Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart1.jpg

Topografie van een kleine stad

  • dinsdag 31 januari 2012 12:42

Het Eerste Klooster en de Poorten van Elburg

Door Fokke J. Bakker

Dit artikel bestaat uit twee delen: Het Eerste Klooster van Elburg en de Poorten van Elburg. Beide onderwerpen staan ter discussie en zijn belangrijk genoeg om er in breder verband kennis van te nemen. Hoe is het toch mogelijk dat er in Elburg geen heugenis meer is aan het kloosterbegin tussen de Beeckstrate en de Olderstrate en evenmin aan de juiste ligging van de voornaamste stadspoort, de Heilige Geestpoort? Ondanks alle ijver van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe heeft niet één van de dertien getranscribeerde stadsrekeningen in de periode 1441-1471 een kloostermelding opgeleverd. Wat betreft de Heilige Geestpoort zijn de resultaten ronduit verrassend.

Het Eerste Klooster te Elburg

Alle onderzoekers die tot nu toe over het Eerste Klooster van Elburg geschreven hebben, gebruiken gemakshalve de naam St. Agnietenklooster al vanaf het allereerste moment waarop een enige vrouwen, nonnulle virgines,[1] samen een geloofsgemeenschap willen vormen. Deze kloosterbenaming is feitelijk onjuist, want pas in de loop der tijd wordt definitief gekozen voor een patroonheilige. Heel lang worden de vrouwen omschreven als de Zusters der orde van St.Franciscus te Elburgum. Maar hierover later meer.

We beginnen nu eerst met een kort overzicht van de Elburger nieuwbouwgeschiedenis vanaf 1392. Het oude Elburg is niet meer dan één lange straat, de Olderstrate.[2] Deze hoofdstraat begint in het zuiden bij de Oude Kerk(hofsweg) en loopt helemaal door tot aan de weg naar scheepsrede ten noorden van de stad. In 1392 krijgt Elburg een rechthoekige vorm en wordt alleen het midden gedeelte van de Olderstrate opgenomen in het nieuwe stadsplan.[3] De bewoners van de beide uiteinden van de Olderstrate worden gedwongen om binnen de muren van de nieuwe stad te gaan wonen. Het merendeel van die gedwongen verhuizers bouwt een nieuw onderkomen aan de Beeckstrate, die parallel aan de Olderstrate, het nieuwe stadje precies middendoor deelt. Gezien de structuur van het nieuwe Elburg zou er nog een derde parallelle hoofdstraat genoemd moeten worden, maar daarvan wordt pas sprake als eeuwen later de Ledige Stede over het voormalige kloostererf wordt doorgetrokken tot aan de Bloemstraat. De drie zijverbindingen tussen de Olderstrate en de Beeckstrate worden aanvankelijk alle drie simpelweg Brederstrate genoemd. Latere namen van deze Brederstraten zijn: Bloemstraat, Susterenstraat en Kerkstraat. Het zuidoostelijke deel van de stad blijft gereserveerd voor bijzondere bebouwing, tuinen en uitbreidingen.

Zes blokjes van zes erven

In 1393 is een lijst gemaakt van alle personen die in het nieuwe Elburg een erf krijgen toegewezen.[4] Deze lijst begint vanzelfsprekend met alle nieuwbouw aan weerszijden van de Beek.[5] Maximaal kunnen dit 56 erven zijn geweest. Het vervolg van de uitgifte moet ongetwijfeld gezocht worden tussen de Beeckstrate en de Olderstrate. Zo wordt immers het nieuwe gedeelte met de oude stad verbonden tot een geheel. Hiervoor zijn de nummers 57 tot en met 92 beschikbaar, zes blokjes van zes erven. We vinden ze aan weerszijden van de straten die nu Smedestraat, Vischpoortstraat en Noorderkerkstraat worden genoemd.[6]

In de namenlijst van 1393 vinden we in dit tussenliggende gebied het dubbelerf van Pelgrim van Putten op de nummers 84 en 85. Meerdere auteurs hebben gezegd dat op dit dubbelerf zijn Gruithuis stond, een belastingkantoor voor het innen van biergelden.[7]

Westerink lokaliseert beide erven met de nummers 84 en 85 aan de Rozemarijnsteeg doorlopend tot aan de Vischpoortstraat.[8] Deze erven zouden dan uitzonderlijk diep zijn geweest, vanaf de Vischpoortstraat helemaal tot voorbij de Kromme Steeg. Uitgaande van een zo eerlijk mogelijke grondverdeling is het logischer de twee, precies tegenover liggende erven, grenzend aan de Rozemarijnsteeg, tot aan de Smedestraat als uitgangspunt te nemen. Vooral ook omdat aan de Smedestraatkant de hoofdingang van Pelgrims gebouw is teruggevonden.[9]

Ommuurde vestingstad

In de onmiddellijke omgeving van dit nog altijd bestaande Gruithuis komen we de erven van Arend Alfarenzoon tegen onder de nummers 80 en 8l. Van een van die erven weten wij dat het ‘geleghen is alre naest den walle’.[10] Elburg is aangelegd als ommuurde vestingstad. De huidige wallen om de stad zijn van 1530 en kunnen dus niet bedoeld zijn. Dat betekent dat in 1418 een huis aan de buitenrand van de stad alleen maar aangeduid zou kunnen worden als een ‘huseke dat neest de muere staet’.[11] De wal die in de stadsrekeningen van 1443, 1447, en 1454 wordt genoemd moet dan ook gezocht worden buiten de stad bij het Oude Kerkhof en is mogelijk een restant van de verdedigingswerken van voor 1392.

Ook de Schoenmakerswal[12] bij de sluis ligt buiten de stad en is beslist geen plaats om een huis bouwen alleen al niet vanwege de stank van de schoenmakerskuipen. Aan welke wal ligt dan het huis van Arend Alfarenzoon? Het erfnummer in de 80 verraadt het al. De genoemde wal kan alleen maar de Olderstrate zijn. Deze straat ligt duidelijk hoger dan het omliggende land. Latere ophogingen van het Gruithuis bevestigen dit.[13] Door de bocht in de Olderstrate ligt het bewuste huis slechts twintig meter van ‘den walle’. De conclusie luidt dat het achtererf van Arend Alfarenzoon grenst aan het erf van het Gruithuis en loopt langs de Rozemarijnsteeg door tot aan de latere Vischpoortstraat.

Zes huizen, één geheel

Deze conclusie is heel belangrijk voor het vervolg van dit verhaal. Want in 1418 lezen we dat Mechteld ter Brake en Fie Willem Vincken dochter het halve steenhuis, dat Aert Alfers soen had laten timmeren, aan de Gemene Susteren hebben overgedragen.[14] Twee huizen van de zes zijn nu in bezit van de zusters. Na de dood van Mecheld ter Brake en Fie Willem Vincken erven de Zuster hun derde huis. Nog enkele jaren later hebben dezelfde Gemene Susteren het hele huizenblok in hun bezit, te weten alle zes huizen tussen de Smeesteeg en de Rozemarijnsteeg. Tegenwoordig aangeduid als Vischpoortstraat 5 tot 13.

Nu kunnen de Zusters aan de pastoor van Doornspijk toestemming vragen om zich in te mogen sluiten tot een echt klooster. Op 26 april 1425 wordt die toestemming onder bepaalde voorwaarden verleend aan de Zusters die wonen in de huizen die vroeger waren van Arnoldus Alferdi, Peter Bunten, heer Lubbertus Gertsz. priester, Conradus Quants, Fenne Conradi en Aleidis Plussen.[15] Deze zes familienamen zijn allemaal in verband te brengen met de Zusters en vormen een aaneensluitende reeks in de erfuitgifte van 1393 en later.[16] ‘Bij deze gebeurtenis in 1425 lezen we niets over medewerking van de magistraat’, constateert Westerink[17]. Dat is ook niet nodig want in feite verandert er niets voor het stadsbestuur. De Zusters blijven voorlopig op dezelfde plaats in dezelfde zes huizen wonen.

Kapel met onderaardse gang

Ook krijgen zij van de pastoor toestemming om een kapel te mogen inrichten. Dan ontstaat er een probleem: waar moet deze kapel komen? Het liefst aan de straatkant, maar aan die kant zijn de zes kloosterhuizen ingeklemd tussen twee stegen. Een bewoner van de Beeckstrate biedt uitkomst: er mag wel op het achtererf gebouwd worden net aan de overkant van de latere Smedesteeg. De maten van deze kapel worden in de akte van 1425 vrij nauwkeurig aangegeven. Als er een voetmaat van 30 centimeter is gebruikt, dan kunnen we zelfs de genoemde afmetingen exact terug vinden in het tegenwoordige huis Vischpoortstraat 3a.[18] Zo lang de buurman op de hoek Beekstraat / Vischpoortstraat het achtererf niet vol bouwt, staat de nieuwe kapel volledig in het zicht.

Pas in 1949 wordt deze kapel van het Eerste Klooster herontdekt. Tijdens een opknapbeurt valt er een stuk witkalk van de muur en worden er afbeeldingen van drie heiligen gevonden. Een vierde heilige is waarschijnlijk verloren gegaan door het doorbreken van een muur voor de aanleg van een gang op de eerste verdieping.[19] Andere schilderingen als De wonderlijke Visvangst en De wijze en dwaze Maagden zijn eveneens verloren gegaan. Om de kapel vanuit de kloosterhuizen ongezien te bereiken, is ongetwijfeld van een onderaardse gang gebruik gemaakt. In Elburg zingen meerdere verhalen rond die in die richting wijzen.[20]

Andere zienswijze

Dit is al jaren mijn visie over de ontstaansgeschiedenis van het latere Agnietenklooster, De heer Westerink denkt daar heel anders over. In zijn boek Elburg en Doornspijk is de complete insluitingsakte van 1425 twee keer afgedrukt, zowel in het Latijn als in het Nederlands.[21] Woorden kunnen echter meerdere betekenissen hebben. Bij het vertalen van een tekst wordt altijd gekozen voor een woord dat het beste de situatie weergeeft, zoals de vertaler die voor zich ziet. Het is duidelijk dat de heer Westerink de Zusters bij hun kloosterstichting in 1425 situeert op dezelfde plaats waar nu nog steeds al die mooie kloostergebouwen staan. Als hij dan ook een vertaling moet geven van de zin ‘in opido Elburgensi sint edificia constructa’, kiest hij: ‘in de stad Elburg zijn gebouwen gemaakt’.

Zelf zie ik zes huizen in de Vischpoortstaat voor me. Dus ik vertaal ‘in opido Elburgensi sint edificia constructa’ met de woorden ‘in de stad Elburg zijn huizen samengevoegd’. Beide vertalingen zijn correct! [22]

Maar voor de verdere lezing van de stichtingsakte is het van groot belang voor welke van de beide vertalingen is gekozen. Kiest iemand voor mijn versie, dan is de volgende vraag heel makkelijk te beantwoorden: Welke huizen zijn dan tot een klooster samengevoegd? Wel dat zijn de huizen waar vroeger in hebben gewoond Arnoldus Alferdi, Peter Bunten, heer Lubbertus Ghertsz. Priester, Conradus Quants, Fenne Conradi en Aleidis Plussen.[23]

Met de vertaling van de heer Westerink kom je in de problemen, want als de zusters ten tijde van de stichting in 1425 al wonen in die mooie gebouwen aan de Jufferenstraat, dan moet de toestemming zijn verleend voor de zusters die eertijds in bovengenoemde huizen hebben gewoond. De helft van die eertijdse zusters kan inmiddels al overleden zijn, maar ze mogen toch nog samen een klooster beginnen.

Dit klinkt niet erg overtuigend. Gelukkig vind ik ook een medestander voor mijn visie: Van der Ven schrijft: ‘In die huizen, die tezamen in 1425 tot een besloten convent werden gemaakt, zijn de kloosterzusters blijven wonen.’ [24]

Het voordeel van mijn vertaling van ‘samengevoegde huizen’ wordt nog duidelijker aan het eind van de stichtingsakte. Daar staat dat de zusters alleen met toestemming van de pastoor een preek mogen houden in de nieuwe kapel of binnen de heining. Er worden dus twee aparte plaatsen genoemd: binnen de heining van de zes samengevoegde huizen of in de nieuwe kapel. Dit komt toch precies overeen met hetgeen hiervoor geschreven is: er zijn zes samengevoegde huizen in de Vischpoortstraat met aan de overkant van de Smeesteeg de kapel.[25]

Door de bescheiden afmetingen is deze kapel eigenlijk alleen geschikt voor eigen gebruik en kunnen de rechten van de parochiekerken later wel geregeld worden.[26] Toch worden in de stichtingsakte van 1425 wel enkele uitzonderingen genoemd wanneer bezoek wel mogelijk is: op de feesten van de Patronen en kerkwijding en bij gelegenheid van de kleding en professie der zusters en dat begrafenissen zullen plaats hebben in genoemde kapel.[27]

Bakkerijbrand

Argumenten dat de muurschilderingen in de eerste kapel van iets jongere datum zijn dan 1425 blijft mogelijk. De Zusters hebben immers bijna 25 jaar van deze ruimte gebruik gemaakt, zoals later zal blijken. Er wordt in een recent onderzoek naar de juiste ouderdom niet precies aangegeven wat is onderzocht: de eerste verflaag, de tweede, de derde. Zijn er na het vertrek van de Zusters misschien nog andere erediensten gehouden in hetzelfde kapelletje? Is er rekening gehouden met de bakkerijbrand in 1954?[28] Wat in ieder geval helemaal ontbreekt, is een recent iconografisch onderzoek naar de datering van de afbeeldingen. Dat is wel gedaan door Thom. J. de Vries in een brief met diverse afbeeldingen, gedateerd 17 Oct. 1950. Zijn conclusie: ‘vandaar dat ik geneigd ben St. Christoffel ook op circa 1423 à 1425 te dateren.’

Tot zover het eerste deel van mijn artikel uit 1985 opnieuw bekeken. De herziening van het vervolg is noodzakelijk geworden na nieuwe onderzoekingen en de geweldige hoeveelheid nieuwe transcripties van laatmiddeleeuwse archiefstukken.

Hout al gekapt

Het is van meet af aan de bedoeling geweest om bij voldoende middelen een nieuw kloostergebouw met bijpassende kapel te bouwen in het nog lege, zuidoostelijke deel van de stad.[29] Uit de stadsrekening van 1443 blijkt dat de Zusters inmiddels grond bij de stadsmuur hebben aangekocht. Onderzoek heeft aangetoond dat enkele balken in de kap van Jufferenstraat 8 in 1444 zijn gekapt en klaar liggen om gebruikt te worden.[30]

Maar eerst moet biechtvader Lubbert Gerardsz uit Elburg in mei 1444 nog samen met zijn Harderwijkse collega Jacob naar Utrecht om een afschrift van een pauselijk en een bisschoppelijk privilege te verkrijgen om met de langverwachte nieuwbouw te kunnen gaan beginnen.[31]

De notaris ontvangt de beide priesters in het huis van de biechtvader van het Ceciliaconvent in Utrecht.[32] Daar worden de onmisbare documenten afgeschreven en voorzien van de nodige handtekeningen. Terug in Elburg kan dan eindelijk de spa de grond in en wordt er flink gebouwd, tot eind 1448 het geld op is. Voor het eerst moeten de Zusters meerdere landerijen verkopen.[33] Hun trouwe biechtvader Lubbertus Ghertsz maakt nog net de verhuizing mee naar het prachtige nieuwe klooster. Hij sterft in 1450 en laat aan de Zusters 500 gulden en een huis na.[34]

Patroonheilige St. Agnes

Bewust is in het voorafgaande verhaal alleen maar de aanduiding Zusters gebruikt omdat het niet duidelijk is wanneer de Zusters zich onder het patronaat van de Heilige Agnes hebben gesteld.[35] In de insluitingsakte van 1425 wordt Agnes niet genoemd, wel is er sprake van Patronen in het meervoud.[36] Er zijn 27 regesten betreffende de Zusters in de periode van 1418 tot 1447. Hierin komt in de officiële kerkelijke stukken de naam St. Agnes nog niet voor.[37] Dat is wel het geval bij enkele particuliere schenkingen aan het klooster of bij verkoop van landerijen aan het klooster namelijk 7 keer van de 27. Deze 7 vermeldingen zijn voor een deel te herleiden naar Zusters die Agnes heten.[38]

In de periode van 1447 tot 1474 volgen nog 22 regesten. Slechts in vier gevallen is sprake van Gemeene of Besloten Zusters. Maar vanaf 1457 spreekt iedereen van het St. Agnietenconvent binnen der Elborch.

We bekijken nu even wat nauwkeuriger naar de overgangsjaren tussen de beide serie regesten, de periode van 1445 tot 1449. In regest 255 van 4 maart 1445 wordt verklaard dat de Zusters ter Elburg land hebben gehuurd. Deze overeenkomst wordt door vijf met namen genoemde officiële kerkelijke instanties en een priester bevestigd. Het valt wel erg op dat een aanduiding als Agnietenconvent of St. Agnieten in deze rij nog steeds ontbreekt.

Begin 1449, regest 266, wordt aan alle onzekerheid, wat betreft de naamgeving van het nieuwe klooster, definitief een einde gemaakt door ondertekening vanuit het klooster zelf: ‘Oetbrich ten Bleke, ministersche, en de Zusters van het convent van St. Agneten in der stad Elborch verklaren verkocht te hebben aan Lubbert van Dry verschillende landerijen.’

In deze overgangsperiode kan regest 261 nog een heel licht werpen op de geschiedenis van de naamgeving van het klooster: ‘Hesse, graaf van Lynnygen, Wylhem, graaf van Vyrnenburg en Thurbrich heer van Boedingen, verzoeken burgemeester, scholt en raden der stad Elburg, Peter van Deirsdorp, die een welgeboren, “schiltber”man is, op zijn bedevaart naar Heilige Graf en Sent Katheryne te willen steunen met een aalmoes.’

Uit dit verzoek blijkt dat het tot ver in Duitsland bekend is dat Elburg een bijzondere Katharina verering kent. In de St.Nicolaaskerk binnen de stad is aan de noordzijde een altaar voor St. Catharina ingericht met een eigen priester, die betaald wordt uit de vicarie van St.Georgius en St.Catharina.

Het is daarom heel goed mogelijk dat ook de voorkeur van de Zusters aanvankelijk uitgaat naar St. Catharina van Alexandrië als patroonheilige, net zoals dat in Harderwijk het geval is. Deze mogelijkheid sluit eveneens aan bij wat Van der Ven ziet als belangrijkste bron van inkomsten van de Zusters in de zes huizen, namelijk spinnen en weven.[39] St. Catharina is immers nog steeds de beschermheilige van deze beroepsgroep. Dit kan verklaren waarom juist de muurschildering van St. Catharina een ereplaats krijgt in het kapelletje achter bakkerij Schenk. Eveneens wordt dan duidelijk waarom er in de Elburg literatuur zo hardnekkig over een Sint Catharine Convent wordt gesproken.[40] Tot 1449 ligt immers de naam nog niet vast en kan er zowel van St. Agnietenconvent als van St.Catharineconvent gesproken worden als het gaat over de Besloten Zusters in de zes huizen aan de Vischpoortstraat.

Brieven uit Arnhem

Na nog vierentwintig jaar giften en schenkingen volgt in 1474 uitbreiding. Er worden twee complete bouwblokken aan het kloostererf toegevoegd. Zelfs het tussenliggende straatje wordt aangekocht. Zeer tot ongenoegen van de gebroeders Van Speulde en hun vriend Steven Vinck. Onder aanvoering van dit drietal worden allerlei nare acties ondernomen, zoals vernielingen aan het klooster en opjagen van vee door de afrasteringen heen. Kennelijk treedt het gemeentebestuur van Elburg onvoldoende op tegen dit vandalisme, want vanuit Arnhem komen meerdere brieven van het landsbestuur met uitlatingen als: geef de daders honderd leeuwenguldens boete of stuur ze desnoods maar op naar Arnhem. De Zusters in Elburg hebben hun grond in Elburg niet zomaar gekregen maar voor veel geld gekocht. Ze wonen al 27 of 28 jaren rustig op dezelfde plaats en dat moet zo blijven![41] Wellicht ten overvloede wil ik er op wijzen dat deze brieven in 1475 zijn geschreven. Dit maakt de datering van de nieuwe kloosterbouw wel heel erg gemakkelijk 1475 – 27/28= 1448/1447.

De Poorten van Elburg

Een vestingstad met grachten, wallen, muren en poorten geeft een gevoel van veiligheid. In de loop der tijd bestaat de behoefte om dit gevoel zichtbaar te maken in een speciaal teken: het veiligheidsteken. We vinden dat op meerdere plaatsen terug in de muren van Elburg, zowel aan de binnen- als aan de buitenkant.[42] In de hoge muur naast de Vischpoort, tegenover de bistro is het mooiste exemplaar van dit teken terug te vinden. Oorspronkelijke hebben er, op gelijke afstand van elkaar, drie gezeten. Van de een is alleen de onderkant nog over en de ander is een slordige vervanging van het originele teken, dat door het maken van een hooiraam is vernield.

Dit onderzoekje is eenvoudig met een meetlint te doen. Jarenlang heb ik in Elburg allerlei metingen verricht met lint en lange lat en daaruit conclusies getrokken. Het is heel fijn dat nu enkele van deze conclusies door de transcripties van het Streekarchivariaat Noordwest–Veluwe worden bevestigd. Ik heb voor mijn verhaal gebruik gemaakt van dertien bewerkte stadsrekeningen in het tijdvak 1441-1471. Zonder het voorbereidende werk van P. van Beek en vooral van E. Kranenburg-Van der Beek was dit niet mogelijk geweest. Hartelijk dank.

Van drie naar twee poorten 1392-1530

Het vorige hoofdstuk begint met het in drieën delen van de Olderstrate. Het middelste gedeelte wordt opgenomen in de nieuwe vestingstad Elburg. De twee coupures in de lange Olderstrate zijn weloverwogen gekozen: wat er wel en wat er niet in de nieuwe stad opgenomen moet worden. De coupure aan de zuidwestkant wordt bepaald door de ligging van het Heilige Geestgasthuis, gebouwd in 1335. Van Meurs schrijft daarover in 1885: ’Het Heiligegeest-gasthuis, waarvan de fundamenten nog aanwezig zijn aan de uiterste grens der stad, zoodat het daar juist binnen viel’.[43]

In het museum Elburg hangt een zestiende-eeuws schilderij waarop dit gasthuis duidelijk te herkennen valt aan het blauwe leien dak. Het ligt inderdaad direct achter de muur. In het rechterlijk archief Elburg wordt in 1472 een overdracht vermeld van ‘dat halve huys ghelegen an de Hilligen gheist porte upten hoick teghen dat gasthuys over’.[44] Het lijkt mij duidelijk dat deze Heilige Geestpoort de eerste coupure van de Olderstrate afsluit. De bewoners van de Olderstrate binnen de nieuwe stad kunnen gewoon via hun oude vertrouwde route naar de kerk op het Oude Kerkhof. Het zal nog wel een tijdje duren voordat de nieuwe kerk in de stad klaar is.

De Heilige Geestpoort is erg handig. Tijdens de nieuwbouw aan de Beeckstrate hoeft niet iedereen over de modderige bouwterreinen langs de Brederstrate naar de nieuwe Goorpoort om de stad te verlaten. Trouwens de hoofdweg is nog eeuwenlang de Damm of Brede Gang tussen de hovens door langs de kust in de richting van Doornspijk aan Zee.

De coupure in het noordoostelijk deel van de Olderstrate wordt gewoon dichtgezet met de stadsmuur. Dit gedeelte van de nieuwe stad krijgt al gauw de toepasselijke naam Endenhoek.[45] De noordoostelijke Mheenpoort richting Kampen komt aan het einde van de nieuwe Beeckstrate.

Kort na 1400 heeft Elburg dus drie poorten: twee aan de zuidwestkant[46]en een aan de noordoostkant. Meerdere keren wordt in de stadsrekeningen gesproken van het schoonmaken van de drie poorten.[47] Ook zijn er drie stadspoortwachters die in 1461 alle drie een nieuwe muts krijgen.[48] Toch worden er in de periode 1441-1471 zes verschillende namen gebruikt voor deze drie poorten. In het nu volgende gedeelte worden de drie poorten met hun bijpassende namen een voor een besproken.

De Heilige Geestpoort

Dit is verreweg de belangrijkste poort. Heel opvallend is de eensgezindheid over de naam. Vanaf het begin is de poort alleen maar aangeduid als de Heilige Geestpoort. In de onderzochte periode wordt de poort 34 keer genoemd. Dat is 11 keer meer dan de twee andere poorten samen. Wat verder opvalt is het aantal schoonmaak meldingen en het effenen van de grond voor de poort. Het vuil uit de stad wordt via deze poort naar zee afgevoerd en vanuit de ‘hovens’ wordt druk de stad in en uit gelopen. De tuinen buiten de stad bestaan uit vruchtbare kleigrond. Niet voor niets wordt een oude boerderij aan het Bagijnendijkje Smerenburg genoemd.[49]

Direct voor de poort vinden allerlei activiteiten plaats zoals jaarmarkten,[50] terechtstellingen[51] en niet te vergeten het spannen van lakense stof op spanramen.[52] Een eindje verderop staan ook nog ramenwerken voor leerbereiding.[53] Misschien komt het water voor de schoenmakerskuipen wel uit de put voor de poort.[54] In de herfst liggen er langs de toegangsweg bundels riet[55] en rijshout.[56]

Bij grote werken als de gracht uitdiepen, de kap vervangen en uitgebreid metselwerk wordt nadrukkelijk de naam van de poort genoemd. Ook bij klein onderhoud ontbreekt de naam niet: een nieuwe bank, een nieuw hengsel en een nieuw hek.[57] Als bijzonderheid wordt vermeld dat de metselaar aan de poort zijn ladder breekt en dat hij op kosten van de stad een nieuwe mag laten maken.[58]

Het allerduurste is de beveiliging van de stad. Want niet alleen poortwachters maar ook meerdere nachtwakers moeten betaald moeten worden. In de loop der jaren neemt deze post in de stadsrekeningen alleen maar toe.

Het blijft voor mij nog altijd een groot raadsel waarom stadshistorieschrijver Westerink schrijft: ‘De heilige Geest poort stond in ‘t verlengde van de Gasthuissteeg’.[59] De voornaamste poort van de stad aan het einde van een nietszeggende steegje. Een blik op zijn kaart van Jacob van Deventer had voldoende moeten zijn om deze uitglijder te voorkomen.[60]

Om dit hoofdstukje nog even af te ronden. In 1512 worden extra versterkingen voor de Heilige Geestpoort aangelegd.[61] Daarna neemt de betekenis van deze poort af. De Olderstrate gaat zijn naam steeds meer eer aan doen en het centrum van de stad is in de loop der tijd naar de Vischmarkt opgeschoven. Voor de aanleg van de wallen rond het jaar 1530 is veel geld nodig. Ook de poortingangen moeten aan de nieuwe situatie worden aangepast. De stad heeft de accijnzen op wijn en importbier al drastisch verhoogd. Dan valt het besluit: drie versterkte poorten is voor Elburg te veel. De Heilige Geestpoort wordt gesloopt. De afgebikte stenen zullen wel elders in de verdedigingswerken zijn ingezet. Acht jaar later probeert een aantal burgers tevergeefs hun geliefde poort opnieuw te openen. De nieuwe hertog Willem II laat de zaak bekijken, maar wijst uiteindelijk het verzoek af. Alles is goed zoals het nu is.[62]

De Zeepoort of Oosterpoort of Medenpoort

De eerste vermelding van deze poort aan de noordoostkant van Elburg in de periode 1441-1474 is meteen al in het jaar 1441. Een kapotte sliengel of slegel om de poort te openen wordt vervangen.[63] Deze poort is na de gebiedsuitbreiding van Elburg in 1438 een stuk belangrijker geworden. De scheepsrede bij Elburg voldoet niet meer en er zijn plannen om ten noorden van de stad een haven te maken. Daarvoor wordt de Puttener Beek omgeleid en een kilometer lang buitendijks kanaal uitgegraven. Tenslotte wordt de kustwal doorstoken en een nieuwe verbrede monding aangelegd.[64] Voortaan kunnen kleinere schepen de stad bereiken en afmeren aan de Kadijk, vlak voor de Zeepoort.

Onderweg passeren ze de twee bakens bij de brug naar de Meden.[65] Deze brug over het havenkanaal was voor hooiwagens uit de Meden.[66] Zo konden ze de stenen hooibergingen (‘schueren’)[67] bereiken ten noordwesten van de stadsbleek. Behalve nog een enkele melding in 1470 komt de naam Zeepoort in de onderzochte stadsrekeningen niet meer voor. Wel wordt de Zeepoort nog een keer genoemd in het verslag van een oproer in 1453. Om de moordenaar van de stadsbode te kunnen grijpen, moeten alle drie de poorten worden gesloten. Bij de twee poorten aan de zuidwestkant van de stad lukt dat op tijd, maar Zeepoort blijft open.[68]

De naam Oosterpoort[69] komt 9 keer voor. De eerste keer in 1443: Er wordt een plank geleverd om de steiger te maken. Waar de steiger precies staat, is onleesbaar. Het zou aan de Kadijk kunnen zijn.[70] In 1447 wordt wel zeven keer melding gemaakt van activiteiten voor of buiten de Oosterpoort. Er wordt volop puin en zand aangevoerd om vijftig meter straat voor de poort aan te leggen. Ook wordt de brug over de gracht en de oever nagekeken. Heel bijzonder zijn de werkzaamheden aan het ‘huusken’ buiten de Oosterpoort.[71] Dit huisje staat op de stadsbleek. In Elburg aangeduid als de bleke stede of wassche. Het gebruik van de stadsbleek is gratis maar voor eventuele bewaking van het wasgoed verwacht de pachter wel een bijdrage. Mogelijk ook voor het gebruik van de ‘waschbanc’.[72]

De laatste post waarin de Oosterpoort wordt genoemd staat op dezelfde bladzijde als de eerste vermelding van de Medenpoort.[73] Een nieuwe naam is in opkomst en heeft uiteindelijk de strijd gewonnen. Vandaag de dag wordt er in Elburg alleen nog maar van Mheenpoort gesproken als het gaat over de noordoostelijke uitgang van de stad. De Medenpoort geeft na 500 meter toegang tot de gemeenschappelijke weide van Elburg. Een hek onderaan de dijk geeft toegang tot dit gebied. Vandaar de oude naam Veelken Meden, waarin Vleken hek betekent en Meden of Maden hooiland.

Voor de Medenpoort staat de kalkoven.[74] Hierin worden schelpen gebrand tot metselkalk. De ovens zijn er al lang niet meer, maar in de volksmond wordt het pad langs de haven nog steeds aangeduid met ‘noar de Kalkovens’. Aardig is het om te lezen dat Albert de Kuper de opdracht krijgt om een officiële inhoudsmaat te maken, waarmee de stad de aangevoerde schelpen kan meten.[75]

In 1461 maakt de stadsschrijver een fout als hij schrijft dat de grond buiten de ‘Ghoerpoerte ende buten de twee poorten’ geëffend wordt. Wij weten inmiddels dat de aanduiding de twee poorten alleen maar geldt voor de beide poorten aan de zuidwestkant van de stad. Dat de schrijver echt de Medenpoerte bedoeld heeft als hij Ghoerpoerte schrijft, blijkt uit de volgende bladzijde in de stadsrekening. Daar verschrijft de schrijver zich opnieuw. Halverwege het woord ziet hij zijn vergissing, streept Ghoer door en gaat verder met Medenpoerte.[76]

In 1471 worden de drie poorten van de stad extra bewaakt. De vijand wordt voor de Goorpoort verwacht. Er wordt maar liefst vijf man ingezet. De wacht bij de Medenpoort wordt verdubbeld. Van de Heilige Geestpoort wordt alleen maar geschreven wat een hele maand bewaking kost.[77]

Zuiderpoort of Goorpoort

De naam Zuiderpoort is te verklaren door de schuine ligging van de stad. In het voorgaande is steeds de aanduiding zuidwesten gebruikt als de Doornspijker kant van de stad wordt bedoeld. De naam Zuiderpoort vindt geen weerklank, evenmin de naam ‘Suitdijc’.[78] Alleen in het jaar 1443 wordt vier keer de aanduiding zuid gebruikt in en om de Goorpoort. Dit vooral in verband met het maken van ‘den sijl’.[79] De heruitgave van de stadsrekening geeft als verklaring van sijl: waterloop, waterafvoer of sluis.

In Elburg moeten we meer denken aan een drempel in de gracht zoals het Engelse woord ‘sill’ aangeeft. Deze sijl of stuw is nog steeds aanwezig onder de Goorpoortbrug en zorgt (zorgde) voor water in de stad. Even voor de brug wordt het water van de gracht onder de wallen doorgeleid. Voor kinderen van groep acht is het een onvergetelijke belevenis om deze tocht onder de wallen mee te maken. De aanvoer van allerlei kalk en steen en het graafwerk veroorzaakt nogal wat vuil in de poort. Vandaar de aparte vermelding van een grote schoonmaakbeurt aan de Goorpoort.[80]

Nog twee meldingen van de Goorpoort vinden plaats in 1470 en 1471. In het ene jaar legt de stratenmaker enkele nieuwe stenen in de poort, het andere jaar wordt extra bewaking ingevoerd en krijgt de wapenkist op de Goorpoort een nieuw slot.[81]

Van twee naar vier poorten

In de loop der eeuwen groeit het aantal poorten van twee naar vier. Omstreeks 1840 geeft Marie Agnes Haaasloop Werner op dichterlijke wijze hiervan een beeld:[82]

Door poorten is de stad verzekerd
men heeft er één aan elke zij
de poort die ik eerst zal noemen
leidt naar het Goor of de stadswei.

De Vischpoort draagt zijn naam naar waarde
want hier koopt men des morgens visch
’t zij kabeljauw of tong of snoeken
of wat er aan de afslag is.

Het Hooy komt door de Mheenpoort binnen
van Oosterwolde of digter bij
maar dan is ook door dit poortje
een aller vreeslijkst druk gerij.

De Oostpoort, kleine poort geheeten
diend mij wanneer ik soms eens droom
te gaan naar Kampen, Zwoll of Hattem
of ook wel naar den Ekelboom.

Het geeft ons wel eens stof tot lachen
als op de markt een vreemdling staat
die daar te g’lijk door alle poorten
zijne verbaasde blikken slaat.

In 1592 krijgt de Visserstoren een poortdoorgang naar de nieuwe haven. De rekeningen hiervan zijn bewaard gebleven.[83] Daaruit weten dat de Vischpoort aanvankelijk de ‘Nije Poerte’ wordt genoemd.

Op een stadsgezicht uit 1672 zien we, naast de gevangentoren,[84] de Kleine Poort of Oostpoort of Graaf Hendrikpoortje. Deze uitgang van de stad wordt steeds belangrijker, vooral als rond 1830 de loop van de Zuiderzeesche Straatweg dwars door Elburg gaat. In die tijd komt de naam Zwolsche Poort in zwang, tot voor kort de meest gebruikelijke naam.[85]

De meest bijzonder naam voor de Zwolsche Poort is voor het laatst bewaard. Cornelis Springer noemt als locatie van een houtskooltekening uit 1863: ‘Bij de Ravennespoort te Elburg’.[86] De tekening is zonder enige twijfel bij de Zwolsche Poort gemaakt. In een van mijn artikelen voor de Elburger Courant heb ik een mogelijke verklaring gegeven. De bomen op wallen naast de Zwolsche Poort zijn meerdere malen bevolkt geweest door uitgebreide roekenkolonies.[87] Zo erg dat hier en daar zelfs van een plaag wordt gesproken. Roeken of raven is voor een geplaagde Elburger een pot nat. En zolang er geen naambordje bij een poort is, kan iedereen zijn eigen aanduiding gebruiken. Dat is wel duidelijk geworden na het lezen dit poortverhaal.

Van vier naar één poort

Alleen de Vischpoort is aan de sloopwoede van de negentiende eeuw ontsnapt. Het havenlicht aan de 25 meter hoge toren vormde een onmisbaar baken voor de scheepvaart. Ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan van de Vischpoort in 1992 zijn er opnieuw deuren in de poort gehangen. Er is twee kubieke meter eikenhout voor gebruikt en ze wegen samen zo’n 1600 kilo.[88]

Resultaten van dit onderzoek

Het voorstel om de foutieve naam Eendenhoeksteeg te veranderen in Endenhoeksteeg wordt niet door de oudheidkundige vereniging gesteund. De beslissing wordt verdedigd met het argument: ‘Ook foute namen behoren uiteindelijk tot ons erfgoed’.

De gemeente Elburg voert een actief beleid ten aanzien van oude kerkpaden. Het voorstel om het oude kerkpad van de Ellestraat naar de Oude Kerkhofsweg nieuw leven in te blazen vindt geen weerklank. Terwijl het toch vrij eenvoudige te realiseren is: een coupure in de wal op de plaats waar eens de Heilige Geestpoort heeft gestaan, een eenvoudig ophaalbrugje over de gracht en klaar is deze nieuwe historische wandelroute.

De vrijgekomen grond uit de wal zou kunnen dienen om het aangrenzende bolwerk van het Neerlands Bergje op de oorspronkelijke hoogte te brengen.

Het kloosterverhaal heeft meer succes. Door de bakker wordt weldra een speciaal gebak onder de naam Kloosterwegge op de markt gebracht. Mijn aandeel bestaat uit het ontwerpen van de gebaksdoos, compleet met afbeeldingen van de gevonden heiligen en enkele pakkende teksten. De poortvormige cellofaanopening in de deksel sluit aan bij het verhaal van een onderaardse kloostergang.

Swifterbant, najaar 2009, aangevuld herfst 2013



[1] G.Westerink, Elburg en Doornpijk,(Zutphen z.j.) 287

[2] De straatnamen Olderstrate, Beeckstrate en Brederstrate zijn overgenomen uit de Transcriptie op het protocol van vrijwillige rechtspraak, Elburg 1443-1472, H. Kranenburg (Elburg 2005) Oud Rechterlijk Archief (ORA) inv. nr. 113. De Olderstrate heet tegenwoordig binnen de wallen Ellestraat. Het onverharde deel ten zuidwesten van de stad wordt nu Brede Gang genoemd. Ten noorden van de stad is de Olderstrate mogelijk alleen nog terug te vinden in een erfgrens. Meer over dit noordelijke gedeelte van de Olderstrate zie ORA inv. nr. 113, 23 en 68.

De noordelijke Olderstrate, als onderdeel van de oude stad, ontbreekt bij Reinout Rutte, Stedenpolitiek en stadsplanning in de lage landen, (Zutphen 2002) 96.

[3] Het terrein voor de nieuwe stad wordt uitgezet in de verhouding 3:4. In Elburger roeden uitgedrukt 75:100. Waarbij elke roede bestaat uit 14 voeten van 27,5 cm = 3.85 m. Rutte hanteert voor Elburg een roede van 3.80 m. Zie Reinout Rutte, Over de aanleg van de nieuwe stad Elburg omstreeks 1400, oudheidkundige vereniging Arent thoe Boecop ( AtB) nummer 80 (Elburg 2005) 5.

[4] Oud Archief Elburg (OAE) inv. nr. 427.

[5] Bij nummer 12 is ‘up der beke’ toegevoegd. De Vischmarkt maakt deel uit van de Beeckstrate. Drie van de vier bewoners van de hoeken van de Vischmarkt worden terug gevonden in paragraaf 61van OAE inv. nr. 427a gedrukt bij P. A. N. S van Meurs, Geschiedenis en Rechtsontwikkeling van Elburg, (Arnhem 1885) 83. Deze drie bewoners aan de Vischmarkt zijn: Aelt Egbertszoens, Henrick Toernemaker en Henric Hoppenbrouwer.

[6] Het Arent thoe Boecophuis (Stadskasteel) in de Kerkstraat vinden we in de lijst van 1393 terug rond nummer 120. Dit hoge nummer bevestigt de volgorde van uitgifte zoals ik die in mijn verhaal schets.

[7] G.Westerink, Doornspijk en Elburg, (Assen 1961) 25 noot 42: ‘Zeker niet voor zelfbewoning, maar voor zijn gruithuis. Van Meurs, 29 noot 5.’

[8] G.Westerink, De Ellestraat in Elburg, AtB nummer 16 (Elburg 1980) 18,19.

[9] Fokke Bakker, Gruithuis, AtB nummer 28 (Elburg 1984) 17-32 en AtB nummer 64 (Elburg 1998) 39-42.

[10] OAE inv. nr. 1306.

[11] OAE inv. 427. Met deze aanduiding opent het protocol van erfuitgifte 1393.

[12] E. Kranenburg-Van der Beek, Heruitgave stadsrekening Elburg 1453, (Elburg 2000) 19v.

[13] R. Meischke, Het huis Rosmarijnsteeg te Elburg,. Bulletin van de Kon. Ned. Oudh. Bond 6e serie- Jaargang 11-Aflevering 2-April 1958 (Den Haag) 82.

[14] OAE inv. nr. 1306.

[15] OAE inv. nr. 1293.

[16] Fokke Bakker, Het eerste Agnietenklooster, AtB nummer 30 (Elburg 1985) 3-18

[17] G.Westerink, Elburg en Doornspijk 179.

[18] Binnen het gebouw gemeten zijn de afmetingen van de huidige kloosterkapelaan de Jufferenstraat: onder de galerij 27x34 voet en een koorgedeelte van 27x 20 voet. De gehele kapelruimte is dus gebouwd in de verhouding 1:2. Deze maten zijn absoluut niet terug te vinden in de stichtingsakte van 1425.

[19] Fokke Bakker, Het eerste Agnietenklooster, AtB nummer 30 (Elburg 1985) 3-18.

[20] J.L. de Boer, Elburg de middeleeuwse stad, (circa 1950), 12: ‘Een onderaardsche gang wordt bij het Oude Raadhuis verondersteld’ en 13: ‘Gedeelten van een onderaardsche gang zijn bij het Jufferenklooster gevonden. De juiste loop van deze gang moet nog nader worden onderzocht. Zij is met één tak op de St Nicolaaskerk gericht.’ Van beide veronderstelde gangen wordt later niets meer vernomen. Dan kan ook niet want in de parochiekerk hielden de zusters geen bijeenkomsten. Dat was natuurlijk wel het geval in de kapel aan de Smeesteeg. De situatie in Elburg lijkt op die in Rhenen. Daar liep een onderaardse gang onder de straat door van het Agnietenconvent naar de Grote Kerk. Zie: Hildo van Engen, De derde orde van Sint-Franciscus in het middeleeuwse bisdom Utrecht, Hilversum 2006, 250 (Van Engen)

[21] G.Westerink, Elburg en Doornspijk, (Zutphen z.j.) 287 en 177.

[22] Kloosters hebben vaak meerdere gebouwen en de omvang gaat ook meestal een gewoon huis te boven. Vandaar simpelweg het woord edificia. Maar naast elkaar staande huizen vormen ook een groter geheel en kunnen dus eveneens met edificia worden aangeduid. Een voorbeeld daarvan in de bundel Ter Recognitie, (Hilversum 1987). Daar wordt op pag. 74 vastgesteld dat in Utrecht alle huizen langs de

burchtgracht, die hoger en breder waren opgetrokken dan vóór de brand, moesten worden afgebroken. Dit is een vertaling van: ‘De fossato eciam urbis omnia edificia que longius et lacius quam ante incendium fuerant ibidim sunt erecta.’ De betekenis van constructa, constructio, construo is ruimer dan alleen maar maken of bouwen. Samenvoegen en bijeenplaatsen vallen ook onder hetzelfde begrip. Bijvoorbeeld: dentes in ore constructi – rijen tanden.

[23] Het is heel gebruikelijk een huis aan te duiden met de naam van de oorspronkelijke eigenaar: ‘dat huus waer… plach te woenen.’

[24] H.J. Olthuis, Gedenkboek, Arnhem 1969, 50

[25] Eind negentiende eeuw doet zich een merkwaardig geval van geografisch determinisme voor: op een erf midden in het vergeten kloostercomplex aan de Vischpoortstraat wordt de eerste gereformeerde kerk van Elburg gebouwd.

[26] Regest OAE 200, 10 februari 1431

[27] G. Westerink, Elburg en Doornspijk 178

[28] Frederieke Jeletich-Visser (met medewerking van Esther van der Knaap en Els Leeffers), Van klooster tot Gemeentemuseum, AtB nummer 79 (Elburg 2005) 49.

[29] Het zuidoostelijk deel van de vestingstad Elburg is vijftig jaar lang leeg gebleven. Namen als Ledige Stede en Bloemstraat herinneren nog aan de tijd dat hier ruimte was voor stadstuinen. Speciaal hiervoor waren enkele waterputten geslagen om tijdens de warme zomermaanden over genoeg water te kunnnen beschikken. Een van die putten is voor de bouw van het Agnietenklooster gedeeltelijk dichtgegooid met stadsvuil en zorgde later voor verzakking.

[30] Janny ten Hoor-Van Maren, Bep de Waard-Ruijs, Zijwegen, Begijnen en Agnieten AtB nummer 86 (Elburg 2008). In het laatste hoofdstuk neemt De Waard-Ruijs opnieuw de vertaling van G. Westerink als uitgangspunt om de resultaten van nieuwe onderzoeken en transcripties in te passen. De inhoud van de inventarissen OAE nummer 62 en 62a is door haar over het hoofd gezien. Het simpele feit van een (beer)put is onvoldoende voor de conclusie dat de Zusters al vóór de bouw van het huidige kloostercomplex op dit terrein woonden.

[31] Zie regest OAE 198: Na gehouden onderzoek mogen zusters der orde van St. Franciscus een klooster met kapel inrichten als daarvoor de middelen aanwezig zijn. Aldus paus Martinus op 21 maart 1430. Hiervoor moest de bisschop van Utrecht zijn medewerking verlening.

[32] Van Engen, 386.

[33] OAE inv. nrs. 1310 en 1400.

[34] OAE inv. nr. 1300, fol. 2.

[35] A.J. van der Ven in Gedenkboek van dr .H.J. Olthuis Arnhem 1969, 48: ‘Bij welke gelegenheid het klooster onder het patronaat van de H. Agnes, maagd en martelares, is gesteld, blijkt niet’.

[36] Zie noot 27.

[37] A.J. van der Ven, De oude Archieven van de Gemeente Elburg en van de Zeepolder Oosterwolde, ’s Gravenhage 1932.

[38] Regest 167: Dirc van Dorrete beleent, na opdracht van Aert Alfersz en Agniese, diens dochter, heer Lubbert Ghertsz, priester, ten behoeve van de gemeene zusters van St. Agnieten ter Elborch met de tienden te Gortel. Regest 179: Opnieuw belening tienden van Gortel. Regest 251: Nogmaals de tienden van Gortel. Ook bij de andere vier regesten, 178, 196, 225, 240, lijkt eveneens, wat de namen Wolfs en Van Arler betreft, enige onderlinge band te bestaan. In regest 225 wordt zelfs de naam van zuster Nyese=Agnes genoemd.

Wat zou het fijn zijn voor deze families als de besloten Zusters van Elburg als patroonheilige nu juist Agnes zouden kiezen. Enkele royale giften onder vermelding van de voorkeursnaam Agnes zouden weleens geholpen kunnen hebben.

[39] A.J. van der Ven in Gedenkboek van dr. H.J. Olthuis Arnhem 1969, 46.

[40] Arent thoe Boecop nummer 50, 28.

[41] OAE inv. nrs. 61, 62 en 62a.

[42] F.J. Bakker, Drie metselkruisen in de stadsmuur,Van zeven Vonders tot zeven Voetvallen 150 verhalen van Elburg Vroeger 42. (Elburg Vroeger: veertiendaagse rubriek in de Elburger Courant vanaf 27-01-1989).

[43] P.A.N.S.van Meurs, Geschiedenis van de rechtsontwikkeling van Elburg, (Arnhem 1885) 29.

[44] Rechterlijk Archief van Elburg, nr. 116, folio 3.

[45] Westerink, Doornspijk en Elburg, Deel II Bijlage 2. Hierin wordt de eerste hofstede in de Endenhoek omschreven als: ‘Arnt Petersz van de eerste hoffstede an die alde straete bynnen de Elburgh an die noirtsyde.’ Zie ook F.J. Bakker, Aan lager wal in den Endenhoeck, Elburg Vroeger 4.

[46] Of westkant zie Oud Archief Elburg (OAE) inv. nr. 427a Willekeuren der stad Elburg (c.1467) gedrukt bij Van Meurs paragraaf 75, 85. Let op het verschil in poortaanduiding: ‘buten der Westpoerten ofte de Oesterpoerten.’ Als het aan de westkant maar om één poort gaat, dan had er Westerpoerten moeten staan!

[47] 1453-3, 1455-8, 1462-18v, 1470-8v.

[48] 1461-8v.

[49] F.J.Bakker, De naam Smerenburg gaat niet verloren, Elburg Vroeger 1.

[50] G.Westerink, Doornspijk en Elburg Bijlage 8.

[51] Van Meurs 15.

[52] 1443-78, 1447-40v, 1451-30, Dirc Boet beschrijft voor 1 gulden hoe draperie moet worden behandeld.

[53] Westerink, Doornspijk en ElburgBijlagen 8: ‘area iuxta mare dair die schoemaicker kupen op staen.’

[54] 1462-33: ‘voer ene spare daer een putswengen waert gemaect.’

[55] 1453-8v, 1454-3, 1455-7v.

[56] 1445-15, 1454-3v.

[57] respectievelijk 1462-15, 1447-39, 1451/53-31v.

[58] 1445-18 en 19.

[59] G.Westerink, Elburg en Doornspijk, 205 n.150. Het gezag van dr. Westerink is groot en ijlt nog na in de het boek Elburg op zicht (Elburg 1996) 15. In hetzelfde boek is op bladzijde 8 een stadsgezicht van Elburg in spiegelbeeld afgedrukt. In de onlangs opnieuw uitgegeven kaarten van Jacob van Deventer is de toelichting wat betreft de Heilige Geestpoort in Elburg eveneens onjuist. Het zal jaren duren voor dat dit weer uit de wereld is, als het al lukt. Uitgave Canaletto, Alphen aan de Rijn. De kaarten zijn eventueel los verkrijgbaar.

[60] F.J. Bakker, Heilige Geestpoort te Elburg van 1392 tot 1530, AtB nummer 62 (Elburg 1997) 3-14.

[61] OAE inv. nr. 1556 (1512).

[62] OAE inv. nr. 1172 (1538).

[63] 1441-16 en 18.

[64] 1471-73v: ‘Item gegeven heer Wolter Dirkszoin 7 Vleemsch van hoylande, dair die haven duer gegraven is.’ 1462-22: ‘14 Vleemschen die men jairlix sculdic is van hoylande dair die haven doer gegraven is.’

[65] 1447-38v, 1453-17v, 1451/1453-30: ‘bake waert gericht’ en ‘do se palen setten up dat dijctgen’.

[66] 1447-36v: ‘onse stat hem jaerlics sullen geven voer sijn voeder gronts daer die brugge op licht.’

[67] 1447-38v.

[68] Van Meurs, bijlage LVI, 2 juli 1453, 205.

[69] Vanaf halverwege de Olderstrate gezien, ligt de Oosterpoort pal oost.

[70] 1443-99.

[71] 1447-33, mogelijk ook 35: ‘burger huusken’.

[72] 1443-87.

[73] 1453-15v.

[74] ibidem.

[75] 1447-35v.

[76] 1461-10v, 11.

[77] 1471-73.

[78] 1443-87.

[79] 1443-86 en l02. Vanaf halverwege de Olderstrate gezien, ligt de Zuiderpoort vrijwel zuid.

[80] 1443-92.

[81] 1471-36v.

[82] H.J. Olthuis, Elburg 1233 – 1933, Arnhem 2e druk met aantekeningen van G. Westerink, 155.

[83] OAE inv. nr. 1560.

[84] F.J. Bakker, De Gijzelkamers in de toren naast het KleinePoortgen, Elburg Vroeger, 109.

[85] In Kroniek 150 van AtB, Elburg 2012, wordt de Zwolsche poort voor het eerst Susterenpoort genoemd. Niet te verwarren met de Susterentoren die naast deze poort heeft gestaan.

[86] Onder andere afgebeeld in AtB nummer 40, 7.

[87] AtB nummer 29, 58.

[88] J. Stork, Poortdeuren, AtB nummer 48 (Elburg 1992) 39-44.

Onthulling Heldenmonument

  • maandag 30 januari 2012 13:23

Onthulling en overdracht van het Heldenmonument te Elburg

Bron: Elburger Courant, 16 april 1948



Bij deze onthulling op het oude Walbastion Zuidoosthoek is de belangstelling dinsdagmiddag 13 April zeer groot geweest. Een talrijk publiek was tegen half drie buiten een afzetting bij het monument samengekomen, in afwachting van de stoet, die zou naderen van de kant van de Chr. School. Gelukkig werd het gewichtig gebeuren door goede weersgesteldheid begunstigd. 
In de Gymnastiekzaal van genoemde school Bas Backerlaan, verzamelden zich met het Monumentencomité vele familieleden er gevallenen, personen van de illegaliteit, de vertegenwoordiging van het Gemeentebestuur en vertegenwoordigers van vrijwel alle Elburger verenigingen op zeer verschillend gebied en van onderscheidenlichamen, bestuursrepresentanten van verenigingen en organisaties van ouderen en jongeren beide, velen met kransen en bloemen en verder nog verschillende vooraanstaande personen en andere uit het verzet. 

Nadat allen op een lijst getekend hadden voor verenigingen, besturen of particulier, begaf men zich in gepaste ordening door een deel van de Bas Backerlaan en langs de wal naar de plek, die vóór het monument open gehouden was voor deze grote groep. Het monument was toen in het middenstuk nog gedekt door een Nederlandse vlag. Bloemen waren aan weerszijden in de grond gezet en men had maatregelen genomen voor versterking der sprekersstemmen. Het middenstuk van het monument verrijst op een verhoging van enkele treden in een omvattend metselwerk in rode baksteen met zware zijstukken in lichte kleur, waarop flambouwen kunnen worden ontstoken. 

Het ontwerp, wat betreft plaats, omgeving en algemene vorm, is van de vroegere gemeente architect van Elburg de heer K. Meijer, terwijl het monumentale hoofdmiddenstuk een kunstwerk is van Titus Leeser, beeldhouwer uit Ommen: de heren W.S. Deetman en A. Hollander te Elburg hebben het metselwerk verzorgd. 
Een en ander werd belemmerd en vertraagd door het materialengebrek des tijds: maar de moeilijkheden zijn op een verdienstelijke wijze overwonnen. 
Van vele zijden is een grote offervaardigheid getoond om de benodigde gelden bijeen te brengen. De afwerking heeft met zeer veel zorg, smaak en kunstzinnigheid met vakbekwame vaardigheid plaats gehad. 


Inleiding van de Comitévoorzitter

De voorz. van het Comité, de heer P. Vercouteren, wees er op, dat een ontroerend ogenblik was aangebroken. Velen staan hier samen met gemengde gevoelens nu het monument eindelijk gereed is gekomen, zie spreker. En hij verduidelijkte, dat dit "gemengde" was een droefheid bij het herinneren, maar ook enige vreugde, n.l. over het feit, dat het comité met alle gemeente-inwoners samen iets hebben kunnen doen voor de nagedachtenis der gevallen vrienden, die velen dierbaar waren. 

Spreker vroeg: Zijn deze herinnering en hulde nodig? Zijn zij goed? Het gaat hier niet om mensverheerlijking, maar om een eerbiedig en dankbaar gedenken zo beantwoorde spreker zijn beide vragen. Dit gedenken roept tot een plicht en tot het navolgen van een voorbeeld. Spreker dankte de heren Meijer, Titus Leeser, Deetman en Hollander, voor hun ontwerpend en uitvoerend werk, en tevens het Gemeentebestuur voor zijn adviezen en grote medewerking. Wijlen de waarnemend burgemeester K. Veninga is me die hulp krachtig begonnen en dit heeft onder het latere Gemeentebestuur een sterk steunend vervolg gevonden, ook van de zijde van Gemeentewerken. 

Spreker verzocht daarna de vrienden van de gevallenen de vlag van het middendeel van het monument te verwijderen en hij vestigde de aandacht dop wat toen viel te aanschouwen: een vallende verzetstrijder met vuurwapen, niet militair gekleed of gedekt, blootsvoets, dus slecht toegerust. Daaronder de vermelding: Ter nagedachtenis aan de illegale strijders in alf. Volgorde. H. van Driesten, A. Kruithof, J. Lebbink, H. Hulst en N.S. Rambonnet. 

Spreker constateerde, dat het monument het hart diep raakt. Moedig strijdende met primitieve middelen zo waren deze illegalen zo gaven zij hun leven. Hun voorbeeld en stervensmoed kunnen ons sterken als ij zelf aan onze dood denken: Memento Mori! Mocht er van dit monumentbeeld een sprake uitgaan aldus spreker en dan vooral een maning om aan God te denken en tot God te bidden. Mocht er kracht van uitgaan en een aandrijving om zich ook zo te offeren en te geven als deze gevallenen, voor een goede zaak. 

Spreker droeg daarna het monument aan het Gemeentebestuur over en prees de wijze, waarop een kleurig plantsoen op deze plek is in gereedheid gebracht. Hier zal ongetwijfeld geen baldadigheid vernielen: hier zal door allen iets in ere worden gehouden voor ons geslacht en het nageslacht. Hierna legt spreker de eerste krans. 


1st luitenant Vos spreekt
 

Luitenant Vos, gewezen districtscommandant van de N.B.S. sprak daarna namens de illegaliteit. Spreker uitte dank voor wat hier tot stand is gebracht op een eenvoudige en stijlvolle wijze en met juist begrip. Hij bracht met eerbied en bewondering het gedrag van de vijf gevallen vrienden in herinnering. Dat herinneren geeft leed, gevoel van verlies en gemis. Maar aan de deze droefheid baart zich dankbaarheid voor wat dit vijftal voor de vrijheid van het vaderland heeft gedaan. Hun daden zijn niet vergeefs volbracht. Hij sprak verder met lof over de wijze, waarop te Elburg en omgeving is meegestreden in het verzet, waarmee men het ideaal van de vrijheid des vaderlands diende en zich weerde tegen onrecht en onderdrukking. 

Spreker laakte het dat er door personen, die het meedoen aan de verzetstrijd vreesden, later critiek is geoefend op de illegalen. Deze critici, die op onjuist wijze terzijde hebben gestaan, wilde spreker geen plaats toekennen onder het beste deel van ons volk. Wij hebben te bedenken zo waarschuwde spreker dat er nog weer een tijd kan komen, dat dat beste deel des volks nogmaals zal moeten staan in nieuwe strijd voor recht en vrijheid. Zal het moeilijke en gevaarlijke werk van verzet dan weder aan een kleine groep worden overgelaten? vroeg spreker. Dit monument vervolgde hij is een symbool en aansporing om altijd te blijven strijden tegen onrecht en onderdrukking het kan een bron voor het nageslacht zijn om er kracht uit te putten. En de gevallenen hebben zeer veel volbracht, doordat zij veel hebben bijgedragen voor het vrijheidsbeginsel, door 't Oranjehuis steeds verdedigd en waarin de grote glorie ligt van ons vaderland Elburg mag er trots op zijn, zo besloot spreker in de bedoelde richting ter vrijheid te hebben meegewerkt. 


De burgemeester aanvaardt het monument voor de Gemeente

Burgemeester Jhr. W.H. v.d. Poll aanvaardde daarna met woorden van dan het monument voor de Gemeente en voor de burgerij. Spreker wees op de sprekende voorstelling van de beeldhouwer. Hier is gegeven een onbeschermd slecht toegerust, eenzaam strijder, zonder uniform, zonder helm, alleen gewapend met een geweer. Dat hij blootsvoets gebeeld is, doelt er op, dat hij overhaast is uitgetrokken, gedreven door plichtsgevoel, zich niet ontziende, zonder voorbereiding, terstond geheel bereid om het leven te wagen en zich met volle kracht te geven in het gerechtvaardigde verzet, voor het belang van volk en land. 

Spreker noemde het monument een schone aanwinst voor de Gemeente, een ruggesteun voor velen in de moeilijkheden die nog kunnen en zullen komen. Deze vijf gevallen hebben als een persoon uit dezelfde motieven, bedoelingen en moedige kracht een schakel gevormd in de keten van het verzet tegen de bezetter. Achter dit verzet stond eenzelfde vaderlandsliefde, plichtsbesef en Godsvrucht, waar men ook streed te land, ter zee, in de lucht, nabij of in verre gewesten. Spreker dankte de initiatiefnemers van deze gedachtenis. Ieder, die bij dit monument komt te staan, ingezetene of vreemdeling, aldus spreker kan zich beraden, kan de geestelijke achtergrond van het verzet gedenken, kan zich bezinnen op de daden en de offers, die voor de vrijheid zijn volbracht in een geven van het leven. 

Het monument voor Gemeente en bevolking met dank aanvaardend, wees spreker er het publiek nog op:
het is uw bezit:
bescherm het en eer het:
blijf bedenken wat hier is gesymboliseerd en volg het voorbeeld der gevallenen na:
geef u ook geheel in goede strijd voor edele zaken.

Als er zulk een navolging komt, is het offer van deze vrienden niet vruchteloos gebracht. Spreker legde daarna een grote krans voor het Gemeentebestuur en stond enige ogenblikken in stilte, huldigende eerbied voor het monument. 


Verdere huldigingen 

Het Mannenkoor O.B.K. zong vervolgens: "Ecco quo modo moritur" van Jac. Handel en twee coupletten van het Wilhelmus. Daarna werden er nog verscheidene kransen, bloemstukken en bloemen gelegd door verenigingsvertegenwoordigingen en particulieren uit de groep die binnen het afgezette plantsoen had gestaan. Nadat deze groep langs het monument was geschreden en zich na stille, huldigende groet langzaam had verwijderd, kwam er ruimte voor het overige publiek om ook langs het monument te defileren, waarbij velen nog bloemen legden. 

Het was een ontroerende en zeer indrukwekkende plechtigheid en een inderdaad waardig ernstig en dankbaar gedenken. Des avonds brandde het flambouwen licht. De vele kransen, bloemstukken en bloemen voor het monument boden een prachtig gezicht. Tal van personen kwamen er nogmaals naar kijken. Velen vonden het kunstwerk van Titus Leeser wat eentonig en mat van tint en de namen der gevallenen wat onduidelijk aangebracht, maar voor het geheel heeft men in het algemeen toch grote bewondering. Men moet bedenken dat er gezocht is naar stille, eenvoudige veelzeggendheid zonder onwaardig vertoon en van dat gezichtspunt uit moet men het gedenkteken beoordelen. 

 

Gelderlands voormalige steden: Elburg

  • maandag 30 januari 2012 10:09

Artikel uit het boek "Gelderlands voormalige steden"
door Mr. J.W. Staats Everts
 
(Uitgegeven bij Fa. Stenfert Kroese & van der Zande 1891)  


Elburg heeft eene grootte van 869 H.A. en telt 2716 inwoners. (In 1866 stierven hier op de 2403 inwoners 46 aan de cholera, Prov. Verslag 1866 bl. 235)
Tot de gemeente behooren de gehuchten Vrijheid en Nieuwstad. Hare oude benamingen zijn Elborch, Elburch, Elburgh of Eijlborch, Latijnsch Elburgensis, ook Elbeurgensis; volgens sommigen in het jaar 1025 mede Helbergen (Zie Sloet, Oorkondenboek No. 152). Denkelijk is de benaming ontleend aan eene streek gronds, de El, Elle of Eijl genaamd, waarop oudtijds een burg was gebouwd.
Volgens anderen zou die afkomstig zijn van het door de stad loopende beekje, eene elle of slingerende aal vormende, en daarom ook de Elbeek genaamd. (Deze beek heeft onder Oldebroek en Doornspijk de benaming van Haar, Oost- en Huisbeek). In oude stukken wordt steeds van de stad van der Elborch gesproken.
De plaats, nabij de Zuiderzee gelegen en overigens geheel door de gemeente Doornspijk omringd, ligt omstreeks 5 kwartier uurs van den Centraal-spoorweg (station Elburg-Oldebroek). te midden eener lommerrijke en vruchtbare streek met welige tot aan de zee schietende weilanden, die aan de kust een vroolijk aanzien geven.
Zij heeft de gedaante van een langwerpig vierkant en is, behalve door grachten, door beplante, in nette wandelingen herschapen, wallen omgeven, waartegen, aan de binnenzijden, nog vele overblijfselen van oude stadsmuren zichtbaar zijn; terwijl de wallen tot beveiliging voor zeer hooge watervloeden dienen. De stad is zeer regelmatig gebouwd en met rechte straten doorsneden.
Door haar midden loopt de bovengemelde beek, de El of Elle genaamd.
Hierover zijn 5 bruggen gebouwd, die tot markten gebezigd worden. De namen hiervan zijn: de Wachtbrug, Zaadmarktbrug, Vischmarktbrug, Botermarkt- en Markebrug. Er waren vroeger 4 poorten, door welke alle men, op de Markt staande, kon henen zien. Als een bizonderheid wordt vermeld dat iedere poort oudtijds haar eigen invoer had. Zoo moest de visch door de Vischpoort (de eenige nog aanwezige poort, dagteekende van 1592), worden binnengebracht; het gras, hooi, de melk en boter door de Meenpoort; het hout door de Graaf Hendriks kleine- of Oostpoort en het koren door de Goorpoort. Niet ver van de Oostpoort stond vroeger een kasteel van graaf Hendrik van den Berg, thans in onderscheidene woningen verbouwd en als Hooghuis bekend.
De huizen, waaronder men vele goede aantreft, zijn ingevolge reeds in 1300 en 1552 door den magistraat genomen beslissingen meestal met een tusschenruimte van een voet van elkaar gebouwd, terwijl vele stoepen uit net ingelegde witte en zwarte veldkeitjes bestaan.

Ofschoon het tijdstip van de stichting der stad niet met juistheid bekend is ( de stichtingsbrief is niet meer voorhanden; volgens Valkenier "Verward Europa" was Elburg oudtijds een grenskasteel der Romeinen, Aliso Castellum, en door dezen gesticht ), vindt men den 27 maart 1291 het eerst van haar gewag gemaakt, toen zij reeds eene handeldrijvende bevolking bevatte, die van den graaf van Holland tolvrijheid verkreeg, zie Mr. P. A, N. S, van Meurs, "Geschiedenis en Rechtsontwikkeling van Elburg".
Volgens dezen schrijver had de verleening van stadsrechten misschien al voor 1271 plaats. Mogelijk kan dit nu wel onder graaf Otten II in 1233 geschied zijn). Reinald verleende haar vervolgens den 4 December 1312 dezelfde rechten als Doesburg, verder bepalende, dat zij naar Zutphen ter hofvaart had te gaan, d.w.z. de zaken, waarin zij zelf niet wijs ( vroed ) genoeg was, aldaar moest laten beslissen.
Hierop komt in 1331 de eerste opdracht voor hare schepenen voor.
Twaalf, jaarlijks door de burgerij gekozen schepenen, met secretaris en schout benevens twaalf gemeenslieden, maakten thans het bestuur uit.

(Over het oude bestuur der stad zie men: Mr. A. W. van Oldenbarneveld, "de Elburgo eiusque statutis municipalibus" Harderw. 1768.)
Daarbij had een door den graaf aangesteld richter voor de rechten van den landheer te waken. Ook was de stad in vorige eeuwen eene der vijf Veluwsche steden, die een afgevaardigde naar den Landdag der Staten van Gelderland zond. Graaf Reinald schonk later, den 21 Mei 1336. aan de poorters van Elburg zijne henghemunde, haghemunde (Heerenveld), het Goor (Goer, eene moerassige plaats) genaamd, zijnde 60 morgen land, tusschen de kerk van Doornspijk en de stad gelegen "tot een vrij erftinsgoed alsmede twee windmolensteden aan zee en den anworp van den zande mit hoeren belopen en weghen, dat men daartoe voeren en comen mag (van Spaen, Inleiding D. IV, Codex Diplomaticus bl. 50 en 51)
Aan de poorters en erfgenamen was vrijgelaten haar deel in hetzelve aan elkander over te doen en te verkoopen.
Dit Goor, nu circa 87 H. A. groot, behoort thans aan verschillende personen en corporatien, welke de weide jaarlijks door middel van eene door den raad benoemde Commissie verpachten.
Elburg ontving in 1359 met Doornspijk en Oosterwolde een dijkbrief van denzelven graaf voor het leggen van den Oostwolderdijk; en eenige jaren later (1387) sloot het met Oosterwolde, 't Eket en 't Ouden (Olden-) broek een verdrag over het plaatsen van een dijk in Dronten.
Men treft de stad in 1365, bij het bereiken van den grootsten bloei als Hanse- (Aen-zee) stad aan, waarna
Koning Albert van Zweden haar drie jaren later eene faktorij op Schonen (Scanor) schonk.
Omstreeks dezen tijd (1393 en 1410) veroorzaakten vele Friesche zeeschuimers, Vitaliënbroeders en Likedeelers geheeten, grooten overlast, waardoor men deze gevaarlijke roovers, in vereeniging met andere Zuiderzeesche Hansesteden, door het uitrusten van een Vredeschip had te bekampen.
In het jaar 1443 kreeg de stad, evenals Harderwijk, van hertog Arnold de vergunning van het stapelrecht der zeevisch. Hertog Eduard begiftigde haar vervolgens in 1369 met den Mheen, (meen=algemeen),
Meeden of Veliken-) Veelkenmeede voor eene gemeene weide, ter grootte van circa 70 hektaren.
De giftbrief der Veelkenmeede luidt als volgt:

"Wij Edwart bi der genaden goits hertoge van gelren en greve van Zutphen doen cont allen luden dat wij hebben gegeven en geven oevermids dezen brief, voer ons, voer onse Erven, en nacomelingen, onser liever stat van der Elborch en hare burgheren die daer nu sijn, oft namaels wesen zoelen, den Meeden, die geheiten is, die Veelkenmeede, kleine en groete, binnendijx en butendijx, die gelegen is, oesterwert ane, bij onsz, stad ter Elborch, die omgegraven te bliven also alze die ongegraven heeft gelegen bi ons lijven tiden ons lieven Vaders en ons andere den god allen genedic sij. En die vortane te gebruijken, in alle rechten, gewoonten, en hierkomen en alze onse voerschr. stad en burghere van Elborch dieze tot desz. tijt toe gebruict, oft gehat hebben.
In orkonde des brief, mit onzen Zegel bezegelt, gegeven in 't jaer ons Heren dusent drijhondert negen en 't seistich op Sent Georgius dach des heiligen".


Op deze weide brengen de burgers van 1 - 10 Mei hunnen beesten. Daarna wordt deze gemaaid door de eigenaren. Van het begin van September tot den invallenden winter komt der burgerij hetzelfde recht toe tot het inscharen of opbrengen van beesten, die beslagen (van een merkteeken voorzien) worden.
Deze Mheen is het privaateigendom van verschillende eigenaren. Van 1 - 10 Mei en in het begin van September hebben (zooals thans het gebruik is) alle erkende veehouders van de stad het recht hierop hun vee (vier koeien of twee paarden) te weiden.
Bij den strijd tusschen de Heeckerens en Bronkhorsten koos Elburg de partij van eerstgemelden. De stad geraakte vervolgens in vele geschillen met den machtigen en lastigen Herbert van Putten wiens aanzienlijk slot Old Putten in 1375 veroverd en geslecht werd. Dit slot werd ruim 100 jaren later (1483), na door de gebroeders Herman en Pelgrom de Vos van Steenwijk opgebouwd te zijn, die evenzeer in de buurt vele geweldadigheden en strooperijen pleegden, door Elburg met behulp van naburige steden onder aanvoering van den overste Dirk van Lintelo andermaal ingenomen en gesloopt, waarna het niet meer verrees (Zie Haasloop Werner, Belegering van Old Putten" in den Geld. Volksalmanak 1847 bl. 40. Op het gemeentehuis bewaart men nog een paar tweehandige slagzwaarden uit de 14e eeuw, welke van dit huis te Putten afkomstig zijn.)

Toen het indringen der zee in 1392 gevaarlijk begon te worden, vatte de rechter der Veluwe, Arend thoe Boecop, onder de regeering van Willem van Gülick, het plan op om die stad, die toen uit slechts 52 hofsteden met 148 huisgezinnen bestond, op een hoogere plaats, meer landinwaarts in te bouwen (van Meurs Bl. 28).
Zij verrees nu drie jaren later in hare tegenwoordige gedaante, met hoogen muur en buitengrachten omringd en van poorten en twintig rondeelen benevens twee torens voorzien.
De hertog had hiervoor uitbreiding van gebied binnen eene mijl toegestaan, waarna in 1438, onder Arnold, om dezelfde reden andermaal vergrooting van het schependom volgde. Bij den twist tusschen Arnold van Gelder en zijn oom Adolf werd in 1465 de partij voor den laatste gekozen.
Nadat men zich nu kort na diens dood voor het huis van Bourgondië had verklaard, volgde in 1480 eene nachtelijke overrompeling door Zutphensche bezetting, onder den overste Lintelo, bij welke gelegenheid vele burgers zich in eenige op de stadsbeek uitloopende riolen verborgen, terwijl anderen, waaronder Arend thoe Boecop, die zich later voor veel geld moest vrijkopen, werden medegevoerd.
De plaats kwam vervolgens onder bestuur van den hertog van Saksen. Daarna maakte zich Karel van Gelder in 1495 van haar meester. Hoewel bij verdrag van 1505 de overgave aan Koning Philips I was bedongen, bleef de stad niet in diens macht. In 1521 viel er vervolgens in de nabijheid te Aperlo (onder Doornspijk), een bloedige veldslag tusschen Karel van Gelder en de Overijsselschen voor, waarbij de laatste toen, mede met krachtigen bijstand van Elburg's ingezetenen, verslagen werden (Zie Mr. J. J. van Doorninck, Gevecht bij Aperlo, in de Volksalmanak der Maatschaapij tot Nut van 't Algemeen 1879 bl. 33. De toen gevangen genomen Deventersche schout Willem van Deutichem en Jan Croese, rentmeester van Salland, werden op het slot te Hattem, in de Wassenaarskooi, als een paar wilde dieren opgesloten.) Daarop volgde in den zomer van 1528 eene overgave op redelijke voorwaarden aan Floris van Egmond, graaf van Buren, voor Karel V, die in 1528 den Schuttoren, tot versterking, in een blokhuis veranderde.

Door het doordrijven van den Schout "Magerhein" geschiedde hier in 1558 de afkondiging der plakkaten tegen de ketters, tegen den wil van Wijchman van Wijnbergen. Naar aanleiding hiervan doodde nu gemelde Schout dezen van Wijnbergen. Hem werd echter voor dien manslag een remissiebrief uitgereikt, als hebbende voor de goede zaak gestreden. (Zie Haasloop Werner).
Nadat de beeldstormerij in 1566, onder aanvoering van zekeren doodgraver Wilhelm Kinnegilde, evenals elders, binnen de stad had gewoed, verzoende men zich in het volgende jaar weder met Koning Philips.
Vijf jaren later volgde eene inneming door den Graaf van den Berg, bij welke gelegenheid zijne soldaten de kerken plunderden.
Diederik Sonoij versterkte de plaats vervolgens in 1579 aanmerkelijk en voorzag haar tevens van vele verdedingingsmiddelen, o.a. buitenwallen met bolwerken.
In Augustus 1587 liet de magistraat eenige uit Deventer gedeserteerde soldaten, die zich aan rooverij hadden schuldig gemaakt, binnen de stadhuisplaats onthoofden, daar het te voorzien was, dat het garnizoen in der stad de misdadigers anders zoude hebben ontzet (Zie Haasloop Werner). Weldra teisterde nu eene zware ramp de plaats, daar een brand haar toen voor een vierde gedeelte vernielde. In 1596 kreeg de stad eene uitnodiging om bij het uitroeien der wolven in den omtrek behulpzaam te zijn. (Ook reeds tusschen 1424 en 1426 had men op de Veluwe last van deze dieren). Toen den 19 Juni 1672 de Munsterschen, onder den overste Houtuijn, met 600 man troepen door verraad van een kwaadwillig burger binnengedrongen waren, bleek eene verdediging eene ijdele zaak te zijn door gebrek aan krijsvolk en amunitie en den slechten toestand der vestingwerken, die alleen uit vier gevallen bolwerken en een ondiepe gracht bestonden, zoodat spoedig, onder beding van vrije godsdienstoefening en behoud van lijf en goed, werd gekapituleerd. Weldra rukten nu ook de Franschen, onder den hertog van Luxemburg, binnen, die tot hun vertrek op 2 December van het volgend jaar hier en in de omstreken, in strijd met de gemaakte bedingen, grooten overlast veroorzaakten, veel vernielden en het geschut wegroofden, terwijl zij o.a. den predikant Lubbertus Fabritius voor eene opgelegde brandschatting van F 12000 mede als gijzelaar naar Arnhem vervoerden.

Als eene voor ons vaderland opmerkelijke bijzonderheid vinden wij vervolgens vermeld, dat het stadwijnhuis in de Groenstraat (thans Kerkstraat) den 18 September 1692 tengevolge van eene aardbeving instortte. (Geld. Volks. Almanak 1848 bl 133. Van de aardbeving, die zich den 18 Sept. 1692, omstreeks 2 ½ uur, sterk te Amsterdam deed gevoelen, komt eene beschrijving voor in de Amsterdamsche Saturdagse Coerant van 20 Sept. 1692, overgenomen in het eerste Bijvoegsel bij de Arnhemsche Courant van 30 December 1889).
Elburg leed ook gedurig door hevige stormen. Zoo vinden wij vermeld dat den 16 Jan. 1362 een orkaan vele gebouwen ternederwierp en het zeewater met geweld over de omgelegen velden joeg. Vijf jaren later spoelde een hevige storm tusschen Harderwijk en Kampen veel land langs de kusten weg en werd ook menig gebouw vernield.
Groot was verder de schade, die de vierde Allerheiligenvloed van 1570 aan de stad berokkende. De bekende zware stormen van 14 en 15 November 1775 en 21 en 22 November 1776, veroorzaakten mede belangrijk nadeel. Door doeltreffende afdamming werd echter beide malen grooter onheil voorkomen. Niet minder nadeel bracht de zware vloed van 4 op 5 Februari 1825 te weeg. Ofschoon de stad zelve ook toen door kistingen aan de poort voor overstrooming gespaard bleef, leed de onmiddelijke omgeving veel en verdronk bijna al het vee in de gemeente. Nadat vervolgens stormen den 21 Januari en 4 December 1863 eene doorbraak van den Kerkdijk nabij de stad hadden veroorzaakt, leden de omstreken inzonderheid veel schade. Hetzelfde was bij den vloed van 30 op 31 Januari 1877 het geval. Elburg was toen slechts met een boot te bereiken. Den 15 October 1881 brak de Kerkdijk bij eene hoogte van circa 3 m. boven A.P. over een lengte van 110 m. opnieuw door, waardoor weder een aanzienlijk gedeelte der gemeente met omstreken onder water geraakte. Gelukkig konden toen alle in de lage gedeelten wonende menschen nog tijdig hunnen woningen verlaten en kwam er hier en daar slechts een enkel stuk vee om. Prov. versl. 1881, bl 294 en vlg.
Volgens artikel 157 van het reglement voor den polder van Oosterwolde van 8 November 1888 is de stad vrij van den aanslag in de lasten voor dien polder. Ook werd in laatst gemeld jaar de Kerk- en Zomerdijk aan den polder Oosterwolde in eigendom overgedragen.

Het jaar 1786 vormt eene belangrijke episode van Elburgs geschiedenis. Nadat reeds in de beide voorgaande jaren onrust had geheerscht over de niet erkenning van gemeenslieden door den magistraat en de wapening der burgerij, verzette zich toen de stad Hattem tegen de Staten van Gelderland. Bij die Staten waren namelijk in 1785 door velen uit verschillende streken der provincie rekwesten ingediend over verbetering van het regeerings-reglement van 1750 enz. Hieronder behoorde ook een verzoekschrift van 300 ingezetenen van Elburg. Deze indiening had nu de verbittering van dit College gaande gemaakt, dat zulks ongepaste bemoeiing met het bestuur van de landschap noemde.
Dit nam hierop den 11 Mei 1786 een besluit, waarbij de indiening van dergelijke verzoekschriften voortaan verboden werd; met lastgeving om het verbod alom, zoowel in de steden als ten plattelande, te publiceeren.
Het gemeentebestuur van Elburg besloot toen om deze publicatie niet te doen afkondigen, doch terzijde te leggen. De regeering, op de gevolgen der weigering bedacht, begon thans de schutterij met een derde compagnie te versterken en droeg aan den burgerkrijgsraad de behandeling van eenige stukjes geschut op, terwijl door het uitdiepen der grachten als anderszins verdere verdedigingsmaatregelen genomen werden.
Daarop door het hof over het niet afkondigen der publikatie onderhouden, antwoordde zij den 10 Augustus o.a.

"dat de weigering was geschied omdat die publikatie eene directe atteinte toebracht aan de onbetwistbare rechten en voorrechten der burgerij, die alleen bevoegd was haar ter verantwoording te roepen. Zij verklaarde ten slotte zich door geene middelen van geweld van de cordate en bedaarde verdediging der aan haar toevertrouwde volksrechten te zullen aftrekken".

De burgerij nam met welgevallen van dit schrijven kennis, terwijl de burgerkrijgsraad bij circulaire van 13 Augustus van het genomen besluit aan alle vaderlandsche schutterien en genootschappen mededeeling deed en, ingeval van nood, hulp inriep, die Kampen inzonderheid toezeide.
Op dit bericht dat er herwaarts militie zoude gezonden worden, machtigde men den stadssecretaris den bevelhebber bij aankomst schriftelijk te vermanen om het stadsgrondgebied niet te betreden. De Landdag te Zutphen vergaderd, verzocht hierop den stadhouder herwaarts en naar Hattem krijgsvolk af te zenden. Elburg beantwoordde dit dadelijk met een krachtig protest tegen het geweld, dat men wilde aandoen, verder de hulp der Staten van Holland en van de Overijsselsche hoofdsteden inroepende. Des niet tegenstaande beval de stadhouder den 2 Sept. den generaal Spengler om met garnizoen op te rukken. Ofschoon men zich nu tot krachtigen tegenstand had voorbereid en er van Amsterdam en elders vele krijgsbehoeften waren aangevoerd, gaven inmiddels Van der Capellen tot den Marsch en andere leden der Staten, die op de hand der stad waren, aan magistraat en ingezetenen den ernstigen raad om aan de overmacht geen weerstand te bieden, maar de stad te verlaten. De raad besloot hierop den 4en September "dat hij en de gemeente, bij provisie voor het naderend geweld zouden wijken, de stad en jurisdictie verlaten en zich binnen Kampen retireren; om vervolgens te resolveren en voor te nemen, hetgeen ten nutte van de ongelukkige stad noodig en dienstig geoordeeld en bevonden zal worden".
Men verwijderde zich nu, nadat vele burgers reeds vroeger vertrokken waren, in den nacht van 4 op 5 September naar die plaatst, waardoor een nutteloos bloedbad werd gespaard. De generaal Spengler trok daarop, na voorafgaande manifest der Staten, waarin de bezetting niet als krenking van vrijheid of privilegiën, maar alleen als rust en goede orde aangemerkt werd, den 6 September zonder slag of stoot binnen. Hij bracht het eerste bataillon van het regiment Plettenburg met eenige artilleristen als bezetting mede. Weldra had nu de geweigerde afkondiging der publikatie van de staten plaats. (Zie Mr. C. L. Vitringa, Gedenkschrift. 1e stuk, alsmede Wagenaar, Vad. Hist., Verv. D XII bl 201 - 274, alsmede Mr. H. van A. "Uit de gedenkschriften van een voornaam Nederlandsch beambte, bl 100 en vlg).

In de landschapsvergadering van 17 September 1786 werd vervolgens tot het nemen van eene amnestie voor dit oproer besloten. Men zonderde hiervan echter enkele notabele burgers, zooals de beide predikanten (Tot deze predikanten, die bij het oproer eene hoofdrol speelden, was in deze tijden de aanschrijving gericht, zich naar de bestaande verordening omtrent het gebed voor de overheden des lands te gedragen.
Zij kweten zich daarvan schoorvoetende door het zeggen van de volgende woorden aan het slot van hun gebed:
"Wij moeten U ook nog bidden voor het Huis van Oranje. Amen".) Heijn en van Diermen benevens de bakker Klaas Diermen uit, die een, naar men oordeelde, onvoegzaam en te sterk gekleurd adres aan de Staten van Holland ingediend hadden, dat door dezen aan Gelderland was opgezonden. Deze burgers werden den 25 April 1788 door het hof van Gelderland van hun burgerrecht vervallen verklaard en tot de straf van het zwaard over het hoofd benevens verbanning veroordeeld. Evenwel schonk reeds in de volgende maand de landdag aan sommigen hunner gratie of vermindering van straf. (Zie o.a. Registers op het Archief afkomstig van het voormalig Hof des Vorstendoms Gelre bl 339 en 340.)
In het reeds meermalen aangehaalde manuscript van Haasloop Werner komt aangaande deze gebeurtenis nog het volgende voor: "Elburg en het naburige Hattem verzetteden zich in den jare 1786 tegen de Staten van hun gewest, die daarop den stadhouder, als kapitein-generaal hunner provincie bevel gaven deze steden, desnoods met geweld, te bezetten.
Zie hieromtrent de bizonderheden uit het rapport van Johannes Plas wegens Elburg den 5 September 1786. Hij rapporteerde- "dat heden nacht omtrent één uur alle vrijheidszonen of zoogenaamde patriotten, ten getalle van omtrent 600 a 700 man, uit Elburg naar Kampen vertrokken zijn, en zulks op order van den heer van der Capellen tot den Marsch, zoo men zegt, met voornemen, om wanneer de troepen in Elburg zouden zijn binnen getrokken, een inval in het kwartier van Veluwe te doen.
Bij het uitmarcheren riepen nog eenigen aan het huis van den Heer Kinsbergen: "Wij zullen u nog doodschieten voor dat wij de stad uitgaan, Oranjedonders!"
De Elburgers hebben vóór het uitmarcheren hun geschut vernageld en de affuiten in de beek, die door de stad loopt, geworpen. Die van Deventer en Kampen hebben het hunne weder medegenomen, zijn de er van beide plaatsen ieder omtrent 200 man geweest en omtrent 30 van Amsterdam, die men zegt, dat een mortier bij zich hadden. Op de wal zijn omtrent 18 a 20 stukken kanon geweest, waarvan het kaliber 3, 4, 6 en 9 $ (ponden) bals (sic) was. Het uittrekken is in een uiterste verwarring gegaan, hebbende sommige vrijcorporisten hunne geweren laten staan in de huizen, waar dezelve gebiljeteerd waren. De heer burgemeester Kroch heeft in Elburg gekommandeerd. Men heeft niemand, noch vrouwen noch kinderen uit de stad willen laten, tot gisteravond, toen de brief van den Heer Capelle kwam, wanneer aan ieder vrijheid werd gegeven zich te retireren.
Gepasseerde Zondag is er in Elburg een schip van Amsterdam met proviand gekomen en gisteren nog twee van Harderwijk. Men zegt dat de brief van den heer Van der Capellen ook inhield twee projecten; het eene om te defenderen tot den laatsten droppel bloed, en het andere om de stad te verbranden en vervolgens te verlaten.
Gepasseerde Zondag hebben reeds die van Deventer gezegd, dat zij niet met grof geschut konden omgaan, en dat zij niet van voornemens waren, om zich in Elburg te laten doodschieten, waarop die van Elburg hun den dood zwoeren indien zij uittrokken.
Bij het vertrek van den expresse (des nachts om half twee) was de stad open, kunnende een ieder in- en uitgaan naar goedvinden". In de laatste honderd jaren hadden verder geen voorvallen van beteekenis meer in Elburg plaats.

Na de verlegging der stad verrees in 1397 de St. Nicolaaskerk, die vervolgens in 1448 weder met toestemming van bisschop Rudolf in de tegenwoordige gedaante werd verbouwd. Het is een mooi, vrij ruim en goed onderhouden kruisgebouw, van Toskaansche bouworde, met fraai orgel, dat in 1825 werd vernieuwd.
Men vindt daarin eene kostbare graftombe van wit en zwart marmer der familie Feith, waarin ook Maria Catharina Feith, douairière van Jhr. Gerrit Witten, de stichtster van het Feithenhof, geboren Juli 1664, (overleden) 5 September 1740, begraven ligt. Deze milde erflaatster vermaakte aan de kerk mede enkele bezittingen (de beide Wesepertienden onder Heerde), onder voorwaarde dat haar lijk in dezen grafkelder, die volgens haar verlangen altijd gesloten moest blijven, zoude worden geplaatst.
De torenspits brandde den 18 Augustus 1693, door het inslaan van den bliksem af, waarna zij niet meer werd opgebouwd. De kerk zelve bleef bij deze gelegenheid met groote inspanning van verderen brand bevrijd.
In de toren hangen vier klokken, waarvan de oudste van 1694 dagteekent en tot opschrift heeft: "Vigilate et orate deo Confitentes; Jacobus Krusen tot Amsterdam."
Verder heeft men eene Christelijke afgescheiden kerk, een klein, eenvoudig gebouw op de Beekstraat, en een synagoge in de After- of Jufferenstraat, in een gedeelte van het Hooghuis, het vroegere kasteel van graaf Hendrik van den Berg, een der oudste gebouwen van de stad. De voornaamste straten zijn; de Jufferen- of Zusterstraat, de Vischpoortstraat, Beekstraat, Kerkstraat, de Ledige Stede, de Smeestraat, Ellestraat, Kruisstraat, Bloemstraat, Breedstraat en het Marktplein.

De stad is de bakermat van den voornamen zeeschilder Jan (Hansje) van Elburg, geb. 1500, die tot 1551 te Antwerpen werkzaam was. Verder werd er 22 Maart 1786 geboren Campegius Lambertus Vitringa, (overleden) 6 September 1864 op zijn landgoed de Groote Bunte te Nunspeet, schrijver van de bekende "Gedenkschriften en Staatkundige Geschiedenis der Bataafsche Repupliek" Arnhem 1857-64, 4 dln.
Nog stond hier van 1818 - 1828, toen hij naar Arnhem beroepen werd, als predikant Johannes Steenmeijer (geb. te Amsterdam 28 Maart 1791, (overleden) Arnhem 19 Juni 1864), bekend door zijn uitnemende kanseltaal en dergelijke geschriten, waaronder zijne "Brieven aan Bartholo over de Welsprekendheid in het algemeen en de Kanselwelsprekendheid in het bijzonder." Zijne levensbeschrijving, een waar model van getrouwe karakter- afspiegeling, werd door den Utrechtschen hoogleeraar B. ter Haar bij den bundel zijner nagelaten leerredenen (Arnhem, Is. An. Nijhoff en Zoon, 1865) uitgegeven. Verder was de bekende, in 1890 te Velp overleden geschiedschrijver Mr. Adriaan Walraven Engelen, van 1832 - 1843 als rector der Latijnsche school binnen de stad werkzaam.

Na de verbouwing der plaats vestigde men in 1896 het tegenwoordige vrij goede gemeentehus in de Kerkstraat, in een toen van den richter Arend van Boecop aangekochte woning. Het is een oud, ruim, in de laatste jaren inwendig gedeeltelijk vernieuwd gebouw. Men treft in de raadkamer aan een schoorsteenmantel, voorstellende de Waarheid, op een troon gezeten en de Wijsheid aan hare rechterhand hebbende, terwijl de Onschuld bescherming verzoekt. Dit tafereel is omvat met eene kostbare bruinhouten lijst voorzien van de wapenschilden van vroegere burgemeesters. Hiernaast hangt een schilderij, op paneel, voorstellende de geschiedenis van den ridderlijken kamp, die 5 Februari 1600 op de Vuchterheide bij 's Bosch voorviel, tusschen Abraham Gerards (alias Lekkerbeetjen), een der gezellen, die Geertruidenberg aan de Spanjaarden verkocht, benevens 21 van zijn ruiters, tegen Breanté, een Fransch edelman, mede van 21 ruiters vergezeld.
Nog worden als merkwaardige gedenkstukken voor de geschiedenis der stad op het gemeentehuis bewaard: een scherprechterszwaard, eenige pijnbankinstrumenten, een zoogenaamde Spaansche bok, tot opsluiting van gevangenen, een oud schandbord voor vroege onkuische vrouwen, en, in een afzonderlijk, open hangkastje, sierlijk uit eikenhout gesneden, een doornstokje, vroeger tweemalen bij het uitspreken van een doodvonnissen verbroken en tweemalen door een koperen bandje weder hersteld. Aan dit gebruik ontleent de bekende spreekwijs den staf over iemand breken (d.i. veroordeelen) haar naam.

De gemeente bezit ook een zeer uitgebreid en niet onbelangrijk oud-archief, dat thans grootendeels in het Rijks-archiefgebouw te Arnhem berust en aldaar geinventariseerd is. Ook zijn de archiefstukken van oud rechtelijken aard in 1885 naar het archief-depot te Arnhem overgebracht. Dit werd het laatst der vorige eeuw geordend onder toezicht van den bekenden geschiedschrijver van Gelderland, Mr W. A. baron van Spaen van Hardenstein, van 1769 - 1795 gedurig alhier burgemeester, welke betrekking hij reeds op 18 jarigen leeftijd bekleedde (De ritmeester H. H. Werner beschrijft zijn leven uitvoerig in den Geld. Volks Almanak van 1885, bl 18 en volgg. Van Spaen vond het archief belangrijk en in de beste orde bewaard. Zie Inleid. tot de Gesch. v. Geld, bl 233.) De Utrechtsche hoogleeraar Mr. P. Bondam maakte vervolgens een inventaris van dit archief op, dat aan vele geleerden eene rijke bron voor hunne geschriften openstelde.
De nu nog in het gemeente-archief berustende stukken werden in 1887 in orde gebracht en gecatalogiseerd, zoodat dit thans volkomen aan de eischen voldoet. (Gemeenteverslag 1887)
Reeds in 1390 kwam het eerste stadrecht tot stand, waarvan het handschrift nog op het archief aanwezig is. Eene vervolgens omstreeks 1467 gemaakte willekeur (Mr. van Meurs beschrijft die uitvoerig op bl 35 en volgg. van zijn boven aangehaald werk) was tot 1636 geldig waarna een geheel nieuw recht van zuiver privaatrechtelijken inhoud werd vastgesteld, dat in 1719 in druk verscheen als de Gereformeerde Willekeur der stad Elburg.
Later bracht Mr. P.A.N.S. van Meurs door nasporingen in het archief voor zijne "Geschiedenis en Rechtsontwikkeling der plaats" nog vele onbekende bizonderheden aan het licht.
Ook bezit de gemeente een net manuscript, getiteld: "Bijdrage tot de geschiedenis en plaatselijke beschrijving van Elburg" met vele op haar betrekking hebbende fraaie afbeeldingen van den vroegeren toestand, oude gebouwen, kaarten, enz. vervaardigd door den gep. kapitein Heinrich Gottfried Haasloop Werner, die van 1842 tot aan zijn overlijden op 29 September 1864 meest in hare nabijheid, op het landgoed de Hare woonde, en zich met vele oudheidkundige onderzoekingen onledig hield, waarvan hij de resultaten in den Gelderschen Volksalmanak en elders publiceerde. (Het Gemeentebestuur bood ons dit handschrift op welwillende wijze voor onze onderzoekingen aan).
Nog is het vorige stadhuis, het eenige van de oude stad overgebleven gebouw, en thans eene private woning, aanwezig.
Op den hoek der Beek- en Zusterstraten stond vroeger, bij de Middelste brug, het Gerechthuis, waar thans nog het opschrift in een vierkanten steen zichtbaar is, "Victrix Triumphat Veritas a, 1596. Op de brug hiertegenover trof men tot in 1805 een steenen schandpaal aan, met ijzeren sluithoepels, die voor tepronkstelling van misdadigers diende. Vroeger was hier een kantongerecht gevestigd, dat den 15 Mei 1877 naar Harderwijk verplaatst werd.

Reeds in het jaar 1418 was er binnen de stad een St. Agnieten nonnenklooster van de Franciskaner Orde.
Ook vereenigden zich omstreeks dezen tijd in het oude stadhuis eenige zusters van St. Catharina, waarna dit gebouw langen tijd als het St. Catharina Convent bekend stond. Beide kloosters werden in 1578 gesaeculariseerd.
Van 1584 tot 1619 werd binnen de stad eene Munt aangetroffen. Nadat echter het hof van Gelderland in laatst gemeld jaar vernomen had, dat men gewaagd had nieuwe munten te slaan en den muntslag in trein te brengen, werd de momber Willem Everwijn gecommiteerd om te onderzoeken, welke munt geslagen was, op wiens last en met welke instructie dit geschiedde. ( Registers op het Archief van het voormalige Hof bl 382.
Op de in het Rijksmuseum te Amsterdam gedeponeerde belangrijke verzameling van munten van den heer Joh. W. Stephaniek treft men een paar te Elburg geslagen munten aan, waarvan eene van het jaar 1615 dagteekent.)
In de gemeente zijn vijf scholen, t.w. twee openbare voor gewoon lager onderwijs, eene Christelijke nationale en de beide instituten van Kinsbergen. De twee laatste zijn de op 13 Mei 1809 door den Luitenant-Admiraal, welke hier woonde, volgens convenant met den magistraat opgerichte bekende opvoedingsgestichten; t.w. het Instituut van Opvoeding en Onderwijs, gevestigd in een groot gebouw van het vroegere Schippers- of Schipludengild.
(Zie over dit Schippers- of Schipluden Gilde, dat van 1330 - 1796 bestond, en onder bescherming van Deensche en Zweedsche koningen opgericht werd, Haasloop Werner, Geld. Volks Alm. 1848 bl 126.)

Het oorspronkelijke doel van dit gild was bevestiging der scheepvaart en handel op de Oostzee.
Ook zond men afgevaardigden naar de Lubecksche Hansedagen. Behalve de schippers behoorden daartoe de voornaamste burgers, ook schepenen en neringdoende personen, benevens ambtenaren. Uit de opbrengsten der boeten werd vroeger mede den schoolmeesters eene toelage bij hun traktement gegeven. Den 11 Mei 1587 besloot men uit de inkomsten van het gild, langzamerhand door bijdragen en giften toegenomen, weezen van tot in het derde geslacht, Elburgsche burgers, tot hun 18de jaar in een weeshuis op te voeden. Dit weeshuis werd echter steeds slecht bezocht. Men bleef nu als op zich zelf staand lichaam, dat door het goed gehalte zijner leden zijne niet onaanzienlijke fondsen regelmatig beheerde, in de 17de en 18de eeuw, onder de benaming van gild, twee malen 's jaars telkens drie dagen feestvieren.
Bij akte van 13 Juli 1796 stond het gild echter al zijn eigendommen aan de stad af, opdat deze ze altijd voor bevordering van opvoeding en onderwijs onder haar opperbeheer zoude besteden. De magistraat, als superintendent van het oude fonds van Schipluiden, ging vervolgens op den 16 Mei 1809 eene overeenkomst aan met den viceadmiraal Jhr. J.H. van Kinsbergen over het aanwenden van deze inkomsten, in verband met zijn stichtingen van onderwijs. Van Meurs, Gesch. en rechtsontwikkeling van Elburg blz 13, noot 8, alsmede rapport van de curatoren Hoefhamer en Lubbers van het Instituut van Kinsbergen, dd. Juni 1817, over den oorsprong van het Schipluden college, berustende ter gemeentesecretarie van Elburg.) in de Kerkstraat, waarin jongelieden voor de hoogeschool (men vereenigde nu hiermede de sedert 1580 bestaande Latijnsche school ) en verschillende andere betrekkingen worden opgeleid, en een Instituut voor meisjes, dat in een door den erflater aangekocht huis gehouden wordt. Kinsbergen vermaakte voor beide scholen een aanzienlijk fonds, dat met de geheele inkomsten van het Schipludengilde (Dit Schipluden- of Weezenfonds heeft niet onaanzienlijke vaste goederen. Het wordt thans bestuurd door vier weesmeesters, door den raad te benoemen, die jaarlijks van hun beheer aan dit college rekening en verantwoording doen. Het geheele batig saldo ( ± F 3200,- ) komt ten voordeele van de Instituten "van Kinsbergen".) vermeerderd wordt. Deze beide Instituten staan onder beheer van vier curatoren, waaronder twee buiten de ingezetenen te benoemen door administrateuren van een gedeelte zijner nalatenschap, en twee door den Raad uit de ingezetenen te kiezen.
Behalve de inkomsten van gemeld gild ontvangen de beide Instituten nu jaarlijks eene bijdrage van ± F 3000.- uit het Fonds van Kinsbergen, waarvoor subsidiën aan hoofdonderwijzers uitgekeerd en de gebouwen enz. tevens onderhouden worden. (Zie de ter gemeentesecretarie berustende convenanten tusschen magistraat en curatoren van 13 Mei 1809 en 19 November 1819.) De erflater vermaakte nog aan eerstgenoemd instituut eene bibliotheek met niet onbelangrijke verzameling van mineraliën, schelpen, benevens vele natuurkundige-, waterbouwkundige-, aardrijkskundige- en meetkundige werktuigen. Deze verzameling werd later belangrijk uitgebreid en is thans naar den eisch van den tijd ingericht.

Buiten de Vischpoort is een goede haven, die van 1443 dagteekent en voor F 670.- aangelegd werd. In het jaar 1860 droegen de Staten van Gelderland tot verbetering daarvan een derde in de kosten bij, ten bedrage van F 15.000,-.
De wekelijksche marktdag wordt des Dinsdags gehouden. De jaarmarkt heeft den 2den, 3den en 4den Dinsdag van October plaats. De ingezetenen vinden hunne voornaamste middelen van bestaan in landbouw, veeteelt, vischvangst, vaart op de Zuiderzee en haringrookerij. Vroeger waren er in de nabijheid vele eendenkooien, die thans zijn verdwenen. In het jaar 1887 waren hier 54 visschers, met hetzelfde getal schuiten, van gemiddeld 12 - 15 ton inhoud. De opbrengst der visscherij bedroeg in evengemeld jaar F 95.150,- waaronder F 5.500,- aan paling, en in 1888 F 2.9205,97, waaronder F 8.918,75 aan panharing en F 8.225,- aan bot. Gering was echter de opbrengst van 1889, die toen slechts F 19.025,- was, waaronder F 6000.- aan panharing, en F 10.100,- aan zijden net bot. Daarentegen was 1890 een zeer gunstig jaar, vooral wat de ansjovis betreft.
Men heeft verder eene stoomgrutterij, leerlooierij en bierbrouwerij.
Nog is er eene werf voor den aanbouw van visschersvaartuigen en herstellingen van kleine schepen.
De voornaamste logementen zijn het Haasje, de Bonte Os en de Zon.
Volgens het "Reisboek der Vereenigde Nederlanden" was hier in het jaar 1700 het logement "In Arnhem".
In de gemeente worden de volgende stichtingen aangetroffen:

  1. Het Hervormde Weeshuis.
    Dit is in 1858 door eenige notabele ingezetenen, op initiatief van den predikant D. Gildemeester, gesticht en voor 12 à 15 kinderen bestemd. Het wordt bestuurd door eene commissie van vijf leden uit de oprichters, die op gezette tijden aftreden, doch herkiesbaar zijn, aan welke drie regentessen ter zijde staan. De kosten worden uit eigen inkomsten en collecten in de kerk en langs de huizen bestreden, terwijl, zoo noodig, de Ned. Herv. diaconie het ontbrekende aanvult. In 1889 bedroegen de uitgaven voor zeven verpleegden F 1072.-; de ontvangsten waren toen F 1020.- (Vroeger was hier nog een Burgerweeshuis van het Schipludengilde, waartoe in het jaar 1585 het Schipluden gildenhuis in de Kerkstraat, thans het instituut van Kinsbergen, was ingericht.)

  2. Het Feithenhof, een zeer rijk en aanzienlijk liefdadigheidsgesticht.
    Deze stichting in een voornaam gebouw op de Leege Stee, aan de Breedestraat, gevestigd, werd door Maria Catharina Feith, douairière van Jhr. Gerrit Witten, burgemeester van Elburg, bij testament van 25 Augustus 1733, den 5 September 1740 door haar dood bekrachtigd, in het leven geroepen. Zij is bestemd voor de verpleging van 12 behoeftige mannen en evenveel vrouwen van den Hervormden godsdienst niet onder den 60 jarigen leeftijd, welk getal men inlatere jaren tot 50 a 60 uitbreidde, te Elburg geboren of aldaar vijftien jaren gewoond hebbende. Het beheer berust bij een college van vijf opzieners of bestuurders, bestaande uit de beide predikanten der stad (welke beurtelings president en secretaris zijn) benevens die van Doornspijk, Oldebroek en Oosterwolde. Volgens het testament geniet ieder bestuurder jaarlijks twee ankers goeden Franschen wijn, twee vette ganzen en vier paar hoenders.
    Jaarlijks wordt op St. Maarten aan de verpleegden een extra maaltijd gegeven, waarvoor de stichteres een grooten zilveren vergulden beker met haar wapen liet vervaardigen. De bestuurders stellen voor het dagelijksch bestuur een rentmeester en rentmeesteresse aan. De bezittingen, die in latere jaren door oplegging aanzienlijk toenamen (Mededeeling van een voormalig bestuurder). bestonden tijdens het overlijden der stichtster o.a. uit verschillende meer of min belangrijke boerderijen, tienden, perceelen land enz., alle gelegen onder Elburg, Oosterwolde, Oldebroek, Doornspijk, Nunspeet en Epe, welke in het testament, waarvan wij inzage namen, onder vijf en veertig nummers voorkomen en nimmer mogen vervreemd worden. In het jaar 1889 werd voor drie en vijftig verpleegden F 12.737,- uitgegeven. (Zie verslagen van den toestand der gemeente over 1889. De inkomsten zijn echter onbekend, even als die van zoovele andere stichtingen in Gelderland.) De uitgaaf bedroeg in 1887 F 13.225,-.

  3. Behalve deze weldadige inrichting vermaakte bovengenoemde stichtster bij haar testament aan de Gereformeerde huisarmen, al of niet tot de diaconie behoorende, den Aperlooschen tiend, waarvan ook vervreemding te eeniger tijd verboden is. Met de revenuën hiervan moeten viermalen in den winter uitdeelingen geschieden aan Gereformeerde huisarmen, door beide predikanten, die voor hunne administratie drie percent in rekening mogen brengen en aan den kerkeraad verantwoording schuldig zijn. De tegenwoordige inkomsten van dezen tiend die in gunstiger jaren , 1875 en volgende, F 500,- à F 600,- beliepen, bedragen F 3 à 400.-
    Volgens het Gemeenteverslag van 1887, waarop de ontvangsten als Nihil voorkomen, werd toen aan 40 bedeelden F 442.- uitgekeerd; en in 1889 besteedde men voor 42 bedeelden F 313.-.

  4. De stichting van Maria Harms Corage.
    Deze vrouw, aan welke tijdens hare verpleging in het Feithenhof eene erfemis ten deel viel, bestemde 6 Februari 1773 hare nalatenschap voor de uitkeering van minsten F 2.- per maand gedurende de vier wintermaanden, aan behoeftigen, niet door de diaconie bedeeld wordende; deze beliepen in 1886 133. Volgens het Gemeenteverslag over 1889 waren er toen 115 bedeelden, die te zamen F 2055 kostten.
    Evenwel moet jaarlijks een derde gedeelte der inkomsten worden besteed voor verbetering van landerijen en gebouwen, benevens vermeerdering van het fonds. Het beheer wordt gevoerd door den burgemeester der gemeente als opper-provisor, die twee onder-provisoren kiest.
    Thans staat eene som van ± F 2300.- ter bedeeling aan het bestuur, die in goede tijden ± F 3000.- bedroeg.
    De provisoren oefenen tevens, door korting in de bijdragen voor onwillige ouders, een zachten drang uit tot bevordering van het schoolbezoek der kinderen, welke maatregel uitnemend werkt.

  5. Het Weduwenhofje van Henrich Albert Baltzoen (een priester), die 17 Juli 1549 vijf in de Breestraat, op den Hooghof, gelegen woningen met daarbij gevoegde landerijen en renten, naderhand nog door enkele legaten vermeerderd, voor verpleging van eenige (thans tien) weduwen bestemde. (De oudste giften dezer stichting dagteekenen van 1490, toen Johan Matheus en zijne echtgenootte Alijd eene jaarrente ten behoeve van arme weduwen opdroegen, waarna Baltzoen zijn bezittingen bij open brief, mede voorkomende in het aanhangsel van bovengemeld manusscript van Haasloop Werner, voor hetzelfde doel afstond.)
    Deze stichting, die in 1650 den naam van het Weduwenhofje verkreeg, wordt onder toezicht van den raad door twee door dit college te benoemen burgers, Besjesvaders genaamd, beheerd. Volgens het Gemeenteverslag van 1889 bedroegen de uitgaven toen F 788,-. Al deze gestichten zijn gerangschikt onder lett. c. van art. 12 der Armenwet.

Ook bestaat er te Elburg eene vicarie (de bloed-vicarie van St. Jacobi) bij testament van 22 Maart 1484, in originali op het depôt van het Rijks-archief te Arnhem aanwezig, gesticht door Bernardus Lutteke, voornaam prior van de stad. Deze erflater richtte daarbij eene praebende op voor studenten, bij voorkeur uit zijne familie te kiezen, die thans ter begeving van het gemeentebestuur staat. Zie P. Nijhoff, Registers op het Archief van het voormalig hof van Gelre, bl 21 en 207.
Nog heeft men een Diaconie-armenhuis, naar den stichter het Veghenhofje genaamd, op de Schuttorensplaats, bestemd voor zestien huisgezinnnen, die van het armbestuur bedeeling ontvangen. Dit hofje werd in 1773 gebouwd.
Verder is hier een goed ziekenhuis, voornamelijk bestemd tot opneming van lijders aan besmettelijke ziekten. (in 1335 vergunde Johan, bisschop van Utrecht, reeds aan de schepenen en de gemeente van Elburg een Gasthuis op te richten. Archief).
De gemeenterekening bedroeg in 1888 aan ontvangsten F 33328,- en aan uitgaven F 26369,-.
Tot de inkomsten behooren: opbrengst van bezittingen F 12131,-, waaronder voor wei- en hooilanden langs de zee en in Oosterwolde F 10650,-, 4/5 personeel (hoofdelijke omslag bestaat hier niet). Onder de uitgaven komt F 5144,- voor lager onderwijs voor.
De gemeenteschuld bedroeg 1 Januari 1890 F 28200,-, rentende 4%. Sedert 1886 bezit de gemeente eene gasfabriek, die haar F 14.000,- kostte. De hiervoor opgenomen geldleening is onder de ontvangst der rekening 1886 begrepen.

Het gemeentewapen bestaat uit eene met een valhek beslotene poort, met drie in azuur gedekte torens op een zilver veld, voor welke poort is liggende een zilver wapenschild, voorzien van een rooden klimmende leeuw.
Het geheel gedekt met eene gouden kroon van vijf fleurons, gehouden door twee klimmende leeuwen van natuurlijke kleur.
Er bestaat een geregelde omnibusdienst tusschen de plaats en het station Elburg-Oldebroek van den Centraal Spoorweg. Bovendien zijn er twee vrachtwagendiensten van en naar Zwolle en Kampen, en een dito van en naar Harderwijk en Nunspeet enz., terwijl ook twee beurtschepen tusschen de stad en Amsterdam dienst doen.
Reeds sedert geruimen tijd bestaat het plan om eene tramverbinding tusschen Nunspeet over Elburg naar Kampen of Zwolle aan te leggen.



Lijst bestuurders van Elburg, 1614-1672

  • maandag 30 januari 2012 13:11

Lijst van Schepenen, Gemeenslieden, Kerk-, Wees-, Gasthuis-, Melaten- en Weduwenmeesters van Elburg, 1614-1672.

D. de Boer, 1992 


1614
Schepenen deses jaers 1614 sijne gekoosen: 
Wichman van Wynbergen
Henrick Rijnvisch
Brande Franckesen
Andries Greve
Johan van Putthen
Henrick Feijdt.


Tot Gemenen Mannen syn gekoren voor deses jaer:
Ernst tho Boeckop
Walraven van Beinhem
Lambert Feith
Louwe Loeffssen
Steven Cooth
Cornelis Hegeman
Johan Franckesen
Arent van Hoecklum

Die Wesenmeysters worden voor dit jaer gecontinueerdt. 

1615
Schepenen deses jaers duisent ses hondert vyfthien binnen:
Henrick Rynvisch
Brandt Franckesz
Andries Greve
Johan van Putten
Henrick Feith
Cornelis Hegeman
Dytzmaer Nagge.

Gemeensluden deses jaers sijn gecoren:
Ernst to Boecop
Walraven van Beinum
Lambert Feith
Louwe Loefs
Steven van Coot

Jan Franckesz ( geh. met Egbertien Vegen )
Aert van Heuclum
Gerrit Dirxsz

Kerckmeisteren syn gecoren:
Louwe Loefs
Jan Franckesz.

1618
Scepenen deses jaers sijn gecoren:
Brant Franckesz
Andries Greve
Henrick Feith
Cornelis Hegeman
Dicemaer Nagge
Lambert Feith
Gerrit Dircksz
Gerrit Maesz

Gemeintsmannen sijn gecoren:
Louwe Loes
Steven van Coet
Arnt van Hueclum
Jan to Water
Herman Rijnvisch
Claes Feith
Gerrit Beertsz Heeck 
Gerrit Aeltsz.

Kerckmeysteren sijn gecoren:
Louwe Loes
Gerrit Aeltsz

Gasthuis Meysteren:
Gerrit Jansz
Beernt Henricks.

Weduwenmeisters:
Henrick Egbertsz
Henrick Gerritsz

Wesemeisters ende Melatenmeisters werden gecontinueert.
Den 17 Januarij 1618.

Zonder jaartal.
Scepenen deses jaers binnen gecoren:
Andries Greve
Henrick Feith
Cornelis Hegeman
Dicemaer Nagge
Gerrit Dircksz
Gerrit Maesz.

Gementsmannen syn gekoren:
Steven van Coot
Herman Rijnvisch
Gerrit Beertsz Heeck 
Gerrit Aeltsz
Frederick Munter
Adriaen van Holthe
Beernt Henricks
Sticker Loeffszen

Kerckmrn. syn gekoren:
Gerrit Aeltsz
Adriaen van Holthe

Die Wesemeisteren, Gasthuismrn. ende die Provisoren werden gecontinueert.

Kerckmrn.: in 1625 (Mr. Dr. G. Westerink: in zijn boek Elburg en Doornspijk) 
Adriaen van Holthe
Joachim Loeffsz

1627
Schepenen deses jaers sijn gecoren:
Henrick Feith
Cornelis Hegeman
Dijtzmar Nagge
Gerrit Beerts Heeck 
Gerrit Aeltsz

Sticker Loeffsen
Aelt Nucke

Gemeintsmannen sijn gecoren:
Steven van Coot
Frederik Munter.
Adriaen van Holthe
Henrick Egbertsz
Evert Lambertsz
Henrick Gerritsz
Egbert Lutticken.

Kerckmeijsteren sijn gecoren:
Adriaen van Holthe
Jochim Loeffsz

Wesemeisteren syn gecoren:
Egbert Loeffsz
Henrick toe Water
Willem van Wijnbergen
Gerrit Dircksz Heeck

Gasthuijsmeisteren sijn gecoren:
Henrick Egbertsz
Evert Lambertsz

Melatenmeisteren sijn gecoren:
Egbert Lutticken
Julius Sageman

Weduwenmeisteren sijn gecoren:
Jan Gerberts
Henrick Gerritsz.

Anno 1631-Anno 1632
Schepenen deses jaers sijn gecoren:
Henrick Feith
Dijtzmar Nagge
Gerrit Beertsz Heeck
Gerrit Aeltsz
Sticker Loeffsz
Aelt Nucke
Egbert Lutticken.

Gemeents luijden sijn gecoren:
Steven van Coot
Frederick Munter
Adriaen van Holthe
Evert Lambertsz
Henrick Gerritsz
Gerrit Dircksz Heeck 
Heymerick toe Water

Kerckmeisteren sijn gecoren:
Adriaen van Holthe
Jochim Loeffsz

Wesemeisteren sijn gecoren:
Willem van Wijnbergen
Gerrit Dircksz Heeck 
Dr. Winand van Ommeren
Julius Sageman.

Gasthuijs en Melatenmeisteren sijn gecoren:
Evert Lambertsz
Egbert Loeffsz.

Weduwenmeisteren sijn gecoren:
Jan Gerbertsz
Henrick Gerritsz.

1634
Schepenen deeses jaers duijsent seshondert vier en dertich sijn gecoren:
Henrick Feith
Dijtzmar Nagge
Gerrit Beertsz Heeck 
Gerrit Aeltsz
Sticker Loeffsz
Aelt Nucke
Egbert Lutticken.

Gemeents luijden sijn gecoren:
Adriaen van Holthe
Evert Lambertsz

Henrick Gerritsz
Gerrit Dircksz Heeck 
Heijmerick toe Water
Winand van Ommeren
Jan Francksz

Kerckmeysteren syn gecoren:
Adriaen van Holthe
Jochim Loeffsz.

Weesemeysteren sijn gecoren:
Willem van Wijnbergen 
Winand van Ommeren 
Winand van Ommeren
Gerrit Dircksz Heeck 
Julius Sageman 
Henrick Reefsen

Gasthuijs en Melaten meijsteren syn gecoren:
Evert Lambertsz
Egbert Loeffsz.

Weduwen meijsteren sijn gecoren:
Henrick Gerritsz
Henrick Bigge.

1635
Schepenen deeses jaers duijsent seshondert vijfendertich sijn gecoren:
Henrick Feijth
Dijtzmar Nagge
Gerrit Beertsz Heeck 
Gerrit Aeltszen
Sticker Loeffsz
Aelt Nucke
Egbert Lutticken.

Gemeents luijden syn gecoren:
Evert Lambertsz
Henrick Gerritsz
Gerrit Dircksz Heeck 
Heymerick toe Water
Wijnand van Ommeren
Jan Francksz

Henrick Reeffsz.

Kerckmeesteren syn gecoren:
Jochim Loeffsz
Jan Feyt Beertsz

Weesemeesteren sijn gecoren:
Willem van Wijnbergen
Gerrit Dircksz Heeck 
Wijnand van Ommeren
Henrick Reeffsz.

Gasthuijs ende Melatenmeesteren syn gecoren:
Evert Lambertsz
Egbert Loeffsz.

Weduwenmeesteren syn gecoren:
Henrick Gerritsz
Henrick Bigge.

1639
Scheepenen deeses Jaers 1639 bennen gekooren:
Dijzemer Nagge
Gerrit Beertsz Heeck 
Gerrit Aeltsz
Sticker Loeffsz
Aelt Nucke
Egbert Lutteken
Winandt van Ommeren
Henrijck Reefsz
Sticker Feith.

Meensluijden:
Henryck Gerritsz
Gerrit Derrycsz Heeck 
Jan Franquesz
Jan Feith
Jochem Loefsz
Henryck Bigge
Aert Franquesz.

Kerckmeysteren:
Jochem Loeffsz
Jan Feith

Weesemeesteren:
Wilhem van Wijnbergen
Gerrit Derrycqsz Heeck 
Henryck Gerrtisz
Aert Francquesz.

Gasthuys ende Melatenmeisteren:
Egbert Loeffsz
Lambert Craffsz.

Weduwen meysteren:
Henryck Bigge
Oloff Egbertsz.

1641-1643
Scheepenen deeses jaers 1641 bennen gekoeren:
Schepenen des jaers 1643 syn gecoeren:
Gerrit Beertsz Heeck 
Sticker Loeffsz
Aelt Nucke
Egbert Lutteken
Winandt van Ommeren
Henryck Reefsz
Sticker Feith
Henryck Bigge
Dibbolt Greeve

Meensluijden:
Henryck Gerritsz
Gerrit Derrycqsz Heeck 
Jan Francquesz
Jan Feith

Jochem Loeffsz
Aert Francquesz
Roeloff Heegeman

Kerckmeysteren:
Jochem Loeffsz
Jan Feith

Weesemeysteren:
Gerrit Derrycqsz Heeck 
Henryck Gerritsz
Aert Francquesz
Roleff Heegeman.

Gasthuijsmeysteren:
Lambert Craffsz
Beert Nucke

Melatenmeysteren:
Adriaen van Holthen
Louwe Loeffsz

Weduwenmeysteren:
Oloff Egbertsz
Herman van Ems

1646-1647-1648-1649-1650-1651-1652-1653
Schepenen deeses jaers 1646 bennen gekoeren:
Dytzmar Nagge, alleen bij provisie, ende mett expres beding, datt de magistraet deeser statt hare actie tegens denselven, wegens synne begangene excessen oover de kuer van Burgemr. Sticker Feith, ende tgeene daer op gevolget is, voorbeholdet; ende sulcx alles volgens des Ed. Hoeves Sententie gelyck meede, een yder Schepen int Particulier hem g'injuriert bevyndende synne actie tegens denselven sich reserviert, vervolgens

Gerrit Beertsz Heeck 
Sticker Loeffsz 
Aelt Nucke 
Winandt van Ommeren 
Egbert Lutteken 
Henryck Reeffs
Sticker Feith
Henryck Bigge
Roleff Hegeman

Meensluijden:
Henryck Gerritsz 
Aert Francquesz 
Gerrit Dircks Heeck 
Wilhem Heeck 
Jan Franckesz 
Davidt Cootenberch
Jan Feith 
Albert Crachtsen.

Jochem Loeffsz

Kerckmeesteren:
Jochem Loeffsz
Jan Feith 
Dirck Peterszen.

Weesemeesteren:
Gerrit Dircksz Heeck 
Wilhem Heeck 
Henryck Gerritsz 
David Cotenberch
Aert Franckesz 
Adrian van Holthe

Gasthuysmrn.:
Louwe Loeffsz 
Beert Nucken
Lambert Craffsz 
Louwe Loeffsz.

1646 (vervolg)
Melatenmrn.:
Derrick Petersz 
Adriaen van Holthe 
Rein Zeegers 
Louwe Loeffsz 
Derrick Peters
Reyn Zeegers
Christoffel Damiens. 

Weduwenmrn.:
Albert Craffsz 
Oloff Egbertsz
Herman van Ems
Albert Craffsz.

1650 (Volgens Mr. Dr. G. Westerink; in zijn boek Elburg en Doornspijk)
Gasthuismrn.: 
Lambert Craffsz 
Beert Nucke

1654-1655
Scheepenen deeses jaers 1654 syn gekoeren:
Dytzmar Nagge, alleen bij provisie
Gerrit Beertsz Heeck 
Sticker Loeffsz
Winandt van Ommeren
Henryck Reefsz
Sticker Feith
Henryck Bigge
Roleff Hegeman
Davidt Cootenberch

Meensluyden:
Henryck Gerritsz
Gerrit Derrycksz Heeck 
Jan Francquesz
Jochem Loeffsz
Davidt Cootenberch 
Albert Craffsz
Jan Peetersz Laeckencooper

Kerckmrn.:
Jochem Loeffsz
Derrick Petersz

Weesemrn.:
Gerrit Derricksz Heeck 
Henryck Gerritsz
Davidt Cootenberch 
Adriaen van Holthen
Derrick toe Water

Gasthuysmrn.:
Beert Nucke
Louwe Loeffsz

Melatenmrn.:
Rein Zeegers
Stoffel Damiens

Weduwenmrn.:
Herman van Ems
Albert Craffsz

1658
Scheepenen deeses jaers syn gekooren:
Gerrit Beertsz Heeck 
Winandt van Ommeren
Henryck Reeffsz
Sticker Feith
Henryck Bigge
Roeleff Heegeman
Davidt Cootenberch.

Meens luijden:
Henryck Gerritsz
Gerrit Derrycksz Heeck 
Jan Francquesz
Albert Craffsz
Jan Petersz Laeckencooper.

Kerckmrn.:
Arien van Holte
Herman van Ems

Weesemrn.:
Henryck Gerritsz
Derrick toe Water
Beert Nucke
Louwe Loeffsz

Gasthuysmrn.:
Jan Petersz Laeckencooper
Joost van Erckelens

Melatenmrn.:
Rein Zeegers
Stoffel Damiens

Weduwenmrn.:
Albert Craffsz
Lambert Eversz 

1659-1660
Schepenen deeses jaers 1660 syn gekooren:
Gerrit Heeck
Wynant van Ommeren
Henryck Reffsz
Sticker Feith
Henryck Bigge
Roeloff Heegeman
Davidt Cootenbergh

Meensluijden:
Jan Francques
Albert Craffsz
Jan Petersz Laeckencooper
Beert Nucke
Beerent Haelboom

Kerckmrn.:
Adriaen van Holte
Herman van Ems

Weesemrn.:
Derrick tho Water
Beert Nucke
Louwe Loeffsz
Beerent Haelboem

Gasthuysmrn.:
Jan Petersz Laeckencooper
Joost Erckelens

Melatenmrn.:
Rein Zeegers
Stoffel Damiens

Weduwenmrn.:
Albert Craffsz
Lambert Eversz

1661
Scheepenen deeses jaers 1661 syn gekooren:
Gerrit Heeck
Henryck Reefsz 
Sticker Feith
Henryck Bigge
Roeleff Heegeman
Davidt Cootenbergh
Beerent Feith
Arent Wolffsz
Ernst Reeffsz 

Meensluyden:
Jan Francquesz
Albert Craffsz
Jan Petersz Laeckencooper
Beert Nucke
Beerent Haelboem
Derrick toe Water

Kerckmrn.:
Adriaen van Holte
Herman van Ems

Weesemrn.:
Derrick tho Water
Beert Nucke
Louwe Loeffsz
Berent Haelboem

Gasthuysmrn.:
Jan Petersz Laeckencooper
Joost van Erckelens

Melatenmrn.:
Rein Zeegers
Stoffel Damiens

Weduwenmrn.:
Albert Craffsz
Lambert Eversz

1670
Gecontinueert over 't jaer 1671 ende 1672.
Schepenen deses Jaers 1670 sijn gekooren:
Sticker Feijth
Henrick Bigge
Arnold Wolfsen
Henrick Feijth
Celiman van Ommeren
Henrick van Inghen
Beernt Nucke
Andreas Hegheman

Meents-luijden:
Beernt Haelboom
Dirck too Water
Gerrit Henricksen Uijlenbroeck
Lambert Evertsen
Johan Wolfsen

Wesenmeijsteren:
Dirck toe Water
Louwe Loefsen
Beernt Haelboom
Lambert Evertsen

Kerckmeijsteren:
Harmen van Emps
Willem toe Water

Gasthuijsmeijsteren:
Joost van Erckelens
Evert Henricksen

Melatenmeijsteren:
Christoffel Damiens
Henrick Sijmonsen (Geldorp)

Weduwenmeijsteren:
Aert Lucassen (Bolt)
Plechelmus Copius


 

Elburger Almanak 1768

  • vrijdag 27 januari 2012 09:58

TER INLEIDING

Deze uitgave werd door de heer drs. J. Duinkerken aangetroffen in het Archief Raedt van Oldenbarneveld, aanwezig in het Rijksarchief in Gelderland te Arnhem. Het is daar opgeborgen onder voorlopig inventarisnummer 37. Deze familie is bekend uit de geschiedenis van Elburg. Leden der familie vervulden belangrijke functies onder meer in het stadsbestuur. Leden van de familie waren woonachtig op het landgoede Morren bij Oosterwolde.
Zie voor meer informatie over dit laatste de uitgave Tussen IJsselvliedt en Essenburg. Landgoederen op de Noord-Veluwe.

Aangezien dit boekje in het archief van Elburg niet bekend was, werd besloten om het op deze manier uit te geven. In deze Almanak vinden we ondermeer veel gegevens over in Elburg woonachtige personen die diverse functies uitoefenden. Zowel in bestuurlijk alsook in uitvoerend opzicht. De voor Elburg van belang zijnde informatie is letterlijk overgenomen in de oorspronkelijke schrijfwijze. Enkele andere onderdelen worden wel vermeld, maar niet als geheel opgenomen.

In elk geval geeft deze bron aanvullende gegevens die van belang kunnen zijn bij het verrichten van historisch onderzoek in de tweede helft van de 18e eeuw.

Peter van Beek
Streekarchivaris.




Elburgsche Almanak op het Schrikkel-jaar MDCCLXVIII


Waar agter gevoegd is een Naamlijst der Heeren van de Regeering, Stadsambtenaaren en verdere persoonen in bediening binnen de stad, en het Schependom van Elburg enz., als mede een Ordre der beurten, waarnaar de veerschipperen van deze stadt op Amsterdam, voor dit jaar, zullen afvaaren.

Te Elburg.
Bij de wed. van Nikolaas van der Kemp en Zoon, Boekverkoopers.


Het jaar na de geboorte onzes Zaligmaaker J.C. 1768
Na de Schepping der Wereld 5717
Na den Zondvloed 4061
Na den Veldslag in de Buurschap Aperloo/ Bij Elburg 289
Na den grooten Brand van Elburg 265
Na het verlaaten van Elburg door de Franschen 94
Na 't afbranden van het Torenspits der St. Niklaaskerk te Elburg 74
Na de geboorte van Willem V 20

Gulden getal 2 Zonnen Cirkel 13
Rooms Indict 1 Epacta 11
Zondags Letter CB

Kermis begint altijd op den laatsten Zondag in October en eindigt op den tweeden daar aanvolgenden Dingsdag
Magere Beestenmerkt den 15, 22 en 29 april
Vette Beestenmerkt den 12, 19 en 26 October
Weeckelijksche merkt alle Dingsdagen

Rechtdagen voor deezen Weledelen en Achtbaren gerichte
Alle Saturdagen 's voormiddags, uitgezonderd, Zo op Saturdag jaarmerkt waare.

Vacatien voor den zelfden Gerichte
Van den Saturdag voor Kerst is af, tot den Saturdag voor de Keur, beiden ingeslooten
Den Saturdag voor en na Paasen
Voor en na Pinkster
Van den 13 juli tot den 15 aug. Als mede den Saturdag voor de Kermis


[Hierna volgt een kalender]



Naamen der Heeren van den Magistraat, Gemeensluiden, stadsambtenaaren en verdere persoonen in bediening binnen de Stad en het Schependom van Elburg op het jaar 1768.

De WelEdele en Achtbaare Heeren Burgemeesteren, Schepenen en Raaden, zo als de zelven door Zijne Doorlugtige Hoogheid den Heere Prinse van Orange en Nassau Willem V , als Erfstadhouder der Vereenigde Nederlanden, voor den tijd van 3 jaaren op Pontiaansdag 1767 zijn verkooren:

Burgermeesteren
Derk Gerrit van Hoeclum
Antoni Barneveld

Schepenen en Raaden
Derk Gerrit van Hoeclum 1734
Mr. Johan Burchard Tulleken 1744
Wynand Maximiliaan Jacob Baron van Renesse, Heer van den Brinck 1749
Dr. Hermen Arnold Brouwer 1749
Antoni Barneveld 1749
Mr. Gijsbert Gerhard Sandberg 1761
Mr. Henrik Antoni Julien 1766
Mr. Jan Hendrik Rauwenhoff 1766

Scholt
Derk Gerrit van Hoeclum 1766

Secretaris
Mr. Gijsbert Gerhard Sandberg 1759


Functien of Departementen der Heeren van den Magistraat


Politiemeesters
De Heeren Praesidenten

Werkbaazen of bouwmeesters
Derk Gerrit Hoeclum
Mr. Jan Hendrik Rauwenhoff

Poot-, Weg- en Straatmeesters
Mr. Johan Burchard Tulleken
Mr. Henrik Antoni Julien

Goorschepenen
Wynand Maximiliaan Jacob Baron van Renesse
Mr. Gijsbert Gerhard Sandberg

Mehenschepenen
Dr. Hermen Arnold Brouwer
Antoni Barneveld

Overbrandmeesters
Antoni Barneveld
Mr. Johan Burchard Tulleken
Wynand Maximiliaan Jacob Baron van Renesse


Leden van de gezworen gemeente


uit de Burgerij
Johannes van Loo 1722
Rhijnvisch van der Horst 1722
Barend Schuurman 1749
Evert Vos 1749
Wilhelmus Everes 1753
Gerrit Roseboom 1764

uit de Gilden
Hendrik Top Hendriksz. 1727
Jan Reiersz.
Arend Wijnne 1753
Arnoldus Straatman 1755
Dries Walink 1763
Henricus Hoefhamer 1766

Ontvanger der stadsverpondingen
Gerrit Roseboom 1766

Ontvanger der stadsdomeinen
Albertus Feith 1758

Ontvanger der geestelijke goederen
Johan Top 1765

Roedendragers
Hendrik van Duuren 1741
Johan Top 1747

Stadsboode met de Busse
Kornelis Lansbergen 1750

Kerkmeesters
Barend van Houten 1754
Hendrik Top Hendriksz. 1754

Presidenten
Jacobus Buschman 1728
rustend predikant sedert 1766
Jacobus van de Poll 1757
Johannes van Diermen 1767

Rector der Latijnsche School
Lukas Zegerius, ss. m.c. 1749

Schoolmeester der Nederduitsche School
Jan Tulp 1756


Kerkenraad

De Predikanten


Ouderlingen
Uit de Magistraat
Mr. Gijsbert Gerhard Sandberg 1766
Uit de burgerij
Gerrit Driesz. Koopman (1) 1766
Jannes Top 1767
Menso van der Heide 1767

Diakenen
Jan der Maten 1766
Jakob Coops 1766
Andries van Gelder 1767
Gerrit Hengeveld 1767

Koster
Wilh. Frid. Adolph Sassenberg 1749

Organist
Christoffel Boeduynx 1742

Voorzangers
Jan van Sittert 1732
Johannes Witteveen, bij surviv. 1763

Orgeltreeder en Gravemaaker
Willem Vincke 1750

Oppasser onder den Godsdienst
Johannes Moes

Aanspreeker ter Begraafnis
Hendrik van Duuren 1761

Weesmeesters
Johannes van Loo 1727
Barend Stuurman 1749
Evert Vos 1760
Jannes Top 1760

Buiten Weesmoeders
Hendrikje van Vierhouten, wed. van Rein Stuurman
Machteld Hegheman, huisvr. van Jannes Top

Binnen Weesmoeders
Hendrikje Nyeboer 1766

Provisoren van 't Weduwenhof
Rein Munnik 1760
Wilehelmus Everes 1766

Brandmeester
Jan Munnik 1743
Jannes Top 1743
Gerrit Hoefhamer 1766
Hendrik Top Hendriksz. 1743
Barent van Houten 1748
Jan Balk 1760


Pomp- en Putemmers


van de pomp op Hoogezoeren
Hendrik Prijs
Gerrit Teunisz. Voerman

van de pomp op de Oudestraat
Arend Wijnne

van de put bij de Vischpoort
Wilhelmus Everes
Jan Reiersz.

van de put in den Endenhoek
Lambert Aaldertsz.
Barend Mulder

van de put in de Blomstraat
Hendrik Beekenkamp
Aart van Triest


Gildemeesters


uit het St. Joris, of groote gild
Evert van Soemeren 1767
Jan Reindersz. 1767

uit het Visschersch gild
Jan Hulst 1768
Gerrit Hendriksz. 1768

uit het Wolleweversgilde
Arend Wijnne

uit het Schoenmaakersgilde
Kornelis Lansbergen 1767
Hartger Kuiper 1767

uit het Kleermaakersgild
Eibert Muis 1767
Dries Ponstein 1767

uit het Linnenweeversgild
Berent Mulder 1765
Hendrik Moes 1767

Stadschirurgijn
Albertus Feith 1734

Stadsvroedvrouw
Johanna Dorothea Laurier 1735

Houdster van den Lombard
De wed. van Nathan Magnus

Waagmeester
Jan van Sittert 1720

Proever van Gedestilleerde wateren
Joannes Stuurman, apothecar

Yker
Gerrit van den Berg 1762

Eeckweger
Jakob Trip 1758

Turfmeetsters
Marrigje Jeroens
Gerrigje Eibers

Houttelsters
Annetje Evers 1755
Heiltje van Sittert
Jannetje Pauwels

Wijn- en Bierdraagers
Hendrik van Sittert
Eibert Kornelisz. Patapo

Omroeper
Willem ten Hove 1761

Poortiers
Van de Goorpoort
Aart ten Hove

Van de Vischpoort
Jan Batjes

Van de Mehenpoort
Jan Willemsz. Pint

Van 't Graaf Henriks of Kleine Poortje
Jan Driesz. van der Beek

Cipier
Willem Wijchmans

Nachtwaakers
Willem Wijchmans
Jan Ruis

Sleeper
Gerrit Koopman 1736

Kloksteller van 't Uurwerk op de Vischpoort, als mede de aansteeker der zeelantaarn op den Toren aldaar
Henrikus Muller

Goorrier, of oppasser van de weide het Goor
Lambert Aaldertsz.

Peuzelaars of Stadsarbeiders
Jakob Andriesz.
Brand Hendriksz.

Karreman van de straatvuilnis
Eibert Kornelisz. Patapo

Veerschippers op Amsterdam
Hermen van de Wolde
Tjibbe de Vries
Matje Peters, Huisvrouw van W. Filips
Marten Reiersz.
Dries Koopman
Dirk Balk
Gerrit Vermeer, van Amsterdam op Elburg

Luider van t' Veerklokje opde Vischpoort
Willem ten Hove 1761

Bootschuivers
Jochem Hendriksz. 1741
Evert Albert Krijns 1749
Hermen Jansz. 1759
Diderick Hissink 1766

Schuitevoerders
Evert Albert Krijns 1741
Jochem Hendriksz. 1758
Hermen Jansz. 1759
Hendrik Thijnsz. Klodderboer
Hendrik Dodevis
Willem Hulleman
Hannes Jansz.
Jakob Hendriksz.
Dirk Zuurbeek
Augustijn Hendriksz.
Dirk Fransz. en mede bedienende voor zijn Moeder

Veerlieden van den Postwagen op Hattem
Heimen van Stelten
Kornelis Theunisz. Voerman

Veerlieden der Wagens en Tourkarren op Harderwijk
Fennigje Nagelhout, wed. van Jan Michielsz.

op Kampen
Aart Wayenberg

op Zwolle
Gerrit Klaasz.
Kornelis Theunisz. Voerman


Leden van den Dijkstoel des Polders van Oosterwolde zo als dezelve op Petri 1766, voor 3 jaaren zijn verkooren


Gedeputeerden uit de Magistraat van Elburg
Mr. Johan Burchard Tulleken, praesid.
Dr. Hermen Arnold Brouwer
Antoni Barneveld

uit de Burgerij van gemelte stad
Johan Gerard van Brienen
Rein Munnik
Gerrit Veldkamp

uit den Boerenstand van Oosterwolde
Tijmen Willemsz.
Hendrik Geurtsz.
Klaas Labots
Hendrik Gerritsz.

Dijkgraaf van de Magistraat
Dirk Gerrit van Hoeclum

Heemraden uit de Magistraat
Gijsbert Gerhard Sandberg

uit de Burgerij
Lambert Top

uit den Boerenstand
Jan Krachtsen
Pele Coops, wintergr.
Luichje Jakobsz.

Dijkschrijver
Albertus Feith

Ontvanger des Polders
Gerrit Roseboom

Dijksboode
Jan Amptmeijer


Volgen nu noch de naamen der Heeren Provisoren enz. van het Godshuis Feithenhof


Provisoren
De tijdelijke Predikanten van Elburgals mede de navolgende Predikanten
Didericus Heineken, A.L.M. & Ph.D., V.D.M. in Doornspijk
Ortwijn Rave, Ecclesiastes in Oosterwolde
Johannes van der Spijk, Pastor in Oldebroek

Rentmeester
Jan Witteveen 1766

Huishoudster
Gerritje Grootvelt, deszelfs vrouw 1766

Voorlezer
Eibert Hoen



Orde der beurten, waarna de Veerschipperen van Elburg op Amsterdam zullen afvaaren, des Son- Dings- en Donderdagsmiddags, ten 1 uur, met het luiden der veerklok.


1768

Gerrit Vermeer


Amsterdam









Tjibbe de Vries








Matje Peters









Hermen van der Wolde








Dries Koopman









Marten Reiersz.








Dirk Balk







Jan
Febr
Mrt
Apr
Mei
Juni
Juli
Aug
Sept
Oct
Nov
Dec

Jan
Mrt
Apr
Mei
Juni
Aug
Oct
Dec

Jan
Mrt
Mei
Juli
Aug
Sept
Oct
Nov
Dec

Jan
Febr
Mrt
Apr
Mei
Juli
Sept
Nov

Jan
Mrt
Mei
Juli
Aug
Sept
Oct
Nov
Dec

Febr
Apr
Juni
Aug
Sept
Oct
Nov
Dec

Febr
Apr
Juni
Juli
Aug
Sept
Oct
Nov
3
2
3
4
3
2
19
14
13
9
8
4

5
1
26
1
21
16
11
6

19
15
10
5
30
4
25
3
20

31
4
27
5
23
17
11
6

17
13
8
3
28
1
23
1
18

16
12
5
2
27
2
22
1

14
10
5
31
4
25
4
20
7
7
8
7
24
19
24
18
18
13
13
8

10
6

5
26
21
16
11

24
20
15
10

8
30

26


9
31

26
21
15
10

21
17
12
7

6
27

22

21
17
9
7

6
27


18
14
9

9
29

24
12
11
29
24
29
23
28
23
22
19
17
13

14
10


30
25
20
15

28
24
19
14




29





31
26
20
15

26
22
17
12




27

25
21
14
11





23
19
14




29

28

28

28





Hierna volgt:

Den Italiaanschen WaerseggerDat is: een oprechte Prognosticatie op het jaar 1768(gaat over het jaar met spreekwoorden)

Kort Chronyxken van 't jaar 1755 (tot 1768)
Met bijv.: 1767 15 jan is te Utregt in haar 108 jaar overleden Grietje Andre

Hoveniers Almanack

Specietafel






1 Hier stond foutief Dries Koopman.