Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart1.jpg

Korte geschiedenis

Ermelo

De oudst bekende kerkelijke indeling van dit gebied is het kerspel Ermelo dat al ver voor het jaar 1000 bestaat. We moeten dan denken aan Ermelo als middelpunt met daar omheen het grondgebied van de huidige gemeenten Harderwijk en Nunspeet.
De eerste bestuurlijke indeling als schoutambt Ermelo, stammend van na het jaar 1000, loopt qua grenzen vrijwel gelijk met de oude kerspelindeling. Waarschijnlijk in de dertiende eeuw is Harderwijk en omliggend gebied door de stedelijke ontwikkelingen uit het schoutambt gehaald. Het gebied rondom Elspeet en Vierhouten hoort dan nog onder het ambt Barneveld.

In de Franse tijd verandert er enkele malen wat aan de bestuurlijke indeling waardoor dan eens het ambt Ermelo bestaat, dan weer een kerspelindeling in Ermelo en Nunspeet wordt gehanteerd. Vanaf 1811 is bestuurlijk gezien Nunspeet een zelfstandige mairie. Per 1 januari 1812 worden de beide delen van het schoutambt definitief gescheiden.
Na de Franse tijd blijft de scheiding bestaan en wordt alleen de naam gemeente ingevoerd. Toch is de scheiding van korte duur. Met ingang van 1 januari 1818 worden Nunspeet en Ermelo weer samengevoegd tot één gemeente Ermelo. Op dat moment worden ook de dorpen Elspeet en Vierhouten aan de gemeente Ermelo toegevoegd. Het totale grondoppervlak bedraagt dan ongeveer 21.000 ha.

Tijdens deze nieuwe indeling wordt een definitieve gemeentegrens vastgesteld. Voor Nunspeet wordt er gesproken over de Brandsboom (aan de Bovenweg bij de Klaterweg), de Klaters en de Gellige flesse. Ondanks het feit dat de naam de gemeente Ermelo was, resideerde het bestuur in Nunspeet. Nunspeet was in die tijd ook de grootste woonkern. De bestuurlijke gemeente Ermelo werd, mede vanwege de grootte en de vorm van het geheel, opgedeeld in twee afzonderlijke kadastrale gemeenten.

De bestuurlijke indeling vóór 1795

Kerkelijk gezien viel het grondgebied van het ambt Ermelo binnen de grenzen van het kerspel Ermelo. Dit zal ook de reden geweest zijn van de bestuurlijke band tussen de wel ver uit elkaar gelegen kernen Ermelo en Nunspeet. Toch dateert de herkomst van het scholtambt (of schoutambt) Ermelo al uit de tijd van de graven van Gelre. Overigens moet hier wel bij verteld worden dat het dorp Elspeet en de buurtschap Vierhouten geen deel uitmaakten van het scholtambt Ermelo, maar van het scholtambt Barneveld.
De scholt of schout werd benoemd door het gewestelijke bestuur. Deze scholt had een omvangrijke taak en daardoor een groot gezag.

Hij was hoofd van politie en hulpofficier van Justitie. Hiernaast was hij verantwoordelijk voor de zorg voor de wegen en bruggen. De handelingen die tegenwoordig door een notaris verricht worden, werden vroeger eveneens door de schout uitgevoerd. Verder was hij nog deurwaarder en vaak ook ambtssecretaris.
De laatste scholt in deze tijd was mr. Hendrik Jan Ardesch (vanaf 1766).
Waar de scholt alleen de verantwoordelijkheid behield voor politie en justitie, werd zijn alleenheerschappij in de loop der tijd wel aangetast. Met name op het terrein van het financieel beheer verkregen de ambtsjonkers geleidelijk een belangrijke positie. Dat dit gevolgen had voor de bestuurlijke aangelegenheden valt te begrijpen.

Deze ambtsjonkers, waarvan het aantal niet beperkt werd, kwamen geregeld bijeen voor het bespreken van alle ambtelijke zaken. Iedere jonker die de leeftijd van 22 jaar had bereikt, woonachtig was in het ambt en daar onroerende goederen bezat van tenminste achttienduizend gulden, kon meepraten. Ook moest hij nog kunnen aantonen dat zijn voorouders al voor 1500 tot de adelstand behoorden. In het resolutieboek (zie inventarisnummer 1) vinden we de besluiten van hun bijeenkomsten terug. Veelal betreffen hun beraadslagingen de vaststelling en uitvoering van de belastingen.
Bij de uitvoering van diverse functies werd de scholt met name bijgestaan door de ontvanger, ook wel gecombineerd met de functie van secretaris. Daarnaast was er nog een tweetal onderscholten en enkele medewerkers met een specifieke opdracht.
Met het uitbreken van de Franse Revolutie breekt er ook voor het ambt Ermelo een nieuwe tijd aan. De gevolgen hiervan zullen we nader beschrijven.

De Franse tijd (1795-1813)

Met de verovering door de Fransen en de instelling van de Bataafse Republiek wordt het bewind van de ambtsjonkers geheel omver geworpen. Het "soevereine volk" moet gaan regeren en niet meer de adel. Er moet op bevel van de nieuwe machthebbers een richter en een gemeenteraad (onder de naam van municipaliteit) gekozen worden. Het nieuwe bestuur wordt pas in september 1795 door de inwoners van het ambt Ermelo gekozen. Pas op 6 januari 1796 komt de municipaliteit voor de eerste keer bij elkaar. Als richter is gekozen de heer van Leuvenum, mr. Antonie Pieter van Westervelt. Zowel uit Ermelo als uit Nunspeet worden er drie municipalen gekozen. Na enkele jaren wordt het aantal municipalen terug gebracht van zes naar vier. In deze tijd heeft het volk ook enige zeggenschap. In bepaalde situaties worden ze geraadpleegd. Een deel van de bevolking, namelijk de grondbezitters (of eigengeërfden) kiest met elkaar de nieuwe ontvanger.
Door twisten en verschil van mening op landelijk niveau wordt in april 1798 ook het oude ambt Ermelo opgeheven en de ambtsregering ontbonden. Als vervolg hierop wordt een gemeentebestuur van Nunspeet ingesteld, waarvan we overigens niets weten omdat hiervan geen stukken bewaard zijn gebleven. Deze nieuwe gemeente was een samenvoeging van de ambten Ermelo, Doornspijk en Oldebroek.
De secretaris van dit ambt was Dries Hoefhamer, de vroegere scholt van Doornspijk en latere notaris te Elburg.

Na nog geen tien maanden wordt deze bestuurlijke indeling al weer vaarwel gezegd en komt het oude ambt Ermelo weer terug. Ook de bestuurders van vóór april 1798 keren weer terug. De zaken worden als vanouds voortgezet en gedurende enkele jaren verandert er weinig, tot het jaar 1802.
In 1802 verandert de inrichting van het bestuur opnieuw. Richter mr. van Westerveld is inmiddels benoemd tot baljuw (of drost) van de West-Veluwe en woont in die kwaliteit de vergaderingen van de raad bij. Er is inmiddels weer een scholt van Ermelo benoemd, mr. E.G. Ardesch. Het aantal municipalen wordt teruggebracht tot twee, één van Ermelo en één van Nunspeet. Dit geeft tevens de afnemende volksinvloed aan. In de periode tussen 1802 en 1810 wordt er slechts tien maal vergaderd. In deze periode is er tussen 1806 en 1810 sprake van een zelfstandig koninkrijk onder Lodewijk Napoleon. Vanaf juli 1810 valt Nederland weer rechtstreeks onder het Franse keizerrijk onder leiding van Napoleon Bonaparte.
Het ambt Ermelo wordt onderverdeeld in de mairie Ermelo en de mairie Nunspeet en tot 1812 is dezelfde persoon maire (burgemeester) van beide besturen. In beide dorpen staat een adjunct-maire de burgemeester terzijde. Op 1 januari 1812 worden beide delen van het voormalige scholtambt Ermelo definitief gescheiden. Beide krijgen hun eigen maire en een eigen municipale raad. In Ermelo bestaat deze uit zes en in Nunspeet uit vier personen. Na enige tijd worden beide raden uitgebreid tot zeven personen. Deze werkwijze wordt voortgezet tot december 1813, de maand waarin het Franse keizerrijk valt. De prins van Oranje keert terug en wordt de nieuwe Koning.

De periode 1814-1851

Deze periode begint met weinig bestuurlijke veranderingen, ook al omdat men een hernieuwd bestuur van de ambtsjonkers in geen geval terugwenst. Enkel wordt de naam maire weer veranderd in die van schout. Deze schout wordt benoemd door de Koning en de leden van de gemeenteraad worden benoemd door het Provinciale bestuur. Het bestuur wordt geregeld naar aanleiding van de nieuwe Grondwet (1814 en 1815) en de als vervolg daarop uitgevaardigde reglementen. De schout kon zich laten bijstaan door twee assessoren (later de wethouders). In deze tijd zijn Ermelo en Nunspeet twee zelfstandige gemeenten, elk onder leiding van een eigen burgemeester. Deze zelfstandigheid is slechts van korte duur.
Met ingang van 1 januari 1818 vormen de gemeenten Ermelo en Nunspeet weer één geheel onder de naam gemeente Ermelo. Tevens wordt dan ook Elspeet en Vierhouten aan de nieuwe gemeente toegevoegd.

Op zich was er bestuurlijk niet zo veel veranderd met de periode van vóór de Franse overheersing. De functie van schout was nog steeds dezelfde cumulatie van verantwoordelijkheden. De zetel van het bestuur was gevestigd in Nunspeet, aangezien de schout daar tevens notaris was. Een tweede reden voor de keus van dit bestuurscentrum was het aantal inwoners, waarbij Nunspeet de meeste mensen telde.
De eerste schout van Ermelo was mr. Campegius Lambertus Vitringa, bewoner van de Grote Bunte. In 1825 werd de naam van schout veranderd in die van burgemeester.
Burgemeester en gemeenteraad hielden zich in die tijd voornamelijk bezig met de financiën, de belastinginning, brandweer, gezondheidszorg, onderwijs, de aanleg en het onderhoud van wegen (zoals de aanleg van de Zuiderzeestraatweg omstreeks 1830).
De Grondwetsherziening van 1848 bracht ondermeer de nieuwe Gemeentewet van 1851 voort. Hierdoor werd het gemeentebestuur op een veel meer democratische wijze vorm gegeven. De nieuwe raadsleden werden in het vervolg door de ingezetenen gekozen, evenals de wethouders, de secretaris en de ontvanger. Dit alles had mede tot gevolg dat burgemeester C.L. Vitringa, een rasechte regent, besloot zijn functie als burgemeester neer te leggen. Hiermee breekt weer een nieuwe periode in de geschiedenis van de gemeente Ermelo aan.

De gemeente Ermelo vanaf 1851

Als opvolger wordt benoemd een zoon van de vertrokken burgemeester, Herman Hendrik Vitringa. Hij was al sinds enkele jaren secretaris van het gemeentebestuur en vanaf zijn installatie verenigde hij beide ambten weer in zich. Al snel na zijn aantreden bleken de spanningen tussen de drie tot de gemeente behorende dorpen toe te nemen. Dit betrof vooral de beschikbare financiële middelen voor de afzonderlijke dorpen. Burgemeester Vitringa kwam hierdoor al snel met het voorstel om een financiële splitsing binnen de gemeentebegroting aan te brengen. De gemeenteraad betuigde de volle instemming en door twee Koninklijke Besluiten in 1856 en 1857 bleek van hogerhand goedkeuring te zijn verkregen. Na enkele jaren kan dan ook in het gemeenteverslag met genoegen worden vastgesteld dat deze splitsing het beoogde effect heeft gehad.

Overigens was het in deze tijd niet eenvoudig om als gemeente zonder al te grote lastenverzwaring voor de burgers financieel het hoofd boven water te houden. Wel was het een tijd van snelle ontwikkelingen, waaronder de aanleg van de spoorlijn.
Tot 1 april 1875 bleef Vitringa burgemeester. Door hem werd, waarschijnlijk om gezondheidsredenen, ontslag aangevraagd. Enige maanden later overlijdt deze burgemeester, die veel voor de gemeente heeft gedaan.
Als opvolger wordt benoemd Jean Henri van Marselis Hartsinck. Door zijn regelmatig ziekzijn heeft hij weinig voor Ermelo kunnen doen. Al in december 1877 overlijdt hij.

In de tussentijd bleek al dat, ondanks de financiële splitsing, lang niet alle problemen waren opgelost. Zo werd in deze jaren door wethouder Jan van Malenstein en andere inwoners van Ermelo een actie op touw gezet om een definitieve splitsing van de gemeente te verzorgen. De gemeenteraad was hier in meerderheid niet voor en berichtte dit aan Gedeputeerde Staten. Dezen namen hier geen genoegen mee en adviseerden om een commissie in te stellen om een en ander nader uit te werken. Inmiddels werd als opvolger van Marselis Hartsinck tot burgemeester benoemd mr. Adriaan Marie van Oordt.

Reeds kort na zijn aantreden op 7 maart 1878 ging er een brief naar Gedeputeerde Staten waarbij werd aangegeven dat een splitsing niet meer wenselijk werd geacht. Ook niet door wethouder Van Malenstein. De belangen der Ermeloërs zouden in de toekomst weer beter behartigd worden. Gedeputeerde Staten waren niet overtuigd en eisten de instelling van een commissie. Deze commissie werd dan toch in het leven geroepen en de uiteindelijke conclusie was dat de mening van de gemeenteraad ondersteund werd. Gedeputeerde Staten kwamen tot de slotsom dat er voor splitsing geen meerderheid te verkrijgen was en berustten in de ongewijzigde situatie.

De jaren daarna bleek er inderdaad meer aandacht te zijn voor de behoeften vanuit Ermelo. Er werd straatverlichting aangelegd. Met financiële steun van een particulier werd een spoorweghalte te Ermelo geopend. De gemeente droeg de kosten voor de aanleg van een weg vanuit het dorp naar het station.
In mei 1898 overleed burgemeester Van Oordt. Ook hij heeft veel voor de gemeente betekend en tal van gunstige ontwikkelingen in de gemeente zijn in deze periode waar te nemen.

Met ingang van 7 augustus 1898 werd tot vijfde burgemeester van de gemeente Ermelo benoemd jonkheer Henri François Schuurbeque Boeije. Het aantal inwoners van de gemeente was inmiddels in de tweede helft van de negentiende eeuw verdubbeld, zodat er nu ongeveer 9000 inwoners waren. In zijn ambtsperiode, tot januari 1908, is er veel vooruitgang. Dit zien we vooral op het gebied van technische ontwikkelingen. Zo wordt getracht (overigens tevergeefs wegens gebrek aan belangstelling) een gasfabriek op te zetten. In 1906 wordt een concessie-aanvraag voor de aanleg van een elektriciteitsnet positief beantwoord. Er zijn ontwikkelingen op het gebied van het telefoonverkeer; ook het wegverkeer met de auto krijgt een ander aanzien. Dit laatste heeft weer gevolgen voor de wegen in de gemeente. In deze tijd komt ook een nieuwe Woningwet tot stand en tevens wordt een gemeente-architect benoemd.

Op 20 april 1908 komt Ermelo's nieuwe burgemeester, Constantijn Willem Ferdinand Baron Mackay, de opengevallen vacature innemen.
Enkele maanden na zijn komst komt het vergrote gemeentehuis en de nieuwe raadszaal klaar. Ook in deze tijd is nog veel te merken van de technische vooruitgang en tot aan de wereldoorlog 1914-1918 neemt dit alleen maar toe.
In 1912 is het zielental van de gemeente inmiddels tot boven de 10.000 gestegen en wordt voor de eerste maal gesproken over een uitbreidingsplan.