogen begiftigen en betuchtigen in so veel en so menichmael het haer gelieven sal. Oirconde der waerheit hebben wi bruidegom ende bruit neffens onse versochte houwelixluiden dese houwelix notul met onse eigen handen onderteickent op den 3 februari 1688.

    Dit is Henric (merk) Dreessen merck met eigen hant getrocken.

    Anna Gerbrans van Loo.

    Lambert Everssen. Bert Eversen.

    Nummer 15.

    Wij Brant Willemsen en Gijsberts Gerritssen als versochte houwelijcksluyden van Marten Beertsen toekomende bruydegom en Evert Hendriksen en Gerrit Jacobsen als versochte houwelijksluyden ter sijden van Hendrikje Hendriks toekomende bruyd doen cond en betuygen met desen huwelijksbrieve dat wij als daar toe gebedene dedingsluyden een egt en een wettigh huwelijk hebben beraamt en gesloten tusschen de toekomende bruydegom en bruyd voornoemt, waar van ten onsen overstaen volgende conditien sijn overgekomen en vast gestelt dat die selve bruydegom en bruydt met malkanderen nae landt en kerkelijcke ordre in den echte sullen vergaderen en in lieffde en trouwe met malkanderen leven tot dat sij door de natuurlijcke doodt werden gescheyden tot stuur van welk huwelijk den bruydegom aen sijn toekomende bruyd buyten hetgene hij aen sijn twee kinderen belooft heeft alle sijne goederen, gerede en ongerede niet uytgesondert daer en tegen de bruyd oock tot onderstant van der selve huwelijk aan haar toekomende bruydegom alle haar gerede en ongerede goederen geen uytgesondert welke goederen soo aangebracht als aan te sterven na ’t voltrecken deses huwelijks aanstonts tussen bruydegom en bruydt in gemeenschap sullen sijn en beseten werden voors sijn conditien soo der kindt off kinderen uyt dit huwelijk verwekt wierden en den val der ouderen belevende sullen des affgestorvene goederen genieten dogh ’t kindt off kinderen stervende sullen niet op malkanderen sterven maer op de langst levende der ouderen erven en sterven tot de laaste toe sullende alsdan de goederen verder versterven op de naaste in den bloede en in val er geen kindt off kinderen uyt dit huwelijk verwekt wierde off verwekt sijnde gestorven waren en den bruydegom eerst afflijvigh wierde soo sullen sijn vrunden met sijn aangebragte ongerede goederen offgaan dogh het gerede sal halff en halff gedeijlt worden ende bruydt sal daar boven uyt sijn nalatenschap verbetert sijn met een dovarie van twee hondert gulden, en, indien de bruydt eerst afflijvigh wierde soo sullen haar vrunden met haar aangebragte ongerede goederen affgaan. Edogh de gerede goederen sullen tussen de affgestorvene vrunden en de lest levende halff en halff gedeilt worden

    15.2.

    en den bruydegom sal daer boven uyt haar nalatenschap verbeterd sijn met een somma van enn hondert en vijfftig gulden, de clederen die tot yder sijn liff behoort hebben sullen bij haar erffgenamen genooten werden winst en verloss staande en huwelijks voor gevallen sal halff en halff sijn. Is vorder gekonditioneert dat toekomende echteluyden ten allen tijden malkanderen nader sullen en mogen begiftigen en betuchtegen, het welke van sulcke kracht en weerde sal gehouden worden off het tegenwoordigh waere gepasseert. In waerheidt oirkonde is dese sonder ergh ofte list van bruydegom en bruydt neffens versogte dedingsluyden wedersijds beteykent op den 2 februari 1732.

    Dit merck heeft Marten (merk) Beertsen als bruydegom selfs getoogen.

    Gijsbeert Gerritsen.

    Dit merck heeft Brant (merk) Willemsen selfs getogen.

    Jan Doorneweert als getuyge.

    Dit (merk) merk heeft Hendrikien Hendriksen bruydt selfs getogen.

    Dit (merk) merk heeft Evert Hendriksen selfs getoogen.

    Gerrit Jacobsen, Gerrit Willemsen als getuige.

    Nummer 16.

    Op dato ondergeschreven is ten overstaen van wedersijds hiertoe versogte huwliksvrienden en dedingsluyden een egt en wettig huwlik beraemt gededingt en uytgesproken tusschen Jan Harmsen toekomende bruydegom ter eenre, en Annigjen Eijberts toekomenede bruyd ter andere zijde, invoegen dezelve na order der Gereformeerde Christelijke kerke alkanderen sullen egten en trouwen en voor egte en wettige bedgenoten houden tot dat haer de dood dan een scheidt. Tot steun en stuur van dit huywlik brengt den bruydegom aen, alle sodane gerede en ongerede goederen als hij thans heeft en bezit en wat hem verder aenerven en sterven mogte.

    Insgelijks brengt de bruyd aen sodane gerede en ongerede goederen als sij thans heeft en bezit en wat haer verder aenerven en sterven mogte. So een van deeze toekomende egtelieden mogte koomen te overlijden sonder wettige lijfserven uyt dit huywlik na te laten dan sal de langstlevende den geheelen boedel blijven behouden en bij die alleen geprofiteert worden sonder aen iemant enige openinge of staat dan dien te geven uyt genomen de klederen en kleynodien en wat tot het lijff van de overledene gehoort het geen de langstlevende aen de erfgenamen van de eerststervende ’t zij ab intestato of ex testamento voort zal moeten uytreyken

    16.2.

    en overgeven die sulx vrij zonder enige lasten daertegen te dragen. Sullen genieten daerenboven is speciael bedongen dat na doode van de langstlevende alle de goederen gerede als ongerede, die dezelve tzij hij ofte zij alsdan sal koomen na te laten tusschen wedersijdsche erfgenamen tzij die ab intestato of ex testamento van bruydegom en bruyd egaal en bij ieder de gerechte halfscheid gedeelt, geprofiteert en genoten sullen worden. Waer voor tot nakominge deezes parthijen verbinden haare personen, erven en goederen dezelve submitteren aen alle heeren, hoven rigteren en gerichten speciael mede den hove provintiael van Gelderland, met afstand van alle contrarierende exceptien. Dies ten waren oirconde zijn hiervan twee alseen luydende huywliksvoorwaerde gemaakt en door bruydegom en bruydt nevens ons huywliksmannen of dedingsluyden getekent in Elburg op den 19e mey 1775.

    Dat deze merken of letteren door Jan (merk) Harmsen op voorscreven datum eygenhandig gezet zijn getuygen wij ondergeschreven huywliksmannen en dedingsluyden.

    Annegin Eijberts.

    Eijbert Montasan, Hannes Gerbersen, Jan Weienbergh, Brebbers Hendryksen



     

    Kindermoord 1743 te Elburg

    • woensdag 22 mei 2013 22:27

    ADVYSEN en SENTENTIEN.

    Ingewonnen by onpartydige RECHTSGELEERDEN, Op en teegens de Persoonen van CATHARINA KASPERS en JOANNA WILLEMS, Synde MOEDER en DOGTER.

    Geëxecuteert binnen de STADT ELBURGH op den 6 October 1743.

    Over het ombrengen van haar Eygen Kind, op den 11 July 1743.

    Pag. 1.

    ADVYS.

    Een præsumptive Kindermoord met geesseling en bannissement gestraft.

    Gesien en geeëxamineert by ons ondergeschreven Rechtsgeleerden de Informatien op verscheide tyden ingewonnen op de Heeren van de Magistraat der Stadt Elburg over de persoon van Joanna Willems ongetrouwd Vrouwspersoon, oud 23 a 24 jaeren thans gedetineerden en geincarcereerde, soo en als deselve informatien onder besegult transfix van den Heer Præsident in tempore by missive van welgemelte Magistraat in dato den 27 Augustus 1743 aen ons zyn toegezonden, en daer op sullende dienen van ons onparthydig advys; soo ist:

    Dat wy by alle die informatien ofte oock de circumstantien van het gepasseerde in desen niet hebben gevonden soodaene preuves, bewysdens, bewyssens ofte indicien waer upt wy concludendo na rechten hebben konnen vaststellen, dat de gedetineerde sig aen ‘t crimen intanricidii heeft schuldig gemaeckt en daer over by ons, soo wy Richters waren, gecondemneert sou konnen werden.

    Geconsidereert dat een soodanig crimen is een gantsch enorm en capitaal delict tot welkers waermakinge werd vereischt eeuluce clarior probatio, sive per testes idoneos, sive documenta apertissima, vel indicia ad probationem indubitata. l, sin. C. de Probat.

    Het welke by onsen Doopouderen altoos soo stiptelik en sorgvuldig is in agt genomen geworden datse selfs in gewald-breuken die met gelt geboetet werden, niet gewilt hebben, dat ymant voor deselve geëxecuteert soude mogen werden, ten zy saeck, dat het gewalt by den dediger bekent ofte met onparthydige bekondschapt ware; als te sien in de Reformatie der Veluwsche Lantrecht cap. 2. art 10.

    Dat betreffende het eerste middel, de Bekentenisse het in defen daer soo verre af is dat de gedetineerde een begangene infanticidium bekend soude hebben en uyt kragt van soodane consessie condemnabel zyn;

    Dat in tegendeel by alle de informatien van haers selfs op verscheide tyden geduyrende haere detentie ingewonnen als op den 16 July tweemaelen, sub Nis. 2. & 3., 18 July, sub No. 8 iterum, sub No.18. 18 Augustus sub No. 20. 20 Augustus sub No. 23 en laetstelyck den 27 Augustus sub No. 25, alle deses Jaers 1743 sy volstandig

    2.

    daer by gebleven is, dat sy geen kind ter werelt heeft gebragt; maer dat all ’t geene haer op den 11 July 1743. (synde den dag wanneer sy gekraemt sou hebben) is afgegaen, niet meer is geweest als een miskraem wel de gedaente hebbende van een kind, groot twee á drie handbreedte ende een vrucht van drie maenden daer Vader van was een Ruyter genaemt Jan, welke gelogeert sou syn geweest ten huyse van Beert de kuyper, met welken sy omtrent drie maenden geleden vleeschelik geconverseert sou hebben, edoch sonder dat sy eerder als als op voorseide 11 July laestleden wanneer haer ’t geseide in de pot afging, was gewaer geworden dat sy swanger was.

    Welke bekentenis of wel deselve in syne omstandigheden om meer als eene reden gantsch suspect van onwaerheyd, ja oock tegens de mogelijkheit en gemeene regul der nature aenloopende is;

    Als 1. dat een miskraem van twaelf weecken de groote van twee a drie handbreed sou hebben; daer de Verklaeringe van de Med. Dr. R. Feith uytbrengt dat alle omstandigheden de gedetineerde wel by de seven of meer maenden is swanger geweest ende dat een vrugt van drie maenden of daer omtrent boven een derde part van die grootte niet heeft. 2. Dat Beert Lubbertien en syn vrouw sub No. 12. verklaeren dat sedert een geheel jaar geen ruyter van ’t guarnisoen genaemt Jan, ten haeren huyse gelogeert heeft. 3. Dat een Vrouwspersoon als dese gedetineerde die meer gebaert heeft uyt verscheide tekenen na de gemeine loop der nature kan weeten, immers moet konnen besluyten, dat sy met een manspersoon vleeschelyck geconverseert hebbende swanger is: daer sy selfs bekent sub No. 8. (’t welck oock by de Moeder sub No. 7. werd geconfirmeert) dat sy sedert drie maenden de maendelycke ontlastinge gemist heeft.

    Gevoegd by andere omstandigheden meer; in specie, dat de gedetineerde nog eens te voren in onegt heeft gekraemt als sub No. 8. welck kind gestorven is sonder dat eenige Vrinden of Buyren daer sijn by geroepen als nadat reets dood was; sub no. 18. ende dat sy afdryvende middelen heeft gebruyckt welcke dese afgang of miskraem had veroorsaeckt als sub No 3. & 4. conform de verklaringe van haer moeder sub no. 10. mitsgaders dat haere borsten seer geswollen ibid. ende eyndelik dat haer lichaem seer uysette als van een Vrouw die swanger is en reeds verre geadvanceert is, als upt de kondschappen der nabuyren sub Nis. 5. 13. 14. & 15. waer dan nog by komt dat sy aen heare Moeder, de chirurgyn Albert Feith ende nabuyren selfs onder duyre eeden heeft verklaert geen mans sedert haer eerste kraem bekent te hebben en niet zwanger te syn; als sub Nis.10. 11. &12.

    Nogtans dese en andere omstandigheden meer alles by elkanderen niet anders uytleveren als suspicien en conjecturen, waer omtrent

    3.

    de regul der nature by veele exemplen bevonden is seer te varieren gelyck de herhaelde verklaeringe van de Stadt Vroetvrouw sub no. 9. en die van den Med. Dr. R. Feith sub no.16. ons mede aen de hand geeven: Op welcker fundament wy dan geensints het besluyt hebben konnen vestigen dat sy waerlyck een kind heeft ter werelt gebragt. Dum nec suspicionibus aliquem debere damnari, á Divo Trajano Assiduo severo rescriptum legimus in L. 5. pr. ff. de Pœn.

    Daaer egter dit besluyt het eerste en allerseeckerste sou moeten sijn, inval wy de gedetineerde aen een infanticidium souden konnen schuldig erkennen: als buyten ’t welcke in desen onmogelyck is, dat van ’t corpus delicti sou konnen consteren waer van nogtans in criminali judicio, alvorens tot een condemnatie te koomen, ontwyffelbaer moet consteren. L. 1. § 24. etc. ibi. Bartol ff. ad Sc. Silan. Clarus lib. 5. Sentent. § fin. quœst. 4. n. 1. In tantum, ut, si non constat de corpore delicti, nequidem ad inquisitionem judex devenire possit: uti pluribus auctoritibus probat Gabriel Comm. Conclus. Lib. 7. concl. 17. n. 3 & 4.

    Men gezwyge dat al consesseerde de gedetineerde, dat sy een levendig kind gebaerd ende ’t selve gesuffoceert had (’t welck beide alhier niet gevonden werd) egter alnog sonder andere indicia probabilissima ac indubitata geen condemnatie tegen haer super infanticiduo sou mogen vallen, soo lange niet de corpore delicti en desselfs begaene omstandigheden behoorlyck den Gerigte kwame te blycken. vid. Ant. Matth. de Probat cap 1. n. 4. Id quod eleganter Tertullian. in Apolog. ita exprimit: "Si de nocente gognoscitis, non statim confesso eo nomen homicidæ, vel sacrilegi, vel publici hostis, ut de vestris elogiis loquar, contenti estis ad pronuntiandum, nifi & consequentia exigatis, qualitatem tacti, modum, locum, tempus, conscios" Quid enim; si quis confiteatur se occidisle eum, qui adhuc vivit? werd als een confessio impossibilis voorgesteld by Bouric. in Captiv. cap. 3 § 41. En waerom souden wy op gelycke fundament van impossibiliteit niet mogen vraegen, Quid enim, si quæ confiteatur se infantem suun suffocasse, quæ non peperit?

    Wat de Getuygen met betrekking tot een crimen infanticidii betreft; soo bevind sig onder alle de Getuygen geene eene welke op eenige grond van seeckerheit heeft verklaert dat dese gedetineerde waerlyck een kind of levendig schepsel heeft ter werelt gebragt. Daer omtrent allereerst in consideratie sou moeten koomen de verklaeringe van de Stadts Vroetvrouwe, die door order van de Magistraat het lichaem van de gedetineerde kort nadat deselve de gelibellerde miskraem had gehad heeft gevisiteert gehad.

    Dese verklaert sub No. 1 al bey positive & absolute, dat sy ‘t selve vrouwspersoon gevisiteert en bevonden heeft dat deselve

    4.

    voor sommige dagen heeft gekraemt “Mede voor reden geevende”, Dat de borsten alnog waren opgeswollen “Seggende vorder het selve ten allen tyde met eede te konnen verklaeren”.

    In der daad een formule van verklaeringe in en over soo een saeck als dese die al vry liberaal en posityf is ingestelt en die in desen al van een vry verre uytsigt en consideratie sou moeten sijn, indien deselve op soo veele seeckerheit als assurantie berustende. Daer men andersints doorgaens gewoon is te houden desen regul, guod cuilibet credendum in sua arte, & fidendum judicanti de negotio, cui præpesitus est. P. Voet. Statut. sect. 5. cap. 1. n. 2. rat. 5. & in terminis similibus Sim. van Leeuw. cens. For. lib 5. cap. 17. a princ. Bouric. in Captiv. cent. Poster. cap. 5. n. 50.

    Maer soo posityf en seecker dese eerste verklaeringe leit; even soo wankelbaer en onseecker is dese Attestante omtrent dese haere gedaene verklaeringe of soo genoemde rapport by haere naedere verklaeringe van den 20 July sub No. 9 alwaer sy all ’t geene sy in de voorgaende met soo veele assurantie en als volseecker had gestelt met even soo veele redenen van onsekerheit stelt buyten alle mogelykheit om een seecker besluyt van een volle kraem daer upt te konnen opgemaeckt werden.

    Want daer sij in de eerste sub no.1. rapporteerde soodaene gewisse tekenen aen ’t lichaem van de gedetineerde na gedaene visitatie gevonden te hebben, dat sij daer upt volseecker kon besluyten en oock wel met eede kon verklaeren dat de gedetineeerde voor sommige dagen heeft gekraemt; daer komt sy by haere nadere verklaeringe sub No.9. met eene gantch andere tale voor den dag stellende na haere doemaelige gedagten eene genoegsame onmogelyckheit, immers onseeckerheit om aan ’t lichaem te konnen sien of ’t een rechte kraem of miskraem is: dat wel de borsten van de gedetineerde geleken na een volle kraem van 7 á 9 maenden; dog dat de borsten van d’eene in de kraem wel meer geswollen sijn als van d’andere. Sulcx wij omtrent dit eerste rapport van dese Stadtsvroetvrouw liever het daer voor willen houden, dat sij onder ’t woord gekraemt, oock het miskraemen begrepen heeft.

    Ende dat die uytterlycke tekenen en omstandigheden meer op de gewoone, dog oock veranderlycke loop der nature rusten en daerom geen seeckere besluyt tussen een volle en een miskraem uyleveren, sullen wij veel geruster willen aennemen uyt de verklaeringe van meergemelte Dr. R.Feith sub No.16. aldaer nae ondervraeginge van de voorseide Stadts Vroetvrouw over den toestand van des gedetineerdes lichaem verklaerende “Dat alle omstandigheden by malkanderen gebragt sijnde wel schynen te kennen te geeven dat die Johanna wel up de 7 of meer maenden is zwanger geweest

    5.

    sijnde evenwel die kentekenen die niet genoegsaem om met seeckerheit het selve te kennen bevestigen” Aldaer verdergetuygende hoe ’t koomen van melck in de borsten, ’t lossen van bloed, opening van de baarmoeder toevallen sijn die men oock by een miskraem van 3 of 4 maenden heeft. Om welke onseeckerheit wy dan oock regtelyck mennen soo lang wy niet seeckeder onderregt konnen werden dat de gedetineerde gekraemt heeft, te mogen en te moeten het daer voor houden dat de gedetineerde een miskraem gehad heeft. Intellectus enim hominus debet effe benignus, ut bonum potius, quam malum, præsumat & credat. Bald. In l. moveor. C. de Serv. export. Add. Cravett. Cons. 244. Dec. Cons. 175. Dum facilius fit & melius, misericordæ, quam crudelitis reddere rationem. Mod. Pristor. Part. 4. quæst. 141.

    De andere informatien en bewysdommen als die van de Moeder, Albert Feith en de gemeine Nabuyren; soo vinden wij daer onder geen eene die schoonse haere depositien met eede bevestigd hebben, heeft konnen seggen dat de gedetineerde ter gelibelleerden tyd gekraemt heeft, nog ytz bespeurd hebben waer uyt sij ’t selve besloten hebben; als alleenlijck, dat sy te voren wel gedagt hebben dat sy wel swanger mogt sijn, omdat sy haer soo dick van lichaam voorkwam; het welck de mogelijckheit van een miskraem gantsch niet komt weg te neemen.

    Wy hebben ons niet in ‘t breede alhier willen uytlaeten in een ondersoeck of de gedetineerde wegens alle de vorenstaende omstandigheden niet ter scherper examen en torture damnabel geoordeelt sou konnen werden; vermits daer omtrent alle bedenkingen welke sommige Doctoren daer voor opgeeven ad sufficientiam, en selfs in terminis longe gravioribus & fortioribus (soo wy vertrouwen) sijn opgeloscht in het Advijs door den laest onderschreven Referent en den Professor Belt Zalt. gegeeven, sijnde het 9e in ordre van des Mede Referents gedruckte consultatien, waer toe wy ons kortheitshalven alhier refereren. Behalve dat wy in desen oock andersints seer bezwaerlijck tot een decretum torturæ souden durven resolveren, soo lang alhier niet alvorens ten minsten ex indiciis probabiliffimis & indubitatis constire de corpore delecti; per ea, quæ habit Carpz. In Pract, Crim. part. 3. quæst. 119. n. 54. etc. seqq. ad. n. 60.inclusive.

    Off wel wy nu hier mede de Gedetineerde door gebrek van bewijs buyten de accusatio infanticidii koomen te stellen, soo vermeinen wy dog by het naegaen der informatien soodaene mesuses en ongeoorlofde saecken by de gedetineerde begaen te hebben bevonden welcher transgressie in een Stad van Policie en Justitie niet tolerabel en strafloos behoord te sijn.

    Waer omtrent ons allereerst is voorgekomen dat de gedetineerde bekennende sub No. 8, art. 21. verleden jaer in onegt gebaerd

    6.

    te hebben, alnu nadat sy by haar eerste examinatie sub No. 1 eerst voorgaf nooit vlleschlick met mans te verkeeren; (Cujusmodi mendacium per se crimen est, & pœnam meretur; als te sien by Carpov. in Prect. Crimen. part. 2. quest. 93. n. 9.) in dat selfde examen en vervolgens in die sub No. 8. 18. 20 en 25 interativelik bekent voor omtrent twaalf weecken met een Cuyter genaemt Jan, die sy seide ten huyse van Beert de Kuyper gelogeert te sijn geweest (schoon uyt de kontschap van dien Beert de Kuper en sijn vrouw sub No. 12. art 2. consteer sulx almede onwaar te sijn) vleeschelycke conversatie gehad te hebben: ende alsoo vermits de opgevolgde miskraem consesseert voor de tweede mael in onecht beswangert te sijn.

    Het welck niet alleen insereert eene verdubbeling van gepleegde baererye waer over sy dan oock te swaerder meriteert gestraft te worden: Siquidem reiteratio delicti regulariter graviorem requirat pœnam; secundum communem Doctorum opinionem, tetrsdeert by Carpov. in dict. Pract. Crim.part. 1. quest. 38. n. 75. Even als mede het Placaat op den 22 Juny 1681. by Erf-Stadthouder en Raaden deser Provincie op de Hoerery geëmaneert by verdubbeling van straffe opklimt van de eerstemael tot de tweede en derdemaelen.

    Maer oock daer en boven de Gedetineerde beswaert met eene seer kragtige præumtie dat sy na die vleeschelyke conversatie en ’t ophouden er maendelycke ontlastinge natuurlycker wijse niet wel heeft konnen ignoreren dat sy beswangert ware; als afnemelyck uyt het geadviseerde van den Professor Ruysch en Dr. Hendrik Ruysch nevens twee Stadts-Vroermeesteren binnen Amsterdam te vinden in de 9 Cosultatie van den laetst-ondergeschrevene n. 14 als deselve aldaer de mogelijkheit van soodaene ignorantie alleen toeschryven aen een Vrouwspersoon voor de eerste maal bevrugt synde Ten minsten staat hier uyt by ons vast dat de gedetineerde alvoren eens gekraemt hebbende ende na gereitereerde bystaen uyt het cesseren der maendelyke stonden het uytsetten van haer lichaem en andere toevallen meer heeft geweeten, of heeft moeten weeten dat sy immers by apparentie swanger was.

    Ende waer uyt wy dan verder voor een tweede beswaer van de gedetineerde dit besluyt rechtelyk vermeinen te mogen opmaecken dat sy sulks niet tegenstaende voor haar eygen Moeder, Chirurgyn Albert Feith en Nabuyren haer swangerheit selfs onder duyre dog falsche eeden ontkennende en verbergende als sub dict. Nis. 10. 8. & 13. daer door heeft geverseert in dolo ende alle alle præsumptie van een kwaed opset omtrent hare vrugt, diese droeg op sig gehaelt. Als werdende eene soodane fraudulente accultatie van beswangering wel soo swaer by veele Rechtsgeleerden

    7.

    genoomen ut si mulier graviditatum traudulenter ac dolele occoltat, inde facillime indicium fumant ad torturam. Jason in l. cum ea. N. 4. 5. C. de Transact. Referente Carp. In Pract. Crim. part. 3. quest 122. n. 26.

    Waer uyt dan voor een derde tot nog een veel grootere beswaer van de gedetineerde resulteert, dat sy geduyrende haere swangerheit sig heeft bediend van een afdryvend middel door het iterativelijck gebruyck van senuwen bladen en wel op ‘t laast by verdubbeling van de quantiteit derselver ende daer door wercklik oock haere opgevolgde miskraem veroorsaeckt heeft, volgens haere eygen consessie sub Nis 3. 8. & 20. consorm de de depositie van haer moeder sub No. 10. en die van Alb. Feith sub No. 4. Invoegen sy daer mede bekent haere opvolgende miskraem selfs geprocureert en veroosaeckt te hebben. Een crimen, wel van die aengelegentheit dat ’t ook in Gods Woord ten hoogsten strafbaar werd verklaert. Exodus 21, vers 33. & seqq en by veele Rechtsgeleerden sonder onderscheit doodstraffelijck werd gehouden. Tertull. In Apolog. Cap. 9. Cujac lib. 19. Observ. cap. 9.

    In het gemein werd gedistinqueert tusschen het afdryven van een Vrugt die reets leven had ontfangen en ene die nog geen leven ontfangen had vid. Berlich.in Pract. Conclus. part 4. concl. 8. n. 8. Welsemb. in Paratitl. ff. ad. L Corn. de Sic. n. 7. en andere; maer vermits het niet volkomen seecker is quo tempore fœtus sit vitalis seu animatus, soo vind men by een Constitutie van den Ceurvorst Augustus in jaren daer omtrent dese determinatie, dat een vrugt met betrekkinge tot het crimen procurari abortus, voor leevend zal werden gehouden, als deselve is gekomen tot de helft na ontfangenis Carpz. d. Tr. part. 1. quœs. 11. n. 5. Op sijn beste genomen en gesupponeert dat de afgedreven vrugt nog geen leven had ontfangen, is de straffe van dit crimen arbitrair en extraordinair ene op sijn minste een geesseling of bannissement. Damhoud. Prax. Crim. cap. 74. n. 13. Cothofr ad l. 38. §. 5. lit. b. ff. de Pœn.

    Een laetsten komt hier nog by, dat de gedetineerde sub. Nis. 2. & 8. consessteert dat het geene haer is afgegaen de gedaente van een kind had; maer dat sy niet kan seggen of het dood of levendig ware ende dat sy alles by elkanderen in een pot door haar moeder op een vaald heeft laeten wechwerpen. Het welcke ons voorkomt als een blyck van de allergrootste ontaardheid van dese gedetineerde als die weetende haeren staat, daar sy sedert haere vleeschlycke conservatie in geweest ware en siende dat yts afging van soo een merckelycke grootte en dat de gedaente van enn kind had, niet soo veel agtinge op de vrugt van haer eygen lichaem heeft gegeven, dat het haer eens de pyne waardig was daer na te sien of ’t selve levendig of dood ware; maer na tegendeel ’t selve soo als ’t was ’t zy levendig of dood als een gemeine dreck heeft laeten uytdraegen en op een misthoop

    8.

    werpen; daer ’t selve (soo ’t maer waer is) van de katten en honden by geval sal sijn verslonden en opgegeeten, vermits wy geinformeert sijn dat de vaald waer van in de Stucken gemelt word na behooren gevisiteert, dog aldaer niets gevonden is. Het welke wy vertrouwen dat niemant sal ontkennen te sijn een rem mali exempli, en mitsdien in een Stad van Policy en Justitie niet strafloos te konnen syn; arg. d. l. 38. 38. & 5. ff de Pœn.

    Sulcks dan alhier te saemen loopende soo veele crimina, die yder op sig selven eene arbitraire en extraordinaire straffe meriteren; wy geoordeelt hebben geene mindere aan de Gedetineerde te konnen werden opgeleit als die van een strenge geesselinge en verbannissement conform ’t dictum der onverstaande Sententie. Ons daer omtrent conformerende met de exemplen en gewysdens van aensienlycke Hoven van Justitie geallegeerd by Sande in Defis. Frisic. lib. 5. tit. 9. def. 3 vers. Quœdam. § verf. Taet Ulbe, en Grivell. in Decis. Dolan. dec. 19. n. 10 vers. His tamen non obstantibus. Add. Teslaur. dec. 13. & Carpz. Pract. Crim. part. 1. quœs 11. n. 3. & DD. ibid.

    Sententie.

    Alsoo Johanna Willems geboortig van Elburg oud drie á vier en twintig jaeren gedetineerde binnen voorseide Stad aen den gerigte aldaer vrywillig by iterative consessien heeft beleden ende oock by ingewonnen informatien gebleken is dat sy gedetineerde hebbende in den verledene jaere buyten echt gekraemt, sedert desselfs verlossinge wederom omtrent drie maenden voor haere detentie met eene kuyter genaemt Jan, vleeschelick heeft geconverseert ende sig alsoo voor de tweede maal in onecht laeten beswangeren; onder andere onwaere positien mede tegens alle contrarie circumstantien voorgeevende dat sy sedert niet geweeten sou hebben dat sy beswangert was.

    Dat sy oock voor haer eygen Moeder, Chirurgyn en Nabuuren iterativelik en onder duyre eeden tegens de waerheit ontkent ende alsoo verborgen gehouden heeft dat sy swanger was. Dat sy in de tyd van haer swanger sijn verscheide maelen Senuwen-bladen heeft getrocken en gebruykt, oock in het laest by verdubbeling; en daer door veroorsaeckt dat sy op den 11 July deses jaers ‘smorgens als sy alleen en haer moeder na buyten was en sonder ’t byhaelen van eenige Buurvrouwen een miskraem heeft gehad en haer yts is afgegaen van de grootte van ongeveer wel drie handbreedt dat de gedaente van een kind had, edog dat sy niet wist of het selve leefde. Ende dat sy het selve sonder nadere visitatie alsoo alles by elkanderen in een pot door haeh moeder heeft laeten uytdraegen en op een mistvaald laeten uytgieten. Ende alsoo all ’t selve kwaede seyten

    9.

    sijn strydende tegens de eerbaarheit natuurlycke affectie mitsgaders van een gantsch pernicieus exempel welcke in een Stadt van Policy en Justitie niet tolerabel, maer allenthalven strafbaer zyn; soo ist dat het voorseide Gerigt doende recht, met advys van onparthydige Rechtsgeleerden, deselve Johanna Willems gecondemneert heeft en condenmeert mits desen om ter plaetse daer men gewoon is openbaere Justutie te doen, anderen ten exempel strengelijck te werden gegeesselt, deselve voorts verbannende uyt de voorseide Stadt en Vryheid van dien sonder ooit daer weder binnen te koomen by swaerder straffe.

    Wy hebben de saeck en sententie van de Dogter voor af laten gaen als de principale sijnde. Betreffende de Moeder Catharina Kaspers, is ons uyt de Informatien en consessien soo van de Moeder selfs als van de Dogter respectivelyk gebleken.

    Eerstelyk dat haer Dogter rwaalf weecken voor ’t geval haere stonden natuurlyck heeft gehad, maer dat sy deselve sedert de twaalf volgende weecken aen haer Dogter gemist heeft sub No. 7. Dat de Moeder een Vrouw sijnde die drie maelen gekraemt heeft en weetende uyt voorige beswangering van hare Dogter in onecht, dat deselve niet kuysch van leven was daer uyt niet sonder gedachten en apprehensie heeft konnen sijn van dat sy wederom sig in onecht had laeten beswangeren:

    Gelijck sy oock in die gedagten en apprehensie werkelik toond geweest te syn door dien sy verklaerd daer aen gewyffelt te hebben en haere Dogter wel tien maelen gevraegd te hebben of sy kraemen moest? Als sub No. 10. art. 3. 4.

    Dat sy des onaengesien selfs die geene is geweest die 14 dagen te voren voor een ½ stuyver Senuwen-bladen heeft gehaelt en deselve voor haer Dogter gepræpareert heeft met het afdoen der steeltjes die haer Dogter liet trecken als thee; daegs voor ’t geval voor een geheele stuyver, daer van haer Dogter dien dag de helft had gebruyckt; sub No. 10. art. 11. ende alsoo door het subminisireren van afdreyvende middelen tot de opgevolgde miskraem gecoopereert heeft. Synde dit in der daad een crimen die by alle Wetgeeveren ten hoogsten strafbaer werd geconsidereert, waer van te sien by Carpzov. In Pract. Crim. Part 1. qnœst. 11. en andere.

    Ten tweeden dat sy die geene is welcke ’s morgens thuys gekomen synde en haer Dogter in die staat vindende, de pot waer in nae ’t seggen van de Dogter alles was dat haer was afgegaen en alsoo mede het schepsel van 3 handtbreedt volgens verklaeringe van de Dogter sub No. 2. of omtrent van de grootte van een span nae consessie van de Moeder sub No. 26. heeft uygedraegen

    10.

    en op een mistvaeld gesmeten; volgens haer eygen bekentenis sub No. 7. 10. 20. & 26. en die van haar Dogter sub Nis 3. 8. ende sulx alles sonder eenige nabuyrige vrouwen daer over onthaelt of ’t afgegaene schepsel behoorlyk gevisiteert te hebben.

    Ten derden dat sy salve op een doekje gesmeert en de pleysier geleit heeft op haere Dogters borsten om deselve op te droogen; sub No. 10. art. 13. ’T welcke wy aenmercken als een teken dat sy van alle ’t gepasseerde niet onkundig is geweest; ende alsoo in geen excusable ignorantie van de waere geschapentheit der saecke, maer ter contrarie haer Dogter daer in behulpsaem is geweest.

    Waer in wy niet weinig werden geconfirmeert daar dien sy NB. na ontfangen citatie, soo benaeuwt is geworden dat sy wegens mismoedigheit sig op de vlugt heeft begeeven en buyten van ’t eene lant na ’t andere gaende geen schuyylplaets vond; volgens haere depositie sub no. 10. art.15. en 16.

    Dat dese poincten en wel voornaementlyck ’t eerste en tweede sijn saecken van een seer kwaed exempel en schadelycke en schandelycke gevolgen in een Republyck en daerom niet strafloos te passeren; en waer over wy souden vermeinen dat de Moeder met een bannissement behoorde gestraft te worden; conform de decisie in de vorens geallegeerde l. 38.9.& 5. ff. De pœn houdende: Qui arbortionis aut amatorium poculum dant, etfi dolo nen faciant, tamen quia mali exempli res est, humiliores in metallum, honestiores in insulam amissa paret bonorum relegantur: quod si eo mulier aut homo perierit, summo supplicio afficiuntur.

    Sententie.

    Alsoo Catharina Kaspers, geboortig van Elburg oud in de vyftig jaeren gedetineerde alhier aen den Gerichte den Stadt Elburgh vrywillig en interativelik heeft bekend ende ook up de ingewonnen informatien gebleken is dat sy niet tegenstaende sy in een welgegrond vermoeden was dat haere Dogter Johanna Willems sig voor de tweede mael in onegt had laeten beswangeren, sig niet ontsien heeft voor deselve een afdryvend middel van Senuwen-bladen tot meermaelen te haelen en te præpareren waer door dan ook veroorsaeckt is dat haer Dogter op en 11 July laestleden een schepsel van omtrent drie handbreedt of (soo Catharina seit) van omtrent een span lengte met bloed als anders is afgegaen; ende sy verder sig niet heeft ontsien het een en andere oock sonder ’t onthaelen van eenige nabuyrige vrouwen en behoorlycke visitatie van ’t afgegaende schepsel of ’t selve leevendig of dood was, in een pot uyt te draegen en op een mistvaeld te werpen; voorts mede dat sy haere Dogter tot het bedecken van het gepasseerde anders

    11.

    behulpsaem is geweest en daerom na ontfangen citatie sig geabsenteert heeft, dog wyl sy buyten geen schuilplaets vond wederom is gekomen. All ’t welke saecken sijn van kwaad exempel en pernicieuse gevolgen die in een Stadt van Policy en Justitie niet geleden en ontraffelyck gepasseert konnen werden. Soo ist dat het Gerichte der voorseide Stadt doende recht na ingenomen advys van onparthydige rechtsgeleerden de voornoemde Catharina Kaspers hebben verbannen ende deselve verbannen by desen uyt dese Stadt en Vryheit van dein sonder ooit daer weder binnen te koomen by swaerder straffe.

    Aldus geadviseert by ons onderschreven judico meliorisalvo, binnen Harderwyck den 10 Sept. 1743.

    J.F.W. Pagenstechet, J.Strassert.

    11.

    Een bewesen kindermoord met de dood gestraft.

    Gesien en geëxamineert by ons onderschreven Rechtsgeleerden de Informatien na onse hier bevorens afgegeevene en ingesondene Advysen nader ingewonnen en bekomen by de Herren van de Magistraat omtrent de persoonen van Catharina Kaspers en Johanna Willems, alnog gedetineerde en geincarereerde soo ende als deselve by Missive van welgemelte Magistraat de dato den 25 Sept. 1743. aen ons nevens de voorige Stucken en Informatien zyn toegesonden; en daer op nader sullende dienen van ons onparthydig Advys wat en hoe daer in alnu na vereysch van goede Policy en Justitie gedaen en tegen de gedetineerdens gesententieert werden.

    Soo diend:

    Dat wy boven enbehalven all het geene wy bevorens tot laste van de twee gedetineerdens respectivelick uyt die doemaelige Stucken en Informatien hebben konnen opmaecken; waar omtrent wy ons voorige Advysen respectueuselik alhier gedraegen:

    Alnu upt de informatien na die Advysen nader ingewonnen komen te verneemen; ende wel aenvankelyck upt de Consessie van de eerste gedetineerde Catharina Kaspers, Moeder van de tweede sub dato den 13 sept. 1743.

    Dat deselve Catharina Kaspers aldaer vrywillig en sonder pyn en banden bekent

    12.

    Dat sy op den 11 July 1743 ’s morgens als sy weder t’huys kwam haar Dogter Johanna Willems is over ’t math gekomen als deselve besig was met kraemen;

    Dat haer Dogter vervolgens is verloscht van een levend kind, sijnde een meisje;

    Dat sy selve den navel met een draadtje heeft afgebonden; ende vervolgens dat kind (volgens de bekentenis in de gehoudene confrontatien den 14 en 23 Sept. 1743) naeckt heeft gesmeten van ’t steyger by de sluyse in deser Stadt gracht;

    Nadat sy het selve het hoofd met haere vingeren had ingedruckt.

    Dat wy daer mede confererende de informatien door die van den Geregte van Lemmer en naderhand by den Hove Provinciael van Friesland over een dood lichaempje op e 12 Augustus 1743 gevonden aen de Zee-strand tusschen de Cuindre en de nieuwe Contributie Zee-dyck in het buyten bedyckte Land gehorende onder welgemelte Provincie;

    Daer by wy geinformeert werden dat het aldaer aengedreven kind by nauwkeurige visitatie eerst van twee besworen Chirurgyns en een beëdigde vroedvrouw door ordre van ’t Gerecht van Lemsterland en daar na van een Medicinæ Doctor en Chirurgyn op bevel van welgemelte Provinciael bevonden is te zyn een voldragen nieuwgeboren kind, ’t welk volgens ’t dryven der long werd besloten na geboorte geleeft en geademt te hebben; sijnde een meisje; hebbende den navel met een draadtje afgebonden moeder-naackt, aen het hoofd mishandelt; ende hebbende waarschynlijck al eenige dagen dood geweest als het vel al aen ’t vergaen zynde en reets beginnende te riecken.

    Uyt alle de circumstantien waer op men omtrent dit lichaampje eenige reflexie sou konnen neemen en die alhier soo veele in getal soo omtrent de tyd, plaets als kentekenen des lichaems te saemen loopen geen andere besluyt konnen opmaecken als dat het aldaer aengedreven lichaempje is het selve het welke door de eerste Gedetineerde alhier in de Stadts gragte is gesmeeten; het welke daer uyt door de sluys in Zee gespoeld zynde daer na toe gedreeven en opt strand geraeck is na dat ’t selve tusschen den 11 July en den 12 Augustus in ’t water geweest sijnde reets na de gemeene loop aen ’t riecken was geraeckt.

    Ende mitsdien ook aen ons rechtelyck fundament aen de hand geeven dat daer uyt in desen de corpore delicti te consteren op goede gronden kan en mag werden vastgestelt; per ea, quæ in terminis refert Carpzov, in pract. Crim. part 1 quæst. 16. n. 16, 17. etc. seqq. Dat ons vervolgens upt de naedere informatien van Catharina Kaspers d. dd. 13 14 en 23 September komt te consteren dat de selve

    13.

    eerste gedetineerdde aldaer buyten eenige pyn en banden ende sonder d’allerminste bedreiginge van een scherper examen bekend en by alle die Informatien oock selfs in de Confrontatie tegen haer Dogter de tweede gedetineerde volstandig daer by gebleven is;

    Dat als haer Dogter in de gelibelleerde morgenstond was verloscht, het kind geleeft ende sy het selve op het aensetten van haer Dogter seggende onder swaere vloecken, doed het dood, maeckt dat ’t wech komt, het hoofd met haere vingeren ingedruckt en soo vervolgens in de Stadts gracht gesmeten heeft.

    Gelijck ons daer benevens upt de Informatien van de tweede gedetineerde Johanna Willems, komt te consieren dat, nadat sy in haere examina van en 16, 13, 14, 23 en 24 Sept. sig met veele onwaerheden en variatien ende mede met revocatie van voorige geconsesseerde poincten had getragt te behelpen; eyndelick op den 25 September 1743 buyten pyn en banden ende sonder eenige dreigement van deselve heeft beleden dese vyf articulen:

    1. Dat sy in desen jaere een levendig kind ter werelt heeft gebragt.

    2. Dat haer Moeder is binnengekomen als sy besig was met kraemen.

    3. Dat sy dat kind aen haer Moeder heeft overgegeeven en geseit: doed het dood; maeckt dat ’t wech komt.

    4. Dat sy dien selven morgen quæstie met haer Moeder heeft gehad, door dien sy vroeg Moeder waer hebt gy ’t gelaten; en haer Moeder seyde Jou verduyvelde beest, verleden jaer een kind en nu weder een kind.

    5. Dat sy met vloeken (naementlyck als in de confrontatie van den 23 September, Jou blixem! Jou donder!) tegen haer moeder geseit heeft doed ’t dood; maeckt dat ’t wech komt.

    Koomende daer nog by dat de eerste gedetineerde in de Confrontatie van den 23 September onder anderen verklaert niet alleen dat sy door haer dochter daer toe vervoert is, die sulx voor God niet kon verandwoorden; maer daer en boven dat als sy ’t kind de hersenen ingedruckt heeft sy by ’t bed gestaen, en haer Dogter sulks gesien heeft.

    Soo dat wy uyt dese consessien volkomen en legaliter overtuygt moeten zyn dat de eerste gedetineerde Gatharina Kaspers, diegeene is die dit kind van ’t leven ter dood gebragt en alsoo dood sijnde in ’t water geworpen heeft.

    Ende dat de twee gedetineerde Johanna Willems, ’t selve belast en met vloeken doen en vervolgens oock metter daad sien uytvoeren heeft.

    Ende dus soo wel Grootmoeder als Moeder sig aen een gruywelycke kindermoord schuldig hebben gemaeckt.

    14.

    Een delict wel soo swaer dat ’t niet alleen in rechten onder den naam van een Parricidium werd begrepen l. 1. ff. ad. L. Pompej de Parricid. en daerom oock met het crimen læsæ Majestatis werd geæquipareert by Ant. Matth. de crimin. in proleg. cap. 2. n. 8.

    Naer welkers onnatuurlyckheit in een moeder omtrent haet drugt alle begryp te boven gaet; daer immers de H

    D. Schrift de Moederlycke barmhertigheit omtrent haer kind door eene ontstekinge haeres ingewands komt uttedrucken 1. Reg. (1. Koningen) 3. vers 26, ende God selven als yts boven-natuurlyck en als ’t ware onmogelyck aenmerckt dat een Vrouwe haeres Suygelings sou konnen vergeeten, dat sy haer over de vrugt haeres lichaems niet sou ontfermen. Jesai. (Jesaja). 49 vers 15.

    Men denke niet als of de Dochter dien alleen haer Moeder tot dit infanticidium heeft vervoerd minder schuldig en straflyck zou zyn als de Moeder die ’t heeft uytgevoert, gelet dat in desen de rechten Mandantem & Mandatarium houden te sijn duo Correlata, & ob it, homicidio secuto, delictum mandantis & mandataii confidereren als unum fere & idem, ut sic in commisso homicidio mandans non minus quam mandatarius ultimo supplicio sit afficiendus. Ja soo dat selfs een mandans geoordeelt werd plus delinquere, quam mandatarius; uti plene apud Corpzov. D. part 1. quæst. 4. n. 1. 4. 5. 6. 9. & 12.

    Sulcks dat wy uyt en om all ’t gene voorschreven is geen ander rechtelyck besluyt ter voldoeninge aen een goede Policy en Justitie konnen opmaecken als dat beyde Gedetineerdens voor het gepleegde en by haer bekende moorddadig ombrengen en doen ombrengen van het jong-geboren kind haer leven verwerckt hebben en niet minder als met de dood gestraft sullen werden.

    Welcke doodstraffe alsoo die van een soodanig delict hier te Lande doorgaans of het swaerd of den strop oock somwylen wel ’t rad is; als te sien by Groenew. de LL. Abrog. ad. §. 6. Inslt. de Pub. Judic. n. 3. Damhoud. Prax crifu. 89 n. 8.

    Soo souden wy, soo wy Richters waren in desen (daer soo veele circumstantiæaggravantes mede vermengt zyn als in voorgaende Advyse aengehaelt) de beide Gedetineerdens condemneren om aen een paal geset en met een strop gewurgt ende vervolgens op ’t galgevelt begraeven te werden.

    Ten ware dat omtrent het allerlaeste Daer Wel Edele ende Achtbaere bysondere consideratien mogten vinden om haer een kist te vergunnen; waerom wy daer van oock in het dictum der Sententien geen meldinge hebben gemaeckt: als sijnde buyten contest potestatem moderandi pœnas non solum in extraordinariis, sed & in publicis judiciis obtinere jedicem. Qualem Aristoteles in præmiis & pœnis distribuendis proportionem, Geomerriu, scilicet, fer vandam dixit lib. 5. Ethic. 6.

    15.

    Wy hebben alhier de Sententie van Catharina Kaspers laeten gaen voor die van haer Dogter; gelyk wy ook vernemen dat deselve voor de Dogter geëxecuteert sal behooren te werden vermits seeckerlyk de eerste in desen om meer als eene reden eerder commiseratie verdiend als de tweede.

    Sententie van Catharina Kaspers.

    Alsoo Catharina Kaspers, oud in de vyftig jaeren, geboortig van Elburg, gedetinnerde alhier aen den Gerichte der Stadt Elburg iterativelyck sonder pyn en banden heeft beleden dat sy geduirende het laetste swanger zyn buyten echt van haer Dogter Johanna Willems sig niet ontsien heeft voor deselve een afdryvend middel van Senuw-bladen tot meermaelen te haelen en te præpareren; ende op den 11 July laestleden ’s morgens als sy wederom t’huys kwam haer Dogter voornoemd op ’t math is gekomen als deselve besig was met kraemen; dat haer Dochter verloscht sijnde van een Dogtertje dat leefde sy ’t selve den navel met een draadje afgebonden ende vervolgens op aensetten van haer Dogter by het bed en in desselfs gesicht het hoofd met haer vingeren ingedruckt en daer na van het Steyger op de sluyse naekt in deser Stadt gracht geworpen heeft; Synde een saeck gantsch onnatuuryck en onchristelyck ende van een gantsch pernicieus gevolg die in een Stadt van Politicy en Justitie niet geleden kan werden, maer anderen ten exempel ten hoogsten strafbaer is: Soo is ’t dat ’t Gerigte van welgemelte Stadt recht doende na ingenomen advys van onparthydige Rechtsgeleerden verklaert de voorgenoemde Catharina Kaspers haer leven verwerckt te hebben deselve mitsdien condemnerende om ter plaetse daer men gewoon is soodaene executie te doen aen een paal gebonden en met een strop gewurgt te werden datter dood na volge.

    Sententie van Johanna Willems.

    Alsoo Johanna Willems, oud drie ‘s vier en twintig jaeren, geboortig van Elburg, gedetineerde binnen deselve Stadt aen den Gerichte aldaer buyten pyn en banden heeft beleden dat sy gedetineerde hebbende in den verleden jaere buyten egt gekraemt sedert desselfs verlossinge sig wederom in onecht heeft laeten beswangeren ende onder voorgeeven van ’t selve geignoreert te hebben sulcks voor haer eygen Moeder, Chyrurgyn en Nabuyren (selfs onder duyre eeden) verborgen gehouden; oock in de tyd van haer swanger sijn verscheide maelen Senuwen-bladen getrokken en gebruyckt tot afsettinge.

    16.

    Dat sy op den 11 July deses jaers ’s morgens (sonder onthaelingen van nabuyren) in den arbeid geraeckt sijnde haer moeder Catharina Kaspers binnen is gekomen als sy besig was met kraemen; dat sy van een leevendig kind verlost sijnde het selve aen haer moeder voornoemd heeft gegeeven en deselve (onder swaere vloeck-naemen) daer toe aengeset en vervoerd dat sy het kind soude dooden en wech maeken; gelyck oock by de confrontatie uyt des moeders consessie gebleken is dat deselve het kind by het bed en in ’t gesigt van haer Johanna Willems het hoofd met haere vingeren ingedruckt en vervolgens in de Stads gracht geworpen heeft: All ’t welcke saecken sijnde gantsch onnatuurlyck en onchristelyck ende van gantsch pernicieuse gevolgen die in een Stadt van Polity en Justitie niet geleden konnen worden maer anderen ten exempel ten hoogsten stafbaer zyn; Soo ist dat ’t Gerigte van welgemelte Stadt recht doende na ingenomen advys van onparthydige Rechtsgeleerden verklaert de voornoemde Johanna Willems haer leven verwerckt te hebben deselve mitsdien condemnerende om ter plaatse daer men gewoon is soodane executie te doen aen een paal gebonden en met een strop gewurgt te worden datter de dood na volge.

    Advys geadviseert by ons onderschreven onder submissie aen beter oordeel binnen Harderwyck den 28 September 1743.

    Geëxecuteerd binnen Elburg den 6 October 1743.