Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

grote oorlogbanner2.jpg

Reacties

Geen reacties

Voeg reactie toe

 

Verhaal: Huize Morren I

HUIZE MORREN TE OOSTERWOLDE
P. van Beek

Op enige kilometers afstand van de kern van het dorp Oosterwolde vinden we in een beboste omgeving het al meer dan vijf eeuwen oude huize Morren. Het postadres is Oostendorperstraatweg 69, maar het ligt bepaald niet aan de doorgaande weg. Ook via de Winterdijk is het huis te bereiken. Het huis of buitenplaats ligt op de zandrug van Oosterwolde tussen de polder Oldebroek en de polder Oosterwolde. Op grootschalig niveau ligt Morren op de overgang van het Veluwemassief naar het Drontermeer.



Het omliggende gebied is aan te duiden als agrarisch hoevengebied (deels zelfs met landschappelijke waarde). De in het voormalige ruilverkavelingsplan Oosterwolde gelegen buitenplaats is vanaf 1994 gerangschikt onder de Natuurschoonwet. Dit alles om aan te duiden dat zowel de buitenplaats zelf als de omgeving van een bijzonder gehalte zijn. Tussen Huize Morren en het dorp Oosterwolde mag in principe niet worden gebouwd. Dit vanwege het zicht op het woonhuis en de laanbeplanting van Morren. Morren wordt doorkruist door het voormalige kerkepad van Kerkdorp naar Oldebroek, het zogenaamde Streekterpad.
Kadastraal valt huize Morren onder de gemeente Oldebroek (tot 1974 onder de gemeente Doornspijk) sectie I nummer 1941.

Het totale grondoppervlak beslaat ruim 6 hectare.
Het centrum van de buitenplaats bestaat uit een rechthoekig terrein temidden van een karakteristiek lanenstelsel. Er omheen liggen enkele vroeger tot het landgoed behorende boerderijen (destijds waren dit er zo’n achttien), uitgestrekte landerijen en op enige afstand ligt een particuliere begraafplaats, de grafkelder van de familie Raedt van Oldenbarnevelt. De naam van deze familie is nu en in de toekomst onlosmakelijk verbonden aan huize Morren.
Het huidige huis heeft er niet al die tijd gestaan. Er aan vooraf gaat een boeiende geschiedenis van naamsverandering en wisseling in eigenaars.

Historie
Huize Morren vindt zijn oorsprong in een hofstede op diezelfde plaats. In 1982 werd uitgebreid aandacht besteed aan het vijfhonderd jarig bestaan. Indien we het toen verrichte onderzoek serieus nemen, en er is geen aanleiding gevonden om dat niet te doen, dan is de oorsprong te vinden omstreeks het jaar 1482. Hiermee is Morren een van de oudste landgoederen in Nederland. Een zekere Heyman Aertsz liet in die tijd een opslagplaats voor graan (een zogenaamde spijker) bouwen in de polder Oosterwolde. Onderzoek zou wellicht uit kunnen wijzen of er nog restanten van deze oudste spijker in de grond te vinden zijn. Bij deze opslagplaats bevond zich tevens een woning voor de pachter.

Naar alle waarschijnlijkheid zal er ook nog een tijdelijke woonplaats zijn geweest waar de landheer tijdens zijn jachtverblijf onderdak had. Oorspronkelijk droeg het goed de naam Wijnbergen’s Erve. Het huis ging van generatie op generatie over, en opvallend is dat dit vaak in de vrouwelijke lijn gebeurde. In 1678 werd Wijnbergen’s Erve verkocht aan dr. Arnold Wolffsen. Het geheel bestond toen uit ‘huys, bergh, twee hoven en twee bongerden met bouw- en weiland’. In 1698 wordt het goed door diens zoon Henrick Wolfssen verpacht aan Morre Augustynsen. Hiermee is de naam van het huidige huis bepaald.



De naam Morre(n) komt in die tijd zowel als voor- en achternaam voor. In dit geval leeft de naam van de pachter voort in de naam van het landgoed. In 1722 wordt Anthony van Oldenbarnevelt (vaak aangeduid als Anthony Barnevelt) benoemd tot erfgenaam van Wolfssen. In deze tijd fungeert Morren vooral als zomer- en jachtverblijf. Een nieuwe periode breekt aan als in 1771 Jan Rutger van Oldenbarnevelt eigenaar wordt door het uit de boedel van zijn oom te kopen voor een bedrag van f 14.000,00. Hij laat het huis inrichten voor een meer permanente bewoning. Van deze tijd stamt ook het smeedijzeren toegangshek in Lodewijk XVI stijl aan de toenmalige achterzijde van het huis. Ook een van de boerderijen in de nabijheid stamt uit deze tijd. De boerderij met het gevelsteentje “Onder Morren” geeft het jaartal 1793 als bouwjaar.

Zijn erfgenaam en neef Anthony Raedt besteedde veel aandacht aan de verfraaiing van het huis en de omgeving. Zo liet hij niet alleen binnen diverse veranderingen aanbrengen, maar ook aan de buitenzijde is zijn hand zichtbaar. Een nieuwe achtergevel werd geplaatst (nu beschouwen we dit als de voorzijde van het huis). In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam het huis danig in verval. Op zijn vijfde jaar erfde Henrik Jan Antoni Raedt van Oldenbarnevelt het landgoed. In de periode 1850 tot 1900 werd het huis nauwelijks bewoond, zodat in 1903 een vrijwel onbewoonbare staat is bereikt. Op dat moment is het goed ongeveer 80 hectare groot. Bij testament werd bepaald dat het grootste deel van de landerijen verkocht moest worden, zodat er uiteindelijk slechts ongeveer 20 hectare overbleef.

Na kortstondig in bezit te zijn geweest van diverse familieleden wordt Morren uiteindelijk eigendom van Wilhelmina Eduarda van der Hout, gehuwd met jonkheer Maurits Johannes Hooft. Na een ingrijpende restauratie en modernisering van het huis betrokken zij Morren in 1910. In 1919 wordt wederom een deel van het grondbezit verkocht.
Door hun vertrek naar Zwitserland werd de buitenplaats in 1934 verkocht aan de heer en mevrouw J. Warner-Kleyn van Willingen.
In 1970 gaat Huize Morren opnieuw over in andere handen. De heer en mevrouw A. Verhaaff-Brand verkopen het huis in 1989 aan de heer en mevrouw G. Meelissen-Damen. Mevrouw Meelissen is op dit moment de bewoonster van Huize Morren.

Bouwgeschiedenis van Huize Morren
Van de oorspronkelijke laat-vijftiende eeuwse opslagplaats, de latere hofstede, weten we weinig. Enig beeld van de vorm van Huize Morren ontstaat pas nadat Jan Rutger van Oldenbarnevelt in 1770 het landgoed erft. Hij laat de oude opstallen verbouwen (wellicht zelfs grotendeels vervangen) tot herenhuis. Wellicht hebben hierbij de Amsterdamse buitenhuizen langs de Vecht als voorbeeld gediend. Als we de bouw goed bekijken, dan komt Morren veel overeen met bijvoorbeeld Zijpendaal. Dit laatste huis werd gebouwd door een telg uit het bekende Arnhemse bouwmeestersgeslacht, Hendrik Viervant. Ook te Lochem (Netelhorst), Laren (Oolde), Meteren en Brakel vinden we dergelijke voorbeelden.
Momenteel herinnert het smeedijzeren toegangshek, met de datering 1771, nog aan de bouw van het huidige huis.

In 1804 werd door Anthony Raedt een nieuwe achtergevel geplaatst en liet hij het huis inwendig restaureren. Dat Huize Morren een aanzienlijk huis was, mag wel blijken uit de geschatte waarde in 1833, namelijk f 19.000,00, in die tijd een vermogen.
In het begin van de twintigste eeuw werd het huis nogmaals flink verbouwd. Tijdens deze verbouwing werd ondermeer op het brede achterhuis een torentje met spits geplaatst. Volgens een omschrijving is de voorgevel drie traveeën breed. De forse ingangspartij wordt gekenmerkt door Ionische kapitelen op de zuilen die het balkon dragen. De daklijst wordt onderbroken door een segmentvormige bekroning waarin zich een klok bevindt.
Achter het vrij smalle voorhuis bevindt zich het veel bredere achterhuis.

De omschrijving in het monumentenregister (Huize Morren is een rijksmonument) vermeldt nog: “De tussen geblokte bakstenen hoeklisenen gevatte gevel van het westelijk gedeelte in quasi 18e eeuwse vormen werd in 1910 gewijzigd en tegen de zuidgevel werd een traptoren gebouwd. De door een pannen schilddak met hoekschoorstenen, waarop smeedijzeren bekroningen, gedekte oostvleugel heeft geblokte hoeklisenen, een houten kroonlijst en een in Lodewijk XVI-vormen versierde middentravee. Vensters met schuiframen, waarin een kleine roedenverdeling”.

Van binnen telt het huis 13 kamers. In de eetkamer bevindt zich een fraaie schouw. Hierboven bevond zich aan het einde van de 18e eeuw een prachtig huwelijksbord van Jan Rutger van Oldenbarnevelt en Metta Lucretia van Hoeclum waarop vele familiewapens van hun voorgeslacht. Uit 1939 is er nog een beschrijving van de toenmalige indeling van het huis: in het midden van voor- naar achterdeur door een brede gang in tweeen gedeeld, achter verbreed tot een hal met een trap naar de eerste verdieping. Aan weerszijden van de gang liggen kamers met veel familieportretten en onder meer een oude afbeelding van het huis uit 1847.

Toen de familie Verhaaff Huize Morren kochten, bleek een grondige renovatie hard nodig te zijn. Door architectenburo G.J.A. Wiggers werd een compleet plan gemaakt, wat werd uitgevoerd door aannemersbedrijf Meester.
In 1989 werd door de familie Meelissen een koetshuis en veldschuur bijgebouwd.

De totstandkoming van de grafkelder
De familie Raedt van Oldenbarnevelt had van ouds een familiegraf in de Zuidkapel van de Grote- of Sint Nicolaaskerk te Elburg. Door nieuwe wetgeving in 1827 was het niet langer mogelijk om in de kerk zelf begraven te worden en moesten er begraafplaatsen worden aangelegd. Ter vervanging kreeg de familie een graf aangeboden op het kerkhof naast de kerk. Deze plek beviel Anthony Raedt van Oldenbarnevelt echter niet. De bedoelde plek was erg laag en daardoor veel te nat. Hij liet op die plek een grafkelder metselen. Dit gebeurde echter zo slecht, dat deze geheel onder water liep.

Na deze onprettige ervaringen besloot hij het anders aan te pakken. Hij gaf timmerman Lubbert Veldhoen en metselaar Klaas Veldhoen de opdracht om een grafkelder te bouwen op een nabijgelegen stuk grond. Dit was gekocht van de Erven Van Marle. Het gebied staat bekend onder de naam Kelderbosch en heeft een oppervlak van 45 are en 20 centiare (sectie I nummer 1687). Dit alles vond plaats in 1832, toen hij ook zijn testament liet opmaken. In dit testament bepaalde hij precies hoe de grafkelder er uit zou zien en hoe het gebruik ervan zou dienen plaats te vinden.

Er werd een eenvoudige bakstenen grafkelder gebouwd, gedekt met dakpannen en voorzien van symbolische figuren. Als tekst liet Raedt van Oldenbarnevelt in de vorm van een driehoek (hij was Vrijmetselaar) aanbrengen: “Grafkelder van de familie Raedt van Oldenbarnevelt. Gest. Mr. Antoni Raedt op deszelfs Landgoed Morren. Mei 1832. Hic defunctorum molliter ossa cubent”. Dit laatste betekent: hier rust zacht het gebeente van overledenen. Deze tekst wordt omgeven door figuren als een zandloper (de tijd), een doodshoofd (de dood), een slang die zichzelf in de staart bijt (de eeuwigheid) en een omgekeerde fakkel (het uitgedoofde leven). Buiten tegen de grafkelder aan ligt ook nog een buitengraf.

Ook deze grafkelder valt onder monumentenzorg. In 1978 was de staat zo slecht, dat door de oudheidkundige vereniging “Arent thoe Boecop” werd besloten het geheel te restaureren. Dit uiteraard na overleg met de familie. Vele vrijwilligers zijn hieraan werkzaam geweest.
Omdat de grafkelder zich op het grondgebied van de gemeente Oldebroek bevindt, is in 1984 besloten om de verantwoordelijkheid voor de begraafplaats en grafkelder over te dragen aan de oudheidkundige vereniging “De Broeklanden”. In 1989 werd door de gemeente Oldebroek subsidie gegeven om de grafkelder eens behoorlijk op te knappen. Vervolgens stelt de gemeente jaarlijks een bedrag beschikbaar voor het onderhoud.



De grafkelder wordt beheerd door de Stichting “Het Kerkhof op Morren”. Naast familieleden wordt ook door een afvaardiging van “De Broeklanden” aan het toezicht deelgenomen. De stichtingsvorm bestaat al vanaf 10 juni 1905. Overigens was al op 15 december 1904 bepaald dat er een recht van uitweg bestond over het Baden-Dirkswegje. Het grootste deel van het onderhoud wordt bekostigd door de verpachting van een deel van het betreffende perceel voor landbouwdoeleinden. Tegenwoordig spreken we over een “bijzondere begraafplaats” en is de grafkelder een rijksmonument (nummer 31383).