Diverse transcripties financiële stukken

Inv.nrs

818 Kwitantiën voor betalingen op het door de stad verschuldigde aandeel in de contributie, 1549-1552.

G. van der Houve verklaart ontvangen te hebben van Bernardus Feyt secretaris van Elburg, 189 Karolusgulden, 14 stuivers in mindering van het aandeel der stad in contributie van 300.000 Karolusgulden.

Transcriptie

9 December 1552.

Ontfanghen vander stadt Elburch bij handen Bernardus Feyt secretaris die somme van hondert negen ende tachtich Karolusgulden, vierthien stuvers van 20 stuvers Brabants yder gulden. Op rekeninge ende in minderinge van de portie der stadt Elburg inden vierden termijn van de contributie van de 300 duysent Karolus bij de Staten van Gelre geaccordeert verschenen Martini een ende vijftich.

Actum tot Airnhem dess 9en decembris 1552.

zomma 189 Karolus, 14 stuvers

G. van der Houve.

Dorsaal.

Quitanci van contributie deser stadt 1552.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 818 zijn getranscribeerd.

820 Kwitantie voor het door de stad betaalde aandeel in de schatting, 1559.
De landrentmeester Gramaye verklaart ontvangen te hebben van Jan Marissen, schatbeurder van Elburg, 284 Carolusgulden op rekening van de schattingen.

Transcriptie

21 Maart 1559.

Ontfanghen van Jan Marissen schatbeurder der stadt vanden Elborch de somme van twee hondert vijffentachtentich Carolusgulden van 20 stuver Brabants yder gulden, op rekeninghe van tgene hij den landtrentmeister ter canse van schattinge van wegen der stadt vanden Elborch schuldich mach wesen.

Actum tArnhem desen 21en marcij 1559.

Summa 285 libra.

Gramaye.

823 Kwitantie wegens aan de stad afgedragen heerenpenningen, 1570.

Transcriptie

25 November 1570.

Wij burgermeisteren, schepenen und raidt der stadt Elburch doen kundt, liden und bekennen mitz desen dat wij van den erentfesten und vronnen Johan Bentinck als rendtmeister Conincklicher Majesteits tot Hispanien etc. onses allergenedichsten heren, op Veluwen, ontfangen hebben die summe van viff und twyntich golden gulden, tstuck ad acht und twyntich Brabandische gevalueerde stuver gerekent, der stadt vurseid uuith hoichstgedachter Majesteits herenpenningen, verschenen op sanct Jacob anno viffthienhondert negen und tsestich.

Und wij bedancken em vermeteren vurseid van den termijn vurseid und allen termijnen daer behoernes verschenen guder betalingh.

Sonder arch und list ourkonde der waerheit, hebben wij onser stadtsecreetsiegel hier onder opt spatium van desen witlick doen drucken.

Gegeven den vijff unde twyntichsten dach novembris anno 1570.

Dorsaal.

Quitanci voer Jan Bentinck van de stadt alhier, anno 1

825 Volmacht, door den magistraat verleend aan de raadsvrienden LUBBERT SANDERS en DIBBOLDT FEYT, tot het bezegelen eener obligatie betreffende het aandeel der stad in de schatting, 1571.
Burgemeesters, schepenen en raad van Elburg machtigen hun mederaadsvrienden Lubbert Sanders en Dibboldt Feyt om een obligatie, door de stadhouder geëist wegens het aandeel der stad in de ingewilligde schatpenningen, met het zegel te bezegelen.

Transcriptie

19 Februari 1571.

Wij burgermeistere schepenen und raidt der stadt Elburch doen kundt allen lueden certificerende voir die gerechte waerheit in krafft desses dat wij volkomen macht gegeven hebben und geven mitz dessen, onsen liven mede raitzvrunden Lubbert Sanderss und Dibboldt Feyt umb in onsen name und van onsent wegen binnen Arnhem tho doen schriven, besiegelen und over to geven alsulcke obligatie als onser genediger heer grave tho Megen etc. stadthalder van onser stadt vordert onse anpart betreffende van die lest ingewillichte schatpenningen, tot welcken einde wij onsen gemelten raitzvrunden onser stadtsecreetsegel hebben over gegeven, ratificeren allet genen onse machthebberen vurseid in desen enichsins geprocureert sal werden.

Sonder arch und list ourkonde der waerheit hebben wij onser stadt secreet segel hier onder opt spatium van desen wirlicken doen drucken.

Gegeven den 19en februarij anno vijffthienhondert een und tseeventich.

827 Kwitantiën wegens door de stad gedane betalingen op haar aandeel in de schatting, 1572-1575.
G. van der Houve verklaart ontvangen te hebben uit handen van Wolter Peterszoon, secretaris der stad Elburg 735 ponden wegens het aandeel der stad in de eerste termijn van de schatting.

Transcriptie

3 Januari 1572.

Ontfangen vanden stadt Elburch bij handen Wolter Peterszoon, secretaris die somme van zeven hondert vijff ende dertich ponden van 40 grooten Vlems tpont, over de vole betalinghe van die voorseide stadtsportie ende quote inde hondert ende 37.500 libra die der lantschap Coninclijke Majesteit voerden eerste schattinghe vanden 550.000 libra innegewillicht hebben, welcken eersten termijn verschenen was Kermisse anno XVc tzeventich, doch petri ad cathedram daeraen wel betaelt, van welcker voorseide somme ick mij uut zaecke voorseid bedancke goeder betalinghe ende beloeve hem luyden daervan te ontlasten jegens Coninclijke Majesteit der lantschap ende aenden yderen dient behoert.

Oirconde desen geteyckent upten 3en januarij anno XVc twee ende tzeventich stilo communi.

Somma 725 libra.

G vander Houve.

Thomas Roos verklaart ontvangen te hebben uit handen van Wolter Peterszoon secretaris der stad Elburg, 116 daalders op rekening van de derde termijn der schatting.

23 Mei 1573.

Durch ordonnantie mijns genedichen heeren banner und vrijheeren tho Hyerges etc. stadtholders und capiteyns, generaels dese furstendombs Gelre und graeffschaps Zutphen etc. bekenne ick Thomas Roos greffier der cantzelrye derselver landen ontfangen te hebben uuyt handen van Wolter Peterszoon, secretaris der stadt vanden Elborch van wegen derselver stadt die somme van hondert und zesthien dalers yederen daler tot dertich goede stuvers gerekent, ende dat op rekeninge vanden derden termijn vanden schattinge yetz loopende.

Van wellicke somme van hondert ende zesthien dalers ick tot sijne genade to responderen, belove und die naegedachten heeren stadholder, tot zijner genade gesijnen to leveren, mits dat sullicx den vander Elburch aenden voirseide schattinge betalinge strecke, ende ten plaetze deses mijnes handtschaffts mij bij zijn genade bryeven van (doorgehaald:reg) reddergh off dese mij wedergelevert worden, tot mijne ontlastinge.

Oirkundt dese beteyckent binnen Arnhem opten drye und twintichsten dach maij XVc drye und zoeventich. Bij mij.

T. Roos.

Dorsaal:

Quitantien vanden 3en termijn schattonge van 116 daelders.

G. van der Houve verklaart ontvangen te hebben uit handen van Wolter Pieterszoen secretaris van Elburg, 192 ponden op rekening van het tweede termijn der schattingen.

9 April 1572.

Ontfangen vanden stadt Elburch bij handen Wolter Pieterszoon, secretaris die somme van hondert twee ende negentich ponden van 40 grooten Vlems tpondt libra reste vanden tweeden termijn vanden portie der stadt Elburch voorseid inde schattinghe vanden 550.000 libra Coninclijke Majesteit bij der lantschap van Gelre in anno XVc tzeventich in vier jaeren te betaelen inne gewillcht welcken tweeden termijn verschenen was Kersmisse anno XVc een ende tzeventich doch petri ad cathedram daeraen volgende wel betaelt van welcke voorseide somme ick mij uut zaecke voorseid bedancke goeder betalinghe ende belove hem luyden daervan te untlasten jegens Coninclijke Majesteit der Lantschap ende eenen yderen dient behoert.

Oirconde desen geteyckent upten 9en aprilis anno XVc twee ende tzeventich.

Somma 192 libra.

G. vander Houve.

Dese quictantie ende de quictantien bij die vanden Elburch

zedert petri ontfangen worden gegeven ende de penningen ontfangen onder expresse prorestatie van Zijne Majesteits interest zedert petri gevallen.

Actum als inde quictantie.

J. Gramaye verklaart dat de stad Elburg haar aandeel in de 4e termijn van de schatting heeft betaald aan Hendrick Bentinck, drost van Over Veluwe.

10 Januari 1575.

Ontfangen van Jan van Lenghel secretaris der stadt van Elborch eene quitancie van joncker Hendrick Bentinck, drost van Overveluwe, daermede hij bekent ontfangen te hebben voir volle betalinge vanden portie vanden 4en termijn der stadt Elborch inden vierjarighe schattinge de somme van 539 libra. Ende voir reste vanden 3en derden termijn der zelver stadt 39 libra, belooppende tzamen de voirseide quitancie,578 libra gemaect in ponden van 40 grooten.

Actum opten 10en dach januarij 1575 stilo communi.

J. Gramaye.

Namaels opten 26sten augusti 1575 heeft de voornoemde secretaruz noch overgelevert eene quitancie van griffier Rooze,

(doorgehaald: q) die van wegen zijne genaden bekent ontfangen te hebben te weten 22e julij LXXIII de somme van 60 libra.

Ende bij een andere quitancie 23e junij de den anno LXXIII die somme van 126 libra.

Alten voirseide prijsen.

J. Gramaye.
Dorsaal:

Eenige quitancien ende aenschrijvingen van schatpenningen voer de stadt Elburch van den jare 1572 tot 1578.

G. van der Houve verklaart ontvangen te hebben uit handen van Wolter Pieterszoon, secretaris van Elburg, 346 ponden en 12 schellingen op rekening van de tweede termijn der schatting.

31 Maart 1572.

Ontfangen vanden stadt Elburch bij handen van Wolter Pieterszoon, secrtaris,die somm van drie hondert zes ende veertich ponden, twaelff schellingen van 40 grooten Vlems tpondt, op reeckeninghe vanden tweden termijn vanden portie vanden stadt Elburch voorseid.

Inde schattinghe vanden 550.000 libra Coninclijke Majesteit bij der lantschap van Gelre in anno XVc tzeventich in vier jaren te betaelen, innegewillicht welcke tweede termijn verschenen was Kersmisse anno XVc een ende tzeventich, doch peter ad cathedram daeraen voegende wel betaelt.

Oirconde desen geteyckent opten lesten martij anno XVc twee ende tzeventich stilo communi.

Summa 346 libra, 12 schellingen.

G vander Houve.

Dese somme wordt bijden lantrentmeester ontfangen onder protestatie expresse vanden interesse volgende de appostille bij den Hove van Gelrelandt, upten lesten martij upte supplicatie der van Elburch gegeven.

Actum ut supra.

829 Bijlage bij bovengenoemde rekening van HENRICK BENTINCK.
Henrick Bentinck, drost van Over Veluwe, verklaart uit handen van Wolter Peterssoen, secretaris van Elburg, 100 daalders ontvangen te hebben voor het onderhoud van krijgsknechten in die stad.

Transcriptie

14 Augustus 1573.

Ick Henrick Bentinck drost vander Aver Veluwe bekhenne mitz desen dorch beveell minss genadigen heeren ontfangen toe hebben uuyt handen vanden secretarius Wolter Peterssoen (doorgehaald: die) van wegen deser stadt Elburgh die somme van hondert enckelle dalder van 30 stuver Brabants den daelder gerekent, end dat thot lenonghe ende onderhaldonge der knechten binnen Elburgh liggende.

Orkonde mijnen naem hier onder gestalt, actum opten 14en augus­tij XVc XXIII.

Zomma 100 dalder.

Henryck Bentynckss.

Henrick Bentinck, drost van Over Veluwe, verklaart ontvangen te hebben van de secretaris van Elburg 100 daalders ten behoeve van de soldaten aldaar.

22 Augustus 1573.

Bekhenne ick Henrick Bentinck drost vander Aver-Veluwe uuyt beveell minss genadigen heeren vanden secretarius van wegen deser stadt Elburgh thot lenonge voorden knechten alhier liggende ontfangen toe hebben die somme van hondert daelder tot 30 stuver Brabants tstuck gerekent.

Orkonde desen bij mij be­teickent opten 22en augustij XVc LXXIII.

Zomma hondert dalder.

Henryck Bentynckss.

Henrick Bentinck, drost van Over Veluwe, verklaart ontvangen te hebben 100 daalders ten behoeve van de soldaten in de stad Elburg.

29 Augustus 1573.

Noch bekhenne ick Henrick Bentinck drost vander Aver-Veluwe thot lenonge der knechten vanden stadt vander Elburgh in maeten als baeven ontfangen toe hebben die somme van hondert gelicke daelder als vorseid.

Orkond mijenen naem hier onder gestalt opten 29en augustij XVc LXXIII.

Zomma 100 daelder.

Henryck Bentynckss.

Henrick Bentinck, drost van Over Veluwe, verklaart ontvangen te hebben 100 daalders ten behoeve van de soldaten in de stad Elburg.

2 September 1573.

Opten 4den dach septembris XVc LXXIII hebbe ick Henrick Ben­tinck drost vander Aver-Veluwe tot lenonge der knechten vander stadt vander Elburgh noch hondert enckele daelder tot dartich stuver Brabants tstuck gerekent ontfangen.

Orkonde mijnen naem hier onder gestalt ten daege voor­seid.

Zomma 100 dalder.

Henryck Bentynckss.

Henrick Bentinck, drost van Over Veluwe, verklaart ontvangen te hebben van de schepenen van der Elburg 600 daalders ten behoeve van de soldaten.

27 November 1573.

Ick Henrick Bentinck drost vanden Aver-Veluwe bekenne vermits desen tot (doorgehaald: dr) zes diversche tijden vanden sche­penen vander Elborgh tot lenonge der knechten alle­maell ont­fangen toe hebben die somme van hondert daelder tot 30 stu­ver Brabants tstuck makende zeshondert daeld­er tsaem dairvan op huiden den 27en novembris id leste be­taelt is.

Orkon­de mijnen naem hier onder gestalt ten dage voorseid.

Zomma van 600 daelder.

Henryck Bentynckss.

Henrick Bentinck, drost van Over Veluwe, verklaart ontvangen te hebben van de burgemeesters van Elburg, 200 daalders tot onderhoud van de soldaten in genoemde stad.

9 Januari 1574.

Noch bekenne ick Henrick Bentinck drost vurgenoemd vanden burgemeis­teren deser stadt Elburgh ontfangen toe hebben tot twee diversche tijden allemaell hondert daelder maeckende tsaem tweehondert daelder, end dat tot lenonge oder onder­hul­donge vanden soldaeten binnen deser stadt Elburgh liggende. Orkonde desen bij mij geteickent opten 9en dach januarij XVC LXXIIII.

Zomma 200 daelder.

Henryck Bentynckss.

Dorsaal:

Quitantze des droste Bentinghs tho lening der soldaten.

833 Memorie voor den burgemeester BARTHOLDT TOPH om namens de stad met den landrentmeester over het ruitergeld af te rekenen, 1577.
Memorie voor Bartoldt Toph burgemeester van Elburg, om namens deze stad de somma van 491 Karolusgulden en 12 stuiver ruitergeld af te rekenen met de landrentmeester of iemand die daartoe afgevaardigd is.

Transcriptie

23 december 1577.

Memorie vuerden burgermeister Bartoldt Toph om van wegen der stadt Elburgh mitten landtrentmeester ofte ymandts daertoe gedeputiert zinde vant ruytergelt af toe rekenen.

Item die portie ofte quota desselven rutergelts soe dye stadt Elburgh daertoe sal opbrengen beloept.

Daerop iss betaelt alss volght:

Inden iersten opten 12en februarij anno LXXVII heft den secretarius Jan van Lengell van wegen der stadt anden gedeputierden Joseph van Arnhem unde Johan Hackfort betaelt 200 libra.

Noch opten 18en julij betaelt Wilhem van Empz dat dye ruyteren hier hadden verteert und men andie ruyterpenningen korten solde hondert 2 dalders, facit 153 Karolusgulden.

Den 17en novembris betaelt an hopman Pater Noster daermit hem dye lantschap had vereert viftich dalders, fecit 75 Karolusgulden.

Noch den 16en novembris had den borgemeister Dibbolt Feyt tArnhem vrou Huegen betaelt dat die hopluyden dier hadden verteert an quitantie vanden borgemeister Kanis 17 dalders facit 25½ Karolusgulden.

Noch doen die twee vreemden knechten mit to: Carl van Gelder und Broeckhusen ter Elborch quamen heft dselve soldaeten uuit die schepen toe landen doin brengen, die schippers geschoncken 1 tonne biers kosten 4 gulden.

Item doin (doorgehaald:onleesbaar) dye tgene veendelen knechten an Wesoph und inde vrijheit van Hattem gelacht weren heft die stadt vanden Elborch dye oeck uuyth schepen doin vueren wederomme den schippers geschoncken 1 tonne biers van 4 gulden.

Item alsoe hopman Pater Noster weder afgedanckt worde, heft hye zijne soldaten in twee schepen weder doin afvaeren, doen zij ant landt quaemede iss (doorgehaald:hem) den soldaeten tosamen opt over gebracht, soe zij dorstich ind smachtich waeren, twee tonnen biers dye zij int opcommen hebben gedroncken. Doen idt vierendel van Pater Noster weder affoer iss hem twee tonnen biers mitgedaen, soe hye die knechten nyet wail toe schepe konde kriegen, beloept 16 gulden.

End betaelt voor die twee leege tonnen dye zij metnemen 1 dalder, facit 1½ gulden.

Item doen die twee veendelen soldaeten tot Weseph und daeromtrent bleven liggen, heft dye stadt tot begeren der lantschap 2 manss met een karre inden leeger gesant mit proviandi van bier, broet, keese und botter, dat zij weder brachten und nyet verkopen konden, daervuer betaelt dat vanden botter und keese was verouraet 1 tonne biers, 4 gulden. An keese und broet oeck botter, 5 gulden.

Dye voorlueden 3 rijdergulden, 3 gulden, 12 stuver.

Summa 491 Karolusgulden, 12 stuver.

Rest noch ant zelve ruytergelt desse betalonge afgetogen ses ende tnegentich Karolusgulden.

Item hebbe ick Ott Kanis onntfangen van de borgemeister vander Elborch Dibbelt Feyte acht ende tachtentich Carolusgulden ende acht stuver).

De 23ste decembris anno 77.

Ott Kanis.
Dorsaal:

Afrekeninge vant ruitergelt.

909 Kwitantie wegens een door de stad uit de generale middelen betaalde toelage aan de hopman Beernt Spaen.

Transcriptie

10 maart 1591.

Die vander stadt Elborch sullen in affcortinghe van haere loepende middelen betaelen aen hopman Bernardt Spaen die somma van tachtentich Carolusgulden van twintich stuivers tstuck, die welck haer eersaeme mits aeverbrengende desen zampt quitantie van gedachten Spaen aen die voirseide middelen, nementlick vande maenden januario, februario, martcio, aprilis, mayo ende junio naecomende goede betaelinghe verstrecken sullen.

Oircondt mijnnen naem hieronder gestelt den 10en martcij 1591 ....

Zomma 80 libra

H. Biermans

Dese ordinantie van tachtentich gulden in dorsso deses geschrevenen sall enen eersaemen magistraet der stadt Elborgh gelyeven tot betalen aen handen van Wilhem Hugens, burgemeyster in Arnhem, tselve sall mij goede betaelonge strecken.

Datum Arnhem den tienden martij stilo veteri anno 1591.

Bernhardt Spaenn, hopman.

10 Maart 1591.

Ick onderschrevene bekenne untfangen te hebben vanden eersame Jan Veech Jacopssoen de somma van tachtentich gulden ad 20 stuivers tstuck, ende datt van wegen een ordonnantie up de stadt Elborch up Beernt Spaen, dewelcke ordonnantie ende quittancie.

Daerbij belove mett den iersten te vorderen ende senden. Actum den 2en april 1591.

J.Tuellicken.
919 Lijst van aangeslagenen in het hoofdgeld, die een inkomen van 2000 gulden hebben.

Transcriptie

Circa 1600.

Lijsten der persoonen oit hooftgelt die gesustynert worden 2000 gulden in middelen.

Oosterquartier.

Gerrit de Vos cum uxore

Henrick Petersen cum uxore

Dirck toe Water cum uxore

Roelof van Willem solus

Juffer Steeck cum filia

Rein Petersen cum ux et patre

Aert Lucassen cum uxore

Gerryt Gerrytsen cum uxore

Albertjen Loefsen

Pette Everts

Gerrit Rijcksens weduwe

Cornelis Barckesen

Henrick Loeffsen brouwer cum uxore

Scholtis H. Bigge cum uxore

Noorderquartier.

(doorgehaald:Griete Feyyt)

Thomas Munther

Egbert van Coots juster

Jan Franckesen

Gerrit Coopsen (doorgehaald:cum uxore)

Jan Gerritsen cum uxore

Jan Bauckus weduwe

Aert Reyersen cum uxore

Beertjen Reints

Egbert Tonissen

De weduwe W. G. Reeffsens

(doorgehaald:onleesbaar)

Nota: Sch: Potgieter cum uxore

Aic. Lutteler cum uxore

Westerquartier.

(doorgehaald:onleesbaar)

Derck Henricksen cum uxore

Evert Topp

De weduwe á Loo

Lysabeth Geldorps

Jan Gerbertsen cum uxore

De weduwe Fheiths

Tonis Gerritsen

Jacob Boldt cum uxore

De weduwe Erckelerts en Eybertje Franckesen

(doorgehaald:onleesbaar)

Broeder Teylingers weduwe

Rijnvisch Fheith cum uxore

3 Dochteren van Verburgh

De weduwe W. Br. Aeltgen met 2 jufferen Heyeman

Broeder Gerrit Loeffsens weduwe

Hermen Cornelissen cum uxore

(doorgehaald:onleesbaar)

Reijer Geurtsen cum uxore

NB Jan Marcussen cum uxore

(doorgehaald:onleesbaar)

Suyderquartier.

Beert Heeck cum socore

Beerd Heyman cum uxore

Wijne Gerrits cum uxore

Albert Fheith cum uxore

Gerrit Camphuys ...

Jannickyt Riessen

Otto Jansen cum uxore

David Otten cum uxore

Bernt Dijck cum uxore

Jan Santbergen cum uxore

Pleck Cobius cum uxore

Jannickgen Martensen

Gerrit Nieuenhuys cum uxore

Mechteltjen Lamberts met haer schoonsoon en dochter

Vrijheyders.

Beert Stertger cum uxore

Henrick Topp

Lambert Topp

Dese alle aldus gestelt onder vaste præsumptie die ten waere iemant derselve avont met voer sich wilde der ....

Burgeren... solus.

Burgeren Bigge cum fratre et duabus socoribus

Broeder Wolfsen cum uxore

Broeder Lutteken cum uxore

Broeder toe Water senior cum uxore

Broeder toe Water junior cum uxore

Broeder Uilerbroeck cum uxore (doorgehaald:onleesbaar)

Heer Greve cum uxore

925 Extract uit de resolutiën der Staten-Generaal betreffende een aan de stad Elburg wegens een plaats gehad hebbenden brand toegekend subsidie, 1593.
Burgemeesters, schepenen en raad van Elburg vragen tweeduizend pond om de stad en de inwoners bij te staan na een grote brand. De Staten van Holland besluiten om een bedrag van duizend gulden te verstrekken, het resterende bedrag komt tot last van de provincie Gelderland.

Transcriptie

23 November 1593.

Extract uuyt ‘t register der resolutien van mijne heeren die Staten Generael der Vereenichde Nederlanden, martis 23en novembris 1593.

Ontfangen eenen brieff van burgermeisteren, schepen ende raedt der stadt Elborch gedatieert den 10en deses bijden welcken verhaeldt wordt den geschiedenisse van den brandt aldaer bij ongeluck gecoemen donderdage voerleden ten eynde d’ heeren Staten soude gelieven die groete alende van die stadt aen te sien, ende den hoechbedroeffden in desen bitteren standt genadelick

te helpen, is geresolveert ende tot behoeffde van den voerseide hoechbedroefde geaccordiert uuyt het extraordinaris consent te dragen bij die provincie van Gelderlandt voer het toecomende jaer virentnegentich die somma van twe duysent ponden van veertich groeten te repartieren bij die gecommiteerde uyte rekencamer van Gelderlandt gelick zij rechmatelick in goeder consientie sullen bevinden te behoeren.

Luna 6en decembris 1593.

Geresumeert die resolutie van den 23en novembris lestleeden genoemen op den brieff van burgermeisteren, schepen ende raedt der stadt Elborch ten selven dage ontfangen bij die

welcke tot behoeff van den hoechbedroeffde bynnen eer voerseide stede uuyt oersaecken van den voerleeden brandt geaccordiert ende toe gelicht is die somme van twe duisent guldens te betaelen uuyt het consent extraordinaris bij die provincie van Gelderlandt tedragen voer het toecomende jaer virentnegentich is bij die selve resolutie voer soe veelen die geaccordierde twe duysent guldens aengaet, gereparsisteert doch gehoert die redenen van die beswaernisse van die van Gelderlandt geconsenteert, dat die ene duysent van die voerseide twe duysent guldens aen die vander Elborch verstreck sullen worden bij die heeren Staten van Hollant, in mindringe van haere eersaeme consenten gedragen, offte noch dragen bliven die resterende duyent guldens tot last van de provincie van Gelderlandt.

Geaccordiert uyt voerschreven register.

Extract uit ‘t register der heeren Staten Generael.

De stadt Elburch wordt daerin toegestaen tweeduysent gulden voer de schaden van den brandt anno 1593.

Actum anno 1594.

1013 Bijlage bij de (verloren) rekening over 1569.
Arenth van Boltenn verklaart ontvangen te hebben van de raad van Elburg tien goud gulden wegens pacht, verschuldigd aan zijn zwager Peter Berniers.

Transcriptie

1 Augustus 1569.

Ick Arenth vann Boltenn bekenne untfanghenn to hebben anno neghen ende sestich denn erstenn augustij, vann denn arbarenn vorsichtighenn rath der stadt Elburch de pacht, nemtplich teynn golt gulden. So anno sestich aachte mijnn zwager her Petter Berniers Berniers up Jacobij als fann enre vicarie fann Campen jarlix be... ist. Ick Arenth vann Boltenn quitter hir meth der stadt Elburch als fann weghen mines zwagers vorgenoemd vann dat vorgenoemde jar gude betalinghe unnd belove denn Arenth der stat Elburch tho schaffenn ene quittancie fann mines zwagers egenn hanth vann dat vorgenoemde jar ... Arent Boltenn.

Dattem ut supra.

...
1015 Bijlagen bij de (verloren) rekening over 1576.
Stadhouder Gillis van Berlaymont, verklaart dat de stad Elburg ten behoeve van het krijgsvolk 2300 Carolusgulden heeft opgebracht.

Transcriptie

16 Juni 1576.

Gillis van Berlaymont frij endt bannerheere tot Hierges, stadthouder etc. certificeren bij desen dat bij de reeckeninge soe die erentfesten Henrick Bentinck, drost van Over-Veluwen, ons op huyden gedaen heefft bevonden is worden, dat die vander stadt vander Elborch tot leninge van Coninclijke Majeteits kryechsvolck opgebracht hebben vande 15en augusti 1573 totter 10en julij 1574 die somme van twee duysent drie hondert Karolusgulden van twintich stuvers stuck, daer van hij die quictancien vanden ghoenen die de verdeylongh onder t kreychsvolck gedaen hebben in onsen handen gelaten heefft.

Gedaen tUtrecht den 16en junij 1576.

Gillis van Berlaymont.

Dorsaal:

Quitantie des stadtholders Gellij van Barlamont.

Ott Kanis verklaart ontvangen te hebben van Jan Greve en Jan Craffssoon, raadsvrienden, het aandeel van de stad in de kosten der legatie naar Brussel.

21 Juli 1576.

Bekenne ick Ott Kanis vermitz dese tegenwordige quitancie unntfangen toe hebben vanden ersame Jan Greve ende Jan Craffsoon geschickte fruinden der ersame stat Elborch die somme van soevenendetwyntich Carolusgulden myn eyne stuver wesende oir quota ende porcie tot ter legacion op die (doorgehaald: bry) Bruysselsche reyse ingewillicht toe weten op ellicken Carolusgulden der grote schattonge eine stuver ende bedancke oir lieve ende ersamheyde der 11 Carolusgulden myn eine stuver goeder betalonge.

Oirkonnt mijn hant hyronder gesat geschreven ylenntz in Arnhem den ein ende twyntichste (doorgehaald:onleesbaar) dach julij anno ses ende tzoeventich.

Ott Kanis.
Dorsaal:

Quitanty vandie legatien penningen die anno 76.

Thomas Roest verklaart te hebben ontvangen van Wilhelm Bentinck, rentmeester op Veluwe, namens de heren van der Elburg, 24 daalders wegens twee jaren rente, door de stad verschuldigd.

6 December 1576.

Ick Thomas Roest doe kondt und bekenne mitz desse ontfangen te hebben vandie heeren vander Elborch, bij handen vanden erentfesten ind frome Wilhem Bentinck, rentmeester op Veluwen die somme van vyer ind twintich daelder, van dartich stuver gevalt den daelder, hercommende van twee jaeren renten die mij vandie vurseide stadt Elborch verschenen waeren op victoeris XVc vijff ind tsoeventich ende sess ind tsoeventich, jaerlix tweleff daelder. Unde bedancke den vurseide rentmeester van Veluwen van wegen der stadt Elborch hyer van goeder betaelingen.

Oerkondt mijn naem hyer ondergesath, actum den 6en decembris XVc sess ind tsoeventich.

Thomas Roest.
1016 Bijlagen bij de (verloren) rekening over 1577.
Joeseph van Arnhem en Johan Hackfoirt, gedeputeerden van ridderschap en steden van de Veluwe, verklaren ontvangen te hebben van de burgemeesters van Elburg 200 Karolusgulden, als het aandeel der stad in het Gelderse ruitergeld.

Transcriptie

12 Februari 1577.

Wij onderschreven als gedeputierde vander ritterschaph, hooft unde cleine steden deses quartiers van (doorgehaald:onleesbaar) Veluwen bekennen mits desse quitantij ontfangen toe hebben vanden burgemeisteren der stadt Elburgh dye somme van tweehondert Karolusgulden van twintich stuvers tstuick. Ende dat op rekeninge ende in betalonge vandie penningen daerop dselve stadt tot id Geldersche ruytergelt (bij banner­hee­ren, ritterschappen und steden ingewillicht) gesat.. van welcke vorseide 200 gulden wij dselve stadt Elburgh gelae­ven twillen quiten und her betalonge verstrec­ken zal, so et behoirt.

Sonder argelist orkonde desse quitanty bij onss onderschreven mit onsen naem onderteickent opten twalefften dach februarij XVc soeven ende tsoeventich.

Somma 200 Karolusgulden

Joeseph van Arnhem.

Johan Hackffoirt.

Dorsaal:

Quitanty vant ruytergelt van 200 Karolesgulden.

Noch verscheyden quitanty vandie reste des ruytergelts.

Wilhelm van Empz waard te Elburg, verklaart ontvangen te hebben van Johan van Lengell secretaris der stad, 153 Karolusgulden wegens vertering van de hopman Schinck en diens dienaren.

28 Juli 1577.

Ick Wilhelm van Empz weerdt inden Harderwijck bynnen deser stadt Elburgh bekenne mits desen dat mij den secretarius Johan van Lengell van wegen unser stadt uuitgericht und betaelt hefft dye somme van hondert drie ende viftich Karolusgulden van twyntich stuver Brabants tstuick. Welcke penningen onlancx hopmhan Schinck mit zijne dienders und negen peerden liggende onder dye angenhamen Geldersche ruyteren in mijnen huse verteert hefft bedanckende onser stadt vande vor­genoemde summe und verteronge gueden betalonge.

Orkonde desse quitanty met mijnen naem onderschreven opten 28en julij 77.

Wyllem van Emps.

Dorsaal.

Quitanty vanden verterongen der ruyteren van 153

Karolusgulden.

Ott Kanis verklaart ontvangen te hebben van Dybbelth Feyte 17 daalders wegens verteringen van hopman Broichuisen en Hegeman te korten aan de door de stad Elburg verschuldigde ruiterpenningen.

16 November 1577.

ss bij ritterschappen ende stedevrunden deses Arnhem­sche quartiers verordent dat die stadt Elburch uuytrichten sullen hopman Mathijs van Haerlem gut.. pr..und wijslich oordelen, daermede desen quartier mits datmen hem niet en bed­orffden (doorgehaald:onleesbaar) ver..erden, und sal die veurgenoemde stadt in affkortinghe doene statzquota die inbewillichter anderhalf hondertduysent Carolusgulden ruyterpenningen bethaelingen strecken.

Actum Arnhem den 16en novembris 1577.

G. Wetthen secretaris

Bekenne ick Ott Kanis vermitz des onntfangen toe hebbe van Dybbelth Feyte souventyn daler die sijn edele an Thonis Huigen betalet, hefft die den hopman Broichuisen unnde Hegeman zijnenn huis (doorgehaald:betalet h) vertert hefft unnde sall den ersamen van der Elburch an oiren ruyter­penning goide kortinge unnde betalong verstrecken.

Oirkonnt mijn hant actum de 17en novembris anno 77.

Ott Kanis.

Item noch onntfangen vanden burgemeester voirseid den 23 decembris anno 77 acht unde tachtentich Carolusgulden, acht stuver.

Ott Kanis.
1029 Bijlage bij eene stadsrekening na 1595.

Burgemeesters, schepenen en raad van Elburg verklaren verkocht te hebben aan Arent Heymanszoon een rente van 18 gulden 's jaars, gaande uit de stadsgoederen.

Transcriptie

22 Februari 1565.

Wij burgermeistere, schepen und raidt der statt Elburg doin kundt, lyden und bekennen mitz dessem vor uns und unsen nakomelingen dat wij bij consent unser gemeente, burgeren und inwoeners tho rechter jarlicker lossrenthen verkofft hebben und verkopen mitz dessem Arent Heymanszoon und sijnen erven, achthien gulden jarlicks twintich gude Brabandische stuver, offt ander guidt payment dat in tijtt der bethalung guidt dar vor is, vor den gulden welcke vurschreven achtien gulden wij und unse nakomelingen Arent Heymanszoon und sijnen erven alle jare sullen geven und well bethalen up petri ad cathedram offt vierthien dagen dairna unbegrepen sonder affkortinge van alle schattinge und ungelden als die heere desses landes offt iemantz van sijnent wegen tho eeniger tijtt op alsulcke offt dergelijcken jarlicke pension mochte setten sie weren dan gebrucklick offt ungebruikelick. Und so wij desse penningen die wij vor desse achthien gulden jarrenthen an baren gelde und an eener summen entfangen in mitt profijtt und orbar unser statt vurseid gekeert und ge...t und dieselve tho vollensten genomen hebben tho die vier hundert enckele churfurster golden Rijnssegulden van gewichte darmit wij alsodane vier und twintich derselver golden gulden jarlicks affgelosset hebben als Wilhem Poytoor biss her tho van unser statt gehadt hefft.

So setten wij vur uns und unsen nakomelingen Arent Heymanszoon und sijnen erven tho underpande all unser vurseide stattguderen und erffnissen, husen, weerden, weyden, meenten wijn und bier acxizen die unse statt vurseid nu hefft offt noch namals bekommen mach, an welcke vurseide underpanden Arent Heymanssoon vurseid und syne erven (off die bethaling alle jare up dach und termijn vurseid offt vierthien dagen dairna unbegrepen niet en geschiede) sullen moegen penden offt doin penden mit eenen dachlickse richter offt pender und mit dem pande voirt varen als off sie vor herenrenthen und binnenjarige pacht gependet waren und mit allen rechten verwonnen und uitgesleten. Und so .annigen dach als die achthien gulden jarlicker renthe vurseid na unser rechtlicke vordrung Arents vurschreven unbethalet blifft also vake und ..nnichen all sullen wij Arent Heymanszoon und sijnen erven geven und verfallen sijn eenen guden Brabandischen stuver und sullen einn darbeneven noch uitrichten allen hinder, kosten, schaden und interesse so bij versuim der bethalung gedain und geleden mochten werden (welcke hinder kosten, schaden und interesse vurseid Arent Heymanszoon und sijne erven bij den selffst mit oiren simpelen woirden sonder dat und buiten gerichte sullen mogen taxeren. Und wij sullen als dan gemelte peengelt, hinder und schaden so well als die renthe tho bethalen schuldich wesen.

Und Arent Heymanszoon vurseid und sijne erven sullen gemelte achtien gulden jarlicker renthen noch wider moegen verhalen an uns, unsen burgeren und inwoeners und an unse und oire ware und komanschap eer offt in wat platzen Arent Heymanszoon vurseid und sijne erven die bekoemen moegen ydt sij vor heren gerichten landt offt stadt gerichten dieselve tho arrestieren und tho .eve. daran ... penden und voirt darup tho prosequieren .r ydt oir believen und na rechte behoren werdt, obligierende hier in mitz dessem vor uns und unsen nakomelingen uns selffst unsen burgeren und inwoeners und unse guidt und oire guidt in genere und spetie in toto et parte also dat ein ieder van unss, unsen burgeren und inwoeners vor die gantze summe frais und niemant mit sijn andeel offt quote vrij sall wesen mitz renuncierte alle exceptien und uitfluchten der geestliken und werltlicken rechtens die gesunden sint offt noch bedacht moegen werden in aller vrijheiden, jarmerckten, vrijmerckten, recht, dienstrecht und privilegien die wij nu hebben offt noch in folgenden tyden van unsen landes heren offt yemantz ander.verreeven moegen und nalassen sall dat geestlicke recht dem werltlicken und dat werltlick recht dem geestlicken niet hinderlick wesen offt prejudicieren ..d off mit krijch und orloch desse vurseide bethaling een jar twee offt mehr niet voirt en gange sullen wij nochtantz thendens van dien gelijck well den affterstandt so well als ydt binne... bethalen mit all den interesse und schaden so dair up gelopen mochten wesen. Dit alles wo vurseid stede und und vast tho holden und in guiden trouwen tho affterfolgen verbinden wij uns unse burgeren und inwoeners und unse lijff und guidt und unser burgeren und inwoeners lijve und guidt beheltlick ... desse vurseide achthien gulden jarlicker renthen alle jare up dach und termijn vurseid offt vierthien dagen darna unbegrepen sullen mogen afflossen mit drie hundert gulden payments vurseid altidt mit die voller verschreven afftestediger und unbethaleder renthen. Sonder arg und list orkunde der warheit hebben wij burgermeistere schepen und rait der statt Elburg vurseid unse stattsiegell vor uns und unsen nakomelingen an dessen brieff gehangen.

Gegeven up petri ad cathedram na unses heren Jesu Christi geboerte im vijffthien hundersten und vijff und sestichsten jar.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1029 zijn getranscribeerd.

1174 Lijst dergenen, die jaarlijks losrenten heffen van de stad Elburg, met het bedrag dier renten, opgemaakt door den secretaris WOLTER PETERSZ, (c. 1565).
Lijst met namen degene die jaarlijks losrenten heffen van de stad Elburg, met het bedrag der renten, opgemaakt door de secretaris Wolter Petersen.

Transcriptie


Ca. 1565.

Rolle inholdende die namen unde tonamen dergener die jaerlicxe lossrenthen heffen und lichten op die stadt Elburch und hoevoel die renthen sijn.

Die pastorie der stadt Elburch sess ridergulden tstuck ad 24 stuver Brabants.

Item twee Philips gulden ad 25 stuver Brabants tstuck.

Die priester die den godsdienst van Vaelhekt gestifftet in die parochykercke der stadt vurseid bewaret, twee golden gulden tstuck ad 28 stuver Brabants.

Die priester die den godsdienst van salige Hille Maess gestifftet in die kercke vurseid bewaret, vifftenhalven golden gulden ad 28 stuver Brabants tstuck.

Dieser lieve vromen gilde binnen der stadt vurseid sess ridergulden tstuck ad 24 stuver Brabants.

Sant Agnetenconvent binnen der stadt vurseid 49 stuver Brabants.

Die arme melaten binnen der stadt Elburch vurseid drie golden Rijnsch gulden.

Die kercke to Oisterwolde vifftenhalven golden gulden tstuck ad 28 stuver Brabants.

Sant Agnetenconvent binnen Campen derthiendenhalven golden gulden ad 28 stuver Brabants tstuck.

Den godsdienst van Ave Sijbrants in onser liver vromen kercke binnen Campen gestifftet viffthien golden gulden ad 28 stuver Brabants tstuck.

Item gifft die stadt Elburch Coninclijke Majesteit des jaers vierdenhalff olt groet to tijnse.

Den dienst sant Hironimi binnen die kercke vurseid vifft golden gulden tstuck ad 28 stuver Brabants.

Aelt Heymansen ses ridergulden ad 24 stuver Brabants tstuck.

Beertgen Lamberts drie ridergulden tstuck ad 24 stuver Brabants.

Janneken Vrancken sesstich gulden ad 24 stuver Brabants tstuck.

Marie van Bomel twyntich Philips gulden ad 25 stuver Brabants tstuck.

Aernt Heymansen achthien Carolusgulden tstuck 20 stuver Brabants.

Johan Egbertsen achtenhalven golden gulden tstuck tot 28 stuver Brabants.

Die erffgenamen van salige Meister Arent to Bocop vijff enckele Gelderschen ridergulden off derselver gerechte weerde.

Antonis van Doornick acht golden gulden ad 24 stuver Brabants tstuck.

Wilhem Verloyven erffgenamen anderhalven ridergulden.

Die erffgenamen van Antonio Goltsmit twaleff daler ad 30 stuver Brabans tstuck.

Docter Frederick van Boyemer twaleff Carolusgulden ad 20 stuver Brabans tstuck.

Geextrahiert uith den rekenboucken und registeren der stadt Elburch bij mij Wolter Petersen secretaris der selver stadt.

1185 Schuldbekentenis, door den magistraat afgegeven aan FREDERICK VAN BOEYMEER wegens aan hem verschuldigde gelden, 1567. Met eene volmacht, door GEERTRUYT BACLER, weduwe van Mr. FREDERICK VAN BOYMEER, te 's Gravenhage, verleend aan JORIS VAN BUCHOLT te Harderwijk om van de stad Elburg rente over 10 1/2 jaar te vorderen, 1591.
Burgemeesters, schepenen en raad erkennen schuldig te zijn aan Frederick van Boyemer 200 Karolusgulden, waarvoor zij hem een rente van 12 Karolusgulden per jaar zullen betalen, gaande uit de stadsweerden.

Transcriptie

10 Maart 1576.

Wij burgemeisteren, schepenen ende rhaedt der stadt Elburch in naem ende van wegen der selver stadt doin kondt ende bekennen mits desen zu wij den weledele heere Meister Frederick van Boyemer rhaedt etc. ter oirsaicke van verscheiden diensten, rheisen vacatien ende oick verschoten costen opgemelte stadt Elburch tot unsen ernstiger versouck gedaen und dat tot onses stats hoichnodich behouff schuldich sijn worden zeeckere merckelicke summe van penningen daervan wij den selven in gelde ende andere assegnate betailt hebben soe veele dat die resterende summe suyver gebleven twee hondert Karolusguldens ad twintich stuver gevaluert den gulden gerekent hebben wij burgemeisteren schepenen ende rhaedt der stadt Elburch vurseid den voirnoemde Van Boyemer voor die resterende summe gerestituert ende restitueren mits desen een jairlixe renthe van twaleff Karolusguldens ten prise als baven belovende den duckgemelte Van Boyemer, zijnder huysvrouwe oeren beide erven ende naecomelingen offt sonder van desen met oiren wille die voirschreven jairlixe rente van twaliff Karolusguldens van prise als baven alle jaere tho voldoen ende betalen binnen der stadt Arnhem in oeren vrijen zeeckere behalt wij dach ende dan in desen veerthien dage voir off na onbegrepen, ende daer voeren tot eenen expresse ende speciale hypoteque offt onderpandt gestalt ende stellen mits desen onser stadts havene ende weerden omtrent onser stadt voirschreven gelegen ende voirts generalicken verbindende ende verobligeren bij gebreck van quader betalinge alle stadts rhenten guederen in ende op komen niet daer van uitgesondert omme met enen dagelixen peynder voir die hoifftsumma ende achterstadige renthe vandien daer aen te moege peynden ende met den panden voirt tho varen als voer binnenjaersche pacht ende herenrente ende of deselve met allen rechten uythgesleten ende verwonnen waeren. Ende off d voorschreven Van Boyemer zijnre huisfrouwe, oere erven tot enigen tiden wider ende beter vestenisse begerden, sullen wij schuldich zijn des versochte zijnde tot allen tijden dselven vestenisse nae stadt ende landtrecht tho doin. Welverstainde dat wij burgemeisteren, schepen ende raedt der stadt voirschreven d voerschreven renthe sullen moegen lossen ende quyten met de verseide summe van tweehondert Karolusguldens then prijse als boven mitz een halff jaer tho voerens die losse schriftlick denunchierende ende verkundigende.

In oerkonde der waerheit hebben wij burgemeisteren schepen ende rhaidt der stadt Elburch an desen unser stadt uithangende zegel daer hangen und unsen secretaris beseglen desen tschreven und onderteickenen.

Gegeven ter Elburch den thienden martij int jaere ons Heren XVc soeven und sestich.

... Wolterus Peters secretarius Elburgensis ... consulum et senatorum Elburgensis parsentes scripsi et subscripsi manu proprit.

Volmacht door Geertruyt Bacler weduwe van Mr. Frederick van Boyemer te ‘sGravenhage, verleend aan Joris van Bucholt te Harderwijk, om over 10½ jaar rente van Elburg te vorderen.

22 Februari 1591.

Wij burgemeesteren ende schepenen in sGravenhage ourconden aeneen yegelicken dat voor ons gecomen ende gecompareert es joncfrouwe Geertruyt Baclir wedue wijlen Meester Fredrick Boymer, in sijn leven raet inden Hove van Hollandt, soo voort haer zelven als moeder ende voochdesse van hare kinderen bijden voorsei­de Meester Frederick geprocreert. Ende constitueerde ende in aecte machtich mits desen joncheer Joris van Bucholt wonen­de tot Harderwijc omme vuer ende uuyt den name haer constituante te manen, eyssen op bevel ende ontfangen thien jaren ende een halff verlopen renten tot twaelff gulden sjaers, die sij constituante sprekende heeft opte stadt vander Ehlburch, mits dat hij geconstitueerde deselve stadt sal laten affslach strecken drie jaren ende een halff quytseldinge. Quitantie van zijnen ontfanck te geven ... ende quitsceldinge daervan te dhoen. Ende des noot zijnen daeromme rechts te spreken ende plegen, soo wel in eyssen als verweren voor alsulcken rechten te staen node zal mogen zijn, Ende voorts alles te doen ende te hanteren wes zij consti­tante allomme present ende voor egen zijn doen ende hanteren zoude mogen o... van machten ende waerden tehouden, alle tgunt bijden voorseide Bucholt ofte sijne gesubstitueerdens in tgunt voorseid es gedaen, gehandelt ende gebesongeert zal mogen te werden.

Onder alle verbanden van rechts weges daer toe storende ende behorende des ten oerconde tgemeen zegel ten zaecken van sGravenhage voornoemt hieronder op gedaen druc­ken upten 22en februarij anno XVc een ende tnegentich.

Meester... 1591.

Dorsaal:

De weduwe van den raetheer Frederick van Boimer vordert de beloofde penningen 1591.

1186 Acte, waarbij de magistraat van Elburg aan Mr. FREDERICK VAN BOEYMEER eene toelage van een half vat boter voor den tijd van drie jaren toekent, 1567. Met een minuut, en een afschrift eener oudere acte.

Transcriptie

Copie
13 April 1576.

Wij burgemeisteren, scepenen und rhaedt der stadt Elborch doen kondt ende certificeren mits desen soe Meister Frederick van Boeymer, rhaedt etc. sich tegens uns ende unser stadt stedes dienstwillich heeft laeten vinden ende noch unlancx der selven stadt grooten dienst met verscheyden reysen ende vacatien gedaen. Daer voire wij ( woe billicx) zijne weledele verzeckerheyt gedaen ende zoe daen opgemelte Van Boeymer opgemelte stadt in allen aenvallende billicke saec­ken voir te staen, toe defenderen ende met zijn rhaedt toe assisteren (edoch tot des stadts costen ende ge­beurlijcke vacatien voir­den tijt van dre (doorgehaald: ses) jaeren gepre­sentert, hebben wij burgemeisteren, scepenen ende rhaeden verscreven, gecon­sy­de­reert ende overgemerckt unser stadts gele­genthe­yt, den voirnoemde Van Boeymer toegesecht eenre jaerlixe cleynen pensioen van een halff vath goe­den rhoeden booter tot Arnhem aen zijne weledele be­huysongh te leveren, alle jaeren inde maent van meij oft daer­om­trent ende zal daervan het eerste jaer verschenen zijn, nu in maijo toecomende ende zoe voirts van jaere tot jaere, de verseide dree (doorgehaald: ses) jaeren gedurende ende langer nyet. Ten were dat wij naer ommeganck der dre (doorgehaald:ses) jaeren anders met den anderen accor­derden ende oft gebeurde dat opgemelte Van Boeymer bynnen de verseide ses jaeren storven (dat Godt versye) zal die pensioen mede doot zijn. Welverstaende dat die pensioen vanden jare daerinne zijne weledele geraken mocht te ster­ven, aen handen der wedue oft zijnen erven betaelt zal wor­den, daer vur dan veel oft luttel tijts vanden verseide jaere ummegecomen.

In oirkont der waerheyt zoe wij dit nae te gaen gemeynt hebben hieronder opt spatium deses, unser stadtzecreetzegel gedruckt.

Actum bynnen der Elborch den 13en aprilis anno XVc seven ende tsestich.

Dorsaal:

Desen gelicke copien hefft edele Frederick van Boyemer.

Burgemeesters, schepenen en raad beloven aan Mr. Frederick van Boyemer wegens aan de stad bewezen diensten, een jaarlijkse toelage van een half vat goede rode boter gedurende drie jaren.

13 April 1567.

Wij burgemeisteren, schepenen und raidt der stadt Elburch doin kondt ende certificeren mits desen, soe Meister Frederick van Boyemer rhaidt etc. sich jegens ons ende onser stadt stedes dienstwillich laten vunden hefft, ende noch onlancx der selver stadt groten dienst met verscheyen reisen ende vaca­tien gedain, dair waeren wij (woe billicx) zijne weledele versekerheit gedaen ende so dan opgemelte Van Boyemer opge­melte stadt in allen aenvallende billicke saicken voirtstaen ende defenderen ende meth sijn rhaedt tho assis­teren (edoch tot des stats kosten ende gebeurlicke vacatien) voirden tijt van dreen jaeren gepresentert, hebben wij burgemeisteren, schepen ende rhaedt voirseid geconsidereert und angemerckt onser stadtz gelegentheit, den voirseide Van Boyemer to gesacht ene jairlixe cleyne pension van een halff vath gueden rhoden botter tot Arnhem an sijn weledele behuisongh tho leveren inden maent van meij off daer omtrent, ende sal dair­van het eerste jaer verschenen sijn nu in maio thokomende ende soe voirts van jaere tot jare, die voirseide dree jaren gedue­rende ende langer niet.

Then were dan dat wij na ommeganck der dreen jaren voirschreven anders met sijn weledele accorder­den ende offt gebeurde dat obgemelte Van Boyemer binnen de vurseide dree jaren storve (dat Gott voersye) sal die pensioen voirschreven mede doit sijn.

Wel­verstaende, dat die pensioen vanden jaere daerinne sijne weledele geraken mochte tsterven, aen handen der weduwen off zijnder erven betailt sal worden, daer weer dan veel offt luttel tidts vanden vurschreven jaer ommegekomen.

In oerkondt der waerheit, soe wij dit voirschreven alsoe nae tho gaen gantzlic gemeint sijn, hebben wij hieronder opt spatium van desen onser stadtsecreethzegel doen drucken.

Actum bynnen der Elburch den 13en aprilis anno XVc seven und tsestich.

Die pensioen vanden halve vath boters in desen gevoert is bij een eersaeme rhaet der stadt Elborch gecontinueert ende beloofft te betaelen noch drie jaeren nae dato van desen, teic­kende mijn secretary handt hyer onder gestelt opten 3en junij, anno twe ende tseventich.

Dorsaal:

Obligate aen Frederick van Boymer van de stadt Elburch.

Pensioen vander stadt Elborch dreen ... boeter bomer anlangende.

...porter bumer of boeter buvier.

Burgemeesteren, schepenen en raad der stad Elburg beloven Mr. Frederick van Boeyemer wegens zijn verdiensten jegens de stad , gedurende zes jaren een half vat goede rode boter te zullen leveren.

1 Januari 1567.

Wij burgemeistern, scepenen ende rhaeden der stadt Elborch doen kondt ende certificeren mits desen alzoe Meister Frederick van Boeymer rhaedt etc. der voirseide stadt, zeeckere merckelicke ende groete diensten gedaen ende van ons in naem en van wegen opgemelter stadt noch alles goets tot zijne weledele versyen.

Op dat dan zijne weledele alsulcke diensten zoude willen continueren, hebben wij den voirseide Van Boeymer toegesacht ende beloeft toeseggen ende beloven, mits desen alle jaeren inde meymaent toe leveren en halff vath goede roeden boter ende dat ses jaeren naeden anderen gedurende, ten weer saeck dat naer ummeganck der voirscreven ses jaeren wij met zijne weledele anders accordeerden und heeft voirseide Van Boeymer ons wederom belooft der stadt Elborch nyet tegens dan in alles mede te dienen, edoch op des stadts costen ende gebeurlicke vacatien te weten sdaeghs twe Carolusguldens voir zijne vacatien.

In oorkonde der waerheyt hebben wij burgemeistern, scepenen und rhaeden voirscreven desen met des stadtssecreet hier onder gedruckt bevesticht.

Actum den 1en januarij anno XVc seven ende tsestich.

Dorsaal:

Bomer van der botther.

1187 Acte, waarbij de magistraat van Elburg erkent schuldig te zijn aan DIRK BAEK 100 enkele daalders, 1568 (minuut).
kte waarbij de magistraat van Elburg erkent schuldig te zijn aan Dirrick Baeck 100 enkele daalders.

Transcriptie

A
3 Maart 1568.

Wij Cracht Wolters und Johan Greve burgermeisteren binnen der stadt Elburch, Arent Heimanszoen, Henrick Reeffs, Lubbert van Loue, Dibbolt Feit, Johan tho Bocop, Warner Jacobsoen, Gherrit Loiffsoen und Bartoldt Top, schepenen binnen der stadt Elburch vurseid liden und bekennen mitz desen dat wij tot unser statt behoiff van unsen mede raidtvrunt Dirrick Baeck up dato van desen untfangen hebben hondert enckel daler den daler tot die weerde van dertich gude gevaluerte stuver Brabants gerekent woirvoir wij een nu (doorgehaald:onleesbaar) verstaenen ... ad weder (doorgehaald:geven) betalen sullen hondert und thien enckel daler payments vurseid mit den bescheide dat wij een van die voirseide summe op betaeldach vurseid korten (doorgehaald:summe) sullen die summe hie martini inden winter eerstcomende, van die naweide van der haven schuldich sal sijn und bij gebreck van betalinge vurseid soe beloven wij burger­meisteren und schepen vurseid van wegen der statt vurseid, voir allen handen und schaden geleden und gedaen intostaen und Dirrick Baeck vurseid kostelooss und schadelooss to holden.

Sonder arch und list (doorgehaald:des to) ourconde (doorge­haald:hebben wij burgermeisteren und schepen voirseid ende dit mit eigener hant onderteicket) unser statssecreethsegel hieronder gedruckt am 3en martij anno XVc LXVIII.

Dorsaal:

Minute van een obligatie der stadt Elburch aen Dirck Baeck; anno 1568.

1188 Acten betreffende door de stad geleende gelden ten behoeve van onderhoud van soldaten enz., 1573-1574 (minuut).
Burgemeesters, schepenen en raad verklaren te hebben geleend van Egbert Jansen met zijn kinderen, Henric Egbertsen met zijn vrouw Jenneke en Evert Jansen met zijn kinderen 200 enkele daalders, welke zijn aangewend voor het onderhoud van soldaten.

Transcriptie


15 ... 1573.

Wij burgemeisteren, schepenen und raedt der stadt Elburgh doin kondt allen lueden und bekennen mit desen apenen brieve voer onss end onsen nakomelingen dat wij mit voorberaet onse gemene burgeren an gereden gelde ontfangen hebben van Egbert Jansen mit sin kinder die eene helffte und van Evert Jansen mit sin kinderen mit Henric Egbertsen und Jenneken sin huisfrouwe (doorgehaald:tsamen) die ander helffte tosamen dye somme van tweehondert enckel dalder van 30 stuver Brabants stuck, dselve penningen wij tot behoef onser stadt daermede Coninclijke Majesteits soldaeten in brandt ende anders onderholden zin) uuitgegeven hebben. (doorgehaald:alsoe dat onse stadt alle dage soe langer hoe meerder in grootelijck ten achteren kompt.)

Voor welcke vorseide 200 daelder wij dvorseidepersoenen in pantschap ende int gebruick gedaen hebben dye helffte van eenen werdt onser stadt tobehorende, gelegen opder zee ande noirtzijdt vande Goirsluis daer van die weder helffte Egbert Jansen vorseid und Jan Gerrits eertijts van ons in pantschap genamen und noch hebben. (doorgehaald:voorder belaeven wij burgemeisteren, schepenen und raedt vorseid dat wij dvorseide Egbert Jansen und sine kinder vorseid die eene helffte und Evert Jansen oeck mit sin kindereen mit Henric Egbertsen und Jenneken sin huisfrouwe die andere helffte vanden voorgenoemde halven weerdt) van stonden an commer vrij (doorgehaald: willen welcken vorseide halven weerdt zij zullen anvangen levend dselve zij den tijt) tot oeren schoensten und meesten profijt mit hoeyen und weyden nabuerlijck (doorgehaald: moegen anvangen und) voorde rente van desse vorseide 200 daelder pantsge­wijse (doorgehaald:onleesbaar sullen ) gebruicken denselven halven weerdt wij hem belaeven twillen vrijen, wacht ende waeren oeck allen voorcommer daer van afdoin gelijck dat pant­schapsrecht iss. Eedoch altijt voorbehalden dat wij borgemeisteren, schepenen und raedt vorseid off onsen nakomelingen van wegen onser stadt nhae ombganck van 8 jaeren desen halven weerdt an onss mogen vrijen ende quitkoepen mit gelijcke 200 daelder van 30 stuver Brabants tstuck payments vorseid mits dselve losse eene vanden voorseidepersonen een vierdel jaers tbevorens op toe segge daermede desse ( doorgehaald:onleesbaar) pantschap alsdan doot und toe niete zal weesen ende blijven.

Allet vorseide sonder argelist. In orkonde der waerheit soe hebben wij onser stadtsegell onder an desser apenen brief doin und hieten hangen.

Gegeven inden jaer onss sHeeren duisent viffhondert drie und tsoeventich opten 15en dagh des maendts.

Burgemeesters, schepenen en raad verklaren te hebben geleend van Wilhelm Bentinck, rentmeester op Veluwe en zijn vrouw Hendrika van der Anxstell 300 daalders, welke zijn aangewend voor onderhoud van de soldaten en voor herstel van de Goorpoort.

1574.

Wij burgemeisteren, schepenen ende raedt der stadt Elburgh doin kont allen lueden ende bekennen mit desen apenen brieve voor onss und onsen nakomelingen, dat wij mit consent volbart onser gemeenten, gemene burgeren ende inwoeneren tot onsen versueck guetlicken ontfangen hebben vanden erentfeste und frommen voorsichtigen Wilhelm Bentinck, Coninclijke Majesteits rentmeister op Veluwen und joffer Henrika vander Anxstell sin lieve huisfrouwe die somma van driehondert enckel daelder tot dartich stuver Brabants gevalueert elcken derselver daelder gerekent, dye wij thot nutt, orber und profijt onser stadt angelacht und gekeert hebben. Want onser stadt in korten jaeren vermits krich, und orloch groete penningen hebben uuitgegeven, vermits die onder­haldonge van Zine Majesteits soldaeten binnen onser stadt liggende, wije van gelijcken dat rondeell vandie Goerpoerte id welcke eensdeels inden gront storte mit groeten kosten weder opgemaeckt, baeven alle die zwaere lenongen, schattongen und roeybaersen gelt wij hebben mueten opbrengen und betalen und noch dachelicx betaelen mueten, daer durch onse stadt zeer ten achter gekamen und verloepen iss worden etc. voor welcke driehondert daelder wij burgemeisteren, schepenen ende raedt der stadt Elburgh vorseid hebben gedachter rentmeister Bentinck zaemdt sin lieve husfrouwe und oeren erven in gebruick ende pandtschap gedaen eene van onser stadt weerden liggende op de zee westwert, oestwert tegens den olden kerckhoff und die hoeven ande noirtzijdt vanden zelven olden kerckhoff, zuytwert den werdt, recht tegen den olden kerckhoff die Rent Marckersen in pantschap heeft noirtwert den weerdt beneffens den Mollenberch bij Wilhelm Cornelisen gepacht den thijt van zes jaeren steede ende vastet dselve anstont toe moegen anvangen, thot oeren schoen­sten ende walgevallen uut oerber ende meesten profijt toe hoeyen offte toe weyden moegen genieten und gebruicken sonder ymants bekroen offte wederseggen.

Voorbehalden altijt dat nhae ombganck der vorseide zes jaeren wij burgemeisteren, schepenen und raedt offte naecommelingen alsdan op sinte Petersdach ad catedram alsmen schriven sal anno domini duisent viffhondert tachtentich. offte daernhae tot onsen walgevallen op alle sinte Petersdach edoch bynnnen 14 daegen (doorgehaald:dae) voor ofte nhae onbehaelt desen voorseide weerdt wederom vrijen, lossen und quitkoep moegen mit gelijcke 300 daelder payements vorseid mits losse een vierdendeel jaers tbevorens op toe seggen.

Allet vorseide sonder argelist, orkond der waerheit hebben wij burgemeisteren, schepenen und raedt der stadt Elburgh vorseid (doorgehaald:van) onser stadtsegel mit unser rechter wetentheit an desen apenen brief gehangen. Gegeven inden jaer onss sHeeren duisent viffhondert vier ende tsoeventich opten.

1189 Acten betreffende door den magistraat van JOHAN EGBERTSZ. en zijne vrouw EVERTJE geleende gelden, 1575-1576 (minuut en afschrift).
Burgemeesters, schepenen en raad erkennen schuldig te zijn aan Johan Egbertsen en Evertyen zijn vrouw een rente van zes daalders 's jaars, gaande uit een stadsweerd liggende aan de zee.

Transcriptie

26 September 1575.

Wij burgemeistern, schepenen und raedt der stadt Elburgh doin kont allen lueden ende bekennen mits desen apenen brieven voor ons end onsen nakomelingen, dat wij mit consent und beraedt onser gemeenten gemene borgeren end inwoneren schuldich zin gerechter jaer renten Johan Egbertse­n, Evertyen zin echte huisfrouwe end bij gebreck oerer oeren erffgenamen zes ende daelders van 30 stuver Brabants voor elcken dalder tbetalen op dach Michaelis archangeli uuyt onser stadt weert liggende in onser stadt Vrijheit westwert opdie zee ostwert anden Gemenenwech zuuytwert op eenen afgepaelden weert nhae anden voirt noirtwert liggende anden anderen werdt op geenssijdt vandie Nijsstadt. Daervan op dach Michaeli vorseid etc. is dat eerste jaer rente verschenen zal zijn. End iss widers bevorweerdt dat Johan Egbertsen und sin huisfrouwe tselve eerste jaer renten sullen ontfangen vandie pachters die denselven weerdt noch van onss id anstaende jaer allene in huir hebben die tselve an onsen betalonge zal verstrecken. End nhae expira­tie vandien zin wij mitten selven Johan Egbertsen und sin huisfrouwe verdraegen dat zij densel­ven weerdt van onss jaerlicx in pachte sullen hebben voor .. Philips gulden van 25 stuver Brabants tsuck, welcke pachtonge zal gedueren soe lange wij hem off oeren erven desse vorseide rente, wanneer id onss welgevallet eens op sinte Michaelis­dach ofte bijnnen 14 daegen daernae onbehaelt mit eenhondert gelicke dalder sullen afgelost hebben alsdan sal desser pachtonge und renthe wederom door ende toe nieten weesen und blijven end is mede in desen bevorwert.

Dwijle zij echteluyde vorseid noch een rente van onser stadt hebben van 7½ pacht gulden die zij eertijts van zalige Warinckhoff und zin huisfrouwe moegen verkregen heb­ben, heercommende vande Van Hueckell dat zij dselve an desse vorseide pachtpenningen jaerlicx mede moegen korten soe lange desse pachtonge gedueret und nae expiratie van dien moegen zij dselve 7½ pacht gulden vorderen soe zij wes hertoe gedaen hebben, end die averrensche jaerlicxe pachtpenningen sullen zij gehalden zin alsdan jaerlicx op Martini inden wynter. Edoch bynnen 14 dagen daernhae onbehaelten bynnen deser stadt an handen onser stadt rentmeistern vrij, costeloes end schadeloes tleveren belaevende (soe nodich) denselven echteluyde hier van voorder vestenisse tdoin, daermede zij end oeren erven sullen verwaert zin ende blijven.

Sonder argelist in orkonde der waerheit soe hebben wij borgemeistern, schepenen und raedt vorseid onser stadtsegel mit onsen wil ende weten an dessen apenen brief doin hangen.

Gegeven inden jaer onss sHeeren dusent Vc LXXV opten 26en dach septembris uuythangende mit een groet groenen wassen zegel.

N.B. Niet alle stukken van inventarisnummer 1189 zijn getranscribeerd.

1190 Acte, waarbij de magistraat verklaart ontvangen te hebben van de kinderen van wijlen GERRIT HEECK 600 philipsguldens, 1577 (minuut).
Burgemeesters, schepenen en raad verklaren ontvangen te hebben van Derrick Heeck en Weyme Heeckx, kinderen van wijlen Gerrit Heeck 600 Philips gulden, waarvoor zij jaarlijks 36 Philips gulden rente zullen betalen, gaande uit een stadsweerd gelegen aan de weg naar Doornspijk.

Transcriptie

31 Januari 1577.

Copie

Wij burgemeesteren, schepenen und raedt der stadt Elburch doin kondt alle lueden und bekennen mits desen apenen brieve voir onss ende onsen nakomelingen, dat wij mit voirweten ende consent (doorgehaald: und) unse gemeenen gemene borgeren und inwoneren guetlicken in (doorgehaald:gel) gerede (doorgehaald:geld) gelde opgebuert und ontfangen hebben (doorgehaald:op huyden datem deses) van zalige Gerrit Heeckx, achtergelaeten tween kinderen genandt Derrick Heeck und sin suster Weyme Heeckx tocommende yder dhelffte tosamen dye summa van seshondert Philips gulden`van viff ende twyntich stuver Brabants tstuck payments soe id nhae dye faluatye inden forstendomb van Gelre als oeck bynnen onsser stadt onlancx afgeropen und gepubliceert geldende iss (doorgehaald:desel) deselve penningen hebben wij tot profijt onser stadt angelacht und daermit oeck afgelost eenen onser stadtsweerden wij verleden jaeren vermits krich und oorloch in nooth verpandt hadden, voir welck summa van penningen wij in craft deses sbriefz voor (doorgehaald: vur) unss und unsen nakomelingen van gerechter jaerren en verkoft hebben und schuldich zin dvoorgenoemde Derrick Heeck und Weyme Heeckx und oer beijden erven ofte holden deses briefz met oer ofte oeren erven willen die su­mma van sess ende dartig (doorgehaald:stuver Brabants) gelijcke Philips gulden (doorgehaald:van 25 stuver elcken derselver Philips gulden) ofte payme­nts in tijt der betalonge, daer voor guet wesende (doorgehaald:gerekent) daer van op Onser Lieve Vrouwendach toe lichtmissen inden eerstvolgenden jaer (doorgehaald:XVc) anno acht und tzoeventich (doorgehaald:verschenen). Edoch bynnen 14 dagen daer nhae onverhaelt id eerste jaer derselver renten verschenen sal zin und se voort jaerlicx ende alle jaer edoch op een wederlosse nhaebeschreven uuyt eene van onser stadtsweerden wesende der eersten weerdt aver den voirt (doorgehaald:bi) gelegen oestwert an eenen weech gaende vander Elborch nae Doernspijck, westwert opde Here vortwert den voirdt zuuytwert liggende an onse stadtsweerden.

Mit expresse conditie und vorweerden die ghenigen die den voorgenoemde weerdt van onse stadtrentmeesteren (doorgehaald: pachte ofte) soe lange desse vorseide renten nyet afgelost en is, pachten dat dye voer eersten in afslach oere belaefftde pachtpenningen sullen gelaeven ende alle jaer opten betaelsdach voorseid anden voorgenoemde Derrick Heeck und zin suster Weyme vorseid desse vorseide rente betaelen, costeloes end schadeloes vrijgelt sonder datmen daer yetwes an sal moege korten enige ongelden et waeren den heeren schattonge ofte hoe men dye solde moegen noemen, ghene uuytgesondert.End belaeven wij desse vorseide rente twillen vrijen,wachten und waeren soe dat behoirt oeck desselven (indien nodich und zye ofte oeren erven dat van onss begeren) wyr opdracht und gerichtlicke vestenisse tdoin daermede zij tallen tijden sullen verwaert zin und blijven. End waert saeke dat (doorgehaald:inden) betalongen der vorseide jaerrenten up dach vorse­id alle jaer nyet voldaen und betaelt worden, oder dat zij ofte oeren erven bijde waerschaph ofte varder vestenisse ennich hinder off schaede leeden off kreegen,soe moegen Derrick und Weyme vorseid off oeren erven (doorgehaald:oder ymants vanoer een ofte beyden wegen) nhae gewoente van unsser stadtrechten anden vorgenoemde weerdt voorts an alle onse stadtsweerden guederen peinden voorts (doorgehaald: zi) ant gerede (doorgehaald:nij) zij daerop bevinden ende daermede voirtvaeren (doorgehaald:als) gelijck off dselve voer heeren renten ende bynnen jaersche pacht gepent, uuytgesleten ende verwon­nen waeren. Edoch voorbehalden dat wij ofte onsen nhaekommelingen tallen tijden op Onser Lieve Vrouwendach toe lichmisse, edoch bynnen 14 dagen daernae onbegre­pen, desse jaerlicxe rente tosamen moegen (doorgehaald:affkoepen) lossen und vrijen mit gelicke seshondert Philips gulden payments vorseid in tijt der aflosinge daer voorseid (doorgehaald: nhae inhalt dye halven altije alsdan bynnen deser stadt lest afgeropen zijnde daer voorseide) guet wesende ende daerbij betalende dye rente (doorgehaald: als desen alsdan) verschenen ende onbetaelt bevonden wordt.

Mitz (doorgehaald:dat) dvorsei­de losse een jaer tbevorens op tseggen, oeck iss midt bevorwerdt dat wanneer nhae ombganck deerste 10 jaeren Derrick und Weyme off oeren erven onss off onsen nakomelingen een (doorgehaald:halff) jaer tbevorens doin verwittigen, dat wij alsden van wegen onser stadt verplicht und gehalden zullen zijn desse losse in maeten vorseid tvoldoen sonder langer ophaldonge vandier limmers moegen zij soe wail die hoeff­tsumme als die jaerlixe rente mit penninge soe vorseid excutieren.

Sonder argelist etc., in orkonde der waerheit soe hebben wij (doorgehaald:onleesbaar) burgemeesteren schepe­nen und raedt vorseid mit onser rechter wetenheit onser stadtssegel onder op desen brieff doin hangen.

Gegeven inden jaer duisent vifhondert zoeven ende