Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart.jpg

Ingekomen stukken, 1579

Inventarisnummer 159:

Nummer 1

Ersaeme vrome ende voersichtighe gunstige goede vrunden. Uwer ersamen missieve de dato den derden january hebbe ick ontfanghen ende den inholt verstaen, waer inne u ersamen schrieven wie dat ick van weeghen Conincklicken Majesteits der stadt Elborch noch drie jaeren renthen schuldich solde zijn nae inholt der stadt renteboeck ende (doorh.: w) verner inhalt derselve. Soe is dat ick am laeste tho Doernspijck wesende in bijweesen Lambert Franckesen, Jan van Wijnbergen ende den secretarius der stadt Elborch ende meer anderen eine quitancie onder stadt zecret zegell beteyckent hebbe laeten syen ende lesen de anno 76 daerenbaeven noch drie verscheyden quitancien getoent jaerlicx van 12 dalder die ick van weeghen der stadt aende erffgenaemen van zaliger Thonis Goltsmit betaelt hebbe. Soe voele belangende die reste, tweeten van et halve jaer soe wanneer uwer ersamen mij quitancie onder der stadt zecret zegell bezegelt (doorh.: onleesb.) de anno 77 ende 78 daervan tho schyckt sall ick verschaffen dat u ersamen vandie selve reste gecontentiert ende betaelt solt worden. Soe voele oick belanghet dat ick u ersamen solde tho schrieven den lossdach om deselve loss pennonghen wederomme te ontfanghen weeten u ersamen sich nae inholt derselve zegell ende brieffe ick vander voorseide stadt hebbe waer nae u ersamen ende ick ons sullen weeten thalden ende soe mij daer en baeven einighe verhinderonghe baeven recht wie ick mij nieth en versien geschoege solde ick mij medt recht daer tegens moeten behelpen. U ersamen hier midt in schuits des Almechtighen bevelende. Datum Arnhem den 16en january anno 1579.

U ersamen goetgunstighe goede vrundt.

1.2
Die ersaemen vromen ende vorsichtigen borgemeisteren, scheepen, raedt der stadt Elborch mijn gunstighe goede vrunden.

Wilhem Bentingk am 27 january anno 1579. Elborch

Nummer 2

Eerntfeste eerbare discrete wolwijse heren unde vrunden. Ick hebbe u eersame lieven brief ontfanghen unde belangende de tijdinghe van den vianth heeft Andrees van Arler [in armis] den burghemeyster Johan van Wijnberghen ghenoegsam gheschreven de vianth en rucketh noch neeth voirth. Id schinth dath he om Carpens wijlle neeth daer ghecoemen is sonder meer om Collen. He holt sych noch al stylle dan de aventuriers koepen wel wath wyth um haferduren in Herler in Brabanth is gans onwyllych. Den wetser soude ick verseghelt souder hebbe se onverse gelten uth sijn huis ghehaelth. Nae Carel van Gelre byn ick ettelycke milen ghegaen, meer en hebbe hem neeth connen thoe peerde coemen unde en was neeth thoe vynden (doorh.: onleesb.). U lieven nagaen wath thoe sien de drost en reyst neeth vergeefs also en twijvelt sneeth ofte se huyden holden register van de genen de hem tho stendych sijnnen ofte neeth de mantel hooch swaefken thoes ende was seer droevich ende wijse neeth waer he een droefmantel solde crijghen men sal moethen strax de mantel up Dusburgh schycken ofte Toenis Huyghen heeft beveel en boede van daghe daernae thoe souden

2.2
den rentemeyster heeft de boede bijghewesen de werth u eersame lieven al dynghen wel segghet. Bentynck heeft van daghe weder ghedux knecht sonder en heeft noch neeth in Enghebert handen ghewest als ick wath sunderlynghes (doorh.: onleesb.) verneme sal ick sulkes wel laethen wethen. De here bewaerth den eerbaren raedth, myn ghebidende heren ende guyde vrunden in langheduerende ende selyghe regierunge ende ghesundheyth erbete. Uth Arnhem den 17 january.

U lieve dynstwyllyghe guyde vrunth,

Henryck van Curler.

Nummer 3

Erntfeste besunder voelgunstige goede vrunden. Naer hele behoorlicke reconnendatie sal deesen u lieven geadverteert zijn had ick op datum deses van zijne genaede den stathouder ontbeeden ben om welcke mijn ende seeckere schriftlicke ende mondelicke mandaet gedaen heeft als mijn heeren ock breder bij deese in gelachte copie verstaen sollen on dat ick u lieven solde toesenden doerch goede ende wel gemonteerde soldaeten ende also ick u eersamen voer desen tijt totten volcoenen ende perfecten getallen nyt en can gesenden doch zo u lieven deselve ylers to doen hebben begeer mij heeren mijn (doorh.: onleesb.) selve willen oversenden on ijlens met meerder knechten ver versien te moegen wonen. Mijn heeren is ock moegelich wel noetaer ende kennelyck nu alsnoch geene ordonnantie opte knechten gegeven is mijn heeren willen gelsins deselve voer een tijt lancx opte cloesteren doen forijren tot wijder ordonnantie ende bevelen van zine genediche heren ridderschappen daer in ordonieren sollen verhoede mijn genaedige heeren inden selven sollen willen den naer behooren. Met bewilgonge des heeren. Uuyt Aernhem den 19en janury 1579.

U eersamen geheele denstwilliger,

[ get. ].


Nummer 4

Eernfeste welachbare wolwijse heren. Alsoe wij nae ons afscheiden versoecoeken hebben dath (doorh.: onleesb.) ick u eersame lieven solde advertieren wen ick eedtwes nies ervoer soe ende kan ick mijn heren neett verberghen woe dath sekere schriven ende soennendaghe an mijn heer ghecoemen is uth Antwerpen ende ick hebbe de breven ghesien doch neeth al ghelesen ( dan ick en wyl des geen (doorh.: wed) woerdth hebben) dath Artoies ende Henegouen myth den spaniarden verdraghen sij ende id is ghewis die vianth is thoe Glaubeeck ende is daer omtrenth an desse syth Venlo ende hebben Stuper ghesleghen ] ende haer ghescuth is thum deel bynnen Arkelans bynnen Gelder ende (doorh.: Stralen) ende Wachteindonck synnen elck umtrenth 90 man thoe Stralen 40 tho Venlo 170 ende de vuer Voendel als Baeck. Everth van Wagheningen, Bommel, Gerryth de Jonghen synnen gisteren as een manendaghe eerst op de reise ghetoeghen ende id sal luck wesen comen se daer in coemen id mochte wel um id overquartier ghedaen wesen eer Stuper ghesleghen worde hadde he eerst wel so spaniarden gheslegen ende ghevanghen myth een spansen captein de welcke sych leerth verluyden dath (doorh.; onleesb.) sie bynnen dath ende

4.2.
naescoemenden sonnendach dath lanth van Gelren dachten in tho hebben den statholder ghe vanghen. Dyth hebbe ick huyden als dynghsedaech smorghens van Stupers broeder selven in den broeren alwaer Carel van Gelre myth al de patriaten vergaderth weren al waer se Stuper se broeder bij haer leten coemen ende hem sulcken afvragheden (doorh: onleesb.) sede id selve thoe hebben uth een breef welck sijn broeder de hopman an hem myth vrende broede open an hem ghesonden hadde um tho lesen ende daer (doorh.: onleesb.) nae sijne genediche thoe (doorh: onleesb.) behanden als se thoe ghesteken solden sijn welck he strackes afveerdichde nae Utrechth an sijne genediche verclaerde mede woe dath de spanyarden in int lant van Gulych gheplonderth hadden sommyghe kremers ende dath de vorst van Gulych an [] de Herges scrief dath men sijn onderdannen doch onghemolestierth (doorh.: werden) lete ende als de boede an de secretarissen gengh om antworth thoe hebben ende versceyden sollicitateurs oeck seer anheelden antworden de schrivers se conden se neeth depesciren wanth se myth de geldersen soe voele thoe schriven hadden als se myth hun dreer mochten beschriven. Dyth sal in den broeren weichegeholden wesende is daer besloethen dath de raeden welck daer sommighen mede theghenwoerdygh weren solden up de canselie gaen ende laethen de burghemeyster by haer coemen myth sommyghe burgheren ende de capteins om haer an thoe gheven dath de gheresolvierth bynnen sommighe

4.3.
thoe wyllen doen verhuysen uth der stath ende in welcke oeck an sommighe van Nymweghen gheschreven is al gisteren wath daer van werden wyl mach men verwachten. Dyth al thoe maele schriven ick uth vriycheyth (doorh.: onleesb.) an u eersamen lieven verhoepende dath mij uth neeth qualycken sie afghenoemen werden ende dath id bij mijn heren heymelycken sal blijven sonder daer van bynnes huis mentie thoe maeken daer bynnen 30 soldathen gheordinierth de bynnen Elburgh sullen lychchen ende ick dencke dath se daer ende wonsdaghe als morghen wel sullen sijn. Ick vertrecke van daghe als mijn heer weder hier sal sijn veerder hem oeck wellycht daer weder sijn hebben mijn heren enych dynck an mijn thoe scriven. Bynnen Nyckark sal men mij vynden ende sijn altes thoth mijns heren ghebide sieth u wel veeren. Men seght van enen groethe scelmmerie dath de uth ghebroeken solte sijn van Bussou. Carel van Gelre laeth mijn heren sijn vrunden seer groethen myth Henryck Wijnthes ende alle guyde vrunden. De Here (doorh.: me) nome mijn heren den eersamen raedth in selyghe bescherminghe.

Ick hebbe voele boeden ghehedth dan myth genen connen accordiren dan thum lesten heeft Toenis Hughen de coep de zo ith ghemaeketh, uth Aernhem dinghdaeghes den (doorh.:29) 30 january.

U eersame lieve guydtwyllighe dynar,

Henryck van Curler.

4.4
Dem eernfesten achbaren wolwijsen discrethen heren burghemeistren scepenen ende raedth der stath Elburgh mijnnen ghebidenden heren end vrunden, Elburgh.

Curler van zekerer tijding, ontfangen am 22 januari.

Nummer 5

Eerntfeste eersame wise vorsichtighe heren und guede vrunden, nhae behoerlicker ehrerbiedongh und guetlicker presention mijns gheringhen onverdrathen dienstes wunsch ick u lieven und eersamen die krafft und erleuchtigongh des hillighen giestes in u lieven und eersamen raidt und verkiesongh der schepenen twillen sijn op dat dairdurch sijn loff vermehret die vervallene muyren Jerusalems opgebuwet unde die ondersaten in ein godtsalich rustich ende stylle leven onderhalden werden moegen.

Demnha als ick gistern tho naemyddaghe thuys bynn gekoemen mij mijner gelofften ahn u lieven und eersamen ehrinnert en heb ick niet moegen naelaten u lieven toe advertiren wes (kortlich) vander ghemeiner saicken sij gedaen tweten dat ghemeinlick is gesloeten datmen soe balde moeglick sall uthsetten ende opbrengen tweemaell hondert duysent daler daermede dat alle onsses furstendombs und graeffschap schulden und noch etzlicker lopender maenden solden gantz und geheell solden konnen affgedaen und betaelt worden. Unde dese penninghen solden worden gevonden op allerley gerede und ongerede guederen doer tgansse landt sulcker gestalt datmen van eliker hondert guldens siaers geven sal den 25 penninck nemplick van die hondert vier oick mehr offte mijnre nae advenant bouw erven ende andere warhen und coepmanschappen bij behoerlicken setteren all oick nae advenant op gelt getaxiert. Unde vermitz dat bij etzlicken wal wordt ghemeint dat diese verseide ordonnancie (omb tbeter gelijckheit thalden) niet soevoel soll opbrengen als op andere wise hierbevoerens is geschiet soe is soewel widers bewillicht dat wes in dieser voeghen restiren soll moegen (durch tvurseide furstendomb und graefschap) an die twemaell hondert duysent dalers dat dairvan ein ieder quartier nha olden gebruick sijn quota sol worden toegelacht omb tselve myt sulcke manieren op tbrengen

5.2
alsmen genoechlickst bevynden sal tho moegen geschienn. Unde salmenn midler tijdt die consumptien averall opgeteikent invorderen ende die licenten oern loop laten hebben wie dan u lieven und ersamen feerner uth dat verbael (twelck ick haep margen avondt tkreigen und u lieven omb uthtschreven sal schicken) sullen hebben tho vernhemen dan van desen allen sullen u lieven und ersamen vander hoefftstadt noch wider uthschrivens ontfangen.

Der heer van Obdam bedunckt mij naer u lieven gesanten vertreck hier angekamen tsijn myt credentz vanden Zelandern unde Hollander. Avermaels versueckende die naerder Unie gemerckt dat wij denn viandt voerder doeren hadden. Begerende wij Gelderschen ons nochmaels myt honnluyden wolden verbinden. Twelck gedaen sijnde mochten wij ons genoech versekert halden, voertz promptelick alsulcken behulp und stuer van honluyden toe gewarthen tot wederstandt des viandtz, dattet ons ahn gelde, kriegsvolck und allerhande provisie tot denselffsten gehoerende niet mangeln, maer van alles genoech solden worden versihen. Omb dann van desen ietwes sonderlinghes voerthonemen. Soe ist vorhanden dat onsser genediche heer stadthalder sich darwertz werdt vueghen, tUytrecht wairsijn dan sich oick onsse gesanthen eynes iedern quartiers eijne werden vinden laeten bynnen Utrecht opten 22 dieses maentz dair Sander bentinck uth onsse quartier sijn sal, und salmen vanden saicken aldair gehandelt, ieder quartier apart reportiren doch verhaepe wat sluytlicks sal tractiert worden, doch off baven toeversicht bij allen quartiren niet dairin worde verwillcht bedunckt mij Nijmegen wal willich tsijn und onsse quartier hoechnoedich tselve niet afftslaen.

Cantzler und raeden hebben vergangen saterdaege smorgen inder anwesenden vander landtschap tegenwoirdigheit oer eedt gedaen. Tho Arnhem is een zeeve voerhanden dairvan die gatern soe groet sindt (alsmen dair secht) als een rynck van een radt

5.3
die ewighe Godt wil mit sijn genade bij haer sijn dat alles tot sijner ehren des landtz welfaren und dier stadt lesten geschie.

Niher guder tidongh kan ick u lieven und eersamen niet verhalden wie dat daer tho Aernhem uth voel verscheiden plaetzen soe an die van Hoechsaxen als andern tijdongh quam dat der staten crichsvolck dat slodt Namenn mit dem Berch dairan innegenomen hebben unde dat dairom alle spaenjaertz und andern oer volck weder nae Namen gevordert wordt; twelck gien cleyne saicke wehr; die ewighe Godt und vader wil ons sijn genade verlenen ende tsamen salich maken. Hiermit gebidende heren doe ick u lieven und eersamen thosamende und elcx sonderlingh sehr grutten die u onder einandern mit wijsheit und respective lieffde wil verbynden dat u lieven alsoe moecht regieren dat ghij uwer sielenheil und selicheit moecht dairvan brengen und dairop getroest ju inden heren op desen kuerdach moecht vrolick maken, amen. Datum Herderwijck den 20 en january anno 79.

U lieven unnd ersamen dienstwilliger,

Ernst Wittenn.

5.4
Dem eerntfestenn eersamenn wisenn discretenn unnd vrommenn burgermeisterenn. Schepenenn unnd raedt der stadt Elburch gunstigl[] ges[].

Ernst Witthe van zekeren tijding, ontfangen am 20 january anno 79.

Nummer 6

Eerentfeste wolachtbare zeer discrete bijsonder goede vrunden. Nae mijne vruntlyck erbiedongh uwer lieven, is mijn begeren zoe ick enighe boter van doen hebbe, dat u lieven onss lesten affgescheyt na een goet virendel boters willen bestellen met die ersten ben toe vreden tot mey toecomende toe wachten. Sulcx verschulde ick tegens u lieven yder tijt geern. Uuyt Arnhem den 23en january anno 79.

U lieven dienstwillige, Frederik van Boeymer.

Die vianden zoe ter Erckelens ende Straelen geweest, wordt gesacht, wederom opwaerts te trecken naer idt quartier van Maestricht ende tlant van Valckenborch. Men hoopt dat zij vermits desen natten doyweder oir geschut nyet zulen toe rugge kunnen brengen, wordt oick gesacht dat zij in alles nyet als 8 oft 9 hondert personen (doorh.: onleesb.) starck geweest, hyer uuyt verneempt men, wat een cleyn hoop volkes kan uutrichten daer geen wederstant en geschiet.

6.2
Den erentfesten wolachtbaren und fromen Johan van Wijnberghen ende Lambert Francken burgemeisteren der eersamen stadt Elborch mijn grosgunstige goeden vrunden tot Elborch.

Product am 25 january anno (doorh: 78) 79.

Nummer 7

Copie.

Matthias bijder gratien Gottes eertzhertoge van Oistenrijck, hertoge van Burgundien ende gouverneur ende capitein generael vanden Nederlanden.

Welgeborne edle eersame lieve besundere, wij hebben met groot leetwesen verstaen dat de vijanden sich int furstendom Gelre seinden hebben begeven ende sommige plaetsen alrede innegenomen, waeromme wij niet en hebben cunnen onderlaten u lieden met dese te vertroosten ende ernstlick te vermanen dat ghij lieden den moet niet en wilt verloren geven, maer melcanderen trouwelick helpen, den vijant mannelick weder te stane tot conservatie van lijff ende goet, wijffven ende kynderen, van eewige ( meer als barbarsche slaverine oft selven doot dair toe uwe ende uwen goeden voirvaderen vromicheit ende krieservarengeit u lieden als wij hopen). Soe sal bewegen dat die landen ende luyden te minste schade des vijants corts sullen worden ontslaegen, waer ‘tme wij ende de generale staten oick alle moegelicke middelen sullen voirwenden ende employeren, sonder iet ter werlt te sparen dat tot uwe bescherminge oft hulpe soude moegen dienen, hebben tot dien eynde bevolen allen crijgsluyden naestliggende sich derwarts in aller neersticheit te vervuegen ende gebruicken te laten daer ende alsoe onse zeer lieve neve de welgeborne grave Johan van Nassauwe uwer gouverneur ende ghij luyden die selve sult noodich oft oirbar vinden te sijne

7.2.
ende ingevalle ghij luyden meerder getal van chriechvolcke oft andere middelen in onse macht sijnde bedarft sullen wij (daer aff geadvertiert zijnden) egene oirsaecke voirbij laten die tot uwer versterckinghe sal mogen dueren. Bidden u derhalven tanderen male u dapperlick ende vromelick te verweren tegen die gemeyne vijanden, die oick hunne vrunden gewoon sijn totten uuytersten te plagen. Welgebornen edele eersame lieve besundere, u hiermede inde bewaernisse Gottes bevelende. Uuyt Antwerpen den 23en january 1579 [d.wl] Onderteickent Matthias, wat leger N. Hille.

Dobschrift.

Den welgebornen edle eersame onse lieve ende besundere baenreheren ritterschap hooft en cleyne steden die staten van tfurstendom Gelre ende graeffschap Zutphen, representierenden oft hunne gedeputierden.

7.3
Wordt beloofft hulpe en bijstandt om het landt van Gelre te beholden doer hertog Mathias anno (doorh.: onleesb.) 1579.

Copie eure myssive der ertzhartog Mathias in februarie anno 79.

Nummer 8

Erentfeste, ersaeme, wijse und voersichtige bijsonder voellgunstighe heeren und frunden, u lieven und ersamen brief den 23 deses aen mij geschreven, hebbe ick op huiden ontfanghen und gelesen, und den inholt desselvighen mijnen genediche heeren stadtholder vermeldet, die welcke mij daerop geantwordt heft, dat sijn genediche voer ditmaell (vermitz sijn genediche gisteraevont laete hier yrsten wedrom van Utrecht aenkoemen (doorh.: ik) und nu mitten magistrait toe veranderen gelijck oeck mit andere noedtwendighe gescheften gemoyt und belaeden is und aevermerghen wedrom op Utrecht toe verreisen voergenaemen heft) indie lenongh voer die knechten aldaer liggende und pulver toe verschaffen geen ordre stellen kan, dan vermeint sijn genediche dat u lieven und ersamen dieselvighe lenonghe wall doen muchten vander pennonghen die aldaer vanden limiten und generaelle middelen koemen und sulx der lantschap in reeckenonghe brenghen und (wie billick) korten und soe voell den service aengaet daervan heft sijn genediche mit hopman Hegeman gehandelt und is verdraeghen, dat yder gemeyne soldaet acht gefal[] stuver, die vander edelborst 10 stuver und een beveellhebber 15 stuver alle weecke voer sijn service hebben sallen, die verhandelonghe vandie naerder Unioen tot Utrecht gehalden, heft (Godt lof) een goedt beginsell gehadt want die (doorh.: dan) van Hollandt, Seelandt, Utrecht, Vrieslant und Omlanden sijn dieselvighe entlick mitten anderen ingegaen und onse Geldersche gedeputierden hebben oir verhaell genaemen und sullen wij ons binnen 14 daegen het een ofte het ander verklaeren weshalven oeck in yder quartier een quartiersdach uitgeschreven und gehalden sall worden dat die van Artois und Henegouwen mitten viandt gehandelt und verdraeghen sollen hebben, daervan en is hier geen tijdongh und ick geloef oeck

8.2
wall dat sulx niet waer en is, den viandt tucht int Aeverneerdell vast wach und weer dan heft noch geen entlicke belegerongh gemaeckt watt aeverst noch geschieden sall werdt die tijt leeren uit Brabant en hebbe ick lange geen seker tijdongh vernaemen dan datmen mitten malcontenten soe goedt als verdraegen is doende u lieven und ersamen hiermede den Almoegenden heeren bevelen den ick bidde dat hij u lieven und ersamen in een lanckwijlich leven und gelucksalighen regimente erhalden und bewaeren wille. Datum ilende uit Aernhem den 25en january anno 1579.

U lieven und ersamen bereidtwilliger frundt,

Karll van Gelder.

8.3
Dem erentfesten ersaemen wijsen und voersichtigen heeren borgemeisteren schepenen und raedt der stadt Elborch, mijnen bijsondere voellgunstighen heeren und frunden.

Karll van Gelder van zekere tijding, ontfangen den 27 january anno 79.

Nummer 9

Eersame und fromme voirsichtige gonstige guede vrunden. U eersamen missive van data den 23en huius heb ick ontfangen und vuege u eersamen daerop ter vrundtlicker antwordt, wie dat ick onlancx ter Elborch zijnde den stadtdiender Jacob Janssen heb gespraecken. Wye dat ick hondert gulden bij den anderen had om die stadt tbetaelen. Is naederhant dselve Jacob Janssen met een quitanty om dselve penningen tontfangen bij mij gekhaemen die tselve van mij qualicken verstaen had, want ick hem had gesacht dat dselve penningen waeren bijnnen Arnhem. Ick wolde dselve an handen Derricx van Wetten tot behoeff ihrer stadts avertellen. Doen is genanten Jacob Janssen van mij gegaen om hulp. U eersamen toe kennen tgeven averst heeft hye mij daerop geen antwordt gebracht. Alsoe dat ick dselve penningen obgemelt Derrick van Wetten heb avergetalt als dselve bij desse ingelachte quitanty bevinden in kort dagen werde ick (gundt Godt) ter Elburgh commen, willen u eersamen mij alsdan neffens hondert gulden die ick vurgenoemd in twee termijnen betaelt heb recepisse vande halven penningen toecommen laeten. U eersamen die de Almechtighe in zijnen godtlicken schutz und scherm wil behueden. Datum uuit Asrnhem den 25en january 1579.

U eersamen gonstige vrundt,

Henryck Bentynckss,

Drost van Averveluwe.

Nummer 10

Mijnen wylligen dienst und vermoegen inden tijd zuzoeren. Erentfeste ersame wise und vuersichtige gunstige heeren und guede vrunden. Ick zolde u lieven und ersamen die idt recess alleen gesonden hebben, aver en heb sulcx mitz andere den lant ende stadtz gescheften niet kunnen doen. Hiermede u lieven und ersamen in schutz ende scherm dess Almechtigen bevelende. Geschreven Aernhem am 25en january 1579.

U lieven und ersamen dienstwylliger,

[] Wetthen, secretaris.

Nummer 11

Copie.

Op u lieven an mij gesante missive frundtlicke lyven vrunden kan ick u lieven neffens mijn erpidongh onvermeldet nicht laeten wie dat onser genediche her stadtholder gesteren den gantzen raidt deser stadt geraden om voellerley oirsaecken sich des raides ampt toe verlaten twelck oer lieve nae gesonden raidt gedaen und heft sijn genediche voerts bij provisie weder tot schepenen ge nomineert die soen vanden heer tot Lornen, Gelre, alepanche bentiuck doctor vanden Sande tallicken Johan Engelen Engelbert vanden Berch, Henrick Wijngens und lestlick [] gewilt (nyet tegenstaende alle mijne gedaene excuyss) dat ick dit jaer mede den last an nhemen solden dat mij nicht wal mogelick verhopende dat men hen forder wat beter enicheyt mit die ridderschap und andere steden wie voer sein geschiet halden sall die heer will dair tho verl[] sijn genandt sijn genediche heft ons oick verhaelt wie dat die Union tho Utrecht mit die van Hollandt Zeelandt Vrieslandt Omblanden van Groeningen und styft ytrecht gesloten und dat sijn genediche mit geleyckent die van Nijmegen hebben sich oick genoich verclaert dair mede toe vreden toe sijn als insgelijcken die van Bommel, Tyell und Tyelerweerden die wijle dat nu die ritterschap und steden van Veluwen uuyt gesondert Arnhem ercleert voersyhe ick mij waell dat aen desen quartier nicht feyllen sall als eyn saecke de hoech noedich is want dessen nacht sijn genediche van pest becomen mit waerschulvinge soe vandaen ertzhertzoch

Mathias

11.2
Mathias als heren printz van Oranien dat men op tland van Gelre guede acht will nhemen want die vijandt voer zuecker tselvigen mit ernst an tho vangen voerhebbend is welcke brieven sijn genediche mij als balde toe gesanth die ick oick gelesen van mij begerende dair aen tho willen sijn dat doch aen stondt gelt nicht werden opgebracht omb alle noettruft voer de steden toe coepen und die soldaten willich toe (dooerh.: maecken) halden. Bidt derhalven dat u lieven mit die vrunden aldair dan ick mij gantz dyenstlick und vrundtlick erpiede spreken willen dat doch aen stondt wat gelts opgebracht und alhyer an mij gesandh mach werden crtende tselvige weder aen die capitaell settingen, alhyer worden wij oick nicht onderlaten idt beste to doen want men sall al nu mit uwe gulth meer doen als thans oder morgen und villicht toe later tijt (dair Godt voer sij) mit tyen derhalven wilt nicht onderlaten idt besten to doen want sus solden sijn genediche lichtelick oirsaeck gegeven worden sijn handt van ons af to slaen wie sijn genediche dan dair van genoich opten lesten gehaldenen landtdach geprotesteert dat bij faulte van behulp und bijstant tselvige noethhalven doen sall moeten wolden waell dat de vander Elburch hyer van und alle goede patriotten veradverteert worden dat die idt beste nu deden die van Hollandt und styft van Utrecht willen van gelijcken doen sijn genediche sest mede gesacht dat die van Hollandt schicken tot ouren cost 4 geleyen und een anuvaell tott

bewairnisse

11.3
bewairnisse vande stroemen willen die oick tot oeren costen onderhalden und betalen die salve costen van die vestinge die steden bidt derhaslven nae wie voer idt beste to wallen doen dat men wat penningen lehene tlovell nicht aen die restetution siende die anderen dat wij ons begeven thelpen werden ons oick des toe mildelicker mit deyllen [] tzelvige heb ick u lieven ter begeerte andt wont onvermeldet nicht konnen laten, die van Nijmmegen hebben 400 soldaten van hegenian in tho hebben begeert sinnen oick algereets waell bij de 200 tugetogen dese stadt moit bet besatt sijn die van Stralen hebben willichlick den vijandt ingenomen oick selffs begeert wie dan oick die van Venlo und Gelder gedaen hadden dan is gesacht Godt loff binen Gelder stunen [] neffens hopman Swain die dair toe voerens in lach Gerryt de Jonge und bennuelt binnen Wchtendonck Baick und Venlo Evert van Wagenyngen und nhemen noch 300 soldaten aen neffens de twe venlen van toe voereys[] sijn genediche heft bevolen die magistraet aldair tho verandete [] ijlents uuyt Arnhem den 26en january anno 1579.

Nummer 12

Eersame welgelieffde heren und frunde, naer behoerlicker ehrerbiedongh und sonderlinger toegeneigentheit en heb ick u eersamen gueder tidongh niet moegen verhalden, wie dat die naerder Unie mit Hollandt, Zeelandt, Utrecht, Vrieslandt, Groeningen und Groeningerlandt voer seker iss geaccordiert, dairtho onsse Geldersche gedeputierden sich niet en hebben konnen inlaeten, dan opt report van oern principalen, die men wal verhaept dat daer wal mede in consentiren sult sonderlingh onsse quartier datter meest ende viel angelegen is, vermitz dat die veranderongh dess magistraets vander hoeffstadt geschiet ende die reste als ritterschappen end cleine steden altijdt wal willich sijndt gewest. Als Nijmegen Thiel ende Bommel noch sindt. Und het averquartier nu niet anders als scrivers thebben sal begeren, Zutphen ende die bannerien moegen doen alst sal behoeren, Averst Averissel iss niet daer gewest, moeten wat prysten ombt voergaen naer oere groete angebaeren wijsheit, off sihe noch niet genoech waren vanden heren getuchtiget. Ven desen sullen u eersamen widers uth bijgevoegter copien vernhemen dan wie solte niet sulcken behulp der naobuyren in norden sijnde ahnnemen willen, dwiel sihe beneffens alle behoerlicke assistentie onss alle onsse vervallene steden presentiren op oere halve kosten tho vesten ende verstercken, und dairneffens all op oern kosten vier galeyen ende enen admirael tot slandtz Gelre bewaringh opten stroemern schicken, den viandt daer mede

12.2
affbreuck tdoen. Alsoe dat ick haep datter der lieve Godt eens sal versihen, unde sijnre kercken een weinich intermissien geven. Daerbeneven iss durch 2 verscheiden posten unssen genediche heer angedient dat der mangel mit den malcontenten iss hyngelacht ende verdragen. Diergestalt datse opt nie den staten generael gesworen vier maendt baer geltz ontfangen und ophgetagen sindt Loeven Diest ende Leeuwen tho eroeveren die haer prijss gegeven sijnt dan an dit accoerdt en iss der generaliteit niet weinich gelegen, derwegen dem heren van herten tbidden omb eynen geluckighen uthganck dieser saicken tot prijs sijns genediche naems. Und wil nu hoechnoedich sijn sorgh tdragen omb mitten iersten die opgeteickende consumptien bijderhandt toe nemen om inder ile enige penningen tlichten tot bevorderongh der saicken, wess dat die van Aernhem die utschrivongh doen vander 25en penninck lestmael bewillicht want nu een weinich vertoechs een grote verachtertseidt kan maecken. Twelck wij alsoe oick menen voertonemen.

Het verbael lestgehaldenen landtdaechs heb ick ierst gisteravont laet ontfangen twelck noch vandage off thom lengsten margen sal worden gelesen und sullen u eersamen tselve dan voertz toeschicken off moeget selffs laten eischen soefeern nymant van hier derwertz gaedt. Bevelende u eersamen tosamende (neffens mijnen geringen dienst) im schutz dess Almechtighen. Uth Herderwijck sehr haestich opten 27 january anno domini 79.

U eersamen dienstwillige freundt,

Ernst Wittem.

12.3
Die gewesene raidtzheer Bendt Wesenhagen, Goetelandt, Koldewijn, die doerweerder ende mere andern sulcker gelonen tot 10 off 12 sindt tho Aernhem uth hewesen. Ther oirsaick (alsmen secht) dat G[ ] een spaenjaert hefft gevangen die bekendt had dat op G. Paulidach Nijmegen, Aernhem und Tiel solde gelevert geworden sijn in handen des viandtz, twelck myt veranderongh der magistraten is behindert.

Nummer 13

Eersame wijse und vursichtige besunder guede frunden. Alsoe onse genediche heer stadtholder ons op huyden toe geschreven, dat die voorgeslagene Union tusschen den provintien Hollandt, Zeelandt, frieslandt und Ommelanden van Groeningen (mitters hulpe Gottes) den 22en deses toe Utrecht eyntlich gesloten is, und zijn genedichen mit den gedeputierden van hollandt ende Utrecht soe vuel gehandelt hebben dat zij oirbuedich und willich sijnt desen furstendumb aenstondt mit volck und gelt to assisteren soe fern die ritterschappen ende steden deser quartieren indie zelve Union to treden begeich zijn, ende soe dan zijne genedichen raidtsam erachtet tegens den 3en deses toecommende maentz des avonts binnen Arnhem into kommen een quartiersdach uuytgeschreven toe werden langht demnae onse gantz frundtliche begeren, dat u eersamen enige uuyt oren middel op dach vurseid mit genochsame volmacht op gemelte Union capitael impositie ende andere saicken inden ersten [ ] aengetogen willen affertigen omb dairop to helpen communicieren raidtslaegen ende eyntlich sluyten als tot nutt ende welvaert des vaderlantz reicken sall. U eersamen hier mede in schutz und scherm des Almechtigen bevelende. Geschreven den 28en january 1579.

Burgermeisteren schepenen ende raidt der stadt Arnhem.

Nummer 14

Erentfeste ersame wijse und vursichtige bisonders goede frunden. Wij schicken u ersamen hierinne versloten sekere supplicatie ons durch Georgien van Middachten gepresentiert, inhalltz lees u ersamen daeruut tho verstaen,

Dwiell wij doin niet lievers en lagen, dan dat die twist alls tusschen moeder und kyndt sich erhellt, eens mit frede und frundtschafft medegelacht, und dat in plaets van die onfrede liefst und eenicheitgeplantet wurde. Demnae is ons frundtlich gesinnen und begeere n dat u ersamen den inhalden der hierinne verslatener supplicatien, des suppliants moeder opt aller vuecheligst vurhalden, beiden parthien vur sich bescheiden und mit allen vlijt und neerstcheit daernae arbeyden, oeck niet affholden willen, wes dat beydersijdtz uutstaende misverstanden, inder guede hingeslegen und verdragen muchten warden, glick wij sulcx alsoe tho sullen geschien u ersamen erfarenheit und vredelieventheit ganslick doen vertrouwen inden aeverst die frundtschafft niet getrefft konde worden ltees niet tho verhoepen in dem pfall is ons gesinnen, om die gruntlicke gelegenheit der saicken mit allen vlijt in schrifften vervat und ons solches alls oeck an wem der feell der fruntlicher vereingnungh (derselver bedunckens nae) principalick gewesen am vorderligsten aver tho schrijven om wijders nae befindinge der saecken daerinne tho ordonnieren, Mit bevelungh des

Stathelder cantzler ende raden van Gelderlandt,

J.M.W. Sluijsken.

14.2
Dem Erentfesten ersamen wijsen ende vursichtigen burgermeisteren schepen ende raedt der stat Elborch, onsen besonderen goeden frunden.

Stadtholders canthseler und raidt anterf frund Middachten und sijne moeder. Ontfangen am 11 february anno 79.

Twist tusschen Joriaen van Middachten ende sijn moeder Luws van Urck anno 1579.

Nummer 15

Aenden waelgeboren hoochwijsen hoochgeleerten heern mijn heer die stadtholder cantzler und raeden deses furstendumbs Gelre und graeffschaps Zutphen.

Verthoont und geeft in aller onderdenicheit tkennen Georgien van Middachten, wie dat hem suppliante zijner huysfrouwen moeder joffer Lubbe van Urck, weduwen wilen Arndts tho Boecop voir etliche tijt voir desen hove in rechte heeft laten beroepen, eyschende und vorderende zeeckere alimentatie, niettegenstaende dat alle tijt oir die selve nha oire qualiteit und der guederen quantiteit van hem suppliante und sijner huysfrouwe bis her und noch rickelicken genochsam gepresentiert und oick nywerlde geweigert to blickende bij ene certificatio onder littere A hierbij gefuecht, ende ongeacht die presentatie van die voirseidealimentatie heft gelickwaell des suplianten huysfrouwen moeder voirseid van mijn heeren cantzler ende raeden befelschriften uthgebracht und erlanght, so anden drosten vander Veluwen Bentinck so anden richter int Oldebroeck daeronder des suppliante huysfrouwen goederen gelegen dat die selve solden van wegen der alimentation executie op die goederen doen, het waer dan dat der suppliant tegens die executie met rechte ietwes hadde to seggen, in der selviger averst nadem sich die suppliant groitlichen beswaert und gegraniert befonden heft hij sich daerentegens wie wal ongerne met rechte geopposeert und alsoe niet alleen under den drost Bentinck voirseid sich mit rechte ingerlaten sonder oick bij den richter int Oldebroeck daer tegen gestalt ende wie waell zij wael behoort hadde oir angegeven proces opt voirseide plaetse uuyt to vorderen ende tp prosequeren so heeft zij den suppliant opten 1en marty des verleenden jare 78 voir een eerbaren raedt der stadt van der Elburch de nonno gecitiert op welcke citatie hij suppliant comparerende, heft domaels sijner huysfrouwen moeder voirseid tegens hem suppliant scriftlick alsodane aenspraeck ingebracht als dat hij geholden soll zijn binnen die vrijheit der stadt van Elburch souffisante burge to stellen omme dat gewijsde to voldoen

15.2
van wegen een ideren und alles so sij op hem suppliante to spreecken hadde, waer tegens die suppliant geproponiert heeft in exceptionne.Litispendentie ende dat hij gheensins schuldich zij die cautie judecatum solvi tho prestieren noch voir den selve gerichte dairop tho antwoorden, gemerckt die saecke ander voirgeruirten orteren als neemptlich under drosten Bentinck und den richter int Oldebroeck anhengich gemaeckt und daer ierst [..] gedendiert und ten einde gefuyrt werden oick dwiel sodane cautie gefordert wort voer und alleer vandes supplianten hutsfrouwen moeder die principael anspraeck is ingelangt dieselve doch dese geeysschte borchtocht nha rechte behoirt voirtogaen daermit die borghen weten wair voir zij caveren oick mede sustinerende dat die vanden Elburch zijne competente richters met zijnen dan dat drost van Veluwen denselven die saecken wie vorige dacht algerede voirgekommen.

Averst onangegesihen der rechtmetigen und billicken voirgewanten exceptien hebben erstlich die afgetredene schepen der stadt Elburch tegens alle recht und billicheit bij eene interlocutoir sententie gewesen ende uuytgespraken dat hij suppliant schuldich und gehalden zal zijn sulcke gevorderde cautie und borge to stellen. Daernha hebben die ietzgeruerte burgermeisteren ende schepen ter instantien van des supplianten huysfrouwen moeder voirseid geprocediert mit consignatie und toezegelonge tot drierwegen sijnre huysinge und goederen als dat hij tselve niet solde moegen gebruicken flotten und fuyren so voirhen geschiet und dit al tot des suppliants grote schade. Und wie wael hij suppliant omme relaxatie vande voirgedachte consignatie bij een eerbaren raedt der stadt van Elburch voirseid angehalden heft, so heft dannoch der mehr gedachte raedt hem suppliant die selve resignatie geweigert und weder recht und alle bilicheit afgeslaegen, und dat meer und arger is, is die suppliant in gewisse ervarongh gecommen dat zij tegens den to kompstigen woonsdaghe dwelck is der 11en deses monatz february gedacht sinnen des supplianten huys tho refereren und zijn kisten und kasten op to slaen ende die goederen laten inventorizeren ende oens gefallen dairmit handelen dat oick alle natuirlicke stad und landtrechten contrari gemerckt die inventorizatie ende consignatie

15.3
gescehet unverhoerter und onverwonner princip aler saicken die selve des supplianten huysfrouwen moeder noch toe tijt niet heft proponiert, oick der suppliant tot derselven nywerlde heeft willen schrijden sonder alle tijt forum incompetens declineaende sich voir zijnen competenten richter den drosten van Veluwen tho rechte geopferevert heft ende noch doet offerean dwiel dan waelgeboerne hoochwijse hoochgeleerte heern dsuppliant sodane toezegelinge zijnes huys ende verhandene inventrizatie weder alle stadt und landtrechten ende hij suppliant niet soude willen lijden om enich goet ter werlt (doorh.; onleesb.) keert sich die suppliant tot u genedige edele und u versoeckende und biddende die selve wolden gelieven to ordonnieren ende wel ernstlich tho befelen den burgermeisteren schepenen und rhaitt der stadt Elborch voirseid dat die selve sodane consignatie vandes supplianten guederen wederomme afdoe relaxere ind resignere daermit hij sijne goederen mach flotten und fuyren daerhen und soet hem werdt gelieven oick mede des supplianten huysfrrouwen moeder mandieren dat soe fern zij mit die gepresentierde alimentatie niet content will zijn, die selve oir vermeinte recht under den drosten vander Veluwem, daerselffst zie dat begonnen prosequere und vervordere. Dit doende etc.

Nummer 16

Erentfeste wijsse unnd voersichtigen insundere guede frund. Alsoe voertijdenn een verdraech gehaldenn is tusschen die heerren unnd stadt vander Elburgh unnd heer Adriaenen van Isendoren genant van Blois, dombheer zu Utrechtt, mijnen broeder zaliger, daer vann twee brieven gemaecktt synnen, den eenen bider stadt van der Elburgh, die andere bij mijn zelliger broeders brievenn. Dyewijll ich dann durich deessen druybbel inderhaest niet gekommen en kann, ist mijn vruntliche begeeren u lieven mich een copiam autenthijck uuyten voorseide verdraegh soe bijder stadt berstett schicken, und beveellen den secretario, dar hij mij sullix om gebehoerlicher loon will volligen laetten. Sullix wil ich altijt gerne verschuldigenn. Hier myt sijtt den Almechtigen bevoellen. Actum Vaessen den 14 february anno vijftienhonderd negenenzeventig..

U lieven goeden vrundtt,

R. van Ysendoern à Blois.

Nummer 17

Unsern vrundtlichen gruth tho bevoerens, ersame wijse und voirsichtige besondere gunstige guede vrunde. Alsoe unsers zaligen midtburgers Derrick Hulmans nagelaten kybde, oick Derrick genoimpt, durch doithlichen affganck sijnes zaligen bestevaders bestemoders ohms und moyen, hiervoirmails ennige lenderien umbtrendt u erssamen stadt und oick eyn huiss bynnen u erssamen stadt gelegen angeerfft und angestorven synnen, welcke lenderien und huiss tot furdell und behoiff gedachtes kyndes beth an her verpachtet, so und die pacht jaeren van den allen up nu naestkommenden sanct Petri ad cathedram (als wij dair van berichtet) geendiget und uth solden sijn. Und dan unse midtburgeren Herman Kuper und Claes Lambertssen gedachtess kindes momberen und voirstenderen bedacht und voirhebbens synnen gemelte lenderien und huiss tegens dessen anstainden sanct Petri tot behoiff dess kindes wedder etliche jaeren nae gelegentheit uth tho doinund tho verpachten, hebben wij nith underlaten muegen u erssamen schrifftlichen dessals dairmith dess kindes beste in allen soe voell moegelicken voirgestalt muchte werden, tho begrueten gantz vrundtlich und naberlich begerende u erssamen oire auctoriteit hier tho medde interponieren und mith ernste dairvan sijn und toender unsses Claes Lambertssen dess kindes eynen momber als dair tho beveell und last hebbende soe voell moegelicken then besten befurderen, und behulplich sijn willen, dat dess verstorvener unmundigen kindes guidtgen und armoeth then furderlichsten und then duirsten prijse wedder verdain und verpachtet moege worden. Dairan werden u erssamen ein guidt und Christlich werck und unss besondere frundtschafft doin, die wij mith stediger frundwilliger dangbarheit in glicken und oick voell mehrrderen saicken stedes verschulden willen. Dieselvige u erssamen dem Almechtigen hier in lanckvoerenden gluckzeligen freden tho bewahren, bevelende. Datum den 15 february anno 1579.

Burgermeysteren schepenen und raidt der stadt Deventer.

17.2
Den ersamen wijsen und voersichtighen burgermeysteren schepenen und raidtt der stadt Elborch, unseren besonderen gunstigen und gueden vrunden.

Missive der stadt Deventer, antreffend den unmundigen Hulmans, am 19 february anno 79.

Nummer 18

Ehrntfeste ersame wijse und vursichtige besonders goede frunden. Wat iegenwoirdelicken an uns suppliciert Johan van Lengell sulcks hebbenn u erssamen uut sijne hier inne versloten supplication tho verstaen. Diewelcke wij derselver u erssamen hiermede tot sulcken einde waell hebben willenn tho schicken op dat u erssamen derselver goetbeduncken unnd meijnungh bij brengeren deses an uns mit wederschickungh der hier inne verwartter supplication en kommen sullt laten om sulcks bij uns gesien sijnde, volgens op des suppliants versoeck geordonniert tho worden des wij bij rade unnd gelegenheit der saken befinden sullen tho behorenn. Mit befelhungh des Almechtige. Geschreven Arnhem den 16en february vijftienhonderd negenenzeventig..

Cantzler unnd rhaden in Gelderlandt,

J.M.W. Sluijsken.

18.2
Dem ehrnfesten ersamen wijsen unnd vursichtigen unsen besonderen goeden frunden burgermeisteren schepenen und raedt der stat Elburch.

Cantseler und raidt van joris van lengels supplication am (doorh.: onleesb.) 20 february anno 79.

Nummer 19

Erentfeste ersaeme wijse und voersichtige bijsonder voellgunstighe heeren und frunden, u lieven und ersamen schrijvent den 16en deses aen mij gedaen, hebbe ick op gisteren ontfangen und gelesen, und kan u lieven opten inholt desselvigen ter goeder antwordt niet verhalden, woe datter noch geen ordonnantie om die knechten toe betaelen gemaeckt en is, dan soe balde mijn genedige heer stadthelder hier aenkommen werdt, will gerne (doorh.; die) (gundt het mij Godt) die handt daer aen halden dat dieselve gemaeckt mach worden, und alsdan u lieven und ersamen dieselvighe mitten yrsten aeversenden. Soe voell den service belanget, datselvighe is men ein schuldich neffens oir besoldongh, des moeten sij sich selver und op oiren eigen kosten logementen versorgen. Hier en is ytsonder geene bijsonder nijhe tijdongh, dan dat der viandt wedrom aever die Maese nae Brabant getaegen is, Doende u lieven und ersamen hiermede den Almoegenden heeren bevelen, den ick bidde dat hij u lieven und ersamen in langer wallfaerender regimente und gesonthz erhalden und bewaeren wille. Datum ilende uit Aernhem den 18en february anno 1579.

Altijt u lieven und ersamen bereidtwilliger frundt,

Karll van Gelder.

Nummer 20

Erntfeste well wijse besonder voelgunstige goede heeren ende frunden, u eersamen lieven missive aen mijn gesonden gadaetert den 16 deeser maent hebbe ick deselve op dato den 19en ontfangen ende den inhouden vanden selwigen genoegssaem verstaen ende volgens dat u lieven uuyt monde van Lambert Franckessen uwen raetsfrunt (doorh.: schap) verstaen hebben dat die generaeliteyt die shrifluyden in uwe stat liggende betaellen solden ende dat u lieven deselve uwe soldaeten tot Elborch liggende tot drie leninge ende sevyes betaelt hebben. Is sollicx wel waer ende hoewel die allegemene generaeliteyt ende midddelen omme die soldaeten toe betaelen moeten mijn heeren doch bekennen dat wij soewel in contributie ende schattinghe soe wel moeten contribueren ende reeckeninge solden van zo wol bij u lieven als andere verschoetten in reeckeninge gepasseert behoort te werden. Ende zo voel belangende het servyes bij u lieven den soldaeten gedaen is sollicx in Hollandt vant begintsel een ordonnantie ende gebruyck geweest dat men dselve den soldaeten boeven hoeren behoerlicken soldie toegelecht ende geconsentiert is geweest. Den zo sollen die borgeren in betaellinge vanden selwigen cervyes ontlestinge gehadt van byr, solt, suyer ende andere daer toe behorende. Des so voel belangende vant cruyt, loet ende lonten bij u lieven uyt wil voersyen bennen sal ick mijnen gansen devoer ende naerstlicheyt anwenden dat ick mijne soldaeten van sollicx versyen sollen worden ende u lieven ontlastinge daer van oversenden zo haest moegelicken weesen zall. Begerende ick seer denstlicken dat mijn heeren ock willen gelyven mijn metten ersten overtoeschriven hoe u lieven metten bevelhebber ock moeten andere soldaeten accorderen connen so nu eenige moetwillicheyt bij eenige angericht mocht werden deselve mijn over te senden sal u eersamen ende lieven andere goede soldaeten inden plaetsen stellen, ende oft ock waer mijn genedige heeren eenige beynaeme middelen willen om die uwe soldaeten ontledicht to moegen worden wil ick gaerne mede uwen beholper daer in weesen, dan voer deesen tijt

20.2
solde mijn tselvige (onder correctie) ongeraeden dencken want een viandt als itsonder zijner hooft weder tot onswaerts gewent heeft is ons allen itsunts gelt wel toe te zijn. Waer om gebydende heeren ist dat ick u in eenige saecken denstlich ende vorderlicken can weesen. Sollen mijn altoes als eenen denstwilliger bereyt vinden. Kenne Godt die u erntfeste wolwijse ende seer voersichtige heeren wilfaeren in langduyrige gesontheyt []aptine Aermhem dessen 19en february 11579.

U eersamen lieven gehele denstwilliger,

Hegheman.


Nummer 21

Erntveste erbare end voorsichtige gonstige gude vriende, u lieven scriven hebbe ick entfangen, end nademmaell dath u lieven verstaen hebben, hoe dath die vijandt wederom to rugge over die Maese solde getogen sijn, end dath u lieven daerom van die soldaten gerne wolden entslagen sijn, daerop so kan ick u lieven cortlick niet bergen, dath ick noch niet sekerlick verneme, dath die vijandt solde vertrecken, maer dath sie noch daglicks neger ancomen, end dit quartier so balde niet verlaten weerden. End so u lieven och in gelijker menonge weeren, dath sie doe soldaten gerne wolden qwijdt end loss sijn, so konnen u lieven well gedencken dath ick hetselve op mijn eegen authoritert so niet doen kan, maer dath solck door advys end consent van den walgeboren mijnen genedigen heren stadtholder etc. end bij expresse schriftlicken bevell van sijnen genedige geshien moet. Zuerst so will ick u lieven e soviel to willen doen, und mit alder nersticheit bevorderen helpen dath u lieven van die voorbenoemde knechten mogen entlastet werden. End so veel belanget dath die soldaten ongeboorlicken sevys entfangen hebben, het welck ick dannoch also niet bevolen hebbe, so sall na berhoorlicjheit anders darin versien weerden, dan warin ick u lieven unde der stadt van der Elborch wijder kan dienen, sollen sie mij altoes willich bevinden, den Almechtige bevolen. Datum binnen Arnem den 21 february anno 79.

U lieven altoes gans guetwillige,

Hegheman.


Nummer 22

Erentveste, vorsichtige erbare verstendige und weyse grossgunstige liebe hern und insonders guten freunde, ervoer erbar liebden schreiben hab ich empfangen, und den murdtlichen neben bericht von ihrem mitrhadts verwandten Gerrit van Becrum gar woll verstanden und wiewoll dass ich meinem vorigen shreiben nach edele erbare lieben in dem und allen andern muglichen sacken gern zu willen sein solle, so hab ich doch mit ihrem abgesandten allerlei nothwendigkeit beredt, wie sie edele erbare lieven woll weitters vernemmen oder horen werden.

Und mach edele erbare lieven zu mehrer grundtlicheit der sacken kurzlich nicht bergen, wie dass vör wenigh tagen van der hohen obrigkeit dieser Niederlandoms heiher geshrieben wörden, wie dass man den feindt mit aller ernsthafftigkeitt zu felde solle verfolgen, darauss dhan hin und wieder allerleie respect und sorgfaltigheit geshehen möchte.

So soll mir alzeit, uf edele eerbare lieven guten rhadt und verbesserung woll beduncken, die soldaten so edele erbare lieven gefallen konnen und die andern wiederumb hier her zushicken noch ein zeit lanck bes sich zubehalten, und gleich andern nachbur stetten mit ordentlicher lehnung zu versihen, so sollen edele erbare lieven darvon alzeit woll gefreiet und entlastet werden.

22.2
Nichts desto weniger aber so stelle ich alles in edele erbare lieven eigen gefallen und bedencken, und will edele eebare lieven gern alzeit darin zu willen sein.

Aber so hab ich auch derhalben, an meinen befelshaber Claes Wolffs geshrieben, und den befelch gegeben in alles mit edele erbare lieven weitters darvon zusprechen demselber wöllen doch edele erbare lieven gleich meiner eigen handt oder selbst iegenwertigheit hierin glauben geben, dan edele erbare lieven in mehr andern scchen, nach meinem besten vermugen zudienen, sollen sie mich jeder zeit ganzwilligh befinden, dem Almechtigen in wölstandt befohlen. Datum binnen Nijmwegen den 28en february anno etc. negenenzeventig.

Uwer erbar liebden alzeit dienstwillioger,

Hegheman.


Nummer 23

Erentfeste ersame und vursichtige besonders goede frunden. Wat avermaells aen ons supplicierende tho kennen gegeven heefft Johan van Lengell, sulcx hebben wij u erssamen hierinne verwaert warll willen tho schicken. Dwiell wij dan gans onbillick und op geene reden tho staen erachten, dat hij dervende die stat van der Elborch, duch verscheiden persoenen mit recht bespraken sijne guederen verwonnen und ter execution gestellt glijck hij sulcx tho kennen geefft ofte dat in sijnen affwegen vur hem sijne borgen van wegen gedaner borchtaell vur recht getagen solde worden. Demnae is ons gesinnen dat u erssamen mit alsulcke recht fordrungh alls iemant op degachtes van Lengells persoen off guederen, offte oeck op sijne borgen oder derselver guederen aengefangen ofte noch worde anfangen solden willen, doet ophalden und stillstaen tot dat op den vorderen versoeck gedachtes Lengells anders geordonniert sall sijn, und wij bevelen u erssamen hiermit dem Almechtigen. Geschreven Arnhem den lesten february vijftienhonderd negenenzeventig.

Cantzler und raden in Gelderlandt verordent,

J.M.W. Sluijsken.

Nummer 24

An die edelle weerdige erentfeste wijse hoechgeleerte heeren die cantzeler unde raeden in Gelderlant verordent.

Verthoent zeer onderdanich tkennen gevende Johan van Lengell wye dat hij suppliant gisteravent vanden grefier Sluijsken hefft verstaen dat u edelen wijsen und lieven op sijne supplicaty hadden geordonniert dat hye avermitz onsen genedige heere den stadtholder nyet tegen wordich und die heeren vanden raeden in cleinen getal waeren noch een tijtlanck solde patienty hebben und sich metten voorgaenden appoinctement behelpen etc. Soe ist dat desen suppliant uuyt hoege zijne anliggende nooth uwer edelen wijsen und lieven bij desen gifft tkennen wye dat hye met verscheyden burgeren bynnen der stadt Elburgh in eigen saecken heeft af toe rekennen dye hye schuldich is und hem weder schuldich zijn dye hye schuldich is, willen (als idt billick iss) betaelt zijn, dan die hem wederom schuldich zin vermits sines affwesen kan hye tot gene betaelen geraecken. Dat wijders (doorh.: iss) soe min edele heeren bewust iss dat bij doctor Van der Zande int visitieren deses suppliants pappieren sine schatcedulen mitgenamen und bij onses genedigen heeren statholder moegen berusten willen (doorh.: dessen) sommige burgeren bynnen der Elborch als weerden und weerdinnen dye mede op de selve schatpenningen van verteronge die geldersche ruyteren geassigniert waeren van gelijcken enige huidluyden tot Doernspijck die t ampt in orren noeden etlicke penningen hadden verschaeten dat mede vermogens idt verbael bij desse schattonge uuitgesatt (dooorh.; uuytsat) und desen suppliant als schatbuerder tbetalen bewesen was desen suppliants sijne guederen mit recht diensthalven executieren. Alsoe solde desen suppliant daer duer in groeten scgaeden geraecken want soe lange hye sine schatcedulen nyet weder ter handen kan kriegen is hem nyet mogelijck dye restanden toe verderen und eenen


24.2
yederen toe contentieren. Derhalven desen suppliant alsnoch om vorseid oersaecken lijdt und begeert dat uwer edelen wijsen und lieven willen gelieven desen suppliant toe consentieren den tijt van een maent ofte ses weeken bynnen derselver stadt tmoegen [..] om sijne eigen dingen toe mogen uuitrichten und und da[n] uwer edelen wijsen und lieven willen doin schriven an den eersamen raedt der stadt Elburch soe desen suppliant mit recht sijne guederen ofte persoin bespraecken worde voor enige schulden dye mit die schattonge waeren uuitgestalt dat zij sulcx nyet wilden annemen voor und aleer desen suppliant sijne schatsedulen wedergegeven sin und hye tijt heeft zijne restanden toe vorderen soet anders hem swaerlijck solde sin sulcke schulden tbetalen die hye nyet had ontfangen (doorh.; onleesb.0. wolde desen suppliant middelen, tijt an onsen genedige heere den stadtholder als an uwer edelen wijsen und lieven vorderen dat hye sine saecken eens ten einden und sijne cedulen weder bekhommen muchte. Dit doende etc.


Nummer 25

Erentfeste ersame und vursichtige besonders goede frunden, wat gestallt aen ons gesuppliciert hebben heer Lubbert Berntssen, Hermen Claesen ende Arndt Lowens, vicarissen binnen der stat Elborch sulcx hebben u ersamen uut hare hierinne verslatene supplication thoe vernemen.

Dwiell wij dan der reden und billicheit gemees erachten (indem die saecken suppliciertter maten geschapen) dat drie supplianten om redenen will bij hunluyden angetoegen, sonder eenige verhinderungh van u ersamen ire armoede, guederen ende gerechticheit moegen genieten und gebruycken. Demnae is ons ernst gesinnen, dat u ersamen denselven supplianten in den vrijen gebruick ende genot irer guederen und gerechticheyden ongemolestiert laten, und vilmeer denselven der billicheit nae daerbij handthaven then were dat u ersamen alsulcke erheffelicke redenen ther contrarien hedden, daerdurch u ersamen solden vermeynen daertho ongehalden tho sijn, welcke redenen u ersamen ons binnen den tijt [v]an tien daegen nae ontfanck van desen sullen [r]escribieren, om alsulcke rescriptie bij ons gesien sijnde volgents hierinne der gebuer nae geordonniert tho worden. Mit bevelungh des Almechtigen. Geschreven to Arnhem den lesten dach february vijftienhonderd negenenzeventig.

Cantzler und raeden in Gelderlandt,

J.M.W. Sluijsken.

25.2
Dem erentfesten ersamen ende vursichtigen burgermeisteren schepen ende raedt der stat Elburch onsen besonderen goeden frunden,

Cantzeler und raidt van de supplication der drien vicarissen am 12 marty anno 1579.

Nummer 26

Erentveste erbare vorsinnighe end wijse gonstige heren end goede vriende. Naedemael dat het alhier voor raedtsam end dienlich bij der overheit is angesien, om die stadt van der Elborch van die soldaten to verlichten, so is nu dath ick an mijnen bevelhebber aldaer liggende hetselve gescreven hebbe to achtervolgen end die knechte op een ander plaets to brengen. End wil u edele lieven in goeder meijnonge mits diesen vriendtlick vermaendt hebben, in alles goede opsichte to hebben het welcke u edele lieven end horer stadt selfs tom besten end tot welvaert van die gemeine lande sal moghen strecken end waerin dat ick u edele lieven end der gemeinde van der Elborch enighe vriendtschap oft dienst doen kan, daerto wil ick altoes gans willich bevonden weerden end doe dieselve den Almechtigen in welstandt end tot langer gesondtheit bevelen. Datum ijlens binnen Nijmwegen op den 28 february anno 79.

U edele lieven altoes dienstwillige goede vriendt,

Hegheman.

Eerbare edele lieven wollen mij doch met overschriven, hoe veel penninghe dath die soldaten in der lenonghe overal entfangen hebben.

26.2
Den erentvesten erbaren vorsinnighen end wijsen heren borgermeisteren schepen end raedt der stadt van der Elborch, mijnen gonstigen goeden vrienden.

Hegeman van untlasting der krijgsluiden am 3 (doorh.: 3) marty anno 1579.

Nummer 27

Erentfeste eersame und vursichtiche besunder goede freundenn. Nadem die furstliche durchleuchticheit des ertzhartoughen aen den wollgebairen unsen genedigen heren stadthelder soe waill als oick aen die semptlicke staten deses furstendombs Gelre und graiffschaps Zutphen geschreven und ernstlich begert um enen gemeyne lantdach eerstes daighes uutto schrieven, wairop enige van (doorh.: desen) wegen deses furstendombs ende graiffschaps mit genochsame auctorisatie und instruction versien muchten werden an sich tho Antwerpen tegens den 26en yetzlopendes maintz bijden generailen staten tho erschienen om allerhandt hoichwichticher saicken insonderheit avers die vurstainde friedthandlungh belangende tho helpen resolviren und uns derwegen bij sijn genedige schrifftlick operlacht end befaelen den selven lantdach tegens den soeventhienden deses uuttorichtenn.

Demnha is ons ernstich gesinnen und fruntlick begeren dat (doorh.: ghij) u eersamen in aensieungh der hoichwichticheit deser saicken und (doorh.: eerst) oick deser landen hoichsten bedrangh sich den soeventienden dach deses maintz des aventz alhier binnen Arnhem durch denselver deputierden mit (doorh.: g) noitdurfftiger und volcommender volmacht erschienen willen gestalt folgendes daichs die brieven hoichstgemeltes ertzhartougen als oick die proposition siner genedige anthohoirenn. Dairop am trewlichsten tho helpen beraedtslaigen und sluitlick afftohandlen und alsoe niet allein hoichstgemeltes ertzhartoughen dan oick siner genedige befelch gehoirsaimlich nae tho kommen. Sonder des enichsins tho bliven in gebreecke soe wij ons deses genslichen tot u ersamen vertroisten alsoe tho sullen geschieden. Mit befelungh des Almechtigen. Geschreven tho Aernhem den 7en marty anno vijftienhonderd negenenzeventig.

Cantzler und raeden in Gelderlant verordent,

J.M.W. Sluijsken.

Des ertzharttoughen brieven als oick siner genedigen schrievens is uns niet eer, dan op date deses behandet daihr van wij die copien an den hoifftsteden avergeschickt.

27.2
Dem erentfeste eersame und vuirsichtiche burgemeisteren schepen und raedt der stadt Elborch unsen bisonders goede freunden.

Cantzler und raidt van angestainter landagh tho Arnhem am 14 marty.

Nummer 28

Eersame wiese vuersichtighe gunstige guede frunden. Alsoe die durchluchtichende des eerdtshertogen tsampt die heren staten generael guet gevonden ende noedich eracht hebben eene naerdere Union in te stellen die welcke alle provintien ende die hoefftsteden derselver toegesonden zijn omb tegens des aenstaende landtdach daerop rijpelick toe communicieren hebben wij derhalven nyet willen laeten u eersamen tselve concept vuer gebuerlichen beloenungh toe te senden dieselve in schutz ende scherm des Almachtigen bevelende. Geschreven den 12 marty 1579.

Burgermeisteren schepenen und raedt der stadt Arnhem.

28.2
Dem eersamen wijsenn ende vuersichtigen burgermeisteren schepenen ende raedt der stadt Elburch unsernn gunstigen guede frundenn.

Werd hier bij gesunden, idt gene tho Andtwerpen gesloten.


Nummer 29

Eernfeste achbare discrete wolwijsse heren ende mijn ghebidende guyde vrunden. Ick en can u eersame lieven neeth verberghen dewijle ick versta dath mijn heren en hertoghen Casimiri aftreken verslaghen sijnnen dath de noeth neeth so groeth en is. Dan ick darf wel seggen dath de sake wel wath ghesiender in de helften sijnnen als se waeren als ick den lesten brief an mijn heren screef. Ick mach wel liden ende segghe sulkes neeth sonder ortel dath de sake alsoe gheschaepen sijnnen, wurth nu alle de staten boverrie uth coemtp ende mij heer d prins hoe langher hoe groeter credith saiserth. Van de srermutsel voer Antwerpen dencke ick neeth ofte mijn heren hebben de tidynghe welck al welck wel gheraeden is. De questie van Henegouen ende Artois hoepe ick dath se oeck wel besceiden sal werden. Meer en weer ick ore dyth pas neeth thoe schriven dan dan de Almachtighe Godth mijn heren samptlycken in guyder ghesuntheyth sparen wyl. Uth Aerhem den 13 marty anno 1759.

U eersame lieve dynstwyllighe vrunth,

Henryck van Curler.

29.2
Dem eernfesten achbaren dyscreten heren burghemeystren scepen ende raeden der stath Elburgh mijnne ghebidenden heren ende vrunden toth Elburgh.

Curler (doorh,; onleesb.) van tijding am 14 (doorh.: feb) marty anno 79.


Nummer 30

Eerntfeste achbare discrete wolwise heren, ick en kan u lieven neeth veholden woe dath de ruiteren 3000 inth ghetal ofte meer in deVelue comen ende [] synnen al in overschepen in synnen van de peerden de weder op dath nie van Casimiri ruteren synnen anghenoemen van de graffen van Hollach wyllich mijn heren de huisluyden waerschouen dath se haer gherede guydth in de stath brenghen dath connet mijn heren doen sij sullen sus anders meth voele behelden. Ick hoepe dath it neeth langhe sal duren ende dath sij nae Brabanth ilenth sullen trecken, sooer nies de van Mastricht bynnen uth ghevallen ende hebben 4 vaendels spanyarden gheslaghen ende de vaendels op de vesten gheset. Otto van der Sante is ghevanghen. Juren scultus is sijn commissie veerdych. Den heren bevolen de u ersamen lieven mijn heren ende vrunden ende ons alle in guyder ghesuntheyth sparen wil. Uth Aerhem den 19 marty anno 1579.

U lieve dynstwyllighe vrunth,

Henryck van Curler.

Sieth wel thoe dath de peerden neeth coemen als ick sproekende ofte wath anders thoe wyllen doen myth ettelycke peerden ende alsoe der stath meister en werde ende alsoe pennyghen van […] en vorderen.

30.2
Dem eernfesten achbaren wolwijsen discreten heren burghemeistern scepen ende raedth der stath Elburch mijnen ghebidenden en ende vrunden, Elburgh.

Curler van thokumst der ruiteren am 21 marty.

Nummer 31

Erentfeste ersame und voersichtige gunstige guede frunden. Wij hebben u ersamen missive belangende de logieronge der ruytteren in desseven vrijeheyt ontfangen und verlasen und konnen deselve gueder meynnonge und bericht onvermeldet nyet laeten, wie dat ons alsnoch goene loegieringe der ruytteren in onse vrijeheyt (doorh.: ann) tho geschiden angelanght off versocht is dan dat desen moegen enige weerden alhyer bij ons geweest begerende dat sij enige ruytteren oir herbergen souden moegen innhemen die bij den ampten verpleecht und betaelt solden werden dat wij ter minneste schade der kerspelen bewilliget dat welcken wij u ersamen ind lieven onvermeldet nyet hebben konnen laten mits den selven den Almogende heren bevelende die die selve lange gefriste. Geschreven den 24en marty anno 1579.

Burgermeisteren schepenen und raidt der stadt Harderwijck.

31.2
Den erentfesten ersamen ende voirsichtigen burgermeisteren schepenen und raidt der stadt Elburch onsern vielgunstigen gueden vrunden.

Harderwijck van de logierung der ruiteren in de stadt vrijheit am 28 marty anno 79.

Nummer 32

Memorial voer den eersamen burghemeister Bortolth Veghe.

Als dath alhier in consistorie besloeten is dath toth Venlo de papistische ende reformierde relligie sal vrij oeck myth haeren exercitien om den anstoetenien vianth wylle ende op dath soe van bynnen als van buythen men aldaer then oerloch ende heeft thoe ghelaethen werden. Ende om dath de magistraeth ende meeste burgheren nyth de reformatie stemmen sal den eersamen raedt aldaer moeghen haren den papisten een kercke in doen den id haer ghelieft thoth de beste vrede.

Oeck in dath de meeste burgheren de reformatie synnen tho ghedaen ende de geestelycken guyderen synnen gheordenierth en den ghemeenthen in de relligie tho dynen sullen (doorh.: als) alsoe (doorh.: de) ten doel der voerseide guyderen der selver ghemeenthe volghen waer van predicanthen ende schoelmeisters sullen onderholden werden.

Ende dath de papisten neeth sullen moeghen myth haer luyden processiren noch myth haren sacramenten thoth den krancken (doorh.: sullen) moegen om gaen.

Iet dath de reformerden sullen moeghen in hare kercken der papisten haren doeden (doorh.:onleesb.) begraven ende aldaer (doorh.: onleesb.) vernemygh over de doeden doen..

Iet de afghetredenen schepen hebben myth ede verclaerth dath den vorrygen secretariss des stats segelen hebben in verwaringhe ghehadth.

Henryck van Curler.

32.2
Curler van standt der religie tho Venlo am 25 marty anno 1579.


Nummer 33

Erbare gunstyge guede vrundt, onse leste affgescheyt bynnen u eersame stadt der Elborch gescheyt zijende is ons bydden ende begeerte u eersamen wyllen bij brengen itzyges ons doen myt schripta advertyren de communication der ruteren halven ons samptlyche vrijheyden belangende de ontledynge myt u eersamen genaburten gescheyt end gesloten to zijn die wijle wyr semptlychen onse previlegien durrich den ettelychen der rydderschappen sonder onses quatiers stede geleven gescheydt end gesloeten tzijen und dan us onse steden eene quade consequentie ervolgen, dat ons nyet lijdelycken ys, voer u eersamen bewust. Demnach bydden u eersamen wyllen ons oick doen erineren oft u eersamen stadt hebben ontfangen van den heeren van Hogesaxen in platze onse genedige heere stadtholders de gedruckte ordinantie myt schrijvent des heeren vurseid der myddelen woe u eersamen de selvige und u eersamen genabuerte solden geneget zijn so bolde mogelych ene tijt und plaetze den anderen anstellen daer van myt den anderen to communiciren daer uuyt vier samptlychen guede accordt und endracht yn onsen stede erhalden mochten yn irsten horende wat onse hoffstadt Arnem hier ynne ons voirgande zijnnen daer nae wier ons semptlych hebben te holden hier ynne dat beste doende gelijck wij (doorh.: ick) u eersamen to betrouv,. Oick mede senden wij u eersamen copie van onsses genedige heeren Johan graff to Nassow Cassenellenboege daer nae sych u eersamen op bedencken moegen Godt bevolen. Datum Hattem den negenden dach aprilis anno vijftienhonderd negenenzeventig.

Burgemeister schepen ende raett der stadt Hattem.

33.2
Dem erbaren seer discreten Lambert Franssen onse insunder gunstyge heer und vrundt.

Missive der stadt Hattum mit syen genedige bijgevoegte copie, antreffend den ruiteren, am 10 aprilis anno 79.

Nummer 34

Copie.

Johan graff to Nassow Casenelleboge, stadtholder.

Erentfeste live besunder idt ys ons geklagen worden hoe dat gij ennyge ruyter tegens alltherkommen in de frijheyt to Hattem to leggen solt wyllens zijen is derhalven ons bevell dat gij sullekes onderlatet oft infall idt gescheet ys wederomme affschaffet op dat nymantz tclagen hebbe dat he tegens zijne wolherbrachte olde gerechtycheyt und frijheyt bezwart. Worde hier mede Godt bevolen. Ddatum Arnem den 29 marty anno LXXIX . Onder stondt geschreven, u guede gunre und vrundt Johan Graff zu Nassow Catzenellenbogen. De opscryft van desse, anden drosten Henrick Bentynck, drost van Av[e]rveluen.

34.2
Apostille waer mede het krijgsvolck te verleggen bevolen wordt.

Nummer 35

Ersame wijse une vursichtige besonders goede frunden. In wat maten aen ons avermaells gesuppliciert heefft Johan van Lengell sulcx hebben u ersamen hierinne verwaert tho vernemen.

Dwiell wij dan dieselve u ersamen indachtich holden wes wij hierbeforens van wegen ophaldungh der procedurunghen alls iemant op des suppliants persoen ofte desselvighen borgen gedaen ofte solde willen doen geschreven hebben.

So kunnen wij u ersamen niet bergen dat die registeren daervan in dese hierinne verslaten supplication gementioniert wort durch den wolgeboren unsen genedighen heeren stathelder in handen van einen gestellt fijn, om to visitieren und volgens sijn genedige die gelegenheit daer van thoe rapportieren.

Dwiell aeverst sijn genedige teser tijt niet in desen guvernementz aentotreffen, dan vilmeer sich to Antwerpen tot beforderungh deser landen noedrufft und wolfaert erhalden doet, und dan die acte alls Jacob Stuyrman op des suppliants borch Jan Aelbertssen, luydt der gerichtlicker weete daer van uutgegaen onderstaen heefft tho intentieren niet solde geinstituiert sijn geworden.

35.2
In dem dan der suppliant sijne schatcedullen sijner noedurfft nae hadde moegen gebrucken so hij ohn twieffell die vursorge waell solde gedragen hebben dat Stuyrman der costen halven waell betaellt solde sijn geweest.

Demnae is ons gesinnen dat u ersamen in conformite van onsens vorigen schrijven den vurgenoemde Stuyrman daerher berichten und ift noedich daerher halden willen mit der omgefangende rechtfordrungh so lange te supersedieren tot dat wolermelter sijn genedige weder omme gecommen und den suppliant sijne schatcedullen restituiert sullen sijn wilches geliefft es Godt niet lange vertrecken sall, damit niemant onverschulter oersaecken in schaeden ende schanden geraden moegen. Und wij bevelen u ersamen hiermit den Almechtigen. Geschreven to Arnhem den 11en aprilis vijftienhonderd negenenzeventig.

Die verordente raeden in Gelderlandt,

J.M.W. Sluijsken.

Nummer 36

Anden Haeve van Gelderlandt.

Verthoent zeer dienstelycken tkennen gevende Johan van Lengell wye dat hem suppliant verleden martini omtrent dorch den heeren doctor Reimer van den Zande int visitieren van zijne pappieren afgenhaemen sin dye schatcedulen van dye 2 honderd duizend gulden als oeck voir een maendt lenonge voir hopman Hegemans soldaten der tijt liggende inden schantz voir Deventer als oeck andere diversche onkosten, daer van desen suppliant inden ampte van Doernspijck collectuer und ontfanger was gestalt daer van dat hye noch hefft verscheyden restanden soe vanden geerffden aldaer bijnnen der stadt Elborch und daeromtrent wonende, dye hye geenssyns bijden anderen hefft konnen vergaederen, avermitz hye dselve cedulen nyet tot nochtoe heft weder konnen bekhommen daeromme hye tot meermaelen bij requeste heft gevordert. Tys oeck waer dat domaels mede sin uuitgesatt etlicke penningen dye bijden Gelderschen ruyteren in verscheyden herbergen als bij Jacop Stuerman , Wilhem Cornelissen verteert zijn dyt hye suppliant geenssyns besuecht is toe betaelen van gelijcken die lantschap toe voldoin wanneer hye zijne cedulen nyet weder kan erlangen, heeft hem die vorseide Jacop Stuerman onderstaen eenen huisman van Doernspijck genandt Jan Albertsen dye borge mede voor desse verteerde penningen geworden is tdoin arrestieren und desse gerichtelicke weet togesonden, willende alsoe met executie procedieren dye gemeent zijn desses suppliants gerede guederen inde plaetse van oer luede tstellen, allet onangesyen end nyet tegenstaende dat

36.2
u edele weerdige und lieven onlancx anden erbaeren raedt der sradt Elborch (vermogens desse copie) hebben geschreven dat oer eersamen und lieven mit sulcke saecken solden supredieren und stilstant hulden wess soe lange dat desen suppliant sijne cedulen weder had bekhommen etc.

Bydt und versoeckt daeromme opgemelten suppliant dat hem suppliant zijne schgatcedulen weder ten handen moege gestalt worden und tijt gegeven zijne restanden toe vorderen und alsdan daer van eenen yederen soe die landschaps als oeck van die vorseide verteringen moegen voldaen worden. Und dat min eedele heeren willen scherpelyck doin schriven an gedachten borgemeisteren ter Elborch und oer eersamen und lieven toe bevelen mit sulcke unde dergelicke rechtzvorderongen stilstant toe halden, daermede desen suppliant und d vorseide borgen in geenen vergeeffschen schaeden und onkoste moegen gebracht warden. Solde idt doch nyet billick boch recht sin datmen die cedulen solde onthalden und met die restanden toe sullen voldoin beswaeren. Desen suppliant mach wail bijden datmen van alle zijne cedulen copie halde tallen tijden is hij orbodich vanden inhalt guede pertinente rekeningen toe doin wye sich des eiget und geboirt. Mede begeert desse suppliant nhae averlesonghe dat hem desse gerichtzweet und copie weder behandet mach worden. Dit doende etc..

36.3
Cantzeler und rhaidt van der othstelling der rechtsfurderingh Jacob Stuirmans tegen de burgen tho Doernspijck met bijgevoegter supplication Joris van Lengel am 15 aprilis anno 79.


Nummer 37

Ersame wijse zeer discrete heeren u eersamen scrijvent hebbe wij ontfangen end des anderden dages ener van onsen raetz frunden nemptlych den edelen erentfesten Harman van Keppell vanden Wolbeeck affgeveerdyget de wyle hier ynden ill nyet tobekomen was woer der heer Sichmund Corsbach sijn [.] residierde heft nochtans der zelvyger voer genoempt sych bijden ryttmeyster heer Vluich Cluver ervoeget end onser semptlycker nodroft seer voergebracht dan hebben den rytmijster daer nyet toe konnen bewegen das der de zelvige supplicatioen van u eersamen mijn heeren noch dat appuntement van dem walgeboeren heeren graff van Hohenloe nyet wyllen leesen noch geen audientie gegeven dan uuyt snorken end pochen mij (doorh.: beg) beiegent end aldaer well hondert zijner edell joncker bij waren soe heeft onser radtz frundt de zelve suplication an stondt nae Arnem van Ep affgeveerdygen de wyle onse stadt des dages tvoeren dem erenthvesten Evert Blanckebiell omme de ruyteren to ontledygen affgeveerdyget hadden. Soe ys aldaer van dem ruyteren gesacht we der oberste Corsbach op Arnem wert koemen nu ys den bade Blanckenbill voerbij gegaen end Blanckebiell ys to nacht weder gekomen end ys een jonge op die wech beiegent die eenen apeenen breff vanden rytmeyster heer Vluich Cluver anden ruyteren to Hattem vermeldende was dat ze dem ytzygen mandach aenden obersten loesement enschijnen zolden laeten so [.] mijn heeren gerasampt dochte so solmen daer de supplication myt der stadt scrijvent dem heeren Corsbach behandigen laten (doorh.: la) oick verstaen hebbende dat mijn heeren etlycke salmen den obersten beschycket haedt begerende mijn heeren onsen wyllen schrijven was antwordt dat mijn heeren gekregen hebben van dem heeren Corsbach worden bedanckende den heere voer alle moyte de zij onssent halven gedaen hebben wyllen zulckes tot allen tijden verschuldigen end weder verdeenen waer ons des doendelych ys. Godt bevole, datum Hattem den 12en dach aprilis anno vijftienhonderd negenenzeventig.

Burgemeisteren scheepen end raet der stadt Hattem.

Nummer 38

Erentfest und frommer bisunder goeder frundt. Wij schicken u hierinne verwaert copie sekeres placcaetz des conincx inhalltz als daeruut to verstaen, dwiell ons dan daerinne operlacht wordt tselve placcaet binnen den steden ende vlecken daermen gewoenlick is uutroepingen tho doen affpublicieren to laten. Demnae is ons ernst gesinnen dat ghij tselve anstont in uwen bevalen ampte alomme ende daermen gewoenlick is uutroepingen ende publicatien to doen. doet uut roepen ende publicieren sonder des to blijven in gebreke. Mit bevelungh des Almechtigen. Geschreven to Arnhem den 13en aprilis vijftienhonderd negenenzeventig.

Die verortdente raeden in Gelderlandt.

J.M.W. Sluijsken.

38.2
Publicatie 20 aprilis anno 1579. Nymand sal tegen de landschap dienen.

Nummer 39

Copie.

Biden Conynck.

Unsen lieven ende getrouwen die stadthouder cantzler ende luyden van onsen raidt in Gelderlant verordent saluyt ende dilectie. Alsoe veele ende diversche chriechsluiden ende soldaten hen laitten insschrieven ende hen begeven in dienste onder enighe capiteinen offt particuliere heeren ons tegens onse landen van herwertzovere te dienen eghene retenue commissie offt last hebbende van onsen seer lieven ende seer bemynden neve ende broider den ertzharttoughe van Oistenrick herttoughe van Bourgungien etc gouverneur ende capitein generaill van onsen voirseide landen van herwertzovere, van onsen seer lieven lieven ende getrouwen neve ridder van onser oirden stadtholder ende capitein generaill van onse lande van Hollant, Zeelant ende Uttrecht, gouverneur particulier van onsen lande ende hertouchdomme van Brabant ende stadthouder generaill van onsen voirnoemde neve ende broeder heeren Wilhelm van Nassaw prince van Oraingien etc noch van weghen onse seer lieve ende well bemynde die generaile staten van onsen voersseide lande van herwertzoverre twelck wij geensins en verstain te lijden.

Soe eest dat tgene voirsseid is avergemerckt u ontbieden ende beveelen bij deesen bij advyse ende deliberatie van onsen voernoemde neve ende broider den ertzhertoughe van Oistenrick van onsen voirnoemde neve den prince van Orangien ende van onsen seer lieve ende getrouwe die luiden van onsen raede van state versende neffens onsen voernoemde neve ende broedere mitzgaiders vanden voirsseide generaelle staten, dat ghij terstont und sonder vertreck doit kundighen uut roipen und publicieren alomme binnen die steden ende vlecken van onsen lande, ende furstendomme Gelre ende graeffschap Zutphen dair men gewointelick is uutroipinghen ende publicatien te doine ende van onsen weghen seer scherpelick gebieden ende vebieden, dat nyemant van onse ondersaiten van hertwertzovere hem en vervordere the begeven in dienste van oirloge onder enighe capiteinen offte prticuliere heeren eghene retenue commissie offt last hebben de van onsen voernoemde neve ende broider den ertzharttoughe

39.2
van Oistenrick onsen voirnoemde neve den prince vann Oraingien offt vanden generale staten om tegens onse voirseide landen van herwertzovere te dienen soe voirsseid is ende dat die ghene die allrede in dienste sijn hen uutten selven vertrecken binnen then daighen naede publicatie van dese op verbuertte van lijff ende gueth, indien sij ter contrariten deden ende tot onderhoudenisse ende observatie van dese onse iegenwoirdighe ordonnantie ende verbot procediert ende doit procedieren tegens dovertreders ende ongehoirsame bij executie vanden peenen voirseid, sonder (doorh.: onleesb.) enighe gunste dissimulatie offt verdrach des te doene uut deser ancleefft geven wij u volncommen macht auctoriteit ende sunderlingh beveell ontbieden ende beveelen enen iegelicken dat sij u tselve doinde ernstlick verstain ende obedieren want ons also geliefft . Gegeven in onser stadt van Antwerpen onder onsen contresegell hierop gedruickt in placate den 6en dach van aprille int jair vijftienhonderd negenendesoventich. Onder stont biden conynck, und noch leger geteickent Pottelsberghe.

Accordiert mit sijn principaell bij uns,

J.M.W. Sluijsken.

39.3
Placcaet dat niemant sich sonder untheet des ertzhertogh ende der princen van Orangien der coninx lieve neven en vrinden in dienst begeven sal- anno 1579.

Nummer 40

Ersame erbare uunde frome volgonstige heren uunde gode fronden, u erbaerhen myssyve hebbe ick ontfangen ende den inholt verstaen belanende dat selvige geschet uunde kogels de mij broder Ittersuum uunde ick van u erbaren wischeyden gehalt hebben, sus en hebbe ick anders net geveten dat dan dat dat selvige geschot al weck daer hadde gevest, edoch wen sollen an stont alle flijt waer wenden dat dat selvige geschut uunde kogels an stont daer weder om sal gelevert worden sonder enich gebreck daer in te laten vallen, met beveling des Almechtygen de u erbaren wischeyden lange in sijnen schuts uunde scherm wil erhollden. Datum Camferbeke den 23 aprylen anno 79.

U erbaren, u gans gonstige gode front,

Peter Mulert.

40.2
An den ersamen erbaren wijsen uunde vromen borgemeysteren schepen uunde rat der stat Elborrich mijnen gans gonsrigen heren uunde gode fronden.

Mulert belovet der stadt een stuck geschuth weder tho leveren am 23 aprilis anno 79.

Nummer 41

Aen […]

Verthonen u weerdige edelen und lieven z[..]nstel to kennen gevende die burgermeisteren schepenen und raeth der stadt Elborch hoe dat zeecker getall van ruyteren buyten ordnongh ofte ordonnantie oock zonder voorweeten van oir supplianten bij oire stadts vrijheyt gelecht zijn worden tot grote preiuditie van der selven stadts vrijheyt. Soe doch egene ruyteren ader knechten bij eenige vrijheyden der steden noch op eenige edelluyde huysen behoiren belet te worden, zonder hebben ordonnantie [..] consideratie vandien und dat idt selve alleenlick (zonder ordonnantie) enich goetgunstige vrunden geschiet zijn. Bidden unde verzoecken sij supplianten zeer dienstelick dat u weerdige edelen und lieven gelieven willen aenden drost van Averveluwen Henrick Bentinck und aenden scholtis tot Dorenspijck to schrijven dat zij dselve ruyters aenstont vandaer vuyten vrijheyt de selver stadt nemen unde op ander plaetzen daer buyten beletten op dat egene onordnungh daer durch en khomme, und tselve oick tot preiuditie der stadts vrijheyt geraecken moege. Dit doende etc..

Nummer 42

Copie.

[Erent]fest und frommer besonder goeder freundt. Wij schicken u hierinne verwaertt seckere supplication uns durch burgermeisteren schepenen (doorh.: onleesb) unnd raidt der stadt Elburch avergegeven inhaltz als ghij dairuuth in die lengde afftonemen etc. Dwiell wij dan gleuffweerdich bericht worden, dat u operlacht is des rittmeisters Courbachss reutter in der selver befalhen ampt underthobrengen. Soe befremdt uns niet weynich, datt etliche derselver Courtzbachsthe oder andere reuteren sich buytten eenige ordonnantie ja sonder eenich vurweetten der supplianten in der selver stadt vrijheyt begeven. Soe doch niet allein die underthanen dese Elburchschen schependombs dan oock der anderer steden schependommen (wanneer deenige reutteren in den ampteren gelacht sullen warden, glick in desen geordonniert is) dair van exempt sijn. Derwegen wij dan niet anders erachten kunnen dan dat den Elburchschen underthanen und desselven schependumbs inwoinderen ganss unguetlich ja tegens hair vrijheyt geschiet dat sij meer als anderer steden schependommen mit den reutteren belastet worden op dat dan dairuit tusschen den ruitteren und der stadt geen onordnungh vurfallen noch erstain moege. Soe iss uns ernst gesinnen und befelch dat ghij ainstondt dairan sitt datt die reutteren uutt der vrijheit vander Elburch verlacht und in die dartho bestemde ampteren und plaitzen ondergebracht werden moegen. Damitt die vande stadt van der Elburch bij hebbende vrijheit erhaldenn und dairtegens onbedroevet muchten verblijven glick anderer steden schependommen in gelicken vall wes anheer wederfaren is deses allsoe ongeweigert und sonder tergiversatie tho sullen geschien. Versien wij uns genslick tot u die wij dem Almechtigen hiermitt befelhen. Geschreven tho Aernhem den 24en aprilis vijftienhonderd negenenzeventig.

Die verordenthe rhaiden in Gelderlant.

Nummer 43

Ersame discrete und froeme insondere voelgunstige guede vrunden. Wij en konnen u ersamen nyet verhalden wie dat enige uuyt onsen middel als oick enige vande ridderschap binnen deser stadt opt aenseggen des drosten van Veluwen die dair verschrijvinge van mach hebben gemeynt sijn desen avondt van hyer op Arnhem toe verreysen und morgen guedts tijts aldaer toe sijn omme aldaer toe tracteren belangende idt verleggen der ruytteren. Beduchtende dat den steden vrijheyt nyet vergeten sullen worden will derhalven noedich sijn dat u ersamen oick der selver gesanten uuyt desselven middell dair tegens schicken willen omme onser steden vrijheyt soe voell moegelick toe verdedingen dat welcke wij u ersamen gueder meynunge nyet en hebben willen verhalden mits de selve den Almoegenden heren bevelende. Geschreven den 24 aprilis anno 1579.

Burgermeisteren schepenen und raidt der stadt Harderwijck.

Nummer 44

Ersame und fromme vursichtighe insondere vuelgunstighe vrunden. Wij verstaen als solden u eersamen alsnoch eneghe zwarichheden maken Johan van Lengel inden stadt Elburch to lijden nyettegenstaende dit resolutie bij de alinge landtschap onlangx bynnen Arhnem genomen. Oeck den selven Johan van Lengel als van gelijken bijden heeren cantzeler und raeden apostillen verleent und hie nyet wijders begeert dan allene daer sijn eijghen dingen als den dyenst waermede hij sijnnen jonkeren den drosten Bentinck verbonden is uut to richten prosentiert oeck na sijne vermogen alle onraet van der stadt van wake und anders twillen helpen dragen, demnhae versoken und begheren wij dat u eersamen gemelten Johan van Lengel onverhindert die stadt Elburch wyllen gebruyken laten soe an hem nyet alleen den dyenst gedachtes drosten sonder oeck to schenden perthyen (avermytz het Velusche gericht vurhanden) maekelick gelegen is he werdt sich dermate halden dat u eersamen sijner nyet sullen hebben to beclagen daeran dselve ons sonderlinge frundschap sullen bewijsen begerende bij brenger deses een weder beschrevenen andtwort om sich daer na to richten des wij weder geneicht synnen to verschulden tegens u eersamen die der Almachtighe lange yn gueden regirong und gesontheit wyl erholden. Datum Heerde op den 24 dach aprillis 1579.

U eersamen vuelgunstighe vrunde,

die ritterschappen vander Overveluwen,

Wolter van Brienen, Marten van Bloys genant van Isendoeren, Rickquyn van Essen, Frederich Ripperbant, Walther van Boeynenburg genant van Honsteijn, Henrick van Brine.


Nummer 45

Binnen die stadt Utrecht is ener gecomen die welcke den 9 marty noch binnen Romen gewesen ist, und segt so dat der coninck 9000 (doorh.: duisendt) spangarts to schepe (doorh. onleesb.) naer Genua geschickt had, om van dannen sich vorders to lande nae dem hertoch van Parma te verfuegen, dan overmits storm und onweder findt die schepe verstroyt und vergaen und voele in barbarien onder oere vianden angedreven, also dat van die 9000 maer 700 to Genua sindt angekomen van die welcke het meesten deell van het geleden ongemack op der see, aldaer noch gestorven is. Segt oeck dat in Italien van wegen der spangarts tyrannische regirung allenthalven groet opruer is und dat der francois voell soldaten in Piemendt liggen hefft, tot assistentie van die van Milanen, dat oech die Italianen in spijt der inquisitoren Luthers und Calvini boecken openbaer op die straten dragen, und dat sie d inquisitie uit darff antasten also dat sich alles anstelt offt een grote verandering aldaer voerhanden weer, der Turck hefft Malta ontsecht und uuyt sich starcker tom oorloch dan sij oyt gedaen hefft, also dat in Italien grote vrese is, want men nit alleen voer Malta maer oeck voor gants Sicilien besorgt is, overmits dat sij well 400 galeyen algereedts veerdich heft.


Nummer 46

Ersame wyese und vursichtige besonders goide freunden. Nadem der wollgebaren unser genediger heer stathelder ons opten 28en verlopens maentz aprilis geschreven, dat die durchluchticheit des ertzharttoughen den gedeputierden der generaell provintien, tot Antwerpen vergaidert, haire resolution op seeckere geproponierde artikelen hefft begeert desen sich die selve avermitz sij dairtho nyet geauctoriseert beswairt befonden, alsoe dat beruirtte artikelen aen alle provintien om tho beraidtslagen sijnt avergeschickt. Derwegen den wollermelter unser genedige heer ons schrifftlick operlacht, terstont eenen lantdach uuttoschrieven om den inhaltz der selver artikelen (gemerckt dairaen soe veel und hoich gelegen) dair van wij den hoifftsteden allereitz copien thogeschickt hebben aentohoiren, dairop tho beraidtslaigen und fruchtbairlichen tho resolviren. Demnha soe is uns gunstich begeren in naem sijner genedige ernstich bevelende u ersamen willen in gheen besweer stellen, offt uwes statz deputierden myt gnochsamer vollmacht to versien om opten 20 yetzlopendes maentz may des aventz alhier binnen Arnhem tho erschienen, om des folgenden daichs beneven den aenwesenden bannerheeren, ritterschappen und deputierden der steden op die artikelen, als alse dan proponiert sullen worden tho communiceren und eintlick tho resolviren und want hier aen soe hoich und merckelick gelegen, willen wij ons genslich vertroisten u ersamen sullen hier in niet suymich sijn, sonder veelmeer uwe eigene und dese gemeyne vaderlantz welfaren besten vermoigens desvals helpen beforderen. U ersamen hiermit dem Allmechtigen bevelende. Gegeven Arnhem den 1en may 1579.

Die verordente rhaden dese forstendombs Gelre ind graiffschaps Zutphen,

J.M.W. Sluijsken.

Nummer 47

Ersame wijse und voersichtige besonders gunstige guede vrunde. Wij schicken u ersamen bij tegenwordigenn schipper dat stucke geschutz dat u ersamen deser landtschapp gelient gehatt. Den schipper is die fracht betaelt und wij bedancken u ersamen willich up gelegene tijtt solchs in ander tho verschulden tegens u ersamen die wij hiermede den Almechtigenn in gueder fredlicker regierung to gefristen bevelen. Datum den 11 may 79.

Burgermeystern schepen und raedt der stadt van Deventer.


Nummer 48

Ersame wijse voirsichtige besunders gunstige heeren ende goede vrunden. Wij sollen u wijsen niet verhalden, woe dat vuer ons in onssen schependoem ende stoele des raides daer sulx behoert toegeschien voirgecommen ende erscheinen seinen Gerrit Albers, Peters Albers ende Johan Albers gebroderen, als oems ende gebaeren mombers van Aleit Johans, bekennende aldaer oer uuytersten wille ende begeren te wesen, an u eersame wijsen twillen scryvent van oerent wegen, omme alsulcke 450 dalers in u eersame wijsen missive an oer gescreven, gementionneert, te willen gelieven tot vordell ende prouffit van Aleit Johans deselve pennongen oer nae rechte darvan competerende seinen te beleggen ende een halff jaer toe voeren altres naeden optoseggen de pennongen wederom vrij tzijn, ende oer uuyterste prouffit ende mit daermede toe soecken of eenen momber stellen naer u ersame wijsen stadtrechte behoerlicken de sulx solde moegen doen op dat Aleit Johans, daeran niet toecort (doorh.: onleesb.) en geschiet twelcke sie gebroederen vorseid ganselicken an u ersame wijsen vertrouwen niet toe geschien. Gevende uuyt oersaecken van dien u ersame wijsen volcommen macht ende speciaele aucthoriteit met die (doorh.: onleesb.) belegginge ende uuyt doeninge der gementionneerde pennongen van Aleit Johans u ersame wijsen goet gelieven ende goetduncken tdoen in aller gestalt ofte sie gebroederen selveren tegenwoirdich weren billet twelvke sie consituanten mitz desen ratificeren ende approberen. In oirconde der waerheit hebben wij desen bevestiget ende toegesegelt mit onse stadt segell den 11en may anno 1579.

Burgemeysteren schepen ende raidt der stadt Vollenhoven.

Post data.

De gebroederen accorderen brengen van desen eenen golt gulden tot 28 stuvers brabants voer alle uncosten ende gerichtescosten , acte ut supra.

Nummer 49

Erentfeste eersame wijse und frome voirsichtige vielgonstige heeren und vrunden. Volgende idt antwordt ick der stadt diender Albert had gegeven dat ick int leste van desse vergangene weke weder ter Elborg wolde zin und die rentmeisteren tot behoef der stadt gelt tellen heb ick u eersamen nyet ongeadvertiert willen laeten dat mij dat verhindert is avermits ick gevallen und wehe gedaen heb dat ick verhape in een dach vif oder ses soe voele beteren sal dat ick alsdan ter Elborch comme und mijne tosaege naecommen. Alsoe sal ick ditmael tAenhem nyet konnen commen doch ick heb den rentmeisters Bentinck bij soe vern sin lieve tAenhem kompt alle bescheyt dye betalonge der erentehalven claerlicken geschreven, doch ick bin bericht als solde sin lieve ditmael tArnhem nyet commen. Vrundtlicken begerende dat u ersamen mijner bevelonghalven soe lange willen gedulden, daermede dselve in schutz und scherm des Almechtigen heeren bevelende, dye u ersamen lange in gueden regironge wil frissthen. Geschreven tot Wilp opten 17en may 1579.

U eersamen dienstwilliger,

J. van Lengell.

Nummer 50

Ehrsame wijse voersichtighe insonders gunstighe goede vrunde. U eersame wijsen brieff belangende het stucke geschuts, u eersame wijsen toebeharende, hebben wij ontfanghen ende schicken tselve u eersame wijsen bij brengheren desses up unsen costen wederum to, mit erbiedunghe aller goeder naebuerlicker vrunschap, doch dselver hyr mit den Heren bevelen. Datum den 20en may anno 1579.

Burghermeisteren, schepenen ende raedt der stadt Campen.

Nummer 51

Vyr tijdinghe uuit Antwarpen in dato den 16en may 79.

  1. Alhir bint brieven angekommen van etlicke vanden gesanthen van hir nha Caeten affgeferdigt also datt die ambassadeuren aldar nhu ther tydt versonde van wegen oerer principalen procuratio enen volmachtt getoont hebben in communicatio tredende den 9en deser alwaer onder andern besonder is der volkommene commissio dutis de nova terra, nemptlick datt sijn forstlicke genade absolute commissie hefft tho befelen van wegen des konnincks in alles den hertog van Parma,welck punct voor yrsten alhir zeer wert geapplaudirt voele guts daruit verwachtende.
  1. Ten anderen wertt noch vanden voergenoempten hertogen geschreven datt sine forstlicke genade sall sijn een gueder politicus dardurch men oick mit verwachten is ennige pertinatie van ginder zijde.
  1. Die van Arthois und Hennegow hebben sich buiten den generaliteit verbonden, dennoch met sulcks conditie dat so ferne die spanyars uit een (doorh.: onleesb.) vertredende op oer bestomber tijett den die verbontenisse dan nut ende krafftloos zijn sall.

(punt 4 ontbreekt).

Nummer 52

Erentveste und vroeme groetgunstighe guede vrunden, ick can u lieven niet verhalden hoe dat ick des donderdaechs thoe vif uren tot Aernhem bin angekoemen (doorh.: und) und hebbe Aernhem (doorh.: und) und noch inige daer gevonden und bint to 6 uren opt hof gegaen und daer vernoemen (doorh.: dat) dat Gelder und docter Voet strack van Utrecht gecoemen waren und bij me heer van Hoechsackssen gevraget nae de ruter of sij niet op solden soe hebben de twe vrunden mit gebracht dat me heer statholder al vuer ons bij den hollander angeholden hadde dat sij ons nementlick het lant van Gelder verscoeten hadden tot onse porsie 25 dusent gulden soe rest daer noch an 16 hondert gulden de wij inder il moeten op brengen doch heimelick und soe sult sij van stonden an op de 25 dusent gulden sint in Jacop van Ommerens handen binnen Utrecht und soe balde sij oper stroem bint salt an hoeren handen oper getelt werden und docter Voet und Henrich van Brenen bint weder af geveerdiget om van stonden an oper stroems te crigen wider soe hebbe ick de gelegentheit van me her statholder sins vertreckens bevraget soe was ons daer niet weinich angelegen dat sin genedige op Antwerpen reisede und me in coemissie op Collen bij de gedeputierden dre dagen binnnen Collen wesende is postgewise nae Dillenburch gereist und heft enen scriver afgeveerdiget van Collen an den heer van Hoechsacksen dar he tavent of morgen alhier hoept te wesen und de sulve scriver secht dat sij binnen Maestricht noch welgemoet sin und noch wel vitalie hebben dan begeren ontset und de scotten und engelsen liggen op de Lange Strate und de provan die is binne of te Tiel und de graef van Hoelach begeert platboemde scepen van de stat van Aernhem om opwert tevueren. God geve ons geluck und sij hebben tot Antwerpen ein gegaen und de guede harten hebben hoer scatten geoepent und hebben daer anderhalven tonne golts op gebracht und wij weten niet waer wij de restirende 16 hondert gulden halen sullen. Hier is van dage en ridenden diner om gereden und uthgeroepen dat nimant bier in dragen sal hij betael sin middelen erst als bij groete brueke het scint dat de gedeputierde te Collen niet uyhrichten daer is en ligaet van den pawes und wat bisscoppen und begeren of geven vuer men sal hem Maesricht openen soe willen sij van vrede handelen de onsen seggen sij sullen daer af trecken und entitlanck bestant maken und dan van vrede spreken Jacop van Ommeren heft thoehuis gescreven

52.2
dat in Brabant op de Lange Srate ligghen wel hondert und twintich vane knechten om Maestricht te ontsetten dan het wert niet voert gedreven hier is gister avent tidige gecoemen dat voer bij Venloe getoegen bint dre vane lichte pfeerden und wat voetvolcks of sij nae Blienbeeck getoegen bint dan of sij en roef halen wilt dat en weet men niet wij hebt noch volcks genoech dan gelt und wisheit mangele ons het scint dat hier vuele swaricheits vuer handen is van onse gebreken dat itd alhier wel entitlanck dueren muchte de here geve wischeit bidder den heren und cunt ghij wat manen hier is groet gebreck gelt besiet of daer van den in post wat ware hier mit den Almechtighen bevelende de u lieven in scuts und scerm neme gescreven tot Aernhem den 23 dach.

U lieven dinstwillighe,

Lambert Vranckessen.

Den erentvesten und vroemen burgemeister und raet der stat Elburch minen veel gunstighen gueden vrunden.

Lambert Franckssen van Arnhem.

Nummer 53

Ersame und vuersichtige gunstige goede vrunden und mitraeden. Alzoe ick gisteren aen u ersamen gescreven belangende zekere pennongen op te brengen ter zaecke inder selver missive gementionniert und soe dan onse quota vande seventhien hondert gulden der interest der pennongen bedragende is die somme van 29 gulden 8 stuver sal ick die alhier van Rutger moeten leenen wairom noedich die aenstont te restitueren und soe vern ick die van Rutger nyet ontfangen moet daer dan een ander mit besweeren. Is derhalve mijn begeren imfall mij Rutger penninck die selve gedaen hem die mytten eersten toe restitueren, off imfall nyet, mij die eerstdaechs overteseynden soe ick die dan op een ander sall moeten versoecken. Wij sijn iegenwurdich handelende dat die ruyter uuyter Veluwen moegen comen und dair van ontledicht worden. Mijn genedige heer stadthalder is gistermiddach weder alhier aengecomen, und soe dan toe presumeren die zaeck etwas langhwilich aenlopen will begeer u ersamen ymande anders in mijne plaetz tegens naistcomstigen vrijdach committeren om mijne gescheften halven wederom binnen Elburch toe erschinigen und wes hier vuer nijhe tijtongh aengecomen hebben u ersamen uuyt inverwairter copie afftenemen wair mit ick u ersamen den Almechtigen zijn bevelendt. Datum Arnhem ilentz den 23en may anno 1579.

Uuyt bevel van mij neeff Lambert Franckessen, itziger burgermeister der stadt Elborch.

Greve, secretaris.

Post data. Soe ick int scriven van desen weder hem moeten vertreck int cloester bijden ritterschappen heb mijn neeff belast deze tonderteykenen.

Nummer 54

Extract vuit eene missive in dato den 29 may.

Betreffende Mastricht statt hett daer noch well. Wij hebbenn kortlick bij Wijck int dutsche leger gefallen unde groten schaden gedan. Die spanyars hebben een kartt darvor gebouwett maer die van binnen hebben dubbelt negens gebouwett und verhoegtt und gelick ick van eenen goeden oortt verstan hebbe muegen sij noch wall ethlike mandtt voerdie spanyars bliven. Inder spanyers leger regert die pestilens und mangell ahn geldtt und mueithen stilswigent zeer onder sich sunderlich die spanyars als die voerhen idt regiment gesatt vur nhu der italianer gnade londenn danmen halt is noch stylt. Maer soferne in korten gien raedt gien raidt gesonden wertt sall hett sonder mueyterije nit vergen. In summa daer mangelt nit dan dat die staten vortfaren soe sijndt die spanyars inder staten handen dan zij twelck uwe genedige mij wall thogeloeven magh in als aver welleff Mastricht nit starck een zijn. Die prints van Parma hadde nha een munnick van Lueck geschickt diewelcke voele dings waersegt dat sij tot hem kommen solde dat hefft der munnck van Lueck niet doen willen onangesien datt hem sijn provintial geschreven hadde. Meer (doorh.: ) gelick ick vanden lucksen gesanthen verstae hefft die munnick gesagt Mastricht hefft een ijzeren fadom oem sich denselven wert niemans breken unde darfor sollen die spanyars groten schaden unde spoett liden. Die Rueremundischen mueyte unde hebben die spansche commissarissen gefangen etc.

Angekommen unde gecomuniciert tot Arnhem opten lesten may 79.

54.2
(doorh.: Artyculen daerop onsen genedigen heeren stadtholder cortliche resolution ledegen.

Aenfencklich ende ten irsten te communiceren ende resolveren woemen ain allen gefuchelixte moege wech nemen dat mistanden inden gelden tusschen beyde zijts religieus verwanten

2. den een eenhewige resolutie van wegen der generael middelen te nemen nyemantz uuytgesondert

3. Van middelen und wegen vuer toe slaen.)

Nummer 55

Erentfeste eersame wise guetgunstighe heren und frunden, dwiell mijn swager Henrick van Essen noch en dach off twee nha ons tho Aernhem is gebleven, soe heb ick hem gevraecht off oick noch nhamaels daer eetwes besonders wahr venhendelt. Dairop hij mij geandtwordt dat sijns wetens dairnha niet bisonders waer gedaen, wie tot sijner tijdt uth dem verbael sal worden bevonden twelck ick u lieven und ersamen onvermeldet niet heb konnen laten. Wij hebben op huyden enen brieff van Dirck Voet uth Aernhem vanden 5 juny ontfangen, alsoe meldende; desen dach achtdagen hefft der viandt eijn hefftigen storm op Mastricht (nae voergaende sprenginge) gedaen, alsoe dat der viandt in die stadt gewest, derer oick giene dair weder uth gekomen sijn. Het is clechlick dat die stadt die soe heerlicken wederstandt doende is, niet ontsett en wordt. Ick gebide mij tot den heren tsamen dien ick im schutz des Almechtigen wil hebben bevalen. Uth Herderwijck op pinxteravont anno 79.

U lieve und eersame guder frundt,

Ernst Witten.

55.2
Dem erntfestenn eersamen wisenn unnd discreten herenn burgermeisterenn schepenenn unnd raeden der stadtt Elburch mijnenn gudtgunstige vrundenn, Elburch.

Ernst Witten, am pinxsteravondt anno 79.

Nummer 56

Ersame wijse und vuersichtige gunstige guede frunden, u wijsen missive datiert den 8 huius, meldende vanden middelen etc is ons waelverwaert averantwoordt, kunnen daerop u ersamen gunstiger wolmeynungh niet bergen, wye dat aen u ersamen bewost die middelen alhier oeren voertganck averlange gehadt hebben, doch die percelen dye alnoch niet gegeven werden is der heer canzler Craenevelt t alhier committiert om deselve geheel voertz int werck te brengen. Van gelicke is toe reysen indie Veluwesche cleyne steden, committieren die raidtzheer Stalburgen om gelickfals guede ordenungh (doorh.: d) aldaer toe stellen ten eynde die generale middelen anstondt allenthalven int werck gebracht end gegeven sollen werden. Belangende copie vant reces das ersten gehaldene lantdaichs is alnoch niet afgeschreven dan sal werden dieselve biden secretarius vuer alle die steden gefertiget buerende den quartiersdach en is noch niet aengestelt und kan niet gehalden werden soe lange die ruyteren indie Veluwe (doorh.: L) liggen dan soe balde die verthaegen sullen zijn sullen wij die anstondt uuitschrijven. Nyeuws en is hier niet der een seyt dat se vuer Mastricht cortlingh weder swaerlich gestormpt hebben und datter wael 3000 doden bleven zollen zijn. U ersamen in schutz ende scherm des Almechtighe bevelende. Geschreven den 10 juny 1579.

Burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Arnhem.

56.2
Dem ersamen wijsen und vuersichtigen burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Elburch, unsen gunstige guede frunden.

De middelen van consumptie worden in Veluen bestellet anno 1579.

Burgemeisteren und raidt der stadt Arnhem am 10 juny anno 79.

Nummer 57

Heer burgemeister, nae mijne gantz vrunteliche erbiedongh [..] lieve is noch mael mijn gantz vlitich begeren, dat ick eerstdaeghs mach erlangen die 2 jaeren rente, oft ten weijnichsten 12 dalers op rekennge, und oick dat resterende vierendeel boters, und daer ick een eersame rhaet ende u lieve persoen wederom dienst zal kunnen doen, zal ick daerthoe bevonden worden meer als willich, kenne Godt almachtich die u lieve in zijn schutz lange erhalden wil. (doorh.: onleesb.) Uuyt Arnhem den12en juny anno 79.

U lieve dienstwillige,

Frederick van Boeymer.

Heer burgemeister, zoe ick die botere zeer van doen heb begeer u lieve willen mij daermede ende oick met die rhente langer nyet frustreren noch ophalden. Ick begeer nyet dan met vruntscap toe handelen, zoe veer mogelijck.

57.2
Den eersamen wolachtbaren zeer discreten Lambert Francken burgemeyster der stadt Elborch mijn gunstige here und vrunt, ter Elborch.

Boymer van de iaerliken renthe und botter am 15 juny.

Nummer 58

Johan graeff van Nassau Catznellebogen etc. stadtholder in furstendomme Gelre ende graeffscap Sutphen etc.

Eersame wijse vursichtige lieve bijsondere vrunden. Alsoe wij tot uhtvoeringe deses tegenwoirdigen oorlochs ende defensie van tgemene vaderlandt goet ende raedtzaem gevonden hebben, inde monsteringe ende onder den crijscheedt te brengen, het vendel vanden capitain Joriaen van Boecholt, om tselve voor een tijt geleijt ende verdeylt te werden inden steden van Harderwijck, Elborch ende Hatthem ten minster quetsinge ende beswaernisse ende oock sonder costen vanden goeden borgeren ende ingesetenen aldaer volgende der chrijschordonnancie dyens angaende gemaeckt. Soe ist dat wij uwer eersamen ende lieven bij desen wel hebben willen versoucken ende nyettemin bevelen dat uwer eersamen ende lieven zich nyet beswaert en willen laeten vinden die soldaten van tvoorsseide vendel te weten zoe vele als bijde monsterheren (die wij daer toe gecommitteert hebben uwer eersamen ende lieven toegevoecht zullen worden) tontfangen, mits datmen goede ordre ende chrijschdiscipline daer onder doen holden ende oeck goede betalinge den zelven doen hebben zal inder vougen dat uwer eersamen ende lieven borgeren daer mede nyet beswaert en zullen zijn ende want wij nyet en twijfelen oft uwer eersamen zullen zich reguleren naede resolutie die wij desen angaende bij advys vanden gedeputeerden der naerder geunieerde provintien tot dienst van tgemene beste genomen hebben zoe wij wel verseeckert zijn vande goede affectie ende genegentheyt dwelcke uwer eersamen ende lieven tot tvaderlandt zijt dragende. Eersame wijse voirsichtige goede vrunden die Almogende zij bewaerder van uwer eersamen ende lieven. Gescreven tUtrecht den 15en juny 1579.

Uwe goede vrundt,

Johan graff zu Nassaw Catzenelnbogen.

58.2
Den eersamen wijsen voorsichtigen burgemeisteren schepenen ende regierders stede vander Elburch.


Nummer 59

Eersame wijse voorsichtige goede vrunden. Alsoe wij tot uuytvoeringe des tegenwoordigen oorloochs ende defensie van tgemeene vaderlant bij advys van mijn genedige heere den stadtholder goet ende raetsaem bevonden hebben, inde monsteringe ende onderden crijsch eedt te brengen het vendel van Jorien van Boecholt omme tzelve voor een tijt geleijt ende verdeylt te worden inde steden van Harderwijck, Elburch ende Hattem ten minsten guetsinghe ende beswaerenisse ende oock sonder costen vande goede borgeren ende ingesetenen aldaer volgende die crijschordonnantie diens aengaende bij ons gemaect. Soe ist dat wij uwer eersamen ende lieven bij desen wel eernstelicken hebben willen versoecken, dat uwer eersamen ende lieven sich nyet bezwaert en willen laeten vinden die soldaten van tvoorseide vendel te weten zoe vele als bijde monsterheeren (die wij daer toe gecommitteert hebben) uwer eersamen ende lieven toegevoecht zulen worden, tontfangen mits datmen goede ordre ende chrijsdiscipline daer onderdoen holden, ende oock goede betaelinghe den zelven doen hebben zal indervougen dat uwer eersamen ende lieven borgeren daer mede nyet bezwaert en zullen zijn. Ende want wij nyet de twijffelen ofte uwer eersamen ende lieven zullen sich reguleren naerde resolutie de welcke wij desen aengaende bij advyse van zijn genedige tot dienste van tgemeene beste genomen hebben, zoe wij wel verzekert zijn vande goede affectie ende genegentheyt, dewelcke uwe eersamen ende lieven tottet gemeene beste zijn draegende. Zoe willen wij ons van wijeder scrijvens verdraegen ende dese ener mede besluyten. Eersame wijse voorsichtighe goede vrunden ende mede uwe eersamen ende lieven. In schutz des Almachtigen bevelende. Gescreven tUtrecht den 15 juny 1579.

Uwe goede vrunden,

Die gedeputeerden vande naerdere geunieerde provintien,

Ter ordonnantie van zelve,

Get. onleesbaar.

59.2.
Den eersamen wijsen voorsichtigen burgemeisteren schepenen ende regierders [der] stede vander Elborch onse gonstige vrunden.

Nummer 60

Ersame wijse zeer discrete heeren. Wij verstaende dat bynnen Harderwijck soldetun angekoemen zijen, twe vandelyen knechten die welcke soe wij verstaen hoer beschijt solde holden op Harderwijck, der Elborch unde Hattem. Is der halven onss erenstlych scrijvent und begeeren dat u eersamen ons dat zelve wyllen aver scrijven bij brenger van dessen, wes u eersamen aldaar van bewust ys wie onss daer myt op te bedencken, wandt onse menonge ys ganslych nyet omme eenyge knechten in to laeten oft antoneemen; mytz Godes bevelonge. Datum Hattem den 18en dach junius anno vijftienhonderd negenenzeventig.

Burgemeisteren schepenen und raedt der stadt Hattem.

60.2
Dem erbaren und zeer discrete heeren burgemeisteren scheepen und raedt der stadt Elborch onse gunstygen heeren und vrunden.

Hatthum begeert bescheidt van den soldaten vur Harderwijck, am 18 juny.

Nummer 61

Eerntfeste eersame discrete heren und guede vrunden. Achtervolgende u lieven missive bij brengeren dieses gesonden belangende die soldaten. Kan dairop u lieven onvermeldet ther guetlicker andtwordt niet laeten, wie dat gistern namyddach ombtrendt 4 urhen der richter van Doesburch Jorien van Boeckholt hopman alhier is kommen, mij 2 verscheiden missiven, eyne vann onssern genedige heren stadthalder graeff Johan etc., die andere vanden gedeputierden der naerder Union, ongefeerlich gelijckes inholtz, sich respective tot eynanderen referirende. Als tweten dat der genante hopman Boeckholt van sijn genedige ende dien gheunieerde provincien waer angenamen ende bestalt dat eyner genant N. Uyttenenck gecommittiert was mit Joseph van Aernhem und einen uth onsse schependom dieselve op ankompst Uyttenencks tho monsteren ende naer ordinantie derselven eensdeels hier bynnen ende die reste ther Elburch ende Hattom tho verdeilen, tgehele venlijn als die hopman secht 155 hoeffden sterck wesende, welcker saicke bij onssen maleconten (die doch eensdeels voll waren) soe odieus is gemaeckt, dat wij bald een oproer inder stadt gehadt hedden, lieten terstont 2 venlijn diesen nacht waken ende moyteden voertz omb thuys in toe nemen twelck hem Aernhem affsloech mit gueden woerden, soe wij doch dieselve ongemonstert ende souden gelt selffs niet in en begeerden die nu noch in onse Vrijheit liggen ende arme luyden maecken. Off nu die ghemeine burger bij der Union sich halten ende die ordinantie onsses stadthalders ende der deputierden vanden Union sullen gehoersamen naer gedaener monsteringh, moegen wij sien, dan wij hebben H. van Brienen, Ger. Voet ende 2 vanden gemeynte gesandt an sijn genedige niet alleen om der ruytern dan oick om dieser ongeschickten soldaten willen die gisternavent op oer ankompst een fijn jonck huysman soe jamerlick hebben vermoert, behalven dat andern geslagen ende endeels inden Vrijheit al oer noetdrufft op enen avont is opgegeten. Van desen is oick een venlijn in Amersfordt gelacht ende dat ander dairuth genomen, sonst weet ick u eersamen ende lieven niet bisonders tschriven dan onse gesanten sindt om mytnacht hieruth nae Amersfort om van daer op Utrecht off Aernhem toe reissen bij sijn genedige. Der Almechtige wil ein geluckich und selich ende verbleven. Datum den 18 juny anno 79.

U lieven guetwilliger,

Ernst Witten.

61.2
Dem erntfestenn eersamenn wisenn unnd discretenn hernn burgermeisteren schepenen unnd raidt der stadt Elburch, mijnenn gebidenden hernn.

Tidinge van soldaten alhier mede in toe koemen, anno 1579.

Nummer 62

Johan graeff van Nassau Catzenellenbogen etc., stadtholder int furstendom Gelre etc.

Eersame wijse voersienige undt lieve besundere. Wij en mogen u nyet verswijgen, hoe dat opt goetduncken der gedeputeerden vande unieerde provincien, om te beschudden dese landen, undt geunieerde provincien, sonderling boven al die goede stadt Maestricht ten besten, beneffens ander crijchsteden, oyck hopman Boucholdt met een vaendel knechten bestelt undt aengenomen is worden, dewijle nu deselve in die dry maenden ongemonstert gebleven undt sijns undt weder gesleypt sijn worden undt man die uuyt oirsaecke des grooten uuytgevens nyet en heeft kunnen betalen. Daeromme wel billick sij, dat sij sich een weynich vermaken undt rusten, undt wij dan sie op geen ander oort onderbringen noch leggen en kunnen in betrachting, dat het furstendom Gelre nu ter tijt over al met crijchsvolc beswaert is, hebben wij nootelyck die verordnung doen moeten undt anderssins nyet doen kunnen (hoewel wij u lieden geerne daermede verschoont sagen) sonder deselve in u liede stadt te schicken. Ende sullen soo haest sij gemonstert sijn in dry oorden geleyt worden, als namentlyck binnen Harderwijck, tseventich, binnen Hatttum dertich ende binnen u liede stadt vijftich, alleenlyck voir ettelicke weynich dagen, tot dat sij metten anderen krijchslieden (doorh.: w) voertgeschickt worden, ende wij andere middelen vinden kunnen. Want wij nu tot onderhoudinge deser krijchslieden gelden andere middel en weten undt dat gij lieden aende generaliteyt, die gemeyne welvaet te bevorderen gehouden undt verpflicht sijt. Soe is ons ganslich begeren, amptshalven bevelende, dat gijlieden die borgeren vermanen undt onderrichten willet, ten eynde sij in betrachting alsboven alsulcke knechten innemen, undt met logementen undt anderssins ten besten mogelijck voir eenen cortten tijt willen accommoderen, haerlieden versekerende dat wij insgelijckx die soldaten daertoe halden sullen dat de voirseide borgeren sich te beclagen geen billycke oyrsaecke en krijgen. (doorh.: datum) U lieden hiermede den Almechtigen bevelende. Datum Utrecht den 19en juny 1579.

U lieden goede vrundt,

Johann graff zu Nassaw Catzenelnbogen.

62.2
Den eersamen wijsen discreten borgemeesters schepenen undt raedt der stadt Elburch onsen lieven besunderen goeden vrunden.

Nummer 63

Eersame wiese voersichtige gunstige guide vrunden. U eersamen lieven myssive hebben wij undtfangen und daeruth verstaen wie dat unsen genedige heren den stadtholder een venlijhn knechten in unser drie steden leggen und verdeilen wolde welke unsen gansen seer befrembt und wij oick in giener myenunge sindt in toenemen offt die nicht sall suilkes eerheischen und unse hoeffsteden unsse daer in voergaen die wille sie der vianden am nechsten geseten sindt. Eedoch wij verstaen uth u eersamen lieven schrievendt dat die van Harderwick allgerietz oer gesandten an unsen genedige heren den stadtholder (doorh.: onleesb.) affgeferdiget hebben umb sekere bescheidt unde endtlich meynunge daervan ten vernemen wes u eersamen lieven daervan beyegent begeren dat u eersamen lieven up unssen kosten unss toegesocht moechten werden sulken vershchulden wij ider tidt tegenss u eersamen lieven die der Allmechtiger in sin beschuiden und bescherm lanckwillig will eerholden. Ilendt den 19e juny anno 79.

U eersamen lieven guidgunstige vrunden,

Borgemeisteren schepenen und raedt der stadt Hattum.

63.2
Den eersamen wijsen unde voersichtigen heeren borgmeistern schepen und raedt der stadt Elburg unsen gunstigen guiden frunden.

Nummer 64

Johan graff zu Nassow Ctzenellenbogen, Vianden und Dietz etc., heer zu Bijlstein etc., stadthelter dess furstendombs Gelre und graffschafft Zutphen etc.

Ersame weise fursinnige liebe und besundere gute frunde. Was ihr ven wegen innemongh der knechten itzo an uns supplicerent gelangen lassen haben wir verstanden, wollen euch daeruff nit verhalten das wir sulchs zu keiner anderen meinongh dan unseren furigen schreiben nach zu nutzen und fromen der lantschafft und verlichtungh der armen hausleuthen verordnet haben.

Want dan nhu dieselbe knechte gemonstert und geldt untfangen und also die ingesetenen der stadt Elborch gien unlesten sonderlingen bedurffen zu tragen van viel mehr profit und nerungh daervan verwachtende sein.

Als ist nochmaels unser gnediges begeren und gesinnen das ihr die 50 knechten unter dem hauptman Bocholtz gelegen fre eine geringe zeit inder stadt accommodiren und logeren willen.

Sollen nicht zu weiniger mitteler weil die versehungh thun das sie in kurtzen dagen dahinn genhomen und auff anderen destinerten orteren hingelacht und verordnet sullen werden.

Deses versehen wie uns von euch also zu sollen geschen die wir hiermedt dem Almachtigen. Datum Utrecht am 24 juny anno 1579.

Eurer guter gunner und frundt,

Johann graff zu Nassaw Catzenelnbogen.

64.2
Den ersamen weisen und vursinnigen unsen lieben und besonderen guten freunden, burgermeistern schepen und raett der stadt Elborgh.

Hoewel de soldaten nymand besweren sullen doch kurtlick afgenomen werden. Nassou am 24 juny.

Nummer 65

Ersame unnd vursichtige besondere goede frunden. Welcker maten an uns gesuppliciert hefft Sijmon vann Cleeff richter int Oldebroeck sulcks hebt ghij luyden hierinne versluten tho vernemen.

Daer dan der inhallt der supplication unnd der daerinne gelachter protestation also were glick tho kunnen gegeven wort in sulcken vall kunnen wij niet anders erachten dan dat dem suppliant gens onmechtlick unnd ongutlick geschiet were. Jedoch dwiell noch uns noch niemanden parte adverso onverkort geburren will in sulcken und derglicken saken etwes tho ordonnieren. So is uns gesinnen dat ghijluyden uns den volnkommen waren geschickt und gelegenheit der omstandicheiden deser saken aver schriefft om sulks gesien volgens den gebur [..] hier inne geordonniert the worden. Met befelhungh des Almechtigen. Gegeven Arnhem den lesten juny vijftienhonderd negenenzeventig.

Stathelder und die rhadenn des furstendumbs Gelre unnd graeffschaffs Zutphen,

J.M.W. Sluijsken.

65.2.
Dem eersamen und vursichtigen unsen besonders goeden frunden burgermeisteren schepenen unnd raedt der stat Elburch.

Nummer 66

Eersame sehrdiscrete heren und guede vrunden. Achtervolgende het affgescheit onlancx mit u eersamen mede raidtzfrundt Lambert Franckessen genamen, als dat wij van wegen des ghemeinen bestens guede correspondentie mit einandern solden halden etc.

Soe ist dat wij desen nacht durch eenen baden der bundtgenoten advertiert sindt, dat die stadt Mastricht doer een monnicken cloester van buyten vanden viandt ende bynnen vanden monnicken dairtegens gegraven 800 spaenjaertz dairdoer int cloester gebracht solden sijn ende als van buyten dairomtrent den sturm wardt int werck gebracht solden die spaenjaertz uith dem cloester van achtern inden burgern gevallen ende alsoe die stadt ingekregen hebben, die burgern niettomyn schermutzierende mit den viandt geweken over der bruggen in Wijck, alwaer sihe wal ses weken tovoeren al oer kost ende munition gebracht offtet sich had gevallen etc.

Desen margen sindt 2 loffweerdige Deventer koepluiden van Ansterdam hier kommende siggen 2 posten gespraken thebben, dat der viandt ses off soeven uhren alsoe inder stadt gewest wie dan sijn gantze leger niet anders en woste averst solden die Mastrichter hon datselve loch weder hebben doen uith kruipen des der heer wil gonnen wahr tsijn.

Hoemen tot onsser materien hebben wij vanden baden vurseid oick verstaen dat onsser genedige heer stadthalder solde in meinongh sijn een tijdt lanck Arnhem tverlaten ende sijn genedige residentie toe Utrecht thalden ende vermitz dat voel vrommen dese ende andere dingen niet sonder swaerigheit dairin toe maken konnen verstaen oick mede dat die ruytern aldus blijven liggen, sonder gewach van optrecken thoeren. Jae datse eensdeels die vertogen gewest wederkommen. Dat oick Reynier Cantt tho Amsterdam last hefft om hier rondtz omme daert noet hefft provisie tdoen ende inne tseinnen wes van knechten munition, ware etc. Soe ist dat wij achtervolgende u eersamen wel hebben willen van desen verstendigen besloten tsijn. Onser vrundt Johan van Arnhem mit Henrick van Essen aenstondt op Amsterdam an R. Cant ende voertz op Utrecht anden bundtgenoeten tschicken om fortificatie onsser stadt ende anderen noet van mehr knechten ader woe sulcx aldaer geraeden sal worden. Bedacht sijnde u eersamen sulcx toe advertieren om oick iemandtz nae tseinden, dairmit men van alle swarigheit eens

66.2
wat veranderings soll moegen bekommen ende wij gesatt mochten wesen den viandt onerschrocken thoefft tbieden op dat wij niet avermaels weder opt loep en kommen, twelck wij u eersamen in aller ile niet en hebben moegen verhalden om oick imfal noet die eersamen van Hattem mede opten benen tbrengen; datmen over Amsterdam reist wordt gedaen om meerder veilligheitz willen ende oick Reynier Cantt antospreken want deses baden bij Coenen busch 2 luyden vermoert gevonden als oick anders elders, den heren bevolen mit groter haest opten 4 july anno 79.

U eersamen gude vrunden ende nabuyren,

Burgermeisteren schepenen ende raidt der stadtt Herderwijck.

66.3
Dem eersamenn wisenn sehrdiscretenn unnd frommenn burgermeisterenn schepenenn unnd raidtt der stadtt Elburch, unsernn gunstigenn guedenn vrundenn.

Hardewijck van provering der stadt Maistricht.

Nummer 67

Ersame wijse ind vuersichtige gunstige guede frunden. Alsoe opten lestgehaldenen quartiersdach verafscheidt is datmen in ieder quartier mitten irsten een quartiersdach uuytschrijven zold welck (soe wij verstaen) inde andre quartieren alrede geschiet ende alhier mitz die lange inlegeringh der ruyteren baven onse vuelvoldige aenhalden verwylet is. Langst demnae onse gantz frundtliche begeren dat u ersamen enige uuyt derselver middel op frydach den 10e deses itziss maendtz july des avontz alhier bynnen Arnhem inkommen wyllen laten omb volgentz daichs mitten anderen rijpelich te communicieren op alsulcke punten als inden recesse das lantdaichs noch ongeresolviert gebleven ende (doorh.: oick) alle andere wichtige saicken, daeraen die lantschap zeer mercklichen ende viel gelegen niet alleen toe delibereren raidtslaegen (doorh.: souden) ende eyntlich sluyten souden oick den anderen bestandich zijn dat dieselve resolutienen geaffectueert ende vollentagen werden.

U ersamen in schutz ende scherm des Almechtigen bevelende. Geschreven den 5en july 79.

Burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Arnhem.

Nummer 68

Erentveste ersame vuersichtighe guedt gunstighe frunden, u ersamen breff an ons gesonden hebben wij ontfangen umd den inhalt daer van verstaen waer van wij u ersamen hoichlicken hebben toe bedanckern. Is demnae onse fruntlicke begerent soe wij bericht synnen dat die van Harderwick van oeren raede affgeferdicht synnen om noetlicke saeken in Hollant toe verschaffen, begeren wij hun gunstlicken als diee selingheit wedderom trugge gekonnen synnen dat men ons sulx wolde schrifftlicken opt spodichste metdeilen ume weten laeten op dat wij alsdan bij u ersamen mochten erschinen umd forder myt den anderen beraetslagen wes ons myt den anderen nodich is om toe versprecken . U ersamen hier meth bevelende den Almechtigen Godt. Uth Hattem den vifften july anno etc. 79.

Borgemeisteren schepen umd raidt der stadt Hattem.

68.2
Den erentvesten ehrsamen vuersichtygen heeren borgemeisteren schepen umd raidt der stadt Elborch onsen guetgunstigen vrunden.

Idt rapport der nairder Union begeret de stadt Hatthem overgeschreven.

Nummer 69

Erntfeste eersame vielgunstige heren und gude vrunden, achtervolgende u eersamen schrivent mij diesen avondt myt het sluyten der poerten behandet, kan ick u eersamen niet verhalden wie dat wij achtervolgende onsse laetste an u eersamen gedaene schrijvent mijne neven Johan van Aernhem ende Henrick van Essen hebben up verleden saterdage nae Amsterdam an Reyner Cantt commissaris ende voertz van daer op Utrecht an onsser genedige heren ende den bontgenoeten aldair affgeferdigt omb oirsaicken u eersamen doemaels vermelt unde vermitz gistern margen onse hopman mytter poerten opganck sambt sijnen leutenant hier angekomen die bedroeffde ende sehr erbermlicke tijdingh myt sich bringende hoe hefft zijn eersamen lieven sich jegen ons verclaert expresse beveel vanden criechsraidt thebben uyth kracht eens apenen patentz dat hij sich dien avondt stracks myt sijne soldaten opmaecken ende nae den viandt solle trecken etc.

Dairop ick hem van wegen onsses gerichtz remonstriert dat imfal sijn eersamen lieven sulx dede sijn eersamen lieven ingedenck sijn soll, dat hie niet alleen weinich profijts myt seinen venlijn voer dem viandt doen, dan diese drie steden als Herderwijck, Elburch ende Hattom, dairmyt in handen onsserer vianden solde brengen, ther oirsaicken dat die maleconten den vrommen ende guethertigen patrioten waren overleghen inden selven steden ende sijn eersamen vertreckende die guethertigen balde konden naegeyaecht worden und solden dieselve steden mit vifftich venlijn behalven den schaden niet weder konnen ehroevert worden die nu soe licht thalden, doch soe sijn genedige ende die bontgenoten ommers dit venlijn tho velde thebben begeerden waren wij verhoepende datmen ons voer oer vertreck ierst soevoel anderen soll in de plaetz senden,

69.2
dairop wij dan gistern nochmaels des hopmans leutenand tonssen kosten enen wagen bestelt hebben op Utrecht myt andermael schrivens an sijn genedige ende den heren bontgenoeten dat diese saicke ripelicker erwoeghen, ende soe dair inne worde versihen, datmen die steden die wij itz hebben ende tot drien toe noch voer ierst konnen bewaren, niet vermitz lichtferdigheit verlisende mit groter swarigheit solden weder moeten gewynnen. Wij hedden wal verhoept desen avont tijdtlick wederantwordt van Utrecht thebben, maer hier en is wes tot dieser thienderhalver urhen inden avont nymantz kommen ende bisoefeern nymant voer margen en quame alsmen opsluyt sal ick u eersamen dieselve angekoemen sijnde gelijckewal van all onsse wederfaren schrifftlick verstendigen. Latende diese knechten soelange in stylheit liggen wes ordinancie van oer blijvent off andern in oer plaetz tkommen gestelt worde.

Van die bedroeffde tidingh van Mastricht en mach ick niet mehr schriven vermitz groet hertenleet sulcker groeter ontreuw ende versuymenis. Averst dwiel wij oick van en oproer tott Busch gewest tsijn verstanden dair voel doeden ende gewonden solden gevallen sijn, ende alsmen sachte die predicanten dairop uytgeyaecht etc. Soe is desen avondt hier volck kommen die solden gesacht hebben gesien thebben, datter etzliche venlijn schotten ende engelschen solden in sijn gekomen, dairaver ick sehr verblijt gewest etc., oirsaick datmen hefft gesacht dat vermytz der oproer aldair die viandt thoefft darwertz soll hebben gesat, alwair hij bij diesen middel die klyncke mach kussen, die ruyter hoep dat margen ende avermargen tsamen opsullen vermytz inen oer penningen gistern ende van dage getalt sijn.

69.3
Unde vermytz ick desen avondt onssen deirebarenen niet en heb weten tbekommen heb ick tbeste geern gedaen ende u eersamen van tgeen mij bewust willen verstendigen. U eersamen hiermit dem Almechtigen bevelend. Mit haest om midtnacht den 6 july anno negenenzeventig.

U eersamen dienstwillige frunt,

Ernst Witten.

Nummer 70

Eersame vursichtige guedtgunstighe nabueren ende vrunden, achtervolgende mijne geloffte vanden verleden nacht etc., belangende onsse remonstrance ahn onssen genedige hernn stadthalder als oick anden bontgenoeten van onsser drier steden wegen gedaen ende dairop ghevolchde andtwordt hebben u eersamen uyth volgende copie tovernemen.

Copia.

Erntfeste frome wise sehr vorsichtige, wij hebben op huyden u eersamen missive ontfangen ende en kunnen dieselve u eersamen vande guede advertentie ende waerschouwinge daerinne sijnde niet genouch bedancken. Begerende dat dselve u eersamen dairinne gelieve te continueren, als wij van gelijken niet en sullen naelaten ietwes verstaende dat tot naedeel van u eersamen stede ende quartier van dien soude moegen strecken, tselve u eersamen te veradvertiren, ende hebben om alle desordre, daer u eersamen van zijt schrivende te voercoemen enighe vanden onssen neffens sijnede genedigen affgeverdicht omme met zijnder genedige diens angaende te communiceren, soe wij niet geraedtsam en vinden in dese gestaltenisse des tijdtz soe u eersamen als der stede vander Elburch ende Hattum vanden garnisoen daer iegenwoerdelich in sijnde te bloeten, u eersamen sullen die goede meinonghe ende intentie van sijnder genedigen uyth het schriven vanden selver sijnder genedigen breder moegen spoeren. Hiermede erntfste fromme wise sehr vursichtige u eersamen in schutz des Almechtigen bevelende. Geschreven tUytrecht desen 6en july 1579.

Uwer eersamen goede vrunden,

Die gedeputeerden der naerder geunieerder provincien,

Ter ordonnancie vande selve gedeputeerden,

Jan Zuylen.

Dwiel diese luytenant onsse gesanten niet en hebbe vernomen tot Utrecht, solde ick vermoeden datse voertz naeden Haghen gereist sullen sijn, alwaer die heren bondtgenoten bij een waren, off sihe sullen weder nae Amsterdam sijn om myt enighe gecommittierde tkoemen ende besien onsse steden etc. Dieselve heb ick u eersamen om alle beste niet konnen verhalden, dien ick hiermit dem Heren bevele. Ick heb ons genedige heren brieff anden hopman gegeven oick gelesen die schriefft dat sijn genedige tvreden dat sijn soldaten tot versekertheit der steden alsoe blijven liggen. Datum Herderwijck den 7 july anno domini 79.

U eersamen guetwilliger,

Ernst Witten.


Nummer 71.

Gelijcke missyve gedepesscheert aen die van Enchuysen.

Copie.

Eersame wijse voorsichtighe zeer discrete heeren ende goede bontgenooten.

Wij en connen u eersamen nyet verberghen hoe dat die vander Elborch ons hebben doen verwittighen wie dat zijluyden zekere advertentie ontfanghen hebben, dat den vijandt zekere anslagen zoude hebben opden graefschappe Zutphen ende andere omleggende steden, ende zoo de stede van Elburch zoo nydt voorsich en is van garnisoen dat deselve eenich gewelt zouden moghen wederstaen, soo est dat zijluyden uns hebben doen versoucken dat wij in heurlieden fanens zouden scrijven aen u eersamen ten eynde (doorh.: u e) deselve u eersamen hemlieden in tijde van noode seeckere secours van chrysvolcke zoude willen toe senden tot haer verseeckertheyt ende defensie tegens een allen ghemeenen lants viant.

Waeromme wij nyet en hebben willen laeten in fanenrende ter instantie van die vander Elburch unse goede bontgenoeten ende conipatrioten u eersamen bij dess te versoucken zich nyet zich nyet weygerich te willen maken om die vander Elburch voorseid in tijde van perycule ofte noode met den behoorlichen gefalle van chrijsvolcke te willen seconreren ende (doorh.: asisteren) assisteren des bij hemluyden verwitticht ende versocht zijnde ende dit all te wylen ende tertijt toe dat de voorseide stede vander Elborch van andere garnisoenen versien zall zijn ende want wij nyet en twijfelen uff u eersamen zullen zich des alzoo laeten gevallen als well wetende hoe veele dat u eersamen aende consenatie van die van der Elborch ende andere nabuerighe steden gelegen es zoo zullen wij uns van voorde scrijvens vurseid verdragen ende dese hier mede besluyten.

Eersame wijse voorsichtighe zeer discrete heeren ende goede (doorh.: bong) bontgenoten u eersamen hier mede in schutz des Almachtighen bevelende. Gescreven tUtrecht den 8en july 1579 unde stont geschreven uwe goede vanden die gedeputeerde vanen naerder geunieerde provincien noch legher, ter ordonnancie vanden selve onderteeckent, Radelant.

Eersamen wijsen voorsichtighen zeer discreten heeren ende goede bontgenoten, borgemeisteren schepenen ende raedt der stede van Hooren.

Nummer 72

Eersame und vursichtige besonders goede frunden. Wij schicken u luyden hierinne verwaert copie sekeres verdrachs alls uut befelch van den wolgeboren onsen genedigen heeren statholder durch den erentfesten Reijner van Asswijn, heeren tot Brakell etc. und die kriechs raeden mit den oeversten Jacob vanden Steinbach opgericht is.

Dwiell dan daerinne gemeldet wordt datmen hem ein halff maent betalen sall die sich bedragen doet ongefeerlick tien duysent gulden. So is ons vlijtich gesinnen ghijluyden willt mit allen ernst und vlijt immers op naestcomenden saterdach so vil gelltz op Nijmegen bestellen laten alls u luyden moegelick sijn sall. Die van Nijmegen und Arnhem hebben vast elcx em aensienlicke summe opgebracht aen dennen van Zutphen is oeck derwegen geschreven niet twieffelende off oer ersamen sullen sich hierinne oeck der gebuer nae schicken sunst off bij gebreecke van dien is hem raedt dat Averquartier mit aller handen provisie tho versien und die ruyter und knechten op to brengen. Twelck dan tot hondert maell meer schadens der armer onderdanen strecken sall. Hierinne sullt ghijluyden alle moegelicken vlijt vurwenden und doen alls wij u luyden desen und meerders tho betrowen. Mit bevelungh des Almechtigen. Geschreven to Arnhem den 9en july vijftienhonderd negenenzeventig.

Die aenwesende raden des furstendombs Gelre und graeffschaps Zutphen,

J.M.W. Sluijsken.

Nummer 73

Ersame vorsyctege gunstege vrunden, yck en kan yu ersamen neet bergen dat yck byn ghewesen bij Henryck van Steenbergyn ende mijn toe ghesproken dat vande sake noch neet ghedaen ys, dan toe namyddage so solder van ghedaen wordyn also dat yck neet en weet of yck mijn besceyt so vro krijgen kan dat yck van afent (doorh.: onleesb.) koemen kan dan also vro als yck besceyt hebbe dan sal yck koemen (doorh.: so) dan hyer ys gyster afent tydynge ghekoemen hoe dat en Meppel synt ghekoemen malecoenten ten van buren ende van (doorh.: onleesb.) anden Beillyngen als Yan Horst meyster ende sijns ghelijken ende oyr als men sech krijs sich wel to 3 dusent toe woere van dat hyer voele verslagen hareyn sijt hyer mede wyl yck yu den Heren befelen hent dan yck bij y insomme koemen daer toe Kampen den 10 yulys.

Henryck van Putten als dyt ghescrefen hebbe so yster weder tydynge h ghekoemen dat 6o hondert of 2 neet starrye synt.


Nummer 74

Erntfeste ersame wijse vuersichtige heren verwanten und frunden. Ihr ersamen schrijvens van dato dese 9 deses monetz hebben wij alhier den elften ontfangen.

So viele dan des ruyter angaett kunnen wij ihr ersamen nyett verhalden wij alle onse muegelick vlijt angewent hebben die Velwe de selve een maell ontledigett mochte worden om een maell nae groete smerten en weijnich todt verhaell leech sich toe stellen. Is entlick soe vuele wij hier vernemen und vuer gewiss solden datt de quartieren geslagen bynt om de ruyter aldaer mydt den eersten doen te vertrecken zuierst huyden de tijdung hier gekomen iss de van Nijmegen sich weynich maken haere toegelachte dele in toe nemen. Nyettemyn hoepen daer duer de anderen nych zes ruggen werden geholden worden in welken alles wij van menong bynt huyde so vuele moegelich te vorderen und morgen onse weder op de wegch geven om wijder van alles besceytt te brengen.

Belangende ihr ersamen wijder begheren worden wij oeck in vorderen und nytt rusten so vuele moegelick und de gelegentheytt lijden wylle.

Omgaend den viandt ihr ersamen begheven tho weten de hym alhier en verscheyden tijden im allesdertien soldaten uytt Maestricht gekoemen de welke van de veroveringe leych de wysse tijdung brenge

74.2
seggen de lesten daer uyttgekomen bynt de viant de stadt die dagen geploricht hefft mydt alle sijn volck und daer nae wech in hett leger untt de stadt sich gelegt behaltelick seker getall in die stadt gebleven iss dan noch onseker waer hij wyder hett hoefft hen wenden wylle wordt gesacht und toe geloeven stadt de vianden van daer nyett wyllen wijken eer sij van alles betaelt sijn de soldaten dair inne gelegen hebben wat den meeste in genaide genomen als schuit welke in de furie nyett gebbenen bynnen averst over den burgeren und boeren met tyrannie gebruyckt.

Den overste Steenbach iss mytt sueven venlin van de unierde pinneen angenomen. De van igren bynnen hier mytt gehele volmacht om sich mydt in den naer den uns thoe geven unde haire papen sich ontlast. De van Brugge hebben de scottze soldaten ingenomen todt etlike venlin und allen den gescoren hoepe wye getarcht. Wyllen ihr ersamen oeck nyett versaken datt op Horen und Enchusen myssives van de bontgenoten nae ihr ersamen begheren geschreven byntt van welke wij ihr ersamen copie mytt den ierster gelegentheyt toe stellen wetthen.

Glijket mail iss oeck geschreven van den vergemelden en den hopman

74.3
Bocholt belangende de swaerichheyt den wijven und kynderen den soldaten. Erntfeste ersame gunstige heren neven und frunden de Almechtige wylle ihr ersamen in alles bewaeren und wijsheytt in regirung verlenen, Datum todt Utrecht 10 july.

Ihr ersamen goettwyllige gunstige verwanten und frunden,

Johan van Arnhem, Henrick van Essen.

Post datum is tijdong komen, de burger van Hertogenbosch tegen den anderen in die wair geweest bynt und sich geslagen, alsoe datt etlike geblevenen die papatyen hett velt beholden und die van de religionen daer uytt te wijken geboden welke oeck bij groets men nichts daer uytt fluchten. De magistraett verandert und Brecht todt haren gouverneur gemaeckt. Alsoe datt die van Utrecht gevordert hebben om 300 soldaten bynnen toe hebben.

Nummer 75

Erntfeste eersame ende wise sehr discrete heren ende guede vrunden. Idt syndt desen avondt tusschen acht ende negen urhen bij mij gekoemen twe vromme ende guethertzighe buger van Deventer, gelangende nha Amsterdam mij tkennen gevende uth beveel eyns ersame raidtz aldair., dat (doorh.: ene) die ersamen van Sutphen oer ersamen toegeschreven wie dat die van Blijenbeeck gistern margen myt opganck der poorten van Doettickem die wacht aldair myt weinich peerden ende voetfolcks verrast ende die wacht tsamen erworcht soll hebben, tvoett ende tpeerde ongeveerlich 40 man sterck gewest sijnde. Dairvan die ersamen van Sutphen den heren van Deventer in aller iell geadvertiert, dwelcke twe venlijn burgern stracks darwertz gesonden, omb myt die burgeren van Sutphen, Doesburch ende andern wie men vermoedt tgansche bij sich oick dair sijn werdt maecken.

Unde dwiell die guede burgeren vurseid wal vermeeden dat die eersame van Hattum oick van ginder toeversicht ende wacht thalden gewaerschout moegen sijn des ick nochtans onseker sij, heb ick dairom uth guder walmeynongh u eersamen van desen niet onvermaent moegen laten, oick begerende dat u eersamen die ersamen van Hattum in averfloeth van ginder toeversicht waernen, ende u eersamen eighen saicken niet wilen inden wyndt slaen. Myt bevelongh des Almechtigen. Ilens Herderwijck den 10 july anno 79 omtrent den 11 tsaventzs.

U lieven ende ersamen vrundt,

Ernst Witten.

Ick hoop dat u eersamen alle die gude tijdingen soe wij hier ontfangen van Arnhem ende Antwerpen al mede sult hebben.

Het was oick tbefoorns geadvertiert, dat die Vleck van den Weerde verleden sadaterdage myt 300 onsser affgeredener ruytern solde occupiert sijn ende datse verleden maendach solden angenamen sijn vande van Blijenbeke.

Nummer 76

Eersame wijse und seervoirsichtige heren und guide vrunden, u lieven missieve in date den 9en itzlopende maent july an mij gheschreeven hebbe ick op ghister avont ontfangen, vuegende u lieven daer op ter vruntlijker antwoirt, dat ick als noch ghien seeker verreysent van onse hoveluyden en kan verneemen, dan alleene dat die lutenant als huyden tot mij ghesecht hefft, dat sij inwendich vyer offte vijff dagen sullen vertrecken. Oick hebbe ick seeker bericht ontfangen dat vier heren uuyth den kryechs raeth van Arnem naer Utrecht an grave Jan van Nassou sint affgeveerdicht, om ordonnantie aldaer te erlangen, dat die ruyteren uuyth Veluwen mochten vertrecken, wes ick vorder hier van warde verneemen, sal ick u lieven ter guider tijt verstendigen . Kenne Godt die u lieven in guider gefrister gesontheit ende gelucksalige regiringe lanckwijlich moeth erholden. Datum int Oldebroeck den 10en july anno 1579.

U lieven welghunstige vrundt,

Symon van Cleve.

Nummer 77

Erentfueste ersame und vuersychtyge gunstige goede vrunden. U eersame lieven scrijvent hebben wij ontfangen leyder Godt der quader tijdynge weshalven wij u eersame lieven scrijvent bedancken woerder angaende die goede tijdynge die u eersame lieven ons scrijven die welcke aldaer gekomen ys van Antwerpen und Flanderen und ons mede bekandt zolde zyen, ys ons gans onbewust begeren der halven u eersame lieven wyllen ons also dan tijdynge averscrijven op onse kosten wyllen zulckz tot allen tijden verschuldygen und yn gelijcken doen. Dem Almachtygen heren bevolen. Datum Hattem den 11 july anno vijftienhonderd negenenzeventig.

De ersame lieven goedtgunstyge vrunden,

Burgemeister schepen und raedt der stadt Hattem.

Nummer 78

Extract uyth eyner missive van D. Voet ahn die van Herderwijck geschreven, van dato den 11 july anno 79.

Tsij dat Marten Schenck (doorh,: tuss) omb tween urhen gistern nacht Doettickom mit 80 ruytern ende een venlijn knechten (wie wal hie 3 velijn liet vligen) hefft ingenamen, datwelck niet geschiet soll sijn bisoefeern sihe soldaten hadden willen innemen.

Dairhyn die herdekesche ruyter sich willich toe trecken erboden, waertoe alle puntten van Westervoert ende Malburch gehaelt worden, sihe und andern aver thelpen die nu wel al over mogen sijn. Wie oick eyner stracks anden heren van Hoehnloe ist affgefertigt om daer enighe soldaten mit bij thebben. Soe van gelijcker die van Deventer und Sutphen oere burgern tho voet ende tpeerdt oick dairhyn gesanden myt alle die buyren vant Goy.

Schenck solde oick voer Doesburch mit 16 off 17 peerden ende die stadt op geeischt hebben, dairtegens die burgern uith gevallen, ende mit haer geschermutzelt alsoe dat eyn van sijner ruytern geschoten ende gebleven, oick een burger doer thoefft geschoten ende een int been gequetst is hebben daernae eine moele voerder stadt angesteken. Und is toe verhoepen dat in Doettickom gien voerraidt sonderlingh van munition sijt dattet bald sal sijn tbekommen.

Geerner kompt ons sekere tijdongh dat die prins van Parma soll gestorven sijn dat oick die Italianer eynen andern sijner verwanten in sijn plaetz solden willen hebben, dair die Spanjaerden niet wal mit toevreden derhalven int leger groet oproer soll sijn.

Der coeninck van Spangen hefft mit Portegael een groet hader und strijt soe sie sich daer mit gewalt oick wil coeninck maken, die van Portegael willen hem niet und kommen der Spanjaerden pracht ende hoeffardt niet liden, derhalven sihe anden coeninck van Franckrijck ende Engellandt hulp hebben gesocht, die hare datselve beloefft ende toegesacht solden hebben.

Post data.

Steinbachsche drie venlijn knechten sindt anden Houberch bij het Tolhuys ende Rumpffs vanen ruytern ist hier tho Westervoert over gevaren umb bij Elten bij den andern tkommen ende tsamen oick nae Doettickom toe rucken. Wie dan oick der Elster soen van mijn genedige heer stadthalder ende der frijheer van Hoegensaxen oick dairhyn gereist sijn. Der graeff van Hohnloe der die proviandt ende andere Steenbachsche soldaten naer Venlo gevoert, wolde margen oick geern voer Doettickom sijn.

Nummer 79

Ersame wijse vuersichtige gunstige guede frunden. Alsoe tmerendeel der ritterschap den lesten uuyt geschrevenen quartiersdach baven alle verhapenungh und toeversicht niet vertreden daerdurch alle hoechwichtige lantschapz saicken u terugge gestalt zijn unde verwijlet werden hebben dannoch goetgevonden enen nyeuwen dach te beramen. Is demnae onse gantz frundtliche begeren, dat u ersamen die wolvaert deser landen behertzigen ende naestkomende wonsdach wesende den 22 deses lopende maentz july, dess avontz alhier binnen Arnhem onweygerlich enige uuyt derselver middel inkommen wyllen laten omb op saicken daeraen soehoech ende vuel gelegen rijpelick te communicieren ende resolvieren als tot nut ende waelvaert der lantschap reyken sal. U ersamen in schutz ende scherm dess Almechtigen bevelende. Geschreven den 15 july 79.

Burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Arnhem.

Nummer 80

Ersame, wijse ende vursichtige gunstige guede frunden. Also wij nu twe verscheiden quartiersdagen uytgeschreven hebben, omb op verscheiden gewichtige landtschaps saicken te communiceren ende resolviren daer dan tmerendeell vanden g[..]keren nyet erschenen; hebben derhalven tom oeverfloet mochmaels guet gefunden, ten einde der algemeine landes wolfart nyet verhindert ende sich nyemandt absentieren sold, einen dach tot Apeldoern to beraemen. Langh demnha ons gans frundtlich begeren, dat u ersamen over gesanten affertigen willen, omb sich op naestkomende maendach den 27en deser affloepende maendts des avonts off dynsdachs des morgens tijtlick to Apeldoern to verfuegen gestalt op saicken daer aen soe hoegh ende voell gelegen een maell to communiceren ende eyntlick tho sluyten op dat die alinge landes wolfart nyet geheell hingelacht ende terugh gestalt werde. Sulcx vertroesten wij ons gantzlich tot u ersamen, die der Almechtiger langh gesundt behuede. Gegeven den 23en july anno 1579.

Anwesende ritterschappen ende stedegesanten des Arnhemschen quartiers ietz bynnen Arnhem versamlet.

Unde soe die geunieerde provintien tot willichmaekinge van zeeckere knechten uns openlacht hebben in allen ill op toe brengen 15 honderd gulden, daer van u ersamen quota bedraecht 25 gulden – 8 stuver is onse gants fruntlich begeren dat u ersamen dselve toe Aepeldoern oft binnen Arnhem mede brengen willen.

Nummer 81

Edele ersame weise und vorsichttige heern. Nach erpeittunge mein freundtliche gruess und alles guez zuvorn, mach ich edele und ersamen nicht verhaltten was gestaltt ich an den unthfang generaell v[.]ere zu Arnhem umb die lhenunge nach inhalt meiner ordinantie zubekhommen, angehaltten habe, uber die selbige van im nicht bekhommen konne, sonder mitt gleichen unthschultt breeff wedder nha Utertt abgewesen. Belangt derohalben an edele und ersamen mein ganz freundtlich pitt und begeer, dass edele und ersamen so wal woltten doen und eine lhenunge verschertten, und dieselbige kerumb meine sergeanthen anstellen, dan ich meinen schrieber in eill na die heeren gedeputierden der geunierthen provincien abgeferttigt hab, und mich genzlich verhoffe dass ehr uff dass baldeste und vordelichste van denselbigen heern wedderumb abgeferttigt sall werden, und wel alsdan die verschotten pfenninge in eill wedderumb restitueren und erlagen, anff dass gein wedderwerttigkeitt tusschen den borgern und den knechtten erstaen mogge, dar aber sulchs mehr gescheien soltte odder mochtte (welchs ich mich nicht verhoffe).

Ist mein begeer, dass edele und ersamen alsdan mett meinen knechtten patientia und gedültt willen haben, und dass dieselbige knechtte bie die borgern so lange die kosth moggen haven, so sie handt odder fuess mehr essen konne, sulchs have ich edele und ersamen in eill nicht verhaltten khonnen mitt empfellungh dess Almechttigen. Datum Doessborch den 26en july anno 79.

Edele unnd ersamen,

Gantsfreundtwillich,

Jurgen van Budells Nuster,

Hudersborcht und […].

Nummer 82

Eersame sehrfruntlicke lieve nhabuyren und gude vrunden. Wij hebben u eersamen missive van dato huius ontfangen und verstaen, konnen u eersamen dairop inder ile neegste allergeboerlicker erbiedongh niet verhalden, wie dat u eersamen gesandte wal genouchsam ahn u eersamen sal hebben gereportiert niet alleen tgoen wess tho Aernhem verhendelt ende bij onssen genedige hern is laten reportiren, dan oick die besweernis etzlicher vom adel der Oeverveluen, dat die continuatie deses quartiers vruchtbairlicker solde tho Apeldoern konnen gehalden worden, ther oirsaicken dieselve van adell dien dach wall respiriren ende nyettomyn tsavens weder thuys solten konnen wesen om sich alsoe voer enigen vermoetlicken averval der vrunden off vianden kriechsvolcks toe verhueden.

Dwiell wij averst u eersamen op alle anvallende swarigheiden soe dair vaer tvallen mochten soebald myt desen niet in die lengde then vollen en konnen berichten ende nochtans niet onraidtsam ehrachten denselven dach tho besuecken sullen wij onssen gesanten Cranenburch van onssern bedencken ende gude welmeinongh then vollen berichten om sulcx niet alleen voer onss sulcx tho erkleren, dan bij u eersamen ende andere onsses hoefftstatz ende cleyner gemeyner steden advys ende billicke deliberatie tdoen, naer exigentie der saicken, wolden die ritterschappen vorseid dairenbaven ietwess buyten denselven sonderlingh voernhemen dairvan hedde, die unssern tprotestiren ende dairvan toe trecken. U eersamen wil dit inden besten to nemen, mitz bevelongh dess Allerhoegsten. Uth Herderwijck den 26 july 79.

U eersamen guetgunstige nabuyren,

Burgermeistern schepenen ende raidt der stadt Herderwijck.

Nummer 83

Erentfeste gunstighe guede vrundt. Ick en kan u eersame lieden onvermeldet nyet voirbijgaen alsdat vermidts zekere swaricheiden ende furidenten die mijne dacholders van wegen der stadt Campen voirgefallen zijn als belangende den ruyteren die gemeynt waren wederomme over die stroem toe rucken die selvighe tho stoyten binnen nyet moegelick is gewest huyden desen dach tho respicieren.

Soe ist mijne begeerte dat u eersame lieden ex offitio midt believent der pertijen den vruntelicken dach wolden prolongeren mij wederomme veradverterende wes u eersame lieden hierinne gedaen sullen hebben, ende ingeffall partijen sich daer toe nyet solden willen verstaen soe moet ick lijden dat u eersame lieden op die vermeente continuatie ende daerop onrech to (doorh.: peynd) gevolchde peydungen sententionere als die selvighe voir Godt ende zijne conserentie sal moegen ende kunnen verantworden, ende bevele u eersame lieden den Almegtigen. Datum den 7e augusti anno 79.

U eersame lieden guetgunstighe nabuer ende vrundt,

Symon van Cleve.

Nummer 84

Ersame weijse und vuersichtige gunstige guede frunden. Wij en kunnen u ersamen gunstige wolmeynungh niet bergen, wie dat wij die generale middelen, aver etzliche maenden int werck gestalt, ende gebuert hebben ende alnoch gelick die bide naerdere geunieerde provintien beraempt ende ingestalte zijn, uuytgesondert idt capittel vant gemael die hoernbeesten, ende die beseeyde landen diewelcke wij niet en hebben kunnen in treyn brengen vermitz die lange inlagerungh der ruyteren sullen aver anstondt die alnoch als voern niet geexecutert sint geheel int werck stellen derhalven zeer frundtlich begerende, dat u ersamen om gelickheyt toe halden die generale middelen, van gelicke int werck richten ende die onwyllige executieren wyllen damit dat anstondt enige pennengen alhier gebracht ende dessen gemeyne landes waelvaert twelck wij niet en twivelen u ersamen als oock alle andere lieffhebberen dessen vaderlantz daer durch niet verechtert die gevordert weerde want idt sonder sulcken behulp niet moegelick is, die ordinaris als extra ordinatis lasten langer toe onderhalden sulcx vertroesten wij ons gentzlich to u ersamen die den Almechtigen lange gesundt behuede. Geschreven den 7 augusti 79.

Burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Arnhem.

U ersamen, wyllen naestkomende sondach dess avontz ire stadts gesanten mede op Wylp op die uuytsettongh afferdigen.

Nummer 85

Erntfeste eersame wijse zeer voersichtige,

Alzoo wij nodich hebben geacht die imposten die generale middelen in u eersamen stede te verpachten, zeynden wij u eersamen zekere billetten omme aenden stadthuyse ende poorten aldaer geaffigeert ende opgeslagen te worden, ten eynde een yeder vande tijt der verpachtinge kennisse mochte hebben. Zall u eersamen middele tijt gelieven goede ordre te stellen, mitsgaders den repartitie macken u anden dorpen van u eersamen quartier, midts twee drye ofte vier dorpen den anderen naest ende bequaemt gelegen bijden anderen voegende ende combynerende op dat onse gecommitteerde aldaer coemende alle zaecken geprepariert mogen vynden, ende oversulcx int voltrecken van hare commissie nyet en werden geretardeert. U eersamen hier mede in schut des Almachtigen bevelende. Geschreven Utrecht desen 7en augusti 1579.

U goede vrunden, die gedeputeerde der naerder geunieerde provincien,

Ter ordonnacie vande zelve,

Jan van Zuylen, 1579.

85.2
De stadt Elburch sal guede ordre stellen int verpachten der middelen van consumptie, mitzgaders een repartitie marcken van de dorpen van hair eersamen quartier en twee off drie dorpen bij een voegen. Anno 1579.

Gedeputierden te […] union van verpachting der middelen.

Nummer 86

Ersame wijze ende voersichtige insondere voelgunstigen guede frunden. Idt hebben ons, Hille Reijner van Spuelden, huysfrou Lambertgen Ryckets, zaliger Wilhem Reijersse huysfrou und Weymtgen zaliger Gerryt Hercks dochter onse inwoenende mede burgersche, to kennen gegeven we dat sij voer seeckere tijt aen Albertgen Reeffs de bleeckster elcks een webbe omme de selve aldaer toe laeten bleecken off wittmaecken bestalt hebben gehadt welcke vurseide webben bij den soldaten aldaer op ende aengehalden worden die onse vurseide medeburgerschen als sij verclaert gemeynt sijn aen tho snyden und soe wij onse burgerschen ongeerne boven redenen besweert saegen und plichtich sijn tot oeren rechten voer toe staen. Is derhalven onse frundtlich begeren dat u ersamen aen den bevelhebber off soldaten aldaer willen helpen beforderen dat onse vurseide mede burgerschen oere opgehaldene webben, moegen weder becoemen. Sulcks sijn wij tegens u ersamen mede burgeren in gelijcken und mee rderen ther verschulden geneycht dat kenne Godt die u ersamen langer gefriste. Geschreven den 8en augusti anno 1579.

Burgermeisteren schepenen und raidt der stadt van Harderwijck.

Nummer 87

Vulgunsteger vrundt ende swager, achtervolgende onser vrunschap, moete ick u lieve schrijven, de thidonghe de althans hyr zij dewijle mij de gelegentheit deser karren gestadede op gester avent u alhir schrijvent gekoemen van Utricht aen den amtpman D[…] van meister Floris Thun twelk ick gelesen he dat de vijant getoughen is met 600 perden ende 1500 voetvolckz na Vlanderen bij de malcontenten ende hebben verstant gehaet met etlicke vendelen onser engelschen welk gelegen hebben in een schantz op der Schellen bij Mechelen genant Wijlbrok, welker engelschen den vijant de schantz hefft overgegeven sonder slach ofte stoot, alwaer sij die vendelen ingelaeten, de reste getougen na de malcontenten also dat Bruxel ende Antwerpen hyr niet van malkanderen sijnnen gescheijden, de spanyarden gaen to Mechelen uth ende in ende houlden sich met de malcontenten de dan Bruxel bynnen durch dit innemen solter geworden als voer hen ende hebben strackz gesonden distalia na Villevorde ende is van Utricht desselvigen aventz weder thidenge gekoemen dat de van Bruxel met den soldaten de schantz weder hebben ingenomen ende de spanyarden tot 3 vendelen los erwurgut to Antwerpen geven de lueden die vijfften pennynck van alle meuble ende inmeuble guederen ende men verhoopt weder leger to slane, de heer van Zt. Aldegonde is ergester avent met andere gesanten gekoemen bynnen Utricht de orsacke is mij bevoelen to swijghen doch sal het mogelick wel haeste an den dach koemen de van den Boussen waren geinducirt van de staten ende solden soldaten hebben ingenomen dan den abt van zinte Gertrudt (welke to Collen mede is gedeputirt) hefft sulkz raet gekomen ende geschreven se solden ghene soldaten van den staten innemen, sonder heure gesanten senden

87.2
op Collen bij de van Terra Nova bij de welk hij heur een goede prijs wilde doen erhalden, welker original breven alhyr vurhanden, ende vellicht mer van hove sullen. Monsieur de Boutse, welke het caestell te Antwerpen in handen der staten leverde verclart sich opentlick nu met de van Mechelen malcontent also dat mijn her de prins schrijvet hij wilt hem vur alle de verraderie niet lager twachten. Gester avont schrijvet den drost van Gelder alhyr een brieff welke ick gelessen hoe dat de vijant niet stercker int overquartier en is dan 14 hondert perde ende derdehalff duesent voet knechten arm beroeyt volk welk met een klein volk te slane waer ende solde geschoden wen de schellensche ruter voert wolden darmet desen gantschen hoeck landes konde verloeset warden, de steden int overquartier, bijnnen genochsam versien te Oorle 9 vendelen knechten ende 500 perde. To Gelder 6 vendelen ende dre hondert perde, to Wachtendonck 3 vendelen ende anderhalff hondert perde. De vijant doet grote nersticheit om Gelder ende Wachtendonck bij verdrach to hebben om Nijmmegen to belegeren want meister Jan Pues ende de canselier Oordt beijde bij hem sijnnen ende sulkz drijven to Nijmmegen wardt alle daghe met 4 off 5 hondert mannen an der stadt gearbeydet. Doctor Albado hefft to Deventer geschreven dat hij hoopet so worden den prijs troffen all er sij schrijen und is en onderhandeler van wegen der Overisselschen, de statholder van Overissel hefft commissie vander narder drie om 600 lichte perde antonemen met la[..] waer over hij vaste doende is, desgelicken doert van 2 hondert ende noch twe anderen ock van en seeker getall, man hefft ock goede hopenungh van

87.3
de Overisselschen om sich to begeven in de narder Unie, doch Campen ende Swolle beletten sulkx mestendel, de vijant licht meste part noch int lant van Valkenburg ende moeylen noch even haet. Dit hebbe ick u ersame niet wyllen verbargen, dewijle dese thidengen vur warachtich hyr geschreven bynnen, met erbydunghe deit selvege tot allen theden to constuning. Met bevelungh des Almechtigen tsampt mijner dienstwylleg erbydungh raptim Arnhem dem 8 augusti anno1579.

U ersame dinstwyllege vrundt,

Andriess van Arller.

De stadhelder schrijvet in dre offte vir daghen alhyr to koemen, de prins van Parma is noch in den leven ende bynnen hem twe pestalentien uth den live gesneden men spreckt alhyr ende allenthalven van guter krijsrustungh welke Casimirs weder anrichtet tot dinste den landen, de Hollanders hebben vaste vule schepen van orloghe so galeyen, uthleggers ende jachten op gesonden und liggen in ghen spoey ende tusschen Embrick und vermoedet dat de krach op dlanderen vallen wyll.

Get. Onleesbaar.

Nummer 88

Eersame wijse voersichtige, wij hebben u eersamen scrivens van date den 13en deser ontfangen, voegende de selve voor antwoort eerst zoe vele aengaet die penningen bij u eersamen tot onderholt der soldaten in u eersamen stede in garnisoen leggende verstreckt, ende waer aen u eersamen die wederomme zoude mogen corten. Sijn wij wel tevreden dat die selve verschoote penningen u eersamen in affslach ende minderinge van uwe quoote tot behouff vasde generaliteyt op te brengen in rekeninge geleden ende gepasseert worden ende zoo veel aengaet hoe vele yeder soldaet ter weke bijde borgeren verteert solde hebben, salmen diensaengaende metten hopman handelen ende alsdan u eersamen daervan verwittigen ende veradverteren, ende soe dese tot gheenen anderen sijne en dient willen u eersamen hiermede den Almachtigen bevelen. Gescreven tUtrecht den 15en augusti 1579.

Uwe goede vrunden,

De gedeputeerden vande naerdere geunieerde provincien,

Ter ordonnancie vanden zelven,

Jan Zuijlen 1579.

Nummer 89

Erentfeste eerbaere wijsse ende voersichtighe herenn ende goede vrundenn. Ick kan u lieden unnd eerbaeren niet berghenn wie datt ick dyckwijls aengeholden heb, op dattet malt soe binnenn der Elburch gebrouwenn wordt, solde behoerenn voer ende eer het nae de muellenn gebracht wordt, op die waeghe gewegenn wardenn, diewijll int verdraech vander stadt vander Elburgh und mijnn zalige broeder domheer tot Utrecht heer Adriaen vann Isendorenn, van ieder hondertt pontt einenn seeckerenn penninck belooft ist. Soe ich dann alsulckenn penninck verdraech op mijnner sijdenn gherne nae gekommen sijnn. Ist billick, dat op die sijde vander stadt vander Elburgh insgelijckenn geschiett, unnd dat die heerenn vande stadt vander Elburgh ermsthafftich beveellenn denn brouweren vander stadt yrst datt malt op die waeghe to brenghenn, te wegenn unnd op teyckenenn laettenn, eer sij het selve maellenn laettenn op dat ich niet gefrustreertt en worde van het ghenighe, soe mij vann rechtz wegenn toecommett. Begherende datt die herren

89.2

der stadt vander Elburch mij willenn weder een antwordt toe schrijeven, waer toe ick mij verlaeten mach. Bevelende u lieden hier myt dem Almechtigen heerenn. Actum Vaessen den 25en augusti anno 1579.

Uwer lieven unnd eersamen goetgunstigher frundtt,

R. [] Ysendoern a Blois.

Nummer 90

Eerntfeste discrete wolwise versyennighe heeren ende guyde vrunden. Ick en kan u lieden neeth erholden woe dath ick gisteren toth Elburgh wesende vergheten hebbe u eersame lieden toth segghen woe dath Breil u eersame lieden gheleden heeft dath u eersame lieden gheliven mochte sij eedelheyth de twe halve vathen butters thoe effens tho bestellen, wanth he meer guydes thoe evens moeth volbrenghen. Des mijn heren allensith weder over sijn edelh[eit] tho (doorh.: ghebied) ghebieden hebben was he toth des stats in tghenerael ende een jaer insunder then besten doen (doorh.:kan) sal kunnen.

De heere Almachtich bewaere mijn ghebidende heren ende bisundere guyde vrunden in guyde ende selighe langhedurende regirungh ende ghesuntheyth toth. Geschreven den 28 augusti [.] 1579.

U eersame lieden dienstwyllighe guyde vrunth,

Henryck van Curler.

Nummer 91

Ersame wijse und vuersichtige gunstige guede frunden. Wij en kunnen u ersamen gunstige wolmeyndigh niet bergen, wye dat onsen genedigen heren stadtholder hart vordert om restitutie te hebben van sine genedige vurgestreckte pennongen mitten interest vandien und andere creditoeren van gelijken doen. Is derhalven ons gantz frundtliche begeren dat u ersamen anstont ihre stadtz portie und quota vanden inbewyllichte hondert duysent daller bedraegende vijfhondert achtentachtig gulden uuytsetten wylt ende mitter irsten leveren (doorh.: onleesb.) dan an handen Derick van Wetthen ten eynde sine genedige ende anderen contentiert ende vermeren schaede vermidet mach werden. U ersamen hier mede den Almechtigen bevelende. Geschreven den 2e septembris 79.

Burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Arnhem.

Nummer 92

Eerntfeste achbare discrete welwiese heren. Ick en kan u eernfeste lieden neeth erhelden wo dath ick myth dem gouverneur Sonoy ghesproeken hebbe dath (doorh.: mij) de heren burghemeisteren van der Eelburgh sych erbiden myth vieftich knechthen dem here altijth een openen stath tho holden. Begeerde ick derhalven dath men haer dath vergunnen wyllde id welck sijn g enedige edele mij gheloeft heeft ende verhethen vrijlick am u eerfeste lieden tho schriven als ick eergistren bynnen Aerhem was. Oeck so heeft Briel mij gheseght dath he een halfvath butteren heeft ontfanghen ende begeerth u eernfeste lieden ghelive hem noch een tho senden he wilt betaelen.

De Here beware mijn heren in selighe langhedurende ghesuntgeith. Uth Heerde den 3 septembris anno vijftienhonderd negenenzeventig.

U eerntfeste dynstwylligher guyde vrunth,

Henryck van Curler.

Nummer 93

Edele vrome voirsenighe heren besundere gunstige vrienden. Ick heb u lieden nit konnen verhaltenn welcker gestalt mijn genedigen heer graeff Johan van Nassau etc. mij befolen heeft die versterckungh van u lieden stadt der Elburch. Is derhalven mijn freundtlicke begeren u lieden willen den landtmeter Adryaen Thonissen alle gunstige beforderungh doen totter beschreifungh der stadt dienende totte voornoende versterkungh vaer inne sein genedige wille und der landenn dienst beforderungh soll geschien. Kenne Godt der almachtiche die u lieden in gesontheit holde. Ylens uuyt Aernem desen 6ten septembris 79.

U lieden goede vriendt,

Diedrick Sonoy.

Nummer 94

Ersame und vursichtige besonders goede frunden. Wij halden es daer fur dat het tot uwe wetenheit gecommen sij in wat gestallt die ruyter und knechten aver die Issell omtrent Deventer liggende vurhebbens geweest die stat Deventer tho erijlen und alsoe ire betalinge tho forderen, und dwiell wij oeck in erfarungh kommen dat sij sich laten verluyden om mit eenige practijcken in eenige steden tho kommen und dieselvige tho plonderen und alsoe hare betalinge tho innen. Demnae ist dat wij u hiermede ermaent und gewaerschowet willen hebben om derselver stat allenthalven goede wacht tho versien, damit geene onversienlicke infall tot merckelicken verderff derselver stat geschien moege. Hiermit den almechtigen Godt bevalen. Geschreven to Arnhem den 7en septembris vijftienhonderd negenenzeventig.

Die raden des furstendombs Gelre und graeffschaps Zutphen.

J.M.W. Sluijsken.

Nummer 95

Ersame und vursichtige besonders goede frunden. Wat der durchluchtiger und hoechgeborner furst und heer heer Philips de Croije, hertoch tot Aerschott aen ons durch Charles de la Fontaine sijner furstlicke genedige officier supplicierendt tho erkennen gegeven sulckes hebt ghijluyden uut hierinne verwaertte supplication und die daerbij gefoechde dexposition und sunst tho vernemen.

Dwiell dan uut die hierinne verslatene confession erfintlick dat einer binnen der stat Elburch mit namen inder hierbij gaende confession genominiert in dienst te deser landen liggende is demnae und in aenmerckungh dat sonder dien dat sijne furstlicke genedige in des gemeynen vaderlantz dienst tho Colen is, und den vredehandell daerselffs in naem der generale staten bijwoent alsulcke schentlicke stroomschenderije und oeveldaet niet behoert ongestraefft to blijven. So is ons ernst gesinnen und befelch dat ghijluyden anstont und ansiens brieffs mit allen vlijt daeraen sizt dat alsulcken daerinne benoemden oeveldader in dem die in derselver stat off daeromtrent is tho becommen apprehendiert gefenckelick ingetagen und op die hierbij gaende confessie der gebuer nae scherpelicken examiniert werden moeghen

95.2
dat ghij u oeck hierinne alsoe ertzeicht alls ghijluyden tot (doorh.: onleesb.) handthavungh der institien und straeff alsulcker oeveldaetz amptz eer und eedtz halven schuldich und verplicht sizt to doen, und off wij ons desen genselicken tot u luyden versien dannoch sullt ghij luyden ons bij brenger van desen rescribieren wat ghij luyden in deser soe wichtiger saken und enorme oeveldaet gedaen sullt hebben. Mit bevelungh des Almechtigen. Geschreven to Arnhem den 11en septembris vijftienhonderd negenenzeventig.

Statholder und die raeden des furstendombs Gelre und graeffschapz Zutphen,

J.M.W. Sluijsken.

Nummer 96

Deposition de Dirick [….] , prisonnier au chasteau de Limbeck prins par monseigneur le drossart de Scharenbeck a Rasfelte de 23 d’aoust 1579 noms et qualitez de ceulx qui ont pillez le bien du bateau de monseigneur le duc Darschot et de monsiegneur le prince de Chimay son filz, fait chez Orsoy fur le Rhin le 18 duch mois d’aoust anno 1579.

Soldat a Elbourghe.

Premierement Lienart Bourre de vuesel petit homme brune barbe de 30 a 40 ans.

Dirick Grave de Brun lez vuesel jeune homme petit et gras de[]m auch lieu.

Il fait a doubter [] cestuy via aussi a Elbourghe.

Tyes van Vuesel jeune et gras homme, chauses de gheulx de chamois pourpoinct et chapaeu noir.

Jong Blootte van Esse, jeune homme medioccre gras cheveulx noir, petitte barbe aussi noir, avec un mannaix oeil.

Jean et Arnould Halvekoste fieres mariniers, natifz des Faulbourgs de vuesel, mais ont touss jours resdez a Niemeghe.

Franse Koef grand homme aage de 30 a 40 ans, avec grand nez, et fosses par le visage, petitte brune barbe, du quartier de juilliers selou son langage avec chappeau de velour pourpoinct de bon basin picquez, chauses de caffat tanne a la nissart. Soldat a Guelder.

Soldatz a la billes de Guelder.

S. dam van Bronsvick, grand homme maigre jeune sans barbe lors tout accoustre en noir. Soldat de Guelder.

Pietter Hoolstain homme medioccre avec les cheveulx long brune barbe de 30 a 40 ans. Soldat a Guelder, lesquetz derniers estoient tous trois a cheveulx, et les aultres six avec le prisonnier a piedz.

Cecy a confesse lich prisonnier et maintenu parson serment auch Limbeck ce premier de september 1579. Et conferez avec une aultre deposition duch prisonnier prinse par lesc seigneur drossart de Scharenbeck et trouvé le tout concordant ce 2 de sespembre anno [sish tess].

La Fontaine.

96.2
Sensuivent les parties prinses par les susch appertenantes a monseigneur le duc Darsthot etc.

Premierement diverses bagnes, joiaulx comme carquans medailles dantiquitez encassees en or, gemmeaulx der ornez de diverses pieres, aves aultres pieres de grande importance non mises en or. Un zesue dor, une [] spee aver sa garnition dor, deux mille cincq cens florinx en or et argent contant et aultres choses qui ne stay prutement, les specifications decelles.

Secondement aultres parties prinses de monseigneur le prince de Chimay etc.

Deux dousaine de platz dargent marques des armes duch seigneur. Une dousaine de trensoirs dargent marques desch armes.

Une seignieur et Bassin dargent marques desch armes.

Deux sallers dargent.

Une salier dargent dore avec cousteau culier de fourchette de mesme.

Deux couppes dargent doré avec couvettes.

Deux tasses dargents.

Un grand flacon dargent.

Un petit flacon dargent.

Quatre chandeliers dargent

Quatre hault goubbletz dargent

Une dousaine de culiers dargent.

Lesquelles parties si par quelques apprehention des 9 susch si pourroit fe[] restituer quelque choses a mesch seigneurs. Son [.] et [.] ne seront imgratz le recognoistie raisonnablement.

Quant aux armes duch seigneur prince elles sont senblables a celles posees icy suivantes.

Nummer 97

Aen mijn heeren stadtholder, Cantzelaer und raidt des furstendombs Gueldre und graefschap Zutphen.

Geeft onder behoerlicke reverentie van wegen des dorchluchtigens und hoechgheboerens furstens und heerens Philippens de Croy, herthogens tho Arschott etc tho kennen Charles de la Fontaine zijnder opgemelten excellentie officier wil dat op den 18en augusti verleden zeeckren scippe vaerende van Oirsoy nha Collen beroeft woirden iss, alwaer zijn excellentie voerseid van ennige goederen uuyt Antwerpen ontbadden ende bij passport zijnder prinselicker excellentie d’Oraingen overgeseindt (dienende ter nodruft und stadt der selver) groetelick bescaedicht. Dan soe den eerentfesten drossart van Scherenbeeck in den gebied van Limbecke een vander malfecteurs und stroomroevers voerseid gevanckelick aenghehalden, den selvigen ter scerpen examinatien gebracht (wiens confessie onder aenwoirdige cassette und signoiteuren bij dese gevoecht) ende vanden selvigen bericht dat de dig[] inden voerseid confessie genoempde hoefeeren desen maelfaictz tho peerdt in dienst souden zijn vanden generaliteit binnen der stadt Gueldre und eenen te voeth binnen der Elburch. (dorh.: onleesb) gemerckt zijn excellentie voerseid van wegen des generaliteitz nha Collen afgeverdicht.

Versoeckt in nhame zijnder excellentie den suppliant in aller reverentie dattet mijn heere gelieve nha hebbende auctoriteit tho doen depescheren ahn de geauctoriserde hoefeder der justitien tho Gueldre und Elborch voerseid gelicke ofte dienelicke kennelick scriften als daer schriftelicke versoeck zijnen excellentie den suppliant sich gantzelick vertrouwt nha gedaende beloeften soe ende daert behoert alreede gegheven tho zijn doer mijnen genedige heeren stadtholder voerseid. Binnen Utrecht den 25 augusti lestleden op dat zijn excellentie voerseid nha rechtz behoor in alles contentiert werden mochten. Dit doende etc.

Nummer 98

Ersame und vursichtige besonder goede frunden. Nadem die furstlicke durchluchticheit des ertzhertzogen Mathie goeverneurs und capiteins generaells dieser erffnederlanden alls oeck die generale staten sekere brieven mit sekere bij der keijserlicke majesteits deputierden heeren comissarien vurgeslagene vredes articulen aen den bannerheeren rittterschafft und steden uutgaen hebben laten om derselver resolution daerop tho versatten und die sijner furstlicke durchluchticheit tho te schicken damit also den vurgedachten keijserlicken deputiertten (diewelcke den tho Colen angefangenen fredehandell bijwonen) mit eendrechtiger und thoverlatiger resolution und antwoerdt beiegent werde. So sijn dannoch sulcke brieven ons niet behandet dan alls wij verstaen durch den vijanden op den huysse Well liggende. intercipiert worden, und soe hoechgedachte sijne furstlicke durchluchticheit alls oeck die generale staten then twedenmaell om antwoert und resolution op dieselve articulen geschreven . Uut welcken tweden schrijvens wij dan den vursseide inhallt der eerster missiven vernamen. Demnae und op dat diese sake opt aller spoedeligsten int werck gestellt und dieselvige oeck einmaell mit goeden vurraet beraetslagungh und resolution der gemeijner und alniger lantschafft affgeholpen und folgens sijne furstliche durchluchticheit mit forderlicker antwoerdt beiegent werden moege. Soe ist dat wij u luyden uut sunderlingh belastungh des durchluchticheit des ertzhertogen Mathie

98.2
hiermede bescheiden om opten 26en ietzlopendes maentz septembris binnen der stat Arnhem durch derselver gesandten des aventz to erschijnen gestallt volgendes daechs die proposition den vurgedachten vredehandell und sunst betreffende aentohoeren und to verstaen oeck volgens daerop eendrechtelick tho resolvieren alls in so hogen und wichtigen sake erheyschender noedurfft nae sall eygen und gebueren sulckes versien wij ons in naem sijner furstlicke durchluchticheit gensslicken tot u luyden also tho sullen geschien. Mit bevelungh des Almachtigen. Geschreven to Arnhem den 15en septembris vijftienhonderd negenenzeventig.

Statholder und raden des furstendombs Gelre und graeffschaps Zutphen.

J.M.W. Sluijsken.

Wij schicken u luyden hierbij verslaten aver die copie der umgeslagener vredes articulen om sich daeriop to bedencken und opter vurgenoemde lantdach geresolviert tho erschijnen.

Nummer 99

Erenthveste, ersame, wise und seer vorsichttige heern, ick mach edele ersamen nicht verhaltten, wasgestaltt das fenlein van hauptman Pater Noster gistern in biwesentt des obersten Sonoy, Bonenberch und Derck van Dortt in datt kloester tho Hulsberch ist gemonstertt wordden, und die van Hattum heffttich anhaltten umb meine knechtte hier bynnen Hattum zu behaltten, und das datt fenlein van Pater Noster noch mochtte bynnen Harderwick und Elborch verdeiltt werden, und so mij dunckt dat der oberster vorseid meer geneigt is umb ditt fenlein alhir tho lathen, und mijne knechtte tho Elborch und Harderwick te doen vertrecken, en weett geine orsake umb dattselbighe te weigern offt affteraden. Verhoppe aber (wie sich der oberster dan schoen wall hefft mercken lathen) dat ick erhalden sall dat zu der Elborch nicht meer als vifftich und zu Harderwick hundertt van mijnen knechtten liggen sollen, watt ick seckers vernheme, sall ick eersamen tho schriven, dis heb ick edele lieden nicht sollen verhalden, mett empfellunge des Almechttigen. Datum Hattum den 19en septembris 1579.

Die soldathen sein desse nacht in dat kloester zu Hulsberch gebleven und die monnike hebben ethlich beer und proviande uth geschickt, mij dunckt so balde die rolle geslotten ys, dat der oberster up Elborch und Harderwick kumpt.

Edele lieden bantz guitwillige,

Turch von Binhollz Ruster de Wesborch unnd Jaustmanch.

Ick sal niett laten hier inne mijn best te doen darmet die statt Elborch so weinich besweertt worde alst mogelick is.

Nummer 100

Ersame wijse und voersichtige besunders gunstighe guede vrunden. Wij mege u ersamen nyet berge, welcher gestalt wij unlancx leden, unsern mederaetzfrunt doctor Herman Scharff, van wege unser stadt und burgerschap thot Arnhem affgeverdiget gehat, van wege der schattinghe des 12en pennincx op unsere burgere guedere in Veluwen liggende uthgesat, omme tho begeren dat unsere burgere nyet baven eeden und billicheit besweert mechten worden. Is diewelck doctor Scharff uns gerelatieert, dat dieselve betalinghe des vurseide 12en pennincx bet op nu thokomstige algemeinen landtdach soe bynnen Arnhem gehalden solde werden, opgeschaven sij om alsdan daerinne tho ordinieren nae behoeren. Und soe dan unser mederaetzfrunth Haddeman van Laer die voersorghe dragende sij, dat u ersamen daervan giene wetenschap hebben solden, und alss op sijn lieve pechter Bartolt Top, u ersamen mederaedtzfrunt van wege derselven schattinghe (doorh.: onleesb.) voer die angestempte tijt procedieren solden mogen. Begeren wij in namen unsers mederaetzfrunth van Laer gantz fruntlich, u ersamen sijn lieve (doorh,: deff) pechter dessals ongemolestiert laten willen bet der tijr dat die vurseide bijkumpst gehalden sij, daeran doen u ersamen ons walgefallen, mith Gades bevelunghe . Datum den 19 septembris 79.

Burgermeisteren schepen und raedt der stadt van Deventer.

Nummer 101

Erntfeste eersame wijse discrete goede vrunden. Alsoe tot defensie ende bescermenisse van ons gemenen vaderlande men van noode heeft gehadt aen te holden ende oick te lichten diversche zoe ruyteren als knechten ende dat bijde respective naerden geunieerde provincien, ten eynde dselve mochten behoorlick betaelt ende over sulch in goede geregeltheyt ende chrijsdiscipline geholden worden, oick volgende het vijfte articule van de naerder unie, bij u lieven volmachten mede onderteyckent ende besworen, zekere imposten opte generaele middelen beraempt, innegewillicht ende in enyge der selver gecollecteert ende anderen verpacht zijn geweest, sonder dat die in u lieden stede tot dese dage toe des nochtans tot meer mael bij onse scrijvers versocht zijnde, oyt verpacht zijn geweest, ende soe alle die verpachtingen nu jegens den 7en octobris expireren zullen ende nodich bevonden wordt de voorseide imposten jegens den selven dage wederomme te verpachten, hebben wij aen alle die steden onse missyve affgeveirdicht met ingelachte billetten, als wij van gelijcken bij dese aen u eersamen zijn oversendende zekere billetten die u eersamen aenden stadthuyse ende poorten sullen doen affigeren, ten eynde een yegelicke vanden dach den verpachtinge mach verwitticht zijn, als van gelijcken u eersamen zal gelieven de dorpelingen onder u eersamen quartier eynde te conbineren ende bijden anderen te vougen op dat als onse gecommitteerden aldaer coemen gen retardement en vinden. Ende soe u eersamen tot meermael aen ons gescreven hebben wel te vreden te zijn dat die verpachting aldaer geschiede, dan dat dselve ten ernstyge versoucke van die van Aernhem tot noch toe gedilayeert ende vertrocken es geweest, uut oirsake dat u eersamen

101.2
doende waren mette collectatie vande duysent dalers ende dat daer uut u eersamen maentliche quote betaelt zoude worden zonder dat wij daer van geen grote vrucht genoten hebben en behoren immers u eersamen alsnu gheen zwaricheit te maken die voorseide verpachtinge te admitteren soe doch die penningen daer van coemen yeder provincie selffs in minderinge van haere maentliche quote ontfangen, ende daer ten contrarie evenverre u eersamen sich hier inne weygerich laten vinden, tselve nyet alleen ontwillicheit onder die andere provincien ende steden zal causeren nemaer oorsaeck zal wesen dat zij van gelijcken die verpachtinge sullen ganselick refuseren, ende oversulx hemluyden die middel benomen worden sich lange tegens tgewalt der spaengaerden ende andere haren aenhangeren die anders nyet en soucken dan ons onder haere tyransche regeringe te brengen, te bescermen ende te defenderen. Hier mede u eersamen den Almachtygen bevelende. Gescreven tUtrecht den 22en septembris 1579.

U eersamen goede vrunden,

Die gedeputeerde der naerder geunieerde provintien,

Ter ordonnantie vande selve,

Jan Zuijlen,1579.

Nummer 102

Ersame wijse und voirsichtige goede vrunden. Wij senden u ersamen bij brengeren deses copien van twee missiven, die wij op huiden ontfangen, belangende die pretendierde vredehandlung geschreven van den ertzhertoge Matthia und den generaele staten an oeren gesandten to Colln, sampt ene copie wat gemelte gesandten bij den keiserliche commissarien daerop gehandelt hebben, diewelcke Goer van Caldenbroick van daer an den amptman Ommeren to Arnhem overgeschickt hefft, gunstiglich begerende, angesien dese materie seer dientlick werdt sijn tot desen anstaenden landtdach u ersamen willen insgelijcken die ersamen van Hattem hiervan mit eerster gelegentheit copien mitdeilen. U ersamen hiermit in 1579.

Burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Harderwijck.

Nummer 103

Bijgevoegsel: “Copia van twee missiven eene van hertoch Mathias d’ander van de heeren Staten, aen de heeren gedeputeerden der Nederlanden toe Coeln sijnde op besprech van Treves anno 1579”.

Copie.

Lieve neeff und heer, der hefft uns seer mishaget, dat wij uuyt uwen brieff den 26 des vergangen maents, so wel an uns als den hern gedeputierden der staten hebben verstanden dat die hertoch van Terra Nova tot geenen bestandt will verstaen ten weynigsten op redelicke conditien dat doch anders niet mitbrengt dan dat verdencken dat der voele vanden principaell provincien und steden hebbe vermehert nemlich dat dese handlung vanden freden nergents om geschiedt, dan om hierentuschen uneenigheit tuschen den provindien und steden to practysieren, umb so viell to lichtlicker den enen voir und den anderen nae to bedriegen als wij doch wercklick syen dat hij doet, daer to dan oeck dienen die brieven van den van Terra Nova die hij anden particulier provincien und oeck an die furnoembste steden geschreven hefft, mit den articulen durch den vursseide churfursten jungest proponiert, oeck mit der vursseide churfursten bijgefuegte brieven.

Nadem aber die provincien und steden (die sich bis anher woll gehalten hebben) genochsam informiert sindt van den anschlagen der vianden, geloeven wij niet dat sie hiernamaels

sich mit sulcken anlockingen sullen laten bewegen. Maer sullen voell balder hier uuyt oirsaecke nemen, umb sich to stercken und vaster mit den anderen to verbinden, umb so viell to beter der vianden practijken wederstandt to doen. So sie kleyne apparencie geven, durch dese handlung mit dem duca deTerra Nova tot einen gueten bestendigen vreden, het sij dan dat die keiserliche majesteit und die hern churfursten oere auctoriteiten hier tuschen settende sich breder verclaeren und billicker oeck angenemer conditien furtragen. So durch mangell datmen die freidthandlung so lange hefft opgeholden, die saecken insonderheit sovieell der relligion belanget in den tegenwoerdigen stand verloepen sindt, und dit dat eenich middell ist, waerdurch

103.2
man tot den gewunschsten (doorh.: und) eynde moege koemen. So dan der verwachten der resolution van een ieglicke provincie und dero glieder, und daernae mit gemeen advis sie to verdragen und tovergelijcken neven dem (als gij well khondt dencken) dat het enen langen tijt eyschen werdt, so sall het oeck seer beswaerlick sijn umb die verscheidenheit der opinien und meinongen, dat gij den well moeget anseggen, die gij meent dat die saecke beforderen sullen, mit dem nexsten willen wij uns referieren toe dem wat die staten u sullen schrijven, danmit lieve neeff und hern bidden wij den Hern dat hij u in sijn schutz will holden. Uuyt Antwerpen den 4 septembris anno 1579, die underschrifft was: U well goeder neeff und freundt, geteckent Matthias; noch leger stondt Johan de Asselliers. D’opschrifft was; an mijn lieven neve den hertoch van Aerschot und anden heeren gedeputierden der Nederlanden wesende to Colln.


Nummer 104

Copie.

Translatiert uuyt dem françois in deutsch.

Mijn heern wij hebben uwe brieven van den 11 und 26 des ocstens jungest empfangen mit copien der brieven der keiseliche commissarien, so well an uns int generael als an den staten der particulier provincien geschreven mit die antwordt des hertogen van Nova Terra belangende den bestandt und opholdinge van wapenen und sindt bedroefft dat unangesiehn uwe uuyterste neersticheit und so bestendige redenen als gij gedaen hebt, der hoichgeboren hertoch niet hefft willen annemen den bestandt, dan op onbillicke conditien und alleen daerhin streckende umb die inwendige uneenigheit to vermeeren dat die eenige oersaeck is als wij besorgen deser verwijllinge der spangearden insonderheit so wij alle dage sowell durch nedergeworpen brieven als waerschowingen uuyt frembden landen und bekentnisse der gevangen vermemen, dat der spangardten geringste meininge niet sij uuyt den landen to trecken, sonder alleen dat uyttogeven, umb daerdurch die inwendige twijspalt to vermeren, und die unbedachtigste to bedriegen, als wij daerchlicxs sien dat in voelen plattsen geschiedt, daerdurch dan billick die anderen gewaerschowet werden oerlieden weinich to vertrowen und sich selfft meer to versekeren daerumb dat sij oeck (doorh.: sijn) sien, dat die handlunge des princen van Parma mit den van Arthois und Henegowen, und die vanden duca de Nova Terra, mit anderen landen seer verscheiden sijn, alsoe datmen van wegen deser verscheidenheit ses lange grau antwort hebben konnen krijgen, noch op den articulen durch den eertzhertogen noch advys op den articulen vanden keiserliche commissarien geproponiert, sonder die welcke den uns unmoegelick is, eene endtlicke resolution to nemen, offte u int generael eenige veranderinge offte moderatie op den vorsseide articulen to to senden, insonderheit so die tijt und termijn nu all verbij is, und tot naedeell und misgen (als wij to voeren oeck geschreven hebben) deren damit wij to voeren

104.2
gehandelt hebben. Wij hebben doch niet to weyniger voer vijff offte ses dagen an den particulier provincien geschreven und werden niet underlaten sie wederumb mit aller neersticheit to vermanen dat sie sich mit oer advis und resolution willen haesten, so wij averst sorgen dat dit sich verwijelen mochte, insonderheit to der vergadering, und dat die advysen der particuliere provincien so verscheiden werden sijn, dat men sie niet woll sall kunnen verdragen hadden wij om alle schadelicke vertoevinge und langer verwijllinge tovermijden, so well umb sijner majesteitt als gemene welvaert der landen well gewillt, dat die keiserliche majesteit und die commissarien oire auctoriteit hiertuschen hadden gelecht und nae die groetheit der worden, und umb den voertganck des mistrowens die van dage to dage in der underdaenen herten sich vermehrt op to nemen mit einen vollen math hebben fortgegangen, und eine billicke und leidlicke moderaten voergeschlagen sonder enich gefahr offte peryckell van eenige der provincien, daerdurch een ieder verseckert und in gueten vreden gestelt mochte werden. So mocht gij den hoichgeboren hern commissarien oeck well anseggen dat so bald wij enich bescheidt vanden particulieren provincien hebben den selven u sullen toschicken. Hierentuschen begeren wij dat gij u wilt regulieren so viell die principaell handelung angaet vermog unser voerige brieven und werden wij binnen drie offte vier dagen antwort sowell den hertoch van Nova Terra als den keiserliche gesanten toeschrijven damit mijn hern nae unser hertzlick erbiedinge willen wij den Heeren bidden dat hij u erholde in langen und gelucksaligen leven. Geschreven t’Antwerpen den 6 sepembris anno 1579.

Die underschrifft was: Uwe well goede und affertionnierde frunden die generaal staten vanden Nederlanden durch ordonnantie der vurseide staten Signe Houffler. Die opschrifft was: An mijn heeren mijn heeren den hertoch van Airschot, prince van Chimay und Ferceau, graff to Beaumont, ridder vanden Gulden Vliese, den ehrwerdigen vadern in Godt prelaten van St. Geertruyde und Maroles und andere hern gedeputierden der generaale staten to Colln.

Nummer 105

Bijgevoegsel: “Rapport der heren gedeputeerden der Nederlanden, aen de affgesante van den keyser”.

An den keiserliche commissarien.

Translatiert uuyt dem latijn.

Hoichwerdigste, durchluchtigste wolgeborne und edle,

der durchluchtige und hoichgeborne hertoch van Aerschot und wij andere der staten gesandten, konnen u genedige und weerden underthenigst und underthenich niet verhalten dat wij gisteren twee brieven enen van den ertzhertoch gubernatorn und capitein generaal, den anderen vanden generaal staten doch allebeide eines inholts ontfangen hebben, daerinne sie niet alleen oersaecken waeromme die resolution der particulieren provincien noch niet angekoemen verhalen, sonder zeigen oeck an die menonge der beraidtschlagung die de particuliere provincien op die artuculen der fredhandelinge werden nemen.

Daer ist geene provincie geen underdaen die niet uuyt gantschen herten die vereininge mit dem coeninck unser natuirlicken heeren sonderlich en begeert, daer is oeck nymandt die met gemeenlich und voer sich den freden to hebben (doorh.: begeert) geneigt is, maer sij seggen unsern vianden sulcke woerden und wercken nae, die niet alleen den provincien und underdaenen verhindernisse dair to brengen, maer oeck oeck een ander bedencken maecken, als nemlich dat idt beter ware op gewehr umb sich daer mit to verdedingen als op freden to dencken.

Doch willen wij dit voell liever mit den vursseide brieven welcke copien wij hiermit overgeven dan mit unsern wordten furtragen und to verstaen geven. So u churfursten genedige und weerden daeruyt lichtlich sullen verstaen dat die staten die Uniss frieds articulen also niet werden annemen und bevelen uns dat wij andere middelen die vanden beiden deilen angenoemen moegen werden sullen begeren.

105.2
So wollen wij u churfursten genedige und weerden oerck underthenigst gebeden hebben, sie wolten dat (soveren immer moegelick) to vorn eer die resolutie der staten van eener ieglicke provincie geschehe und hierheer geschickt werde, so damit viele verhindernissen vurgekhoemen, die daernae niet soe lichtlick hinwegk genoemen mochten werden, sulcke middelen uns furtragen, die der underthaenen hertzen und conscientien genoechsame versekertheit und groter vrijheit dan biss anhero ihnen toegelaten ist mitbrengen, waerinne die gantsche swaricheit gelegen is.

Daerinne wij u churfursten genedige und weerden oeck bidden, dat sij niet so sehr daer hin syen, wat in dero offte andere landen mit bewilligung offte rechten vertragen offte verordent is als op dat wat uns in desen tegenwoerdigen gefahrlicken tijden in unseren landen mit sij to verdragen und to ordonnieren, so alle verdragen und rechten niet ene ursaecke hebben und in allen plaetsen niet enerley noitdrufft und reede sij, want dese saecke also geschapen ist dat wij emandt die sich eines anderen erbarmt offte mit toelaten gedult und mit lijden den mit ihme hefft hierinne lichtlick feilen offte misdoen kan. Gegeven to Coln den 11 septembris anno 1579.

Nummer 106
Eedele vrome zeer voorsenighe gunstighe heern, volgens der heern begern van brenger deses verstaen sall ick in alles nae komen dan heb den heern niet moghen berghen het scrijvens der geunieerde provincien gedateert den 23 deser aen sijn edele gesonden datten hopman Boucholt met sijn geheel vendel binnen Amersfoort sall lygen ende den hopman Jan van Vyanen ( onders sijn edelen regiment getelt) sall uuyt Amersfoort vertrecken ende verdeelt woorden hier ende der Elburch met welcke veranderingh van knechten die heern niet doerven sorghen meer beswaert te woorden als nu dewijl sijn edele (onder verscheiden redenen) up dem weghe nae Harderwijck sich genoochsame hoern liet datte stadt van der Elburg met vrome getrouwe magistraeten versien was. Ende so ick den heern in meerdern saecken kan dienstlyck sijn hebben die heern mij als dero goetwilligen dienaer te gebruycken . Kenne dAlmogende die ick bidde die heern to spaern in een langhe gesontheyt tot een voorspoudighe gelucksalighe regierungh. Ilens uuyt Harderwijck dese 26en septembris anno vijftienhonderd negenenzeventig.

Der heern dienstwillghe diener,

Jan Moda van Lutzemburch.

Int scrijvens van desen komen verscheiden brieffen van den geunieerde provincien aen sijn edele als oick aen diese 3 steden so die heern in den haern die saeck breder verstaen sullen.

Nummer 107

Edele vrome zeer voorzenighe gunstighe heern ende vriende. Ick heb uwe eersamen niet moghen berghen hoe dat ick desen dach sceyvens ontfang van den geunierden provincien dat ick hopman Boucholt met zijn geheel vendel ilens sall zenden nae vijanden. Is derhalven mijn vriendlijcke begheren uwe eersamen willen zich bij dese veranderingh van zoldaeten onbeswaert vinden ende dese vijftich zoldaeten van hopman Pater Noster inde plaets van Boucholts knechten ontfanghen ende accomoderen. Dieu die uweeersamen verlehen een geluck zaelighe een drachstighe regeringh. Ilens uyt Harderwijck dese eersten octobris anno vijftienhonderd negenenzeventig.

Uwer eersamen goetwillighen vriendt,

Diedrich Sonoy.

Dewijl (duer grooten haest van Boucholts zoldaeten uuyt uwer eersamen stadt te trecken) uwer eersamen betrouwet is die te laeten hun vendel volghen zonder eerst Pater Nosters (doorh.: und) zoldaeten inde plaets te comen zoo verhoop ick als dese morghen ghlijck vrou daer uuyt vertrecken dat uwer eersamen als dan op den nae middach Pater Nosters zoldaeten niet zullern weyghern in te nemen.


Nummer 108

Wijsen zeer voorsichtige heeren burgemeisteren ende raedt van Elborch. Wij ghebieden ons alleen zeer vruntlijcken in u eersamen goede gracie, mit desen u eersamen adverterende dat alsoe wij op ghisteren avont alhier te Oldenbrouck mittet vaendel ghecomen ende ghefordert zijn. So ist dat wij mits desen aen u eersamen schrijven ten eynde wij onse knechten bij malcanderen moghen beholden ende gheen onghesturicheyt en ghesciede in u eersamen stede, dat u eersamen soe wel sal ghelieven te doen ende belasten in de poorten dat zij gheene souldaten van onsen vaendel in der stede van Elborch en laten comen (hoewel zij daer in souden willen wesen bijbrengen enighe gelooflijke redenen) dan zij hebben van den capiteyn ofte bevelhebberen enich bilget. Derhalven ooc dat zij schicken teghens den avont weder stede te vertrecken nae haer vendel op datter een goede ordre onder t vendel ghehouden sal moghen werden. Wijse zeer voorsichtige heeren den Almachtigen Heere wil u eersamen in zijne heylich ghelyt nemen. Geschreven uut d’Oldebrouck desen 3en octobris vijftienhonderd negenenzeventig.

Bij bevele vande bevelhebberen,

P. Junius.


Nummer 109

Ersame wijse ende vursichtige gunstige guede frunden. Also men, wie u eersamen bewust, die inbewillichde schattpenningen der hondert dusent dalers in aller iele ter furderungh der hoichnoitwendiger landtschaps saicken sall moeten (doorh.: ob) opbrengen. So unse ernstliche begeren dat u eersamen deer statt quota so vern sulcx alnoch nyet geschiet anstont uytsetten ende voert onvertochlich aen handen Dircks van Wetten bijnnen Arnhem doen leveren. Daer aen sullen der landtschap sunderlingen dienst doen u eersamen die der Almechtiger langh in gelucksaliger wolfart gefriste. Gegeven den 8en octobris 1579.

Ritterschappen ende stedegesanten des Arnhemschen quartiers ietz bynnen Arnhem ther landtdachfart versamelt.

Nummer 110

Edele vrome zeer voirsenighe heeren ende gunstighen vrienden. Ick heb den heern niet bergen moghen het gistirighe ontfanghene scrijvens van geunierden provintien daer inne mij belast is uwer eersamen stadt met hopmans Roulandt Fausters zoldaten te versien. Derhalven (van weghen mijns genedige heern stadthouder ende der geunierde provintien) mijn vriendtlick begeren die heern willen sich inde verandringh van zoldaeten onbeswaert vinden ende accomoderen dese vijftich inde plaets van hopman Pater Nosterz welverstaende dat die zullen vertrecken daer hun bevolen wordt. Hier mede ick die heern inde genedige handt des Almoghende bevele. Met haest tot Oldenbrouck den 9en octobris 79.

Uwen goetwillighen vriendt,

Diedrick Sonoy.

Nummer 111

Ersame wijse voirsichtige gunstige goede vrunden. Wij hebben u lieden ende ersamen brieff van dato des 12 octobris opten 14 dessefften ontfangen, waerinne u lieden und ersamen sehr verduncket, dat wij solden int Oldebrouck eenige penningen ontfangen hebben, die voermaels in tijt der noet u lieden ende ersamen stadt pleegen verstreckt t’warden. Ende dattet uns derhalven vreemdt soll geven dat u lieden ende ersamen die lenongh voer oer lieden inliggende soldaten alhier to Ermell offte sonst opte neechde solden worden gecollectiert, ferner inholts u lieden ende ersamen schrijvens.

Kunnen wij u lieden ende ersamen daerop ter frundtlicken ende naebuirlicker antwordt niet verholden, wie dat wij niet lievers en sihen noch oeck begeren dan in aller naebuirlicker trowen und frundtlicker bijwoeningh uns tegens u lieden und ersamen ieder tijt to bewijsen und hebben uns in deser oplage (als dat wij tot die opbrenginge sulcker penningen weder raidt noch daett gegeven) lichtlick to entschuldigen, diewijll u lieden ende ersamen well kunnen verstaen, dat die opgebrachte penningen niet durch uns, maer durch den oversten Sonoy gevordert sindt tot monsterongh dieses venlijns, wie dan sijn gestrengh lieden schrifften van dato den 4 octobris an unsen gesandten ende mederaedtsfrunden op den landtdach tot Arnhem wesende (als volgt) (doorh.: cba) claerlick mede brengen. Ick hen niet onderlaten konnen u lieden vermits desen to verstendigen so dat hier noch een venlijn knechten van mijn regiment d’welcke itzonder int Oldebroick liggen, angekoemen is, und wolde dieselve binnnen Harderwijck ende ter

111.2
Elburch (tot ontlastinge des armen huysmans so geringh immer moegelick) gerne verdeilen, und dese alhier liggende nae Amersfoert weder doen vertrecken, sovern gemelte soldaten gemonstert ende in den eedt gebracht und volgents mit behoirlicke lenongen mochten onderholden worden, waertoe die scholterssen ende richteren der omliggender dorperen sich tegens mij verclaert hebben willich to sijn sovern hunluiden alleenlick verordonniert worde in affcortinge oerer schatzpenningen sulcx to moegen doen diewijll dit niet alleen tot wellvaeren der omliggender huysluiden sonder oeck der gemeene burgeren ende inwoenderen deser steden gereicken sollde.

Daeruyt gunstige vrunden ende naebuiren so kunnen u lieden ende ersamen (die saecke recht erwegende) well verstaen dat wij int weynigste tot desen to gebieden offte t’verbieden voele weyniger die officieren uuyt onse authoriteit to constringeren sodaene penningen optobrengen, hoewell wij ons hiebevoerens niet so hardt beswaert twe lenongen voir idt geheele vendell van hopman Boicholt to verstrecken, daervan u lieden ende ersamen soldaten opt incoemen aldaer als oeck naderhandt van andere geleende ende bij ons opgebrachte penningen mede contentiert sindt worden. T’welck wij u lieden ende ersamen ter guetlicker naebuirlicker antwordt niet hebben willen verholden. Dieselve hiermit in schutz ende scherm des Almechtigen bevelende. Datum Harderwijck den 16 octobris anno 1579.

U lieden ende ersamen goede naebuiren ende vrunden,

Burgemeisteren schepenen ende raidt der stadt Harderwijck.

Nummer 112

Eersame wijse voirsichtighe heeren. Alsoe ick berichtet wordde, alsdat Lamberdt Vrancxsen gemeynt is totter executie van zijne vermeynte ongefundeerde ende onbewesen eyssch ende aensprake te willen procederen op Jacob Stuirman mijnen burgher. Soe ist dat ick begere ende versoeck van uwe ersamen wijse dat die selvighe gelieven sall den voorgenoemde Lamberdt Vranxsen undt rechte daer toe te holden ende toe bedwinghen dat hij zijnen onwaerafftighen eyssch ierst verifficert ende bewijse offt sunst bij eede bevestighen, we voir ende all eer dat dexecutie zijnen voirtganck sall kunnen offt moegen gewunnen, want ick nyet meer als acht mudde roggen min een scepel ende zeffe mudde boickweyten binnen dat desolate huyss van zaliger Hendrick Vranckssen gevonden hebbe. Versoeckende oick midts desen mijnen burghe bij verweygerungen van dyen acte vande executie ende daer bij die declaratie van die hoefftsman schaden ende interesst als die voorseide Vranxsen is pretenderende omme mij daer nae te reguleren. Ende bevele uwe ersamen u den Almoegende. Datum den 19e octobris 79.

Uwe ersame wijsen guetgunstighe vrundt.

Simon van Cleve.

112.2
Simon van Cleve an der stadt van Lambert Franckesen.

Nummer 113

Johan grave van Nassau [Catzenelnbogen], stadtholder int fur[stendomb Gelre undt] graeffschap [Zutphen].

Eersame undt wijse lieve besondere. […] twijffel undt leider meer dan genoech bewust wat [..] jammer undt elendt man dit gantze jaer over opden pl[atte] landen gesien heeft, over midts die zwaere overtochten [..] langduerende inlegeringen, uuytteringen, eensdeels oyck brandtschattingen, extorsien undt rooverijen des kriegsvolckx van ruytter undt knechten, undt wat vore swaere klachten van edel undt onedel burger undt boeren der entwegen gefuhrt zijn. Dewelcke meestendeel daer uuyt sijn ontstaen undt gespruit, dat eenige vanden provincien ongeacht der furste. De undt der generael staten ordonnancien bevelen trouwen raedt undt vermaningen, die middelen van geldt op te brengen niet en hebben inwilligen oft oick ingewillicht zijnde ter behoirlicke executie undt int werck stellen willen, undt alsoo uuyt oirsaecken van misbetaelinge niet mogelijck geweest en is ordnung undt disciplin over het kriegsvolck te stellen undt die platte landen beschudden undt beschermen.

Dewijle idt dan noch hoge tijt is datmen deur dese iemmerlicke landtverderffenisse, undt veelfaldiger geled ene schaden gewitziget zijnde nochmaels hochstgedachter furstlicke durchluchticheit undt der generael staten vore lengst gedaene begeerte undt trouwen raedt gehör geve, insonderheyt avers dat man den anderen naerders geunieerde provincien sich in desen gouvereneren conform maecke undt met allen vlijt daernae trachte op dat ferner verwuestinge undt uuyterste desolatie vanden landen soo veel mogelijck verguedet werde.

Soo begeren wij nyettemin amptshalven bevelende gij willet sonder lenger vertreck die generael middelen, bij gemeenen advis vanden naerders geunieerde provincien geconcipiert, undt consentiert, ofte ten wenichsten die gene die op den lestgehalden landtdach vanden Aerneemschen quartiere bewillicht sijn biss op ferner verordnung oick in uwer stadt in trary brengen

113.2
undt deselvige met alles neerstichen durch getrouwe dae[…] gestelte collecteurs beuren undt inbrengen en laeten, om vol[gents] tot uwer selfs undt des gemeenen vaderlandts defensie [te] mogen gebruiken. Dan ingevalle lenger hiermede gesuy[mt] undt daerdeur wijder verloop, desordre undt verder […] ontstaen solde willen wij daerinne vore ieder mennichlick [..] ontschuldicht zijn, undt sult de schaden niemants anders als u selfs te wijten hebben. Waerna gij u sult weten te reguleren. Undt bevelen u hiermede den Almechtigen. Datum Aernem den 22en octobris 1579.

U goede gunnder undt frundt,

Johann graff zu Nassaw Catzenelnbogen.

113.3
Grave Johan van Nassauw, vermaent tot goede regieringe end opbrenging van penningen om alle inlegeringen voor tho comen.

Nummer 114

Edele ersame wijse ende seher voorsienige heeren. Alsoe ick op huyden met Belij van Bulick geerkent heb nae tgenne ick in haren huise aldair liggende verleot heb mit sambs alle tgeene ick aldair ter Elburch noch muste schuldich gebleven sijn, dat haer van mij noch eene maeckelicke [pen] is restcomde, ende u ersamen sich den soude tarivell wael weten te erinneren dat dieselve sich ahnfencklich ennd altijt erklert hebben boven den daler des wecks den u ersamen mij ende haer toegesacht hebben unde vermoge der ordonnantien schuldich zijn voor logyssgelt sich in alle billickheit tot stuir der onkosten sich te willen laten finden.

Ist demna mijn frundtlick begeren u ersamen willen van wegen obgemelte logyssgelt twelck bedracht darthien dalers in alless niet alleen haer te vreden stellen sonder oick vermege u ersamen belooften (doorh.: te) oick in ahnsienongh der groter geledener kosten und ringen profijts sich in der billickheitt finden laten darmet ick schreiven mach oft mijn dienst u ersamen ahngeneem oft niet gewesen seyunnd stellende tselve tot u ersamen goede discretie will deselve hiermet in schuts unnd scherm des Almechtigen unnd langer gesontheitt mesfelen. Datum inden H[ ] den 27en octobris 1579.

U ersamen guitwillig frunnd,

Jurgen van Bucholtz, [ ].

Voor [ ] tijdongh is hier dat Mechelen unnd ‘sHertogenboss den 23en deses voer bevind binnen Antwerpen verklaert zijn. Is oick hier tijdong voor seker dat die van Cootwijck meenen verleden vrydage ingenomen hebben dair die malcontenten des lange gelegen, hebben unnd sijn maer twee venlen knecht darinne gewest hoe schuntelick dat ons schepen van orloge nu unlancx weesen hebben dat schip vande malcontanten dat omtrent den Brik in de maste verseilt [] wech na den derden dach uuyt te laten varen dair over is van adell in gewest zijn twende niet sullen u ersamen voor langes gefoot hebben.

Nummer 115

Edele erentfeste eersame wijse voorsichtighe.

Alzoo den hopman Roelant Faulster hier ernstelyck alhier in tcollegie aengeholden ende versocht heeft ten eynde zijn soldaten van hare behoorlicken weeckleeninghe versien mochten worden ende wij bij onse voorgaende scryvens ende oock het mondeling affgescheyt u edele lieden ende gonst gesanten verclaert hebben onse meeninghe ende intentie te zijn dat die voorseide leeninghe bij die van Harderwijck ende Elburch ende Hattem sampt den dorpen daer onder resorterende gefurneert zouden worden ten minsten voor eenen tijt tot dat wij de ordre op de bethalinghe vande garnisoenen int Arenhemsche quartier leggende gestelt zoude sijn twelck wij verhoopen ierst daechs sal geschieden. Soo ist dat wij u edele lieve guede nyet en hebben willen naelaeten andermael bij desen te versoucken ten eynde de verseide leeninghe voort eenighe vendel in den verseide stede leggende bij u edele lieve guede voor zoo veel u edele lieve gued aenpaert bedragende en verstreckt ende gefurneert worden ende dat ten gesetten ende behoorlycken tijde op dat alle foule untlast ende schade doer de excursie vande selve soldaten ten platten lande verhyndert ende verhoedt mach worden, wat inne u edele lieve guede geen swaricheyt en behoorden te maken overmits tselve u edele lieve guede afslach ende bethalinghe strecken sal aende maentelycke quote ende contributie dewelcke uns bedunckens merckelicke meer uuytbrenghende en als die voorseide leeninghe bedraaghen van

….. Hier mede edele erentfeste eersame wijse voorsichtighe u edele lieve ende guede in schuts des Almachtighen bevelende. Gescreven t Utrecht den 29 octobris 1579.

U edele lieve ende guede vrinden.

Die gedeputeerde vande naeder geunieerde provincien,

Ter ordonnantie vanden zelve,

Jan Zuijlen, 1579.

Nummer 116

Erntfeste wijse zeer voorzienighe heeren ende gunstige goede vrunden. Nae fruntlycke gebiedenisse, hebbe ic niet mogen naelaten, uwe eersamen te verwittigen, hoe dat de heeren gedeputeerden vande naerder geunieerde provincien mij onlanx gescreven hebben, dat bij henlieden ordre gestelt is op de werckelycke leeninge van de knechten nu in u lieder ende de twee ander steden verdeelt zijn tot welcken eynde ende op dat zij zulx over die niet alleen maer metten anderen garnisoenen inden steden te genoechlycke souden comen doen zij mettet gantsche collegium van Utrecht nae Nimweghen zijn vertogen. Zoo dat it niet en twijfele off daer en sal nu bij u lieden diesaengaende geen voorder swaricheyt zijn ende zoo is u lieden ergens inne eenige dinst eenigedinst off vruntschap can gedoen sullen u eersamen mij altijt u billich ende bereyt vinden. Kenne dAlmogende dien ic u eersamen bij desen bevele. Gescreven uuyt Alcmaer desen 30en octobris anno 1579.

U eersamen dinstwillige vrundt,

Diederich Sonoij.

Nummer 117

Eedele wijse voorsichtige zeer gunstighe heeren. Ic heb de missive van mijn ghenadige heere den stadtholder ende daerbeneven uwer eersamen brieff den 9en deser maent ontfangen. Soe ist dat mijn edele heeren sullen ghelieven te weten als dat ic ontfangen hebbe althans uutganden van de burgemeisters van Harderwijck drie leningen tot behouff ende onderholt van de soldaten binnen haer stat liggende. Verhope daerom ganschelick dat mijn edele heeren tselve mede sullen doen ende verschaffen mede alsulcke leninghen voor de soldaten binnen uwer stat van Elborch liggende op dat de soldaten hun weckleninghen ontfangende, moghen metter tijt een paer schoenen aen haer voeten crijgen, twelc hun niet can gheweten soe langhe zij luyden geen gelt ontfangen ende haer weeckleninghen opeeten want soe lange als een krijcsman zijn leninghe vereet ende geen gelt en crijcht soe en can hij niet wel (mijns bedunckent) den heer enighe goede dienst doen ende alsoe een soldaet behoirt sich te onderholden met zijn soldije ende den borgheren gheen overlast te doen. Soe ist redelick ende billick dat men den sldaten ooc versorghe van hun soldije daer mede zij hun moeten onderholden. Derhalven sulen mijn eersame heeren ghelieven te doen ghelijck die van Harderwijck doen, ende versorghen dat zij hun weeckleninghen sullen moghen crijgen. Hier mede den Almachtigen bevolen. Uut Harderwijck den 9en novembris anno 1579.

Cappitane Foster.

Nummer 118

Eersaeme wijse voorsichtige zeer gunstighe heeren.

Alsoe de burgemeisters van Harderwijck ghisteravont mij aengesecht hebben dat zij onder hen besloten hebben een van den hueren te senden naer Utrecht bijden ghedeputeerden der naerder gheunieerder provincien, om aldaer te disponeren ofte enighe bequame middelen te vinden om mijn vaendel liggende binnen drie steden, van hun behoirlicke weeckleningen te versorgen, soe best ende oirbaerlicx bevonden sal worden, ende ick daer beneven van meninghe bin om te Utrecht mede te trecken soe den burgemeisters voorseid op mij vruntlicken begheert hebben. Soe ist dat ick niet heb moghen naelaten, uwer eersamen mits desen tselve te kennen te gheven ende adverteren dattet zeer raetsaem soude zijn dat ghij luyden mede een ghesante uutmaecte om naer Utrecht te reysen ghelijckelic alsoe ic mede aen de heren van Hattem tselve verscreven hebbe, ten eynde dat wij alle te Utrecht wesende mitten ghedeputeerden sullen moghen handelen vande bequaemste middelen om tvaendel van hun weeckleningen te versorghen. Derhalven is mijn schrijven aen u mijn eersamen heeren niet te willen naelaten alhier mitten aldereersten te comen dat wij ghelijckelic naer Utrecht moghen reysen, oft te ontbieden aen mij van wat meijninghe mijn eersamen heeren zijn. Hier mede den Almachtigen heere bevolen. Uut Harderwijck den 10en novembris 1579.

Uwe goede vrunt,

Cappitane Foster.

Nummer 119

Erntfeste gebidende heeren und frunden. Ick beducht dat ick sall bij u lieden enigher lichtherdigheitz worden bedacht, dat ick niet en schrive achtervolgende den affgescheit mit onsen broeder Franckesen genannen, vermitz wij averst op onse principael schrivent van Aernhem gien andtwordt bekoemen ende nochtans omb dieselve oirsaicke avermaels aldair geschreven. Soe hebben wij u lieden dairvan niet bisonders konnen averschriven dan verwachten alle uhre bescheit, twelck u lieden niet sal worden verholen, tgoen dat die van Aernhem schriven is dat sijn genadige myt den ruyters gehandelt hefft om 5 off 6 dagen toe moegen liggen tott dienst slandtz etc. Soe doch die tijdt voerbij is, heft men ] reden derselven verlicht twarden die doch niet anders als toe vertrecken begeren etc. Neffens dem verwachten wij alsnoch myt verwonderongh denn uterschen baden ende wes hye brengt sal u eersamen onverhalen sijn etc. Onsser dienaer Otto van Heteren hefft tho have verstaen, dat der landtschap weder sal then landtdage verschreven worden ende dairom van hier nymantz reist, dan wilt Van Broeckhuysen die myt Hermen van Hell bij sijn genedige reyst om middel mit sijn genedige advys totreffen dat die ruyter tleven gefrist ende myt gemaecke affgevoeret mochten worden. Midlertijdt reist Brienen weder nae Voerst, om den huysluiden dair ende elders tstillen datmen sie late in vreden op advys van sijn genedige ende der hoefftstadt Arnhem dairmyt niet oevel erger gemaeckt worde etc. U eersamen hiermyt den Heren bevelende. Myt groten haest den 15 novenbris anno 79.

U lieden guede vrundt van wegen der stat,

Ernst Wittenn.


Nummer 120

Nae erbiedongh mijns gheringen vermegens insonder gunstighe heren und frunden, en heb ick niet moegen naelaeten u lieden und ersamen toe aedvertiren, wie dat mijn neeff Dirck Voet diesen avondt van Utrecht wederahn gekoemen, und ons diesen bericht voer ierst mede brengt. Als dat hij vertoefft ys gewest op sijn ansuecken op die ankompste vanden heer Van Braeckell die inden Haeghen was, om aldair die repertitie toe halen, dat men teyndens diesen itzlopende maendt voertahn alle des oversten Sonoyer onderhebbende soldaten (insonder onsse venlijn) alletijdt die weecklenongh beschaffen ende betalen sall uth Hollandt sonder enighen inbrueck. Unde alsoe mijn neeff Voet vurseid demnha opt hefftigst anhieldt mytten hopman voer tgoen dat alrede was verlopen ende noch diese voerenden maendt verlopen solde moegen vermyts dat van onsse myddelen niet offte sehr weinich quam ende wij datgoen dat wij desen soldaten hadden verstreckt particulierlick van sommigen vrunden hadden lenen moeten des noch onbetaelt was ende dairom gien middel hadden enighe vorder lenonghe tdoen. Dat oick u lieden ende ersamen in gien mijnre onwill ende onlust soe vanden armen burgeren als vanden soldaten stonden, dair die ierste clachte myt waerheit in dier vuegen vander stadt wordt gedaen dat dwiel vanden middelen niet ontfangen wordt, soe waer die stadt toe onvermoegendt die soldie mit lenonghen toe versihen. Anderdeels dat die arme burgeren toesehr mytten soldaten beswaert waren, dieselve die kost toe verstrecken, soe het doch een sulcke gemeinte geeft daer elcx mitten sijnen genoech hefft tdoen. Dat oick sich onder dies die soldaten niet weiniger en beclagen, als dat sihe oer besoldinge bij den burgeren moeten verteren, soe sihe (geboerlicke weecklenongh ontfangende) sich op oer eigen kost voel geringher solden koenen onderhalden.

Doch dwiel sulcx alles widers in bedencken genomen ende voel onfruchtbare loese uthfluchten (van ons twisen opten ombliggenden dorpern dair wij gien gebiede hebben) debatteert ende mit redenen affgeslagen syndt worden, is der hopman op hoepe van een myddel sonst gelt tbekoemen noch dair gebleven, die wij verhoepen dat als

120.2
margen wal sall hier wesen.

Dat averst die baede soelangh uythbleeff, was die oersaeck, dat hij (doorh.: hem) myt enigh guet van Dirck Voet op Amsterdam was gesonden, omb tselve hier tbrengen, dan vermytz datter (doorh.: geft) gien schepen van Amsterdam herwertz gekoemen sijn, wordt hij alsnoch verwacht.

Dieser ruytern betalingh secht mijn neeff aldair verdich tsijn, ende datse mytten alre iersten betaelt ende affgedanckt sullen worden. Doch en docht hem niet dat se faer noch die tidongh van Cortzbach hadden, wat averst dairuyh entsthaen sall werdt die tijdt leren.

Hier is allenthalven groete spraeck van een grote vergaderongh van ruyter und knechten ombtrent Straesburch gelegen, diemen secht van wegen des princen van Orangien in Bourgonien eine grote stadt Bijsantz ingenamen thebben myt noch etlicke vestonissen, wes dairuth volgen sal werdt die tijdt lehren.

Mij hiermit gebidende tot u lieden ende ersamen dien der Heer in langer gelucksaliger regirongh will gefristen. Uth Herderwijck dem 17 novembris anno domini 79.

U lieden ende ersamen guetwilliger vrundth,

Ernst Wittenn.

Broickhuisen is desen margen den 18 weder van Aernhem gekoemen seggende voer seker dat die ruytern den aenstaenden vridach uith die Velue sullen wesen ende dat die schult van Utrecht al daer was mit tgelt datse solden hebben. Dairop dat mijn heer stadtholder an die van Deventer geschreven om haer dair den pass tgonnen.

Der burgermeister van Coeln, Lijfkeucken, was oick tho Aernhem, seggende voer seker dat onsse onderhendelers des vredes vertogen ende tsamen dair gescheiden wahr thom briden deel. Elcker fox wahre sijnen swantz. Secht mede datter enen rijcxdach sal worden uthgeschreven. Godt verlehne nae sijne vaderlicke bermhertigheit. Men secht oick dat den gewalth soe myt ruyter und knechten omb Straesburch licht. Ant mersiren ys om aff tkommen. Valete omnes in domino.

Nummer 121

Burgermeisteren Schepenen ende raidt der stadt Harderwijck, hebbende ontfangen seeckere missive van den heeren gedeputerden der naerder Unie, waerinne oer ersamen sampt den ersamen van Elburch ende Hattem bevoelen wordt die somma van 300 gulden tot lenonge van hopman Roelandt Foster soldaten mit den anderen to fournieren, ende hierbenevens hierop verhoert hebbende idt rapport ende advys der gesandten der stadt Elburch hebben dieselve goedt ende raedtsam bevonden dat in anmerckonge oer ersamen wes noch toe (doorh.: niet) sich niet alleen mit groete swaere soldie van hopman Roelandts soldaeten so alhier in garnison liggen beswaert vinden, sonder oock daerbenevens een merckelicke antall van soldaten (so tot bewaernisse ende verseeckertheit des huyss van Generale Staten ende den heeren gedeputierden voirseid afhier verordent synnend) mit behoirlicke lenongen moeten onderholden, dat niet noedich sall sijn eenige vordere partitie (twelck hiernaemaels in boese consequentie tot grote prejuditie deser steden voirseid getogen solde worden, hiernae to doen, sonder aldewijll gemelte heeren gedeputierden die gewisse vertroestinge gedaen, dat dese steden hinvorder mit geene lenongen mehr beswaert offte molestiert worden sullen, datmen voerdit maell tot contributie gemelter penningen ider stadt hondert gulden verstrecke damit dat gelijckformicheit geholden worde. Actum Harderwijck den 20 novembris anno 1579.

Brinck, secretaris.

Nummer 122

Erntfeste vursichtige wise sehr discrete heren und gude vrunden, ick heb diesen naemiddach u lieden schrivent belangende enighe voergevallene onverstandt mit u lieden und desselffsten burgern ontfanghen, und u lieden en kan ick dairop ther guetlicker andtwordt onvermeldet niet laeten, wie dat onsse brouwers die oer tappers opter Veluen hebben und eensdeels noch bij dieselve eine merckelicke summe geltz then achtern sijndt, dat dieselve noch die huysluiden van derselven die op Veluen gehaelt ende vertapt worden, hier tho Herderwijck gien licent betaelt offte ontfangen wordt, ther oirsaicken dat alle brouwerien op Veluen vrij sijndt ende niet en geven unde wanneer dan die Velickers vanden byren hier gebrouwen solden moeten geven licent. Soe solden sie elders opten lande tho Nijkerck, Bernevelt offte Putten oer bier sonder licent tgeven halen, dairdurch die negeringe der brouwerien geheel uth den steden soll worden gejaecht. Averst alst menichmael opten landagen vorhanden gewest, datmen opten platten landen dubbelde licent solde geven, soefeern sulcx int werck were gebracht gewest, hadde men billicx oick van die Velickers licent genamen.

Hierbynnen ende in onsse Vrijheit wordt van alle byren bij tappers off burgers gebrouwen ende van buyten oick ingebracht die licenten betaelt, alsoe oick van alle wijnen. Verleden jair hefft men die licenten van alle geslachtede beesten betaelt, maer desen herffst en isset niet geeischet. Hiermet u lieden tsamen im schutz des Heren bevelende. Uth Herderwijck (doorh.: den) op dach Catarine virginis anno 79.

U lieden gude frunt,

Ernst Witten.

122.2
E. Witten van den consumptien.

Nummer 123

Ersame wijse und vuersichtige gunstige guede frunden. Wytt en kunnen u ersamen gunstlich niet verhalden wye dat wij hoe (doorh.: h) lenge hoe mehr (doorh.: zekere) verscheyden schryvens van waerschuwungh als oeck noch huiden vandie van Nijmmegen, sekere thidungh bekommen (doorh.: onleesb.) dat die corenel Contzbach, den vyant eenen eedt gedaen heeft ende tot twe reysen, een van sine edeluyden over gesonden, om mitter hertzoch de Terra Nova toe communiceren ende hebben oock communicatie mitten graeff van Swartzenborch gehalden twelck zekere ende waerachtich sijn zold und zold daernae trachten, mit Contzbach dat he een stadt int lant van Gelre ofte Vryeslandt mit verrasschen in krygen mucht tot welcken eynde der brant binnen Coln, und daerom bhiede ander der name van monseigneur Bylly, let aennemen twe regimenten voetvolcx und dat die malecontenten niet wyllen lijden, dat die Spaenjaerden dit jaer buyten lande vertrecken sullen wes wij ons nu op guten Contzbach hebben te avertrouwen wyllen wij iedermenlich toe bedencken gued. Derhalven wyl noedich zijn dat u ersamen alle goeden frunden van aedel ende anderen hier van mede versenden. U ersamen hier mede in schutz in scherm dess Almechtige bevelende. Geschreven den 25 novembris 79.

Burgemeisteren schepenen und raidt der stadt Arnhem.

Nummer 124

Erentfeste, eersaeme, wijse zeer voersichtighe, wij hebben u eersamen missive van dato den sesentwintichsten novembris metten ingelachten copien, soe vant verdrach als vande missive van zynder genade ontfanghen, ende soe wij tselve verdrach gansch redelyck ende billick achten, hebben wij aen den capiteyn Fouster geschreven, tzelve bij zijnen soldaten te doen naer commen, als u eersamen bij die ingelachte copie breder sult moegen verstaen. Wij hebben den capiteyn alhier verstreckt een weeckleeninge ende sullen procureren dat voorts aen ordre gestelt wordt op de leeninge van deselve soldaten, ende desen tot gheen anderen fyne dienende, willen u eersamen hiermede den Almachtigen bevelen. Geschreven t Aernhem desen 3en decembris 1579.

U eersamen goede vrunde,

Die gedeputeerden der naerder geunieerder provincien,

Ter ordonnantie vanden selver,

Jan Zuijlen, 1579.

Nummer 125

Johan etc.

Manhaffte etc. Idt hebben uns die burgermeistern schepen und raedt der stadt Elborch uns tho kennen gegeven, nademael die bethalingen und lehnongen van den kriegsvolck und garnisonen bij den provincien noch ter tijt al wat late bestelt ende verschafft werden waardoer grote desordre und ungeregeltheden under den soldaten ontstaen ende den burgeren veel schwaricheden ende overlast angedaen wort. Dat se daerom mit den soldaten in hoeren stadt liggende ende under uwe compaignie gehorende overkomen ende verdragen sijn dergestalt dat een iegelick eenlopende knecht ter weken bij enen burger alwaer in gelogeert is verteren sal twintich stuver. Ferners inholts de selvigen verdrags, daerop wij uns um langheit to schowen referieren willen.

Also nu tselvige accord uns gantzs eedelick und billick sijn bedunckt so begeren wij nit te min ambthalven bevelende gi willet die soldaten mit ernst daertho holden, up dat sie sich daerna reguleren ende den burgeren daerenboven genen schaden an en doen biss ter tijt tho dat die provincien ende wij middelen finden uns beter ordre und richtigheit metter bethalinge tho sallen, waertho wij alle nersicheit ende unse vyvise devoir doen sullen. U hiermede etc. Datum Arnhem den 7 novembris 1579.

Nummer 126

Manhafftighe frome, ons is van weeghen der stadt van der Elburch ende overgesonden geweest copie van zeecker verdrach ende accord bij hem luyden met uwen lieutenant van weghen den inleggenden soldaeten gemaeckt. Ende alsoe wij tselve accordt gansch redelijck ende billick vynden, hebben u bij desen wel willen bevelen, tzelve verdrach naer te commen ende tucht er volgen, mitsgaeders (doorh.: tselve) sulcx bij uwe soldaten te doen naer te commen ende achter volghen, ende dit alles bij provisie ende als u egheene leeninge verstreckt (doorh.: is) en zijn, ende dat daer inne bij ons wijders geordonneert ende gedisponeert zij. Ende en wilt van des te doene in gheen gebreeke blijven. U hiermede den Almachtigen bevelende. Geschreven t Aernhem desen 3e decembris 1579.

Uwe goede vrunden,

Die gedeputeerden der naerder geunieerder provincien,

Ter ordonnantie vander selver.

Hierna volgen enkele stukken van maart en april, die ik pas nu tegenkwam. Ik heb ze doorgenummerd.

Nummer 127

Achbere gunstighe gude frundt heer borghemester, nae unsse gheholdene affghescheitt tho Arnem hebbe ick van Derrick van Weetten desse 3 bij ghefoeghede stucken untfanghen de welkes (doorh.: ick) huden vormyddach erst bij dem ersaemen raet alhir gheleesen sintt unde is noch etwes tho rugghe tho Arnem ghebleeven dat mij weetten, nae sicken wyll als ick dat becoeme worde ick u lieden ock tho sicken hebbe, hem derhalleven noch niett ghecontendeertt. Kan u lieden desfals niet overscrijven wat het scrijven ghecost heft, sall sulcks ter erster gheleeghentheitt doen. Als desse dinghe bij dem ersaemen raet ter Elborch gheleesen is stracks an Brunick tho Hattem unsse gude frundtt tho sicken unde de gheleghentheitt scrijven willt. Hoeckelum is gisteren van hir nae Antwerpen ghereeset. Hir met Godt befolen, siet van mij ghegruttet unde doelt mijn erbeedenisse an u lieden mede raets frunden. Datum ylens in Hardervick anno 79 dem 27 marty.

U lieven goetgunner unde frundt,

Henrick van Essen.

Nummer 128

Erntffeste ffrome ersame voirsichtighe hoieghwiesse heeren burghermesteren schepenen und raidt der stadt vander Elborgh. Ich kan u achtbare wiesen nyt berghen wie ich tho Arnhem sijn gewest na mijnen gude, dar all schoien die gebraken busse aff verdonckert wass, ydoch an Thonis Hughen huyss wederbekomen, belanghendt averst die sess par fflasten myt twe sslasskilien aver (welch mij doch nit rorende ist) beffynden sich die twe fflasskylien nit ander moghen u achtbare wiesen vernemen wair se gebleeffen sijn. Van Thoniss Hughe und Henrick Palender erkleren sich solckes nit ontffanghen tho hebben, ffolghendtz diewiel ich u achtbare wiesen dat geleverde guiedt op mijnen groten schaden gelevert, und dorch andringhongh ffifftien deel weder hebbe mothen annemmen und mij die nageleefferde sess deel sonder myddel nit dencke tho kroeden, inde wie waill ich drie warff van Wesel ther Elborgh gewest sijn, und meer in suss geffarlicke thijden aver die twintich daller an onkosten gedain hebben, ydoch nit meer dan die twe laste reissen om mijn pennongen gewest sijn. Onangesien dess mijner ghroter onkosten om u achtbare wiesen gedain, hefft man mij ther golden gulden van ffoirloien oich gekorttet und darenbaven sess par fflasten willen andringen, die ich nit angenamen, oich nit op solcher condition dencke an tho nemmen. Inde onangesien dess hefft man mij mijnne obligation wie wail ich nit bethaldt van solckess vursseid ware, gecassirt und doirgestreken darvan ich voir u achtbare wiesen van solckess geprotestirt hebben, inde wie waill ich bijder stadt Elborgh anno 72 verleden (dorch Andris van Allerss instopperongh) hebbe moten schaden lijden aver die ffifftich daller, geschuit mij van solckess gheinne weder vegeldongh sonder noch buten reden allenthalffen affbrock. Also dat ich om solckess, mijnen schaden, an Aller vursseid dencke tho verhalen idoch om allen onlust tho vermyeden, beheltlich doch eynss yderenss dar he recht tho hefft, und so dit nit bess[eit] van u achtbare wiesen nyt wordt ingewillicht, ist solckess ongess[eit], und eyn yder sijn recht voirbehalden.

Irstlich om allet wess wij voir dato van dussen t doin gehadt pensselich mit dit nabess[eit] sall doit sijn, so sollen mij u achtbare wiesen mijne sess rijder so mij restirende und noch onbethaldt sijn bynnen Wesel

128.2

leefferen und voir all mijne verschaten pennongen de anno 72 sampt verterde kosten und ongelet, dusse lapperie die sess fflag en tholegghen, darmit sollen wij eenss voir all verdragen sijn, hirop beger ich eyn ijlich antwort.

Im phall averst solckess van u achtare wiesen wort affgeslagen sall ich andere middelen moten gebruicken, dan Albert (achtbare wiesen (doorh.: uter) Karman inde mytborgher ethliche pennongen van eyn kar spirlinx onder den marckmester tho Wesel sthain hefft sollen segelicht werden, ich worde thot mijne volkomene betalongh dorch hem und andere borgher vander Elborggh bekomen. Solckess alless hebben ich u achtbare wiesen nit konnen berghen, die ich in schutz dess Almogende doin beffelen. Van Wesel den 1 apriliss 79 stilus communis.

U achtbare wiesen dinstfferdiger,

Thomas Bremer.


Nummer 129

Johan Philips frijheer tot Hogensaxen, heerr to Sax und Vorsteck etc.

Ersame und wijse insonders goede vrunden, welckergestalt unlangt tuschen deser landtschap gesandten, und den gedeputierden van den naerders geunyerden provincien tot Utrecht accordiert und gesloten is, dat eerstes dags die ordonnantzien over die generael middelen solden geconcipeert, gedruckt, und folgents in alle steden und platte landen under die Unie begrepen publiceert, und tegens den eersten aprilis int werck gestelt worden. Daervan hebt gij sonder allen twijvell noch goede wetenschap, diewijll nu in des hern stadtholders ijlenden verreysen sulcke gedruckte ordonnantzien angekoemen sijn, om op allen plaetsen daer idt noedig is, gesonden und gepubliceert to werden, und die missiven in sulcker ijll under sijner lieven namen nit konden depeschiert offte verfertigt werden. Hebben sijne lieve niettomin bevolen, gedachte exemplarien over to senden, niet twijvelende, diewijll dese ordonnantien belangende die generael middelen allgereedts nae voellfaldige rijpe beraidtschlagong van groten und kleynen steden, mitsgaders den ridderschappen des Nijmegischen und Arnhemschen quartiers veraccordiert sindt, und dit naest goet het eenige middell is om dese landtschap (die welcke sonder assistenzy und bijstandt der naberen geschapen is, in endliche und uuyterste verderffenis, ruine underganck und desolatie to geraken) tegens des fiandts gewalt to beschermen. Idt sollde een ieder sich hierin willig vinden laten und op die publicatie und anstellung deses hoichnottwendigen wercks (daeran deser landtschap welvaren offt verderven hangt) geene swaricheit vallen. Demnae so senden wij u hiermede gedachte exemplaren. In namen wollgemelts hern stadtholders begerende, gij willet die publicatie vermog des genomen affgescheidts terstondt geschieden laten, und allsobale die sellvige met die dat inr werck stellen op dat nit die gemeene man in den anderen provincien (allwaer men verstaet dat die middelen algereedts angericht und verpacht sijndt) oersaeck krijgen wederom to ruck to vallen, und deur

129.2
uwe verweigerong und naelatigheit glijckfals unwillig to werden, waer deur dan den provincien alle middelen om u to helpen solden benomen werden. Waerom wij u nochmals ernstlick bidden und vermanen, gij willet, so lyeff u uwe eygene und des vaderlants wellvart und conservatie is, hier in n it naelatig offfte suymich erschijnen, und blijfft hier mede den Almechtigen bevolen. Datum Arnhem den 2 aprilis anno 1579.

Ewer gutter frundt,

Johan Philips frijherr zu Hoensax.

Nummer 130

Den wolgeborn hern Johan Philips, grave tho Hohenlo, here tho Langenburch, generäll krigess, overster der generäll staten van Herwerssover etc. Unsern gnedigen hern.

Verthonen sehr dienstlick tho kennen gevende, die burgermeistern schepen und raede der steden op Veluwen, als Harderwick, Elburch ende Hattem, wo dat sie van olss wegen als van wegen lofflicker gedachteniss hertoch Karoll ende older, ende navolgens bij tijden dess fursten van Kleve geprivilegyrt sijnnen, ende durch olde lofflicke hergebrachte costeumen, bess her tho alle tijt die garnisonen, so van wegen dess hern, den steden verordenirt werden , van den burgermeistern, offte wet der steden, een ieder vor sich bij den sijnen gelogert und gebelettirt werden ende gelick idt den steden niet en behoert hoer garnisoenen op den platten landen tho belettiren, en stadet oeck der van die platte landen niet tho, die vriheiden der steden offte der steden selvess, mit hoere knechten offte ruteren tho prævidieieren. Welcke olde

130.2
hergebrachte kosteumen ende privilegien oeck geapprobiert, geadvonirt ende besweren binnen in idt tractaet vor Venlo van kaiser Karoll hoechlofflicker gedachter ende na van allen officieren seer nerstlick achtervolget ende onderholden, als van deer van Alba, Hyrges ende andern ende nu ersten van u genedige bevehlhebberen durch missverstant wellicht an die underdanen ende vriheiden der steden Elburch ende Hattem gevioliert ende gelabefastiert, welck grotelicx tot onder aller privilegien, previdicie ende achterdeel iss streckende, sinnen derhalven sie suppliaant underdeniglick an u genedige versuckende, dat idt u genedige gelive, hier in diese rechten und privilegien te maintenieren und bevellschrifften tho verlenigen, an der ruteren, so iegenwordich int gebede vander Elburch ende Hattem liggen dat sie willen verrucken. Dit doende, er bieden sie sich in allen underdenicheit tegens u genedige.

Wass supplianten hierin suppliceren, werden ihr hieraus vernemen, ist derwegen unser begeren, ihr wollen uns den selbigen kundt thun, der euch die beletten geben hatten begerent enich in das quartier so dem wolgeborn bruder hern Sigmunt Kurtzbach gegeben bleiben, unde diese freiheit verschontt haltten.

Johan Philips grave van Hohenlo.

130.3
Request aen den heren grave van Hohenlo voer de steden Herderwijck, Elburch en Hattem anno 1579, Dat gheen krijchsvolck in haere steden, vrijheyden mit recht moegen gelecht worden.

Copie der supplication an den hern van (doorh.: Hohenloh) Hohenlohe overgegeven am 9 aprilis anno 79.

Nummer 131

Ersame insunder groetgunstighe guede vrunden. Ick kan u ersamen niet verhalden hoe dat ick de vier articulen in min memorie angetogen doer reyrast over gegire[n] op de twe erste als van de fortificasie und van de veranderinge van de soldaten niet sekers connen erlanget doch nu toe gelecht. De knechten waren gemonster und solden hoer betalinge ontfangen unde men solde se van stont an daer uth nemen und en guet veendel soldaten daer in leggen daer wi ons in tit der noet toe versien mue[ten]. Und soe veel de twe dusent gulden angaet tot het bolwerc[k] of den in proost heft niet coemen cunnen om oersaken hier telanck teverhalen, ene is dat de dutse ruter op hant ware must me betalen het derde van pulver scerp lunten hebbe ick op Harderwick gesceept zestien hondert pont lunten, dre hondert cuegels und den bussescut hebbe ick besceit van dat de generaliteit hem betalen sal nu solde ick hier ontfangen dusent pont pulvers dat wert noch ontholden, oersake dat Reiner Cant inden Hagen gereist is. Hoe wel ick geerne tho huis waer heft mi gaet gedacht te wachten sint en vridach toe soe wolde ick wel dat hier en scip quame om mede op der Elburch te brengen, ick hebbe daer al ordinansie van dan den pulver mach hier niet los. Min teergeld is bina op ghi mi noch en paer daelder senden hiermit den heren bevoelen.

U lieden dinstwillige,

Lambert Vranckessen.