Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart1.jpg

Minuten van testamenten Elburg 1626-1810

Minuten van testamenten 1626-1810.
Oud-Rechterlijk Archief
inventarisnr.: 143.
Transcriptie H. Kranenburg 2013


Nummer 1.
Copie.

Wij ondergeteekende Theunis Vos en Susanna Grada Alpherts, ehelieden overdagt hebbende de zeekerheyd des doods en de onzeekere tijd en uure van dien, en niet gaarn uyt deese weereld willende scheyden voor en al eer wij over onse natelaatene goederen bij uyterste wille hebben gedisponeert, doende zulx kragt ende mits deesen op volgende wijse.

Voer aft verclaaren wij te inhereeren zodaene huwelyxvoorwaardens als wij op den 19 july 1776 ter goeder tijd voer ‘t ingaan van ons huwelijk hebben gemaakt willende en begeerende dat deselve effect zullen sorteeren voer zoo verre uyt kragt van de clausule reservatoir daar bij ervintelijk om elkandere ten alle tijde te moogen begiftigen en betugtigen daar aan geen verandering bij deese is gemaakt.

Voorts willen en begeeren wij dat de daarbij aan de langstleevende van ons beyde gemaakte en versprookene lijftugt zal standgrijpen tot de dood toe van diegeene welke de goederen van de eerst aft stervende na tugtregte zal bezitten en dus door het angaan van een tweede huwelijk niet zal cesseeren.

En alsoo volgens ons huwelijxcontract de ten huwelijk aangebragte en aangeerffde goederen moeten retourneeren aan die zijde daar deselve van daan gekoomen zijn en er dus tusschen onsen voor en nakinderen na ons overlijden different zoude kunnen ontstaan over het erff en goed Vossenbroek genaamt met alle de daar onder gehoorende landereyen in den ambte van Epe,

1.2.

buurschap Emst geleegen zo in als hen zelve staande huwelijk van onse moeder aangekogt en bij ons bewoond en gebruykt word, zoo willen en begeeren wij tot voorkoominge van alle differenten dat het gemelte erff Vossebroek met alle zijn ap en dependentien zal devolveeren op de twee nakinderen in ons huwelijk verwekt voor behoudene en ongeprejudicieerd de lijftugt de langst-leevende van ons beyde daar aan soo wel als aan onse geheele nalaatenschap competeerende en met dien verstande nogtans, dat het gemelte goed door die onse nakinderen niet anders zal worden bezeeten als met den last van fideicommis, zodaanig dat deselve off wel de langstleevende van haar beyden daar van alleen de opkomsten en revenuen geduurende haar leeven lang zullen kunnen genieten en het dus niet zullen vercopen, veralieneeren off beswaaren, maar dat na dode van deselve dat fideicommissaire goed als daer op derselve kinderen off bij ontstentenisse van dien op haare naaste erffgenaamen ab intestato van moedere zijde zal moeten vererven.

Wijders verclaard den testateur zijne voorkinderen bij zijn eerste vrouw en zijne nakinderen bij de testactrire verwekte jedes in egaale porties te institueeren en zijne verdere nalatenschap, op de speciaale conditie nogtans, dat geene van die voorkinderen eenige actie off pretentie hoe ook genaamt off uyt welke hooffde ook profaneerende tot laste van de boedel zullen kunnen off moogen maken en speciaal meede dat zijn zoon Gerrit Vos geene pretentie uyt hooffde van een door den testateur vercogt vaandel zal kunnen sustineeren, alsoo hij

1.3.

testateur volgens de aan hem overgegeeven quitancien naerder ten behoeve van denselve heeft uytgeschooten als weegens dat vercogte vaandel ontfangen is. En zo het des niet te min tegen de begeerte van hem testateur na zijn overlijden mogte gebeuren dat een van die voorkinderen met pretencien hoe ook genaamt mogten voor den dag koomen zal offt zullen die geenen welke zulx vorderen zal off zullen die geenen welke zulx vorderen alleen met de legitime portie van des testateurs nalatenschap moeten genoegen neemen en het des niet te min de testatrice soo die de langst leevende is oft de nakinderen vrijstaan ten regten uyt te maaken in hoeverre zodaane vorderingen zullen behoeven gevalideert te worden, alles ongeprejudicieert de lijftugt de langst leevende van haar beyde competeerende. All hetgeen voorzeid is verclaaren wij dus te zijn onse uyterste wille en volkoomen begeerten welke na ons overlijden stiptelijk zal moeten agtervolgd en nageleeffd worden. Zoo en als jemands uyterste wille het beste na regte zal kunnen bestaan. In waarheyds oirconde hebben wij deese eygenhandig geteekend en beseegeld op den 17 juny 1806.

Nummer 2.

Extract uit het protocol der stad Elburg.

Compareerde voor onderbenoemde schepenen en secretaris der stad Elburg Jacobus van der Poll, prædicant alhier, welke verklaarde mids desen, so in absentie van sijne vrienden mogte coomen te overlijden, tot zijne meerder gerustheid tot executeur en erfuytter cragte en mids desen aan te stellen over sijne gansche nalatenschap met exclusie van allen ananderen, in specie ’t gerigt deser stede, Hendrik van den Berg, medicinae doctor alhier woonagtig, met nagt om aanstonts na comparants overlijden, sijnen boedel t’ aanvaerden, de begraffenis met

2.2.

met den aancleven van dien en al wat verder van ’t erf en sterfhuys dependeert te besorgen, voorts aan den selven te geven sodane magt, regt en auctoriteit, als enigsints aan executeurs, erfuytters en boedelhouders van eene nalatenschap, so na gemene regten als na de wetten deser provincie eenigsins is competerende, en verleent can worden. Edog sal dese erfuyttinge buiten alle effect sijn en cesseeren so rad eene van comparants vrienden præsent is.

En wijl dit comparants ernstige wille en goedvinden is, so begeerde hij, dat dese na sijn dood effect sorteren mogt, so

2.3.

so en in dier voegen als de selve op de beste en bestendigste forme regtens bestaan can: actum coram Hoeclum en Barneveld als schepenen en mij Gijsbert Gerhard Sandberg als secretaris van voornoemde stad op den 11e april 1769.

Wij Dirk Gerit van Hoeclum en Anthony Barneveld als burgemeesteren en J.B. Tulleken schepen en Gijsbert Gerhard Sandberg als secretaris der stad Elburg doen cond en certificeren hier mede, dat wij ten versoeke van Jan Pothoff en Jan Daniel Topander sijn verschenen ten huyse van wijlen den

2.4.

den weleerwaarde geleerde heer J. van der Poll, bedienaar des heyligen Goddelijken woords alhier, alwaer ons door J. Pothoff is vertoont en overgegeven een besloten en gecachetteert papier, dat volgens des selfs superscriptie en opgeschreven verclaring in dato den 14e julii 1764, voor schepenen en secretaris alhier gepasseert soude behelsen de testamentaire dispositie van welgemelte heer J. van der Poll, met versoek, dat na voorgaande visitatie van ’t een en ander en recognitie der segulen na

2.5.

na behooren door ons, dat geslotene papier mogte worden geopent, vervolgens gelesen en ten protocolle deser stad geregistreert invoegen, sulx na ordre en ten effecten als na regten word gerequireert, dat wij vervolgens ’t een en ander hebben gevisiteert, de seguls en ondertekeningen hebben geexamineert, en alles gaaff, ongeschonden en sonder eenige cancellatie hebben bevonden, en dien volgens na aperture daar in de dispositie voorscreven so als die superscriptie en inleggende

2.6.

inleggende dispositie door onsen secretaris sijn op en voorgelesen in præsentie van voornoemde comparanten so als t’een en ander onder ’t cachet van onsen secretaris is getransfixeert, om daar van de nodige registrature te doen en te laten geschieden, gelijk sulx behoort, des t’oirconde is dese bij ons burgermeesteren, schepen en secretaris bovengenoemt getekent en gesegult, en daar en boven met ons stads secreet zegul gecorroboreert op den 15e april 1769.

Was getekent: D.G.V. Hoeclum, A.

2.7.

A. Barneveld, J.B. Tulleken, Gijsbert Gerhard Sandberg en was daar en boven met vier cachetten alle in roden lakke nevens ’t segul van de stad mede in rood lak besegult.

De inleggende dispositie luyde als volgt: Also er niets sekerder is dan dat ’t den mensche geset is te sterven en egter niets onsekerder sijnde dan de tijd en uur van dien, zo verclare ik Jacobus van der Poll thans bedienaar des Goddelijken woords te Elbug, uit overweginge van ’t zelve geresolveert te wesen, om over de tijdelijke goederen die de almagtige God mij genadiglijk gegeven

2.8.

gegeven heeft, bij desen testamente voorziening te doen in maniere als volgt. Eerst en vooraff herroepe en vernietige ik alle testamenten, codicillen en alle soorten van uitterste wils, dispositien, ofte de cragt van dien hebbende, bij mij voor dato deses, ’t zij alleen ofte met en benevens ymand anders opgeregt en gepasseert, welke alle voor nul kragteloos en van onwaarde zullen gehouden worden. Ende nu dan na mijne siele in de barmhartige handen van

2.9.

van God mijnen schepper en mijn lichaam de aarde, in hoope en verwagtinge van eene salige opstandige bevolen te hebben, nu geheel op nieuws disponerende verclare ik te legateren en te bespreken, zo als volgt.

Aan de diaconie armen van Elburg eene somme van een duysend guldens eens. Aan de diaconie armen te Voorst eene gelijke somma van een duysend guldens eens. Aan de diaconie armen te Venhuysen mede eene somma van

2.10.

van een duysend guldens eens. Aan mijn dienstmaagd Maria Griff uit consideratie van haar langdurige en getrouwe dienst eene somme van vier duysend guldens eens. En van ieder van mijn andere dienstmaagden, die ten dage van mijn overlijden bij mij woonen en in dienst wesen sullen eene somma van twee hondert guldens alle welke legaten zullen moeten voldaan en betaalt worden binnen den tijd van vier maanden na mijn overlijden vrij van ’t collateraal. ende

2.11.

Ende in alle mijne overige natelatene roerende en onroerende goederen, midsgaders actien, crediten en geregtigheden, hoe ook genaamt en waar deselve gelegen berustende off uitstaande souden mogen wesen niets uytgesonderd daar in verclare ik tot mijn eenige en universele erfgenaam te nomineeren en institueren mejuffrouw Gesina Bontekoning, huysvrouwe van mijn broeder de heer Hugo van de Poll, medicinæ doctor te Amsteldam

2.12.

Amsteldam. Edog geschied dese institutie niet anders, als onder de volgende conditien en bepalingen. Eerstelijk dat deselve mijne behuwdsuster en na haar overlijden hare erfgenamen of de representanten haares boedels gehouden en verpligt sal of zullen wesen om aan mijn voornoemden broeder of desselfs ordre, jaarlijks sijn leven lang gedurende te voldoen en uyttekeren eene somme van twee duysend guldens vrij

2.13.

vrij geld, te voldoen in twee of vier termijnen van drie of ses maanden, naar de verkiesing en het goedvinden van deselve mijn broeder, de voorschreve somme van twee duysend guldens aan hem in voegen voormelt legaterende bij desen. En ten anderen dat na het overlijden zo van mijn gemelden broeder als van mijne behuwdsuster en zulx binnen den tijd van vier maanden na hunner beider dood, door de erfgenamen of

2.14.

of repræsentanten des boedels van mijne behuwdsuster uit haare nalatenschap bij wijse van legaat sal moeten voldaan en uytgekeert worden aan mijne nagenoemde vrienden een capitaal van vier en vijftig duysend guldens hollands courant geld, vrij van ’t collateraal, te weten aan Margaretta Roghé, laast weduwe Willem Mooy, en bij vooroverlijden van deselve aan hare natelatene kind of kinderen en verdere discendenten bij repræsentatie

2.15.

repræsentatie eene somma van twaalf duysend guldens eens. Aan Maria van de Poll, huysvrouw van Anthony Thopander en bij voor overlijden van deselve aan haare natelatene kind off kinderen en verdere descendenten bij representatie eene somma van tien duysend guldens eens. Aan Johanna Roghé, huysvrouw van Homme de

2.16.

de Vries en bij vooroverlijden van deselve aan haare natelatene kind of kinderen en verdere descendenten bij representatie mede eene somma van tien duysend guldens eens. Aan de vier nagelatene kinderen van Dorothea Roghé in der tijd huysvrouw van wijlen Huybert van Delden, te samen in egale portien eene somma van agt duysend guldens eens en bij vooroverlijden van eene of meerdere der selve

2.17.

selve wettige desendenten bij plaats vulling, en die ontbrekende aan de overige, die als dan van haar in ’t leven sullen sijn. Aan Jan Pothoff en Abraham Lambertus Pothoff te samen en een van beide voor overleden wesende desselfs wettige afkomelingen bij plaats vulling en die mede ontbrekende aan de langst levende van hun beide alleen, eene somma van tien duysend guldens eens. En

2.18.

En aan Elisabeth de Roij, huysvrouw van Lambert Post, en bij vooroverlijden van deselve aan haar zoon Hendrik Post, en die mede voor overleden wesende aan sijne natelatene descendenten eene somme van vier duysend guldens eens. Welke legaten door de erfgenamen of representanten des boedels van mijne behuwdsuster ten tijde voormelt in ’t geheel off ten deele sullen mogen voldaan en

2.19.

en uytgekeert worden met obligatien op de generaliteit, off ten laste van ’t gemeene land van Holland en Westvriesland zonder onderscheid van comptoiren,

en ter keuse van deselve erfgenamen off representanten, de obligatien te rekenen tegen ’t volle capitaal, waar op die belegt sijn, dat is honderd voor honderd; waarmede de voorschreve lagaatarissen genoegen zullen moeten

2.20.

moeten nemen, zonder dat door of van wegens deselve onder eenigerley protext van mijne behuwdsuster of haare erfgenamen eenige cautie of versekering voor de uytkeringe der voornoemde legaten in regten of daar buyten sal mogen geeist worden, sullende die geene, welke sulks des niet tegenstaande mogt doen van des selfs legaat ten profijte van mijn behuwdsuster of haare erfgenaamen verstoken wesen. Voorts versoeke en committere ik

2.21.

ik tot executrice en executeur van desen testamente en om mijnen boedel te redderen en tot liquiditeit te brengen mijne voornoemde behuwdsuster juffrouw Gesina Bontekoning en den heer Frans Bosboom koopman te Amsteldam.

En bij aldien onder de bovengemelde legatarissen minderjarige persoonen bevonden mogten worden, stelle en benoeme ik tot voogden over deselve minderjarigen

2.22.

minderjarigen en tot admistrateurs van ’t aan hen gelegateerde, de langst levende, ’t zij vader of moeder van deselve. En so beide de ouders overleden mogten wesen, stelle en committeerde ik tot voogden en administrateurs over de minderjarige legatarissen en hunne portien in de voorschreve legaten, de selve persoonen, die bevonden sullen worden over hunne ouderlijke goederen gesteld te wesen. Gevende en verlenende ik aan

2.23.

aan voornoemde executrice en executeur als mede aan gemelde voogden en administrateurs zodanige vrije en onbepaalde magt en gezag, als eenigsins nodig is en naar regten can off mag gegeven en verleend worden en wel speciaal van assumtie surrogatie en substitutie tot den uiteinde van de voorschreven commissien toe. Met eerbiedige uytsluytinge van den Hove Provinciaal van Gelderland, als mede van alle andere geregten wees

2.24.

wees en momboirs kamers, daar mijn sterfhuis soude mogen coomen te vallen, of eenige van mijne goederen gelegen, berustende of uitstaande souden mogen wesen deselve voor hunne andersins te nemene moeite bedankende. Eindelijk behoude ik aan mij de magt, om bij een onderhandsche geschrift de vorenstaande dispositien en legaten te mogen veranderen, vermeerderen of verminderen, als mede om sodanige

2.25.

sodanige andere of meerdere legaten te mogen bespreken als ik naderhand sal coomen goed te vinden. Welke nader gedisponeerde van die selve kragt en waaarde zal gehouden worden, als of al ’t zelve woordelijk in dit testament geschreven stond, al het voorenstaande mijn uytterste wille sijnde, begeere ik dat na mijn overlijden sal worden agtervolgt en nagekomen als

2.26.

als een volkomen testament, codicil, of so als ’t anders na regten en costumen best sal konnen of mogen bestaan, versoekende hier omtrent het uiterste beneficie van regten te mogen genieten. Des t’oirconde heb ik desen eygenhandig ondertekent en met mijn cachet gesegelt te Elburg, heeden den veertienden july des jaars seven tien hondert en vier en sestig,

was get. Jacobus van den Poll, en

2.27.

en met een cachet in rood lak besegelt. De acte van superscriptie luyde: compareerde voor ons ondergeschreven schepenen en secretaris der stad Elburg de wel eerwaarde zeer geleerde heer Jacobus van der Poll bedienaar des heiligen Goddelijken woords alhier aan ons overgevende seker gesloten en gecachetteert papier, waar in hij verclaarde, dat zijne uiterste

2.28.

uiterste wille was vervat, die hij wilde en begeerde, dat allesins valeren en na sijn dood sorteeren mogte, als testament, codicil, legaat, gifte onder de levende ofte op alle andere betere wijse, schoon alle solemniteiten regtens niet geobserverteert, versoekende daaromtrent alle faveuren als eenigsins aan testamentaire dispositien cunnen werden

2.29.

werden verleent. Des t’oirconde is dese bij ons (doorh.: D.G.V. Hoeclum) J. B.Tulleken en D.G. van Hoeclum als schepenen en mij Gijsbert Gerhard Sandberg als secretaris van opgemelte stad getekent en gesegult en daar en boven met ons stads secreet segul gecorroboreert op den 14 julii 1764. En was get. J.B. Tulleken

2.30.

ken, D. G. V. Hoeclum, Gijsbert Gerhard Sandberg, secretaris, en was daar en boven met drie cachetten , 2 in roode en een in swarten lakke nevens ’t segul deser stad mede van rood lak besegult. Vorenstaande acte van apperture testamentaire dispositie en superscriptie, geregistreert ten overstaan van de heeren Hoeclum

2.31.

Hoeclum en Barneveld cossulibus, J. B. Tulleken als schepen en na gedane collatie met sijn originele bevonden te accordeeren.

Quod testor, Gijsbert Gerhard Sandberg, secretaris.

Nummer 3.
Copia.

Op huyden dato ondergeschreven is er tussen Theunis Vos Gerritszoon wedunaar van Maria Hengeveld te Elburg toekomende bruydegom ter eenre en Susanna Grada Alpherts jonge dochter te Arnhem toekomende bruyd ter ander zijde ten overstaan van wederzijdsche ouders en versogte onderbenoemde huwelijksvrienden en dedingsluyden tussen personen voornoemd beraamt en uitgesproken een echt en wettig huwelijk op conditien als volgen sal.

Eerstelijk dat toekomende echteluyden nae ordere en constitutie der gereformeerde kerke in den huwelijken staat zullen bevestigt worden, so brent den bruydegom aan tot stuur van dit huwelijk alle zodane gereede en ongereede goederen als hij thans (doorh.: heeft) bezit en naderhand van zijne ouders en vrienden aanerven mogte.

Insgelijks zo brent de bruyd ook aan tot onderstand van dit zelve huwelijk sodane medegifte als haar grootvader (doorh.: en grootmoeder) sal goedvinden welke tegens quitantie in minderinge zullen verstrekken van die tien duysent gulden die haar grootvader en grootmoeder bij vrijwillige gifte met consent van haar vader is bemaakt, vorders alle zodane goederen als sij thans bezit en naderhand van haar ouders en vrienden aanerven mogte.

Indien ’t mogte gebeuren dat God lange gelieve te verhoeden dat eene van dese toekomende echtelieden kwamen te overleyden zonder wettige blijvende geboorte na te laten in sulken geval de bruydegom de eerste sijnde dan geeft hij aan zijn bruyd tot een morgen gave uyt den

3.2.

den gemenen boedel een somma van twee duysent gulden en in tegendeel de bruyd de eerste zijnde zo geeft zij aan haar bruydegom ook tot een morgengave uit den gemenen boedel een somma van vijfthien hondert gulden en de andere gereede en ongereede goederen sullen aan die zijde blijven en wederkeeren na die kant daar deselve vandaan gekoomen zijn.

Belangende de aangeerfde goederen van bruydegom en bruyd zullen zijn en blijven aan die zijde daar deselve oorspronkelijk vandaan gekomen zijn winst en verlof half en half.

Zo kind of kinderen uit dit huwelijk geproflueerd waren sullen op malkanderen erven en sterven tot ’t laatste toe dat dan gestorven sijnde sonder lijfserven dan sullen de goederen weder wederkeeren en gaan na die zijde daar deselve oorspronkelijk vandaan gekomen zijn. Edog bruydegom of bruyd een van beyden in leeven zijnde en als dan nog ongetrouwt of getrouwt zal de morgengaven sijn stand houden als of er geen kinderen geweest waaren, vorders betuchtigen malkanderen toekomende echteluyden in alle door de dood natelatene gereede en ongereede goederen ten eynde alle die goederen door de langstlevende zijns of haars leven lang na tuchtregten te mogen gebruyken zonder bespieringe van iemand. En in geval een van beyde toekomende echtelieden in een tweede huwelijk willende treeden daar meede de tucht ten eenenmaal sal verbroken en afgedaan zijn. Wijders

3.3.

Wijders bedingen toekomende echtelieden om malkander ten allen tijden te mogen begiftigen en te betuchtigen, en sal sulks van kracht en waarde gehouden worden als of sulks in dese ware gepasseerd. Dit alles zonder erg of list zijn hier van twee alleens luydende huwelijksvoorwaarden gemaakt en van bruydegom en bruyd neffens de wederzijdsche onderbenoemde versogte huwelijksvrienden getekent in Arnhem op den 19 july 1776.

Nummer 4.

Extract uit het prothocol der ambt Doornspijk.

Voor de onderbenoemde leden van het gemeentebestuur en secretaris der stad Elburg compareerde Geurtjen Peters Vierhouten, weduwe van wijlen Jan van der Maaten, gezond met ons gaande en staande en haarer zinnen volkomen magtig, zo als ons is gebleken dewelke verklaarde uit overweging van de broosheid dezes levens en de wisheid en onzekerheid des doods niet gaerne uit deeze waereld willende scheiden, zonder alvorens over haar tijdelijke goederen te hebben gedisponeerd, na dat zij alvorens bij magescheid van den 26 maart 1786 haare kinderen wegens haar vaders versterf had afgegoedet, en alnu ter dispositie over haare eigendomlijke goederen overgaande. Zo verklaarde de comparante tot haare eenige en universeele erfgenamen te nomineeren en te institueren, doende zulks kracht dezes haar zoon Peter Jochem van der Maaten of in cas van vooroverlijden des zelfs kind of kinderen in zijne plaatse voor een derde part.

Voords haare dochter Stijntjen van der Maaten getrouwd aan den captein Willem van der Linde of bij haar vooroverlijden haare kind of kinderen in derzelver moeders plaatse met uitsluiting van den captein Willem van der Linde voornoemt, dewelke, om redenen haar testatrice daar toe moverende geenerhande recht op derzelver goederen of de inkomsten van dezelve in eeniger (doorh.: onleesb.) manieren hoe ook genaamt verkrijgen zal. Terwijl aan meergedagte der testetrices dochter Stijntjen van der Maaten (doorh.: testatrice) alleen de vrije dispositie over die goederen en inkomsten word overgelaten, zodanig en met de absolute magt en faculteit dat zij zulks nodig oordeelende, die zal kunnen en mogen verkoopen en bezwaaren zonder

4.2.

daar toe de adsistentie van opgedagte haaren man nodig te hebben, kunnende in dien gevalle met eenen anderen momboir volstaan, en zulks mede voor een gerechtigd derde part. Laatstelijk haare kleindochter Johanna Geertruida Gigandet bij Gijsbert Gigandet en Hendrica Margaretha van der Maaten geprocreëert voor het laatste derde part, met dit speciaal beding dat de laatste portie zijnde die van des testatricen kleindochter Johanna Geertruyda Gigandet voornoemt zal zijn en blijven fideicommis subject ten behoeve van de twee andere geinstitueerde erfgenamen, zodanig dat het deeze laatsten zal vrijstaan om de erfportie van voornoemde der testatricen kleindochter te laaten taxeeren en voor zich behouden mids dan het een derde van de waarde dier goederen het zij die verkogt of getaxeert worden tot haarer keuze onder secure hypotheeken en onderpanden op intrest gedaan zullen moeten worden om de intrest bij haare kleindogter daar van genoten te worden.

Edog inval meergenoemde haare kleindochter met genoegen van haare naaste vrienden van ’s moeders zijde een huwlijk mogte aangaan en kind ofte kinderen verwekken, zal dit fideicommis geen plaats hebben, maar zo zij tegen zin en wille van haare gemelte naaste vrienden kwaame te trouwen dan zal dit fideicommis in voegen hier voren vermelt volkomen stand grijpen. Stellende comparante over dit haar testament en tot agtervolging van haare wille en begeerte tot voogden aan den ontfanger Hendrik Arend Wijnne en IJsebrand Jansen. Begeerende de comparante dat met revocatie van alle vorige dispositien

4.3.

bij haar gepasseert en kracht van uiterste wil hebbende speciaal dat geene het welke voor mr. E.G. Ardesch, adjunct scholtus en gerichtslieden te Ermello op den 23 maart 1793 bij haar is verleden dit tegenwoordig testament na haaren dood alzins effect zal hebben als testament codicil gifte ter zaake des doods of onder de levenden. Voords op alle betere wijze na rechten bestaanbaar, alle geomitteerde solemniteiten geadhibeerd houdende.

Dus geschied voor mr. D.G. van Hoeclum en W. Straatman, leden van het gemeentebestuur en mij, D. Hoefhamer, secretatis van welgemelte stad op den 30 maart 1799,

In fidem extract,

D. Hoefhamer, scholtus.

N.B.Rechtsboven op het 1e blad staat de letter H.

Nummer 5.

Extract uit het prothocol des ambts Doernspijk.

Voor de onderbenoemde leden van het gemeentebestuur en secretaris der stad Elburg compareerde Geurtjen Peters Vierhouten, weduwe van wijlen Jan van der Maaten zo veel ons uiterlijk is gebleken haar verstand en uitspraak volkomen magtig, dewelke verklaarde uit overweging van de zekerheid des doods en onzekerheid des tijds en uure van dien niet uit deezer wereld te willen scheiden zonder nog nader bij codicillaire dispositie over haare nalatenschap beschikt te hebben, waar toe zij verklaarde te corroboreeren en te bekragtigen zodane testament als zij op den 30e maart 1799 voor schepenen en secretaris deezer stad heeft gepasseerd, welken zij wil hebben dat in allen deele zal effect sorteren, met deeze verandering dat haare dogter Stijntje van der Maaten al nu gesepareerde huisvrouwe van Willem van der Linde ofte bij vooroverlijden haar dochter Geertruyda Petronella genoemt in derzelver moeders plaatse en met seclusie zo veel des noods van Willem van der Linde voornoemt wegens derzelver noodlottige en zedert haare voorige dispositie merklijk verergerde omstandigheden, als ook wegens veelvuldige diensten en oppassing van haar in derzelver hooge ouderdom onophoudelijk genoten, tegens eene zeer modique vergaeding en om dezelve daar voor eenigzints te gemoete te koomen voor uit en uit den vollen boedel zonder eenige korting zal genieten vrij geld eene somme van een duizend vijfhondert guldens eens, blijvende voor het overige derzelver boedel en nalatenschap

5.2.

egaal deelbaar als en onder de clausulen bij opgedagte testamentaire dispositie van 30 maart 1799, vervat al het welk zij vrouwe comparante voornoemt verklaarde te zijn haar laatste en uiterste wille, welke zij bij forme van codicil tot opgedagte testamente wilde gevoegd en het daar voor gehouden hebben als waare die in het zelve woordelijk geinsereerd en zo als het zelve na rechten best zoude mogen bestaan, met adhibitie van alle solemniteiten welke mogten zijn geomitteerd.

Dus geschied voor Arnd. Mouw en Hendrik Arend Wijnne, leden en D. Hoefhamer secretaris van het gemeentebestuur te Elburg den 16 september 1801.

In fidem extract,

D. Hoefhamer, scholtus.

N.B. Rechtsboven op het 1e blad staat de letter I.

Nummer 6.

Extract uit het prothocol der stad Elburg.

Voor de onderbenoemde leden van den magistraat der stad Elburg en secretaris van welgemelde stad compareerde Geurtjen Peters Vierhouten, weduwe van wijlen J. van der Maaten wel ziek zijnde doch zo ver ons is gebleken haar verstand volkomen magtig, dewelke verklaarde uit overweging van de zekerheid des doods en der onzekerheid des (doorh.: des) tijds en der uure vandien, als rechtens geadsisteerd bij wege van nadere codicillaire dispositie over haare tijdelijke nalatenschap gedisponeert te hebben op volgende wijze. Eerstelijk dat zij testatrice wel hebben gecorroboreerd, nagekomen en bekragtigt zo als zij verklaart te corroboreeren en te bekragtigen bij deezen zodaane testamentaire dispositien als bij haar op den 23 maart 1791 en 30 maart 1799 als ook zodanig codicil als op den 16e september 1801 zijn gepasseerd, die zij alle voor van volle kracht en waarde wil gehouden hebben voor zo ver in dezen niet nader is gedisponeerd.

Ten tweede verklaarde zij comparante te legateren uit haare nalatenschap aan Geertruyda Petronella van de Linde haare kleindochter eene somme van achthondert guldens vrij geld om ter verbetering haarer educatie te worden geemployeerd.

Ten derden verklaarde de vrouwe testatrice haare uiterste wil en begeerte te zijn dat gelijk zij aan haare dochter Stijntje van der Maten gesepareerde huisvrouw van Willem van de Linde voor kost oppassing verpleging en zorg over haar gehad en ge-

6.2..

houden, gewoon is geweest haare jaarlijksche revenues uittekeren bij wijze van dedommagement, zij alnu dan ook uit eene oprechte dankbare toegenegenheid, aan dezelve wilde doen toekomen alzodane te provenieren penningen als wegens de verkogte afbraak boomen en holtgewasschen onder den ambte van Ermella staan in te komen midsgaders het lopende jaar pacht der goederen van de testatrice inval zij binnen ’s jaars mogt komen te sterven, of ook vervolgende altijd over dat jaar in het welk den sterfdag van de overledene zal komen te vallen, en zulks bij uitsluiting van alle anderen en tot een recompens voor haare goede diensten aan haar testatrice gedurende haren hoogen ouderdom en ziekte bewezen.

Al het gunt voorscreven verklaarde de testatrice te zijn haare uiterste wille en begeerte die zij na haare dood wilde agtervolgt en nagekomen hebben. De executie daar van mede aan haare genomineerde executeuren demanderende en zulks als testament codicil legaat gifte onder de levende of ter zaake des doods. Voords op alle betere wijze na rechten bestaanbaar.

Aldus gepasseerd voor A. Mouw en A. Lutteken Brouwer, leden van de magistraat en D. Hoefhamer, secretaris der stad Elburg op den 8e maart 1806.

In fidem extracte,

D. Hoefhamer, secretaris.

N.B. Rechtsboven op blad 1 staat de letter K. Linksboven staat: Copiaia, de origineele was geschreven op een zegel van 3 gld.

Nummer 7.

Teunis van der Salm, testeert op den 30 augustus 1758, nalaatende drie kinderen, met naame uti sub B.

Fietje Teunis, zijnde zonder kinderen natelaaten begraven te Schiedam den 23 februari 1793 ad C no. 1.

Bruno Teunis, kinderloos overleden op den 5 october 1797 te Brielle ad C. no. 3 en begraven 9 october 1797, sub. H.

Neeltje Teunis van der Salm, almede zonder natelaaten kinderen, begraven te Schiedam den 25 augustus 1794, ad C no. 2.

7.2.

Neeltje Bruno van der Salm, uti sub B, de zuster dezes testateur is getrouwd geweest met Arie van der Hoek en waarbij 3 kinderen verwekt te zien bij D - 1, 2, 3, als Maria, Anna & Arien.

Maria gedoopt den 9 november 1700 – blijkens D no. 1, begraven den 18 january 1776 – E – 2e, gehuwd geweest met Jan van den Bol, zaliger gelijk te elicieren uit gemelde - E – 2e, gewinnende 1 zoon, dewelke de naam van Arie ten doop ontfangen heeft op den 5 september 1732 – E - 1e, begraven den 25 october 1781 – E – 4e, getrouwd met Margrita de Baan, waarbij één zoon Pieter genaamd, dewelke gedoopt is den 29 januari 1763, sub. E – 3e, zijnde requestrant mede in dezen.

Anna, gedoopt 9 maart 1699 – D – no. 2, begraven 2 juny 1763 – F – 2e, getrouwd geweest met Christiaan Kurkhuizen, evident F – 1. wiens dood appareert F – 2, en uit welk huwlijk één zoon gecreerd.

Arie, gedoopt 29 april 1736 – F – 1, requestrant.

7.3.

Arien, gedoopt 14 maart 1714 – D – 3, begraven 15 februari 1783 – H, getrouwd geweest met Jacoba Mensij, sub. G – 3, waarbij drie kinderen geteeld, ad. G – 1, 2, 3, namelijk

Anna, gedoopt den 17 augustus 1738 – G – 1e , gealimenteerd doch requirante qualitate qua.

Adriana, gedoopt 5 februari 1741 – G – 2e, getrouwd met Hendrik Nieuwenhuizen, requestrant, nomine [rex:]

Hendrik, gedoopt den 19 november 1751 – G – 3e, mede requestrant en requirant.

7.4.
B.

Extract uyt het protocol der stad Elburg.

Ik Teunis van der Salm overdenkend de sekerheid des doods, en onsekere uure van dien en niet lieft uyt deze weereld willende scheiden voordat over mijne tijdelijk goederen hadde gedisponeeert verclare na revocatie en cassatie van alle vorige testamenten en dispositien inhoud dezes eenigzints contrarie, mijne volkomene laatste en uyterste wille te zijn als volgt.

Aavankelijk ordonnere ik testateur dat alle mijne erfgenamen die eenig geld off capitaal tot haren lasten en ten voordeele van mijnen boedel hebben dat zelve geld oft capitaal met de renten nae mijn dood eerst weder in dezen boedel zullen inbrengen oft bij de verdeelinge als ingebragt aangemerkt en wezentlijk gerekent zullen worden als hebbende mijne te noemen kinderen en erfgenamen haar moeders versterf reeds voor langen tijd

7.5.

genoten gehad, voorts legatere ik testateur aan mijnen dienstmaagd die tijdes mijn dood bij mij zal woonnen tot eene gedagtenisse tweehondert guldens eens, midsgaders eene dubbelde rouw oft in plaatse van die dubbelde rouw vijftig gulden aan geld eens, tot keur van die dienstmaagd en eyndelijk t volle jaarloon daar tijdes mijn afsterven zal getreden wezen, en tot kostgeld ter week eene gulden ter tijd toe dat het laatste opgemelde jaar sal verstreeken en omweezen en niet langer.

Aan Wilhelmus Eevers legatere ik testateur mijn schrijfcabinetjen dat tegenwoordig in mijn voorhuys staat. Vervolgens nominere en instituere ik testateur tot mijne eenige en universele erfgenamen mijn drie kinderen met naamen Fietjen Teunis, Bruno Teunis en Neeltjen Teunis van der Salm een yder even na onder deze speciale conditien belastinge dat mijne hare boedel daar van egter afgetrokken het

7.6.

hetgeen na regten behoort afgetrokken te worden - ende legitime portie altoos vrij en onbezwaard - om bijzondere mij daartoe moverende redenen zal zijn en blijven fidei commis subject onder deze mijne drie kinderen invoegen dat een ofte meer sonder lijfserven stervende derzelver deel zal vererven op de kinderen tot de laatste toe, welke laaste mede alzo overleden zijnde zal mijn halve nalatenschap als vermelt devolveren op de gezamentlijk kinderen en kindskinderen - deze laasten bij representatie in haar ouders plaatse - van mijn suster Neeltje Bruno van der Salm, gewezen huysvrouwe van Arij van der Hoek. En op dat deze mijne dispositie alzo deste beeter effect moge sorteren zo verklaar ik testateur tot erfuiter nae preambulaire erfhuys verburginge loco van mijne respective gemelte erfgenamen en tevens tot universele executeur van deze mijne laatste wille

7.7.

wille - alles in zo verre eenyder qualiteit in dezen nodig en dienstig is - te stellen Wilhelmus Everes wonende alhier met alle zodane magt en regt als enigzints aan erffuyters off universele executeurs testamentairs nae land- ofte stadregten verleent kan en mag worden, speciaal verder om sonder consent en buiten toedoen van mijne erfgenamen, inhoud dezes bij de aperture bekent geworden en inventaris van mijne gansche nalatenschap intijds door welgemelde erfuyter en executeur testamentair gemaakt ende mijne respective kinderen ofte erfgenamen ter hand gestelt zijnde, in tijds dezen gehelen boedel of halven boedel tot keur van mijnen erfuyter ofte executeur testamentair vermelt, gereede en ongereede goederen te gelde te maaken en na stads gewoonte publicq te verkoopen, die ongereede goederen in commune forma te cederen de penn.

7.8.

penningen daarvoor te ontfangen en voor den ontfangst te quiteren voor alle evictie en opspraak onder verband van deze nalatenschap te caveren de onwillige copers desnoods regtelijk door genoegzame volmagtiger haar woord en belofte van betalinge der koopspenningen te doen nacomen, lasten des boedels te betalen schulden ofte pretensien des boedels het zij minnelijk het zij gerichtelijk ten eynde toe ofte in persoon ofte door een genoegzame volmagtiger ten costen des boedels in ter orderen die penningen te ontvangen en daarvoor te quiteren van eenige of eene nadelige sententie desnoods te appeleren dit vooraf gegaan en den boedel alzo ofte met eenige andere veranderinge rond gemaakt en te gelde gebragt zijnde en den erfuiter ofte executeur testamentair vermelt in zoverre rekeninge van zijne administratie gedaan hebbende, midsgaders van de overig zijnde penningen

7.9.

gen des halvens fidei commis fairen boedels voor zijn gedaane moeite en versuim als erfuiter en executeur testamentair universeel in zoo verre gereekend en na redelijkheid betaalt zijnde, de gemelte legitime portie vrij en onbezwaard aan geld ofte goed, nadat den gehelen of den halven boedel zal te gelde gemaakt weezen afgetrokken alle boedels lasten en aan mijne gemelde erfgenamen zuiver en wel uit te reiken daarvan met de gezegde erfgenamen intijds ten lasten des boedels behoorlijke acte oprigtende en de nog overig zijnde penningen dat is al hetgeen boven de legitime resteert, en het gene nog niet belegt mogte wezen op bequaam onderpand alhier teegens behoorlijk percent uyt te doen, van welk capitaal of capitalen, zoo reets belegt zijn ofte hier na door den erfuiter ofte universele executeur testamentair vermelt, staan belegt te worden de jaarlijksche renten en opkomsten bij hem als vermelt, zullen ingemaant en ontfangen worden; ont-

7.10.

ontfangen zijnde zullen dezelve renten en oplomsten door welgemelde Wilhelmus Everes quantum placet van tijd tot tijd aan mijne respectire erfgenamen uitgekeert en betaald worden.

Dat den erfuiter ofte executeur testamentair vermelt ook bij magte zal weezen opgemelde capitalen door den testateur reeds belegt ofte door den erfuiter ofte executeur testamentair vermelt, staan belegt te worden te denuncieren zo zulks nodig zal oordeelen in cas van onwilligheid de zelve ten uyteinde toe regtelijk in persoon of door eene genoegzame volmagtiger innen dog bevoegt blijven dezelve penningen - afgetrokken dat tot bereikinge derzelve moet afgetrokken worden - voort zo ras hem doenlijk is weder op vast onderpand uyt te schieten tegens behoorlijke intresse zullende de erfuiter of executeur testamentair vermelt, van deze penningen ofte opkomsten jaarlijks voor

7.11.

voor zijne ontfangsten en uitgave profiteren van yder 100 gulden ontvangst en uytgave (doorh.: profiteren) vijf percent ende zo na rato. Dat het ook eyndelijk aan mijnen erfuiter of executeur testamentair vermelt zal vrijstaan sonder tegenseggen van ymand wanneer hem enige swarigheden in den beginne bij mijn overlijden ofte namaals mogten voorkomen, ofte zo hem eenige tegenstand en door mijne erfgenamen ofte anderen gedaan wierden, of te onder wat schijn ofte regt van cautie mijne gemelde erfgenamen mogten vermeenen tot al of tot een gedeelte van het gunt voorscreven beregtigt te wezen om zeg ik andere zig dat stuk beter verstaande tot costen des boedels daar over te consuleren en het noodige oft vereischte te doen vervaardigen, tegens de opposanten des noods in regten door eene genoegzame volmagtiger te ijveren ten eynde deze mijne laatste wille exactelijk moge worden nagekomen, met verder begeerte dat diegeene van mijne erfgenamen op het ser[..]ste na rechten mogen worden gestraft die zig den inhoud dezes enig

7.12.

enigzints komen aan te kanten, en worden mijne gezamentlijke erfgenamen en kinderen verzogt om binnen veertien dagen nadat inhoud dezes tot haar kennisse zal zijn gekomen deze mijne laatste wille in alle zijn deelen bij eene formeele hete alhier te lauderen en agiteren waar mede ik testateur mijne dispositie eindige, willende en begerende dat dezelve als mijn testament, codicil, legaat, fidei commiis ofte zo als dezelve best na regten bestaan kan, zal agtervolgt worden en volkolkomen effect sorteren al waren alle solemniteiten in qualiteiten niet geobserveerd die men in zo een val deeze evenwel wil gehouden hebben voor geinsereerd. Oircond mijne onderteekeninge en bezegelinge binnen Elburg den 30 augustus 1758.

Onder stond: was getekend Teunis van der Salm, en met een zegel in zwarte lak gedrukt bezegelt. Verder stond: was getekend in fidem extracti, D. Hoefhamer, secretaris.

7.13.
Copia C.no 1.

Was getekend,

Lectori Salutem.

Extract uit het register der begraven lijken binnen de stad Schiedam, beginnende met den 5 january 1786.

Den 23 february 1793.

Fijtje van der Zalm,

Gewoond op de Gooijstraat,

Laat geen kinderen na.

Accordeert met het voorscreven register berustende ter secretarie der stad Schiedam den 22e december 1797. Het derde jaar der Bataafsche Vrijheid.

Bij mij gezworen clercq,

Was getekend,

T v.d. Schalk Hz.

7.14.
Copia C.no3e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

De ondergetekende verklaare bij desen dat ten hunnen huysen overleden is op den 5 october 1797 en aangegeven op het secretarie der stad Brielle op den 9 dito Bruno van der Zalm, gene kinderen nalatende; verklarende zij ondergetekende al verder dit bovenstaande uyt de mond des overledene dikwerf te hebben verstaan.

In kennisse der waarheid dit met onse eygehande onderteekend, gedaan te Brielle den 25sten december 1797.

Was getekend,

Jan Betist L.zoon en Jannetie Kleijnenberg, egtlieden.

7.15.
H.

Was getekend,

van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het register ofte aanteekening der dooden, begraven binnen de stad Brielle, zedert den 1 january 1779.

1779 January
january

4 de Den Hoogwelgeboren heer Jan etcetera

1793 January January

2 de Een kind van etcetera

February
February

3 de Een kraamkind van etcetera

15 de Arij van der Hoek. Nalatende drie kinderen etcetera

1797

1798 January

January

2 de Jean etcetera

October
october

4 de Jacob etcetera

9 de Bruno van der Salm, etcetera

Accordeert voor zoo veel het geextraheerde aangaat met voorscreven register, bij mij secretaris der stad Brielle, dezen 28 december 1797.

Was getekend:

T. Brouwers.

Collatio Copia accord

D.H. Escher, schout van IJsselmuiden.

7.16.
Copia C.no 2e.

Was getekend,

Lectori Salutem.

Extract uit het register der begraven lijken binnen de stad Schiedam, beginnende met den 5 january 1786.

Den 25e augustus 1794.

Neeltje van der Zalm,

Gewoond in het Buiten Hofje,

Laat geen kinderen naa.

Accordeert met het voorschreven register, berustende ter secretarie der stad Schiedam, den 22e december 1797, het derde jaar der Bataafche Vrijheid.

Bij mij gezworen clercq,

Was getekend,

T. v.d. Schalk Hz.

7.17.

Copia D. no. 1.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

1700 november den 9

Kinderen: Maria

Ouders: Arien van der Hoek en Neeltje van Salm

Getuigen: Hendrik van der Hoek en Elisabeth van der Hoek

Accordeert met het Doopboek in het hooft dezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den F.J. Brouwer

26 december 1797

Prædikant in den Briel.

7.18.

Copia E.2e.

Was getekend,

Van der Schilt

Lectori Salutum.

Extract uit het Register of aantekening der dooden, begraven binnen de stad Brielle zedert den 8sten april 1679 tot den 30 december 1778.

Den 8 april 1679 begraven etcetera;

1776 january

january

5de Jan etcetera,

8de Marijtje van der Hoek, weduwe Jan van der Bol, nalatende een zoon, etcetera.

Accortdeert, voor zoo veel het geextraheerde aangaat met voorscreven Register, bij mij secretaris der stad Brielle dezen den 28 december 1797.

Was getekend,

F. Brouwer,

Secretaris.

7.19.

Copia E.1e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in de stad Briele.

1732 5 september

Kinderen: Arij

Ouders: Jan van der Bol en Marijtje van der Hoek

Getuigen: Neeltje van der Salm

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft dezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den 26 December 1797

F.J. Brouwer Prædikant in den Briel.

7.20.

Copia E. 2e.

Was getekend.

Lectori Salutem.

Extract uit het register der persoonen, overleeden of begraven binnen Rotterdam, begonnen den 6 juny 1779.

Arij van der Bol hebbende gewoont in de Langebijnstraat en op den 25 october 1781 op het Westerkerkhoff alhier begraven.

Accordeert met het voorschreven register bij mij als koster van de kerken der stadt Rotterdam op den 27 december 1797.

Was getekend,

Cornelis Brouwer F:zoon, 1797.

7.21.

Copia E.3e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

1763 januari den 29

Kinderen: Pieter

Ouders: Arij van der Boll en Margrita de Baan

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek an ’t hooft dezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den 26 december 1797

F.J. Brouwer Predikant in den Briel.

7.22.

Copia D. No.2e.

Was getekend,

Van der schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

1699 maart den 3den

Kinderen: Anna

Ouders: Arien van der Hoek en Neeltje van der Salm

Getuigen: Elisabeth van der Salm

Accordeert met het Doopboek in het hooft dezes gemelt.

Quod testor,

Was getekend,

Brielle den 26 december 1797.

F.J. Brouwer Prædikant in den Briel.

7.23.

Copia F.1e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in de stad Briele.

1736 april den 29

Kinderen: Arij

Ouders: Kristiaan Korkhuisen en Anna van der Hoek

Getuigen: Marie van der Hoek

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft deezes gemeld.

Quot testor

Briele den 26 december 1797

Was getekend, F.J. Brouwer, prædikant in den Briel.

7.24.

Copia F.2e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het register of aantekening der dooden begraaven binnen de stad Brielle zedert den 8 april 1679 tot den 30e december 1778.

Den 8 april 1679 begraven etcetera:

1763.

1763 1 januari, Een kind van etcetera.

Juny Den 2, Een kind van etcetera,

Johanna van der Hoek weduwe van Christiaan Kulkhuysen etcetera.

Accordeert voor zoo veel het geextraheerde aangaat, met hett voorscreven register bij mij secretaris der stad Brielle dezen 30 december 1797.

Was getekend,

T.Brouwer.
7.25.
Copia D. no3e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in den Briel.

Anno 1714 Meertius den 11 dito

Kinderen: Arien

Ouders: Arien van der Hoek en Neeltje van der Hoek

Getuigen: Dirk van der Hoek en Cornelis van der Hoek

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft deezes gemeld.

Quod testor,

Briele den 26 december 1797

Was getekend, F.J. Brouwer Prædikant in den Briel.

7.26.

Copia G.1e.

Was getekend,

Van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de groote kerk der Gereformeerde Gemeente in de stad Briele.

1738 augustus den 17 dito

Kinderen: Anna

Ouders: Ari van der Hoek en Jacoba Mensy

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek in ’t hoof deezes gemeld.

Quod testor,

Was getekend,

Briele den 26 December 1797

F.J. Brouwer, Predikant in den Briel.

7.27.

Copia G.2e.

Was getekend,

van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboerk van de kleine kerk der Gereformeerde Gemeente in Den Briel.

1741 Februari Den 5.

Kinderen: Adriana

Ouders: Arij van der Hoek en Jacoba Mensy

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek in ’t Hooft dezes gemeente gemeld.

Quod testor – was getekend:

Briele den 26 December 1797.

F.J. Brouwer Predikant in den Briel.

7.28.

Copia G.3e.

Was getekend,

van der Schilt.

Lectori Salutem.

Extract uit het Doopboek van de kleine kerk der Gereformeerde Gemeente der stad Briele.

1755 November den 19.

Kinderen: Adriana

Ouders: Arij van der Hoek en Jacoba Mensy

Getuigen:

Accordeert met het Doopboek in ’t hooft dezes gemeld.

Quod testor – was getekend:

Briele den 26 december 1797

F.J. Brouwer Predikant in den Briel.

Nummer 8.

1761 Den 23 augustus is mij vaeder Simon H. Fleurij de klok half 9 uur overlede en in de franse kerk begraeve saterdags.

Anno 1756 den 4 november is mij moeder Anna Elisabet Strikkers te Campen overleden en in de franse kerk den 12 dito begraven.

Nummer 9.
Copia..

Extract uyt het protocol der stadt Elburg.

Compareerde voor heeren schepenen en secretaris der stadt Elburg vrouwe Josina van Erkelens in huwlijk hebbende de heer Hessel van Lawijk in desen getreden uit de momberschap van haer eheheer en soo veel dienstig geassisteert met Hendrik Claessen Top, welke geexhibeert heeft een besloten testament voor heren schepenen en secretaris deser stad in desen mede als geerfdens in Veluwen op den tienden martie 1732 door vrouwe Bartha ten Holte weduwe wijlen de heer burgermeester Joost van Erkelens als ook door vrouwe comparante gepasseert ende versogt dat het selve omtrent sijne segelingen en teekeningen voorts het aengebondene swart lintjen als anders mogte werden gevisiteert, geopent, gelesen en ten protocolle van dese stad geregistreert om te strecken nae behoren dat hetzelve diesweegen geexamineert en in alles bevonden is ongeschonden en ongevitieert en dat op deplica geschreven stond; aldus compareerden voor schepenen en secretaris onderbenoemt in desen mede als geerfdens in Veluwen vrouwe Barta ten Holte weduwe wijlen de heer burgermeester Joost van Erkelens alsmede vrouwe Josina van Erkelens in huwlijk hebbende de heer Hessel van Lawik die gebeden sijnde uit de momberschap hares ehemans voornoemt en beide de comparanten wederom geassisteert met den secretaris Toewater, gaende en staende en hare vijff sinnen magtig overdenkende de broosheit hares levens, sekerheit des doods en onsekere uure van dien, hebben verklaart dat sij comparanten in dit besloten papier hare uyterste wille vervat hebben willende en begerende dat dese hare dispositie, als testament codicil of gifte ter oorsake des doods of onder de levendigen omnimeliori modo moge verleenen en bestendig sijn al waren alle solemniteiten nae regten daeraen niet geobserveert dies ten waren oirconde hebben wij Egbert Jan van Ommeren en Derk Christiaen Tulleken en Heimerik Toewater als schepen en secretaris dese nevens stads secreet segul eygenhandig getekent en besegult

9.2.

in Elburg den tienden marty 1732. Was getekent E. J. van Ommeren, D.C. Tulleken, H. Toewater secretaris en was met drie cachetten gedrukt in roden lacke, gemanieert nevens het segul van dese stad in roden wasch gedrukt en een swart lintjen aen het selve gebonden, luydende de ingeslotene dispositie als volgt:

Wij vrouwen Bartha ten Holthen weduwe wijlen den heere Joost van Erkelens, in leven burgemeester der stad Elburg en Josina Johanna van Erkelens, ehevrouwe van den hoogedelgeboren heere Hessel baron van Lauwijk overdenkende de sekerheid des doods en de onseekere uire van dien, hebben alvorens over onse gereede en ongerede goederen ons door den goedertieren en God genadelijk verleent willen disponeren ten dien eynde voor af revocerende, dood en te niet doende alle onse voorgaende dispositien en maekingen hoe die gemaekt moge werden, het sij afsonderlijk het sij gesamentlijk met yemant gemaakt.

Revocerende mede testatrice mede speciael sodane clausulen, continerende dispositie over hare goederen voor soverre dese hare dispositie mogte contrariëren en welke vervat staen bij huwlijkse voorwaerden den eersten october 1708 met voornoemde haren eheman opgerigt ende comende ter dispositie soo instituere ik vrouwe Bartha ten Holthe weduwe wijlen welgemelten heer Joost van Erkelens tot mijne universele erfgenaem mijnen voornoemde dogter Josina Johanna van Erkelens in huwlijk hebbende den welgemelten heer Hessel van Laeuwijk in alle mijne nae te laten goederen actien en crediten waar en op wat plaatse gelegen met desen verstaende dat deselve in de legitime portie vrij onbeswaart geinstitueert blijft mits nogtans de verde goederen buiten de legitime portie nae dode van meergemelte mijne dogter bij fidei commis sullen retourneren en devolveren op mijne

9.3.

mijne ende haere nae te noemen erfgenamen te weten de kinderen en de kintskinderen van wijlen mijnen neef Gerard van Mijnningen in leven burgemeester der stad Zalt Bommel bij vrouwe Geertruida Buschman in echte verwekt soo engelijk hierna sal werden gespecificeert.

Doch geconsidereert het met apparent, maer om het bereik veur jaeren van gemelte mijn dogter genoegsaem seeker en buiten twijfel is dat uit het huwlijk van meergemelte mijne dogter met welgemelte haren voornoemde eheman geen kinderen staan geprocrieert te worden, soo hebben wij testatricen eygener motive en uit sonderlinge affectie en genegentheid voor de kinderen en kindskinderen van wijlen onsen gemelten neef Gerard van Mijnningen verder gesamentlijk en afsonderlijk gewilt en begeert, willende en begeren mits desen wel expresselijk , niet alleen bij forme van laaste uiterste wille en testamentaire dispositie die wij bij desen mede onherroepelijk en onveranderlijk maken maer ook bij forme van speciael contract soo en gelijk het selve best nae regten kan valideren en onveranderlijk maeken dat nae doode van ons beyden alle onse na te latene gerede en ongerede goederen actien en crediten waar en op wat plaatsen gelegen, gout silver gemunt en ongemunt, juwelen klederen etcetera in voegen hier nae volgende sullen devolveren erven en versterven in vier egale portien op dese onse naer te noemene erfgenaemen, legaterende wij testatricen alvorens aen de kinderen van de heer Jan Gijsbert Sandbergen, scholtus tot Elburg bij vrouwe Anna van Ingen in egte verwekt ons geregte vierde part van den aenwas met andere gemein mitsgaders nog een stukjen bouwland genaamt het Wijne Goor beyde in den amte van Doornspijk gelegen. En

9.4.

En aan de kinderen van burgemeester Herhem Jacob van Erkelens een campje hooyland leggen voor de Goorpoorte genaemt de Koeweyde.

Ende aan onse nigt Margreta Comner een som van vijfhondert guldens eens, soo nogtans dat inval onse nigt voor de langst levende van ons quam te overlijden, deese vijfhondert gulden sullen verblijven aen onse hier nae geinstituerde erfgenaemen alle nog aen onse nigt Everharda Henrica Sandbergen, getrout met Rijnvis van der Horst een somme van hondert gulden eens beyde staende gevestigt in het Bosschenbroek tot Vaessen; item aen onse nigt Arnolda Folker, weduwe Mestebiers een somma van vijfhondert guldens eens, mits nog tans mede dat inval nigt Arnolda Foelken voor de langstlevende van ons quam te overlijden de gemelte vijfhondert guldens sullen sijn en verblijven aen onse hier nae geinstitueerde erfgenaemen.

Ende laestelijk ongedacht aen onse nigt Gerarda van Minningen, dogter van wijlen captein van Minningen de somme van vijfentwintig gulden eens mitsgaeders nog ses hembden met drie letters getekent alles nae onsen beyden dood in voegen voorschreven uit te keeren ende instituerende dien volgens in het eene vierde part de kinderen van wijlen onse neeff Georguis Godofridus van Mijnningen bij vrouwe Catrina Elijsabeth van Bijstervelt in egte verwekt.

In het tweede vierde part het kind van onse nigt Johanna Cornelia van Mijnningen, bij wijlen den heer Niclaes Lehalleur geprocreëert mitsgaders de verdere kinderen soo deselve onse nigt uit enig ander wettig huwlijk mogte procre-

9.5.
procreëren.

In het derde vierde part onsen neeff Gerard van Mijninngen, dijkschrijver in Bommelerweert en schepen der edele en H.O. gerigte van Thyl en Zuilichem. In het laeste vierde part ons neeff Matthijs Huijbertus van Mijnningen, schepen en raad der stad Zalt Bommel willende en begerende dat dese onse laaste en uiterste wille en testamentaire dispositie naar onsen dode sijn effect sal sorteren ’t sij als testament codicil legaet gifte ter oorsaak des doods ofte onder den levenden ende wel speciael mede als een onderling contract en overkomste. Soo en gelijk het selve best nae regten sal mogen bestaen; schoon enige solemniteiten hier toe gerequireert niet waren geobserveert, hebbende tot verdere ende volle corroboratie dese onsen laesten en uiterste wille testamentaire dispositie, contract, overkomst eygenhandig geschreven en beyde onderteykent op den tienden maert 1732 en gesegult.

Was getekent: Bartha ten Holten weduwe van Erkelens (lectori salutem); Josina Johanna van Erkelens (lectori salutem). Aldus gedaen geregistreert door mij onder geschreven coram Feith et Tulleken. Consulibus den 3 february 1736.

Was getekent: R.O. Schrassert, secretaris.

Lager stond: pro vero extractum en was getekent; R.O. Schrassert, secretaris.

Nummer 10.

Testament van Wilhelmus Everes en Johanna Vos, egtelieden.

Wij Wilhelmus Everes en Johanna Vos, egtelieden in overdenkinge nemende de broosheyd des leevens, de sekerheyd des doods en de onsekere uere en tijt van dien hebben terwijl onse verstandt sinnen en memories ten vollen machtig sijn uyt een vrijje en onbedwongen wille sonder persuatie van ymand goed gevonden niet uyt deese werelt te willen scheyden voor en aleer over onse tijdelijke nalatene goederen waar meede ons den heemel heeft gelieve te zegenen te hebben gedisponeerd wien volgende onse onsterffelijke sielen in de genade Gods hebben aenbevoolen en onse sterffelijke lighaamen tot een eerlijke burgelijke begraffenis alvorens bevoolen hebbende verclaaren onse uyterste wille te zien soo en in manieren als volgt. Eerst en voor af verklaaren wij als nog te inhereren en te persisteeren bij alsodane reciproque lijftugt als wij malcanderen bij dispositie voor de heeren scheepenen deeser stadt in dato den 24 november 1779 ten

10.2.

ten overvloede hebben gedaan, houdende deselve in haar volle kragt en waerde zoodanig af die van woord tot woordt hier in wederom geinsereert waaren, komende tot ’t formeren van deese onse dispositie. Zoo is ‘t dat wij tot erfgenamen stellen de vrouw van Lambert Gerrits Mulder, Johanna van Tongeren, de volgende gerede en ongerede goederen.

Eerst.

Mijn waarde aendeel in de Doornspijker ses in Oosterwolde bij de Gortelse ses gelegen.

Ten tweeden.

Een hoekje buytendijks teegen Jacobs huys geleegen.

Ten derden.

Drie greesen weylandt aent Beginendijkje bij ’t oude kerkhoff tussen Feytenhofs zaaylanden geleegen. Nog een oblegatie groot seshondert gulden met dien verstaende dat alle gemelde ongereede zoo gemelde Johanna van Tongeren huysvrouw van Lambert Gerritz Mulder zonder kinderen na te laaten koomt te

10.3.

sterven dat dan haar oudste broeder of zuster de oudste op straate mag weesen deselve deese goederen zullen erven en dus de selve goederen niet moogen beswaard of vercogt worden. Verder stel ik tot erfgenamen aen den IJsseldijk van ons geleegen goederen als ’t erfje van Jan van Leuwen, de voorste en agterste maate d’Helle en de Caaterhoek ses schepel zaaylant te Veesen in de Luushoek en Smitjes en Bakhuys nieu oever zoo als door ons publieq jaarlix is verpagt, except ’t erfjen van Jan van Leuwe, waarvan jaerlix vijftig gulden zal moeten worden betaelt, welke stuure zal continiweren zoo lange als Jan van Leuwe en zijn vrouw of dogter leeven van deese aen den Ijsseldijk. Op genoemde goederen worden gestelt tot erfgenamen den drie kinderen Arent, Geertje en Everdina Vos in egt verwekt bij Egbert Vos en Egbertje vam Zoes zullende deese goederen tot den mundigen dag vant jonkste kindt verpagt worden en de pennigen door de excuteurs ontfangen en bewaard worden welke excuteurs van ons zijn genoemd zijnde Gerrit Dwars en Pouwel Westhoff Gz. Zoo ene van deese excuteurs kwame te overlijden zoo heeft de langstlevende magt om ene na zijn genoegen te nemen. Zoo

10.4.

Zoo menigmael als zulx gebeurt de gemelde kinderen of wie hoe genaamt met deese hare erfportie niet waaren te vreeden of gecontenteert dan zullen se van haar op genoemde erfportie worden ontstooken en verclaren dan tot erfgenamen van dit gemelde goed bovengenoemde excuteurs. Als nu ’t laaste van deese kinderen koomen te sterven dan zullen de excuteurs erfgenamen van gemelde goederen weesen namentlijk Pouwel Westhoff Gz. en Gerrit Dwars. De drie kinderen met deese dispositie te vreeden zijnde zoo zal de jaarlixs verpagtinge geschieden als van ouds en dan ’t laaste kind mondig zijnde zal ’t geld aen de in levende zijnde kinderen worden overgetelt genietene de excuteurs voor haer moeyte en arbeyd ider jaarlix drie ducaaten en de conditi gelden niet moogen verhoogen.

Vorder stel tot erfgenamen voor deese navolgende gerede en ongerede goederen onse dogter Susanna Anna Boeduijnx, weduw van Johannes Everes

10.5.
Eerst.

Ons huys agter en pakhuys door ons selfs bewoont en gebruykt met altgeen in ’t selve worde bevonden hoe genaemt.

Ten tweeden.

Onse groote hoff voor de Goorpoorte aen de Weerdhoogte en in de Bredegang als mede het kleyne hofje daer schuyns tegenover aen de Bredegang kennelijk gelegen.

Ten derden.

Onse erve aen de Hoogewegh op de Werfhorst zoo door mijn van den boedel van wijlen d’heer van Dedem is aengekogt en zig thans bevint. Zoo vermeerdert van mevrou Spaen met ½ mud zaaylandt en vermindert door ‘t verkoopen van twee hoekjes wijdelant die daar dus niet meer bij zijn.

Ten vierden.

Een bos bij ’t erve van de weduw G. Vos en Jan Munnik geleegen, van de weduw Arent Wijne aengekogt.

Ten vijfden.

Een bos aen Hendrik Tops wegh van J. van Vaasen en zijn vrouw Teunigje aengekogt.

Ten sesden.
10.6.
Ten sesden.

6 Greesen aen de Zoomerdijk van Aalt Eijbersen en Teune Hendrik aengekogt.

Ten sevende.

Een haagen in Oosterwolde naast Morren , ’t erf van baron van Oldenbarneveld kennelijk gelegen.

Ten agsten.

Een halve toebaksschuur in gemeenschap met monseigneur J. Munnik en wat verder tot dat fabriek behoord met alle haar nut en onnut voor- en nadeelen actien crediten lusten en lasten zoo in de coopmanschap alle boecschulden te ontfangen en de daer uyt voortvloejende te betalen al nog te betalen alle onse lossige schulden van onsen boedele blijvende ook ten haaren prophijte. Alle contanten oblegatien met een woord al wat tot voordeel en beswaar van onsen boedel word gevonden. Ook zal zij gemelde onse dogter ons verpligt weesen na overlijden ordentelijk borgelijk te doen begraaven laatende ’t bestier van de begraffenisse geheel aen haar orders over.

10.7.

Verder stelde tot erfgenamen van onse 8 greesen in Oosterwolde van wijlen burgemeester Brouwer en E.H. vrouwe aengekogt, Gerrit Hengeveld Wz. en Maria Geertruy Boeduynx egtelieden. Verder worden tot erfgenamen van onse elf huysjes in den Endenhoek gesteld de diacony van Elburgh mitz zorg draagende dat de selve sindelijk bewoont en ordentelijk onderhouden worden.

Eyndelijk zoo zal aen onse meyt worden gegeven die bij den langst overlevende van ons testementmakers woont de zomme van twee hondert guldens eens sonder meer als zijnde ’t geveu van rouw door haer wel edele en agbare verbooden welke twee hondert guldens door onse dogter als boedelschult zullen worden voldaen binnen jaar en dag voor behoudenis de testementmaakers bijde en ieder voor sigh haar regt uyt kragt van huywelijksvoorwaerden elcanderen gegeven ook hebben wij testementmakers in onsen boedel gestelt tot excuteurs G. Hengeveld Wz. en de weduw Everex. Zoo onvermoedelijk ietz menselijk met de excateur of onse dogter voorviel heft de langstlevende vrijheyt om een andere daarvoor te mogen bij noemen […] lende de gemelde excuteurs Exctelijk

10.8.

deese onse uyterste wille doen nakoomen en buyten regten ten costen van de revenuen den boedel ja van den boedel zelfs zonder verantwoordig van niemand dus aen den excuteur testamenten zoodane magt gevende als na constumen deeser lande zijn competerenden, waar mede wij Wilhelmus Everes en Johanna Vos egtelieden onse testamentaire dispositi eyndigen. Hebbe wel expresse gewilt ende begeert dat deselve sullen bestaen en effect sorteren het zij als een constitutie van tugt testament codicil legaat off donatio ad piof usus gifte ter saake des doods off nae deselve op ’t favorabelse na regten gemainteneert worden ab waaren alle solemniteyten nu regten hier na behoren met geobserveert. Des ten ware oirconde hebben wij egteluyden boven gemelde deese eygenhandig getekent en besegelt met intenti om deselve in duplo besloten aen een wel edele gerigte ten fyne van transfix met een stads zegel over te geven.

Actum Elburg den 20 september 1781.

Was getekent,

Wilhelmus Everes.

Johanna Vos.
10.9.

Deze actens van aperture, inliggende dispositie benevens de superscriptie ten protocolle der stad Elburg geregistreerd ten overstaen der heeren præsidenten Tulleken en Sels tot den 17den april 1783.

Bij mij,

Herman Henrik Vitringa. 1783.

Nummer 11.

Wij Johan Bu rchard Tulleken en Jan Rutger van Oldenbarneveld & Maurits Sels schepenen en Herman Henrik Vitringa secretaris der stad Elburg doen kond en certificeeren hier mede, dat voor ons gecompareerd zijn Gerrit Hengeveld Wz. & Susanna Anna Boeduynx, geadsisteerd als rechtens met J. de Fluiter ten sterfhuize ( mede in præsentie van Lambert Gerritszen Mulder & Johanna van Tongeren geadsisteerd met haren man, Hendrik Duutman wonende te Harksen onder Wijhe in de provintie van Overijssel, voogd der onmondige kinderen van Egbert Vos & Egbertjen van Soes, Arend, Geertjen & Everdina Vos, voords Gerrit Dwars wonende onder Heerde (doorh.: & Pauwel Westhoff Gz., wonende onder Heerde) & Pauwel Westhoff Gz., wonende te Vorgten mede onder Heerde in qualiteit van executeurs van de erfenis der drie boven gemelte kinderen).

Hebbende gemelte executeurs Gerrit Hengeveld & S. A. Boeduynx geadsisteerd als boven. Aan ons overgegeven twee met vier cachetten geslotene papieren, die volgends der zelver superscriptien en opgeschrevene verklaringen in dato den 20 septenber 1781 voor schepenen en secretaris dezer stad gepasseerd, zouden behelzen de testamentaire dispositie van de bovengemelte ehelieden, met

11.2.

met verzoek, dat naar voorgaande visitatie van het een en ander en recognitie der zegelen naar behoren door ons, dat besloten papier geopend, gelezen en vervolgends ten protocolle dezer stad geregistreerd mogt worden in voegen zulks naar ordre en ten effecte als naar rechten word vereischt; dat wij vervolgends het een en ander hebben gevisiteerd, de zegels en ondertekeningen geexamineerd en alles gaaf ongeschonden en zonder eenige cancellatie hebben bevonden en vervolgends naar aperture daar in gevonden de dispositie, zo als die superscriptien en inliggende dispositien door den secretaris zijn op en voorgelezen in præsentie als boven. Zoals ’t een en ander onder ’t cachet van den secretaris is getransfixeerd, om daarvan de nodige registrature te doen en te laten geschieden gelijk zulks behoord. Ten teken van waarheid is deze bij ons voornoemde schepenen en secretaris getekend & gezegeld en daar boven met onzer stede secreet zegel gecorroboreerd op den 9den van april 1700 drie & tachtig.

J.B. Tulleken. J.R. van Oldenbarneveld. M. Sels. Herm. Henr. Vitringa 1783, secretaris.

Nummer 12.

Voor de onderbenoemde leden van de magistraat der stad Elburg de laatste ten dezen als secretaris van welgemelte stad fungerende, compareerde vrouwe Diderica Maria Olders, weduwe wijlen den predikant Martinus Vitringa, zijnde zij vrouwe comparante bij blijkenden verstande en zo veel nodig geadsisteerd met den als secretaris in desen fungerende, als haaren gekoren momber. Dewelke verklaarde over haare tijdelijke natelaten goederen te hebben gedisponeerd op volgende wijze.

Vooraf verklaarde zij vrouwe testatrice te revoceren te annulleren dood en te niet te doen alle vorige dispositien kracht uiterste wille hebbende bij haar gemaakt (doorh.; en gepasseerd) speciael mede haar testament op den 15 november 1798 voor schepenen in Campen gepasseerd, welke zij wil dat geen effect zullen sorteren.

En alnu van nieuws disponerende verklaarde zij testatrice zoo ter voldoening aan de intentie van haare overledene echtgenoot, als (doorh.: onleesb.) uit (doorh.: onleesb.) hare eigen verkeering te legateren aan Martinus Vitringa van Grasveld eene obligatie groot duizend guldens op het Comptoir van Vollenhove, en aan Diderica Maria van Grasveld mede een obligatie groot duizend guldens op het zelfde Comptoir, of wel zodanige effecten op schuldbrieven als bij de te doene conversie in plaats van de gemelde obligatien zullen worden afgegeven met bepaling echter (doorh.: om) dat dezelve (doorh.: niet te mogen verkopen hun leven lang geduurende maar te laaten onder administratie en bewaringe van haren na te melden executeur (doorh.: om) blijvende (ingevoegd: doorh.: onleesb. testatrice) de haare overige nalatenschap deelbaar tusschen haar intestate erfgenamen).

effecten tot dat de voornoemde respective[.] legatarissen zullen zijn gekomen tot den

ouderdom van 28 jaren eerder huwelijk of anderen geapprorbeerden j[..] sullen moeten blijven berusten onder de (doorh.: onleesb.) en […]van den natemelden executeur of deszelfs ge[..]tueerden welke jaerlijks de interessen wil uitkeren om tot derzelve educatie of alimentatie te worden gereserveerd, aan die genen [.] waren zulks (doorh.: onleesb) zal behoren

12.2.

en voorts noch met dien verstande dat indien de voornoemde legateurs of een van (doorh.: deselve) hun voor den […] mochte komen te overlijden, het (doorh.: onleesb.) aan de overledene […] gelegateerd en sullen in vrijen eydendom zal om […] op derzelver moeder Aebigael Martha Vitringa, huisvrouw van den heer Carekl Hendrik van Grasveld indien zij alsdan noch in leven mochte zijn, en bij vooroverlijden van deselve op de ver[..] (doorh.: onleesb.) den noch in leven zijnde […] en […] van voornoemde vrouwe Abigail Martha Vitringa ingevolge het versterfrecht (doorh.: onleesb.) vigerende ter plaatse daar de voornoemde legatarissen of een van hum zal […] te overlijden, daar […] (doorh.: onleesb.) […]. Dat al hetgeen de vrouwe testatrice van den bij haar overlijden zal haar na te laten (doorh.: onleesb.) zal worden geerfd door haar (doorh.: onleesb.) kinderen en […] (doorh.: onleesb.) zodanig als deselve welke haar ab intestato moeten […] en G meede[…] van elk [..] het geen hen is gelegateert zal uitreiken.

Stellende zij vrouwe testatice tot executeur (doorh.: en) van dit haar testament, en administrateur over (doorh.: he) de hier voren beschreven legaaten midsgaders redder van haaren boedel en nalatenschap en besorger van hare burgerwens haar zoon meester Lambertus Julius Vitringa woonende in ’s Haage, den zelvenen daar toe verleenend alzodane ampele magt en gezag als aan executeuren administrteurs en boedelredders in rechten kan of mag gegeven worden speciael mede (doorh.: om) van adsumtie en surrogatie, mitsgaders aan alle gerede, en ongerede goederen en effecten des boedels te mogen verkoopen en transporteren zonder daar toe eenige auctorisatie of nadere qualificatie der mede erfgenamen of van ymand anders nodig te hebben en omme het zuiver rendement des boedels alleen aan de gezamenlijke erfgenamen uittereiken, en zullen inval opgedagte (doorh.: mijn) haaren executeur testamentair op haar overlijde mit present mogt zijn met assumtie van de secretaris, D. Hoefhamer alhier woonagtig dewelke in dat geval speciael word gelast om haar sterfhuis intetreden en provisioneele nodige arrangementen te maaken tot de overkomst (doorh.: ofte) en præsentie of nadere voorziening van (doorh.: weegen) haaren executeur (doorh.: onleesb.) vornoemd.

Al hetgeent voorschreven verklaarde zij vrouwe testatrice te zijn haar uiterste wil en begeerte welke wille dat na haare dood zal valeren en effect hebben als testament codicil legaat fidei commissair verband, gifte onder de levende ofte oorzake des doods en voorts op alle beste wijze.

Nummer 13.

Compareerde voor onderbenoemde scheepenen en secretaris der stad Elburg Jan van der Beek, siek te bedde leggende, doch sijn verstand, memorie en uytspraak volkomen machtig, in overdenking nemende de sekerheid des doods, en de onsekerre tijd en ure van dien, en uyt deese wereld niet willende scheiden, voor en alleer over sijne tijdelijke goederen hem van God almachtig verleent te hebben gedisponeert. Soo verklaarde den comparant - tot deese sijne laaste off uyterste wille overgaande -

vooraff te annulleren en casseren en te niete te doen, alle zodaene testamentaire dispositien, welke den comparant ’t zij met sijn vrouw, ’t sij naederhand afsonderlijk voor sich selve mogte gemaakt hebben speciaal die dispositie voor schepenen en secretaris der stad Elburg op den negenden october 17 hondert vijffentachtig gepasseert, deselve herroepende, en buyten effect stellende bij deesen.

En allnu tot deese sijne laaste dispositie overgaande, so verklaarde den comparant uyt vrijen wille, zonder inductie off persuasie van iemand tot sijne eenige en universele erffgenamen van alle sijne natelatene goederen te institueren, en te nomineren doende sulks kragt ende mits deesen mijnen neeff Evert van der Beek Hz., in huwelijk hebbende Wobbina Magdalena Bigge, en bij vooroverlijden van deselve haarlieder kind off kinderen onder dese conditie nochtans dat deese mijne geinstitueerde erffgenamen uyt mijne naelatenschap zullen uytreiken deese volgende legaten.

1e. Aan Jan Brummel in huwelijk hebbende Evertje van der Beek een huys en erve kennelijk staande in de Susterenstraat naast het huys bij de jood Emanuel Wolff, de woont, ende gansen Steeg ter andere zijde, vlak over het huys van comparant selve door Evert van der Beek Hz thans bewoont vordende

13.2.

met deese restrictie nochtans, dat wanneer voernoemde Jan Brummel en vrouw dit aan haar gelegateert huys off selvs komen te bewonen, off door een ander daar in nog door den eygenaar, noch huurder, geen winkel hoe genaamt, sal mogen gedaan worden.

En sullen voornoemde Jan Brummel en vrouw hier voren genaemt bovendien noch profiteren, en genieten eens eene somme van twe hondert guldens hollandsch, welke penningen benevens het huys door mijne gemelte geinsitueerde erffgenamen ½ jaar nae mijn overlijden sullen moeten uytgereikt worden en bij overlijden van haar aan hare kinderen.

2. Aan Zebus van der Beek te Heerde, offte sijne erven een huys en erve staande in den dorpe van Heerde, thans bewoont wordende door Derk Proper, en bovendien mede eene somma van twee hondert guldens hollandsch wel verstaande echter, dat wanneer voornoemde Zebus van der Beek voor mij testateur mogte komen te overlijden, sonder kind off kinderen nae te laten, dat als dan in soo een val mijn geinstitueerde erffgenamen tot geene uytkeringe van dit legaat sullen verpligt, off gehouden zijn.

3. Aan Maria van der Beek eene capitale somma van twee hondert guldens eens sonder meer doch voor den testateur komende te overlijden sal die somma mede door mijne erffgenamen niet behoeven uytgereikt te worden.

4. En ten laasten aan comparants neeff zijnde de oudste van gemelte Evert van der Beek Hz. en Wobbina Magdalena Bigge met name Jan Hendrik van der Beek twe derde parten in Aalts Camp in den Horsthoek in den ampte (doorh.; onder) van Heerde kennelijk gelegen, waar in Hendrik Steenberg een geregte derde part in eygendom toebehoort.

13.3.

met dit exspres beding dat deese gelegateerde camp altoos sal overblijven onder de directie van de vader Evert van der Beek Hz., deselve te verhuren, de pagt daar van te ontfangen, de penningen nae welgevallen te besteden en ook deesnoods de twe voornoemde derde parten te vercopen, mits nochtans dat in het laaste geval, de als dan te provenierene penningen ten meesten nutte van gemelte mijn neeff Jan Hendrik van der Beek door der selver ouderen besteet worden, en in gevalle deese mijn neeff Jan Hendrik van der Beek ’t zij voor, ’t zij nae mij testateur mogte komen te overlijden, dat alsdan dit legaat van gemelte 2/3 parten in Aalts Camp sal vererven en versterven op sijne ouderen E. van der B. Hz. en vrouw Wobbina Magdalene Bigge.

Nummer 14.

Compareerde voor ons onderschreven burgermeesters en secretaris der stad Elburg Fennigje Elderbeek, geadsisteert met Hendrik van Duren, welke haer verstand en sinnen ( so verr ons uitterlike bleek) volcomen magtig, en heeft aan ons overgegeven dit papier, waerin verclaerde haar uitterste wille mede begrepen te sijn, die sij begeerde, dat allesins valeren en na haar dood onvercort haare vorige dispositie voor sover deselve bij desen niet en gealtereert, effect sorteren mag, als testament, codicil, legaat, voorts op alle andere latere wijse, al ware alle solemniteiten regtens niet geodserveert.

Des ’t oirconde hebben wij Dirk Gerrit van Hoeclum en Anthony Barneveld als burgermeeesters nevens Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris van opgemelte stad desen getekent en gesegult en daerenboven met ons stads secreet segul doen corroboreren op den 10 november 1767.

(Get.) DGVHoeclum, ABarneveld, Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

Nummer 15.

Extract uit het protocol der stad Elburg.

Compareerde voor onderbenoemde schepenen en secretaris der stad Elburg Regina Elderbeek, in desen zo veel nodig geassisteert met Cornelis Lansbergen, welke verklaarde in overdenking van de zekerheid des doods en onzekere uure van dien besloten te hebben niet uit deeze waereld te willen scheiden dan na alvorens over haare tijdelijke na te latene goederen te hebben gedisponeerd, in voegen na beschreven, waar toe dan overgaande so verklaarde comparente haar verstand en zinnen zo ver ons uiterlijk gebleken is volkomen magtig sonder persuatie oft inductie van iemand, tot haare eenige en universeele erfgenaame te instituerren en te nomineeren zulx doende mids desen alle de kinderen van haar broeder Jurien Elderbeek so echt als onecht geene uitgeslooten. Voorts te legateeren aan Jan Dalenoord en Barta Koots egtelieden hunne hoff voor de Goorpoorte gelegen en thans bij Peter van Koot in gebruik.

Willende en begerende comparante dat deeze haare dispositie allesins valeere en na haare dood effect sorteren mag, als testament, codicil, legaat, gifte ter zaake des doods, voords op alle andere betere wijze gedaan. Coram Julien en Hoeclum als schepenen en mij Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris van opgemelte stad op den 11e october 1771.

In fidem extracti,

D. Hoefhamer, secretaris.

Nummer 16.

Ik onderschreven Fennigjen Elderbeek bij mij selven overdenkende de sekerheid des doods en de onsekere uyre van dien verclare sonder persuatie of inductie van ymand onvercort mijne vorige dispositie, so verr bij desen niet verandert is, te legateren aen mijne neve Everd Bosch, na doode van mijn suster Regina Elderbeek mijn huis inde (doorh.: Suster) Bloemstraat bij de Saatmert tusschen ’t huis van juffrouw Boeduynx en de weduwe van Rutger van der Heide staande en thans bewoond bij Geerlof Gijsberts weduwe.

Willende en begerende ik onderschrevene dat dese mijne dispositie allesins valere en na mijn dood effect sorteren mag als testament, codicil, legaat ofte op alle andere betere wijse. Des t’ oirconde heb dese betekent in præsentie van Joh. Top en Gerrit Dreessen coopman als hier toe versogte getuyge op den 10 november 1767.

Dat dit merk (een kruis) door Fennigjen Elbeek in onse præsentie eygenhandig is geset op voorscreven datum sulx getuygen wij ondergeschreven.

Joh. Top. Gerrit Driesen, koopman.

Nummer 17.

Ik Fenna Elderbeek weduwe van wijlen Eijbert Olthuis overdenkende de brosheid des levens, sekerheid des doods en de onsekere uyre vandien, hebbe sonder inductie of persuatie van ymand uit een vrije en onbedwongene wille besloten niet uit dese wereld te willen scheiden dan na alvorens invoegen na beschreven te hebben gedisponeert.

Daar toe dan overgaende, so legatere en maake ik aan mijne suster Regina Elderbeek mijn huis alhier in Elburg in de Noorderkerkstraat tusschen de huysen van Jan van Gelders erfgenamen en Gerrit Aardsen staande, egter onder die conditie dat ’t selve bij haar niet vercoft oft beswaert sal kunnen worden maar dat het selve na doode van haar sal vererven en versterven op Hermanus Vos en Gerrigje Bosch egtelieden en bij vooroverlijden van deselve voor mij testatrice op haar kinderen. Edog so opgemelte mijne suster voor mij comt te overlijden, so legatere en make ik voorschreven huis direct aan voornoemde egtelieden off hare kinderen.

Willende en begerende, dat dese mijne dispositie allesins valeren en effect sorteren mag als testament, codicil, legaat fidei commis, gifte ter sake des doods off onder de levende, ofte op alle betere wijse. In waerheids oirconde heb ik testatrice dese getekent in Elburg den 19e january 1767.

Fennetyen Elderbeek.

Nummer 18.

Wij D.G. van Hoeclum en A. Barneveld burgermeesteren (doorh.: der stad Elburg)

en Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris der stad Elburg doen cond en certificeren hier mede, dat voor ons gecompareert en erschenen is Hermanus de Vos, welke aen ons vertoont en overgegeven heeft een gesloten en gecachetteert papier, dat volgens des selfs superscriptie en opgeschreven verclaring in dato den 19e january 1767 voor burgermeesteren en secretaris alhier gepasseert soude behelsen de testamentaire dispositie van wijlen Fenna Elderbeek weduwe van Eijbert Olthuys met versoek, dat na voorgaendes visitatie van ’t een en ander en recognitie der segulen na behoren, door ons dat geslotene papier geopent en vervolgens gelesen mogte worden en ten protocolle deser stad geregistreert invoegen het na ordre en ten effecte als na regten word vereist, dat wij vervolgens ’t een en ander hebben gevisiteert, de seguls en ondertekeningen hebben geexamineert en alles gaaf (doorh.: en) ongeschonden en sonder eenige cuncellatie hebben gevonden en dienvolgens na aperture daerin bevonden de dispositie voorschreven, so als die superscriptie en inleggende dispositie door onsen secretaris sijn op en voorgelesen in presentatie van Everd Bosch, so als ’t een en ander onder ’t cachet van onsen secretaris is getransfixeert, om daer van de nodige registratie te doen en laten geschieden gelijk sulx gehoort. des ‘t

Rechtsboven staat: “Dese acte van aperture testamentaire dispositie en superscriptie geregistreert ten overstaen van de heere Hoeclum en Barneveld (cossbrus?) op den 1 december 1767.

Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris”.

18.2.

Des ’t oirconde hebben wij als burgermeesteren en secretasris bovengenoemt desen getekent en gesegult en daer en boven met ons stads secreet segul doen corroboreren op den 28 november 1767.

D.G. van Hoeclum. A. Barneveld, Gijsb. Gijsb. Sandberg, secretaris.

Nummer 19.

Compareerde voor onderbenoemde burgemeesteren en secretaris der stad Elburg Fenna Elderbeek weduwe van Eybert Olthuis geadsisteert met J. Top, gaende en staende haer verstand, so ons uitterlik bleek volcomen magtig, welke aen ons overgegeven heeft, dit gesloten papier, waer in zij verclaarde hare uitterste of laatste wille vervat te wesen, die zij wilde, dat na hare dood valeren en effect sorteren mogte als testament, codicil, legaat, fidei commis, gifte ter sake des doods ofte onder de levende, voorts op alle betere wijse.

Des t’oirconde hebben wij D.G. van Hoeclum en A. Barneveld als burgermeesteren en Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris van opgemelte stad, desen getekent en gesegult en daerenboven met ons stads-secreet segul gecorrobereert op den 19e january 1767.

D.G. van Hoeclum; A. Barneveld; Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

Nummer 20.

Wij D.G. van Hoeclum en A. Barneveld als schepenen en Gijsb. Gerh. Sandberg als secretaris der stad Elburg, doen cond en certificeeren hier mede dat voor ons gecompareert en erschenen is Harmanus de Vos, welke aen ons heeft vertoont en overgegeven een gesloten en gecachetteert papier, dat volgens desselvs superscriptie en opgeschreven verclaring in dato den 10 november 1767 voor burgermeesteren en secretaris alhier gepasseert soude behelsen der testamentaire dispositie van wijlen Fennigjen Elderbeek met versoek dat na voorgaende visitatie van ’t een en ander en recognitie der segulen na behoren, door ons dat gesloten papier geopent en vervolgens gelezen mogte worden, en ten prothocolle dezer stad geregistreert in voegen sulx na ordre en ten effecte als na rechten word vereijscht, dat wij vervolgens ’t een en ander hebben gevisiteert, de seguls en ondertekeningen hebben geexamineert en alles gaaff, ongeschonden en sonder enige cancellatie hebben gevonden, en dienvolgens na aperture daer in bevonden de dispositie voorschreven, so als die superscriptie en inleggende dispositie door onsen secretaris sijn op en voorgelesen in præsentie van Everd Bosch, so als ’t een en ander onder ’t cachet van onsen secretaris is getransfixeert, om daervan de nodige registrature te doen en laten geschieden gelijk sulx

Rechtsboven staat: Dese acte van aperture, testamentaire dispositie en superscriptie geregistreert ten overstaen van Hoeclum en Barneveld (cossbrus?) op den 1 december 1767.

Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

20.2.

sulx gehoort. Des ‘t oirconde hebben wij schepenen en secretaris bovengenoemt dezen getekent en gezeguld en daer en boven met ons stads secreet segul doen corroboreren op den 8e november 1767.

D.G. v. Hoeclum; A. Barneveld; Gijsb. Gerh. Sandberg, secretaris.

Nummer 21.

Voor de magistraat der stad Elburg compareerde den heer J. Tulleken, wonende alhier te kennen gevende dat de weledele heer, meester Andries Christiaan Boode zoo in qualiteit als eenige overgeblevene executeur van den testamente van wijlen zijn heer comparants zuster mejufrouw Susanna Tulleken als in qualiteit als met en benevens den heer Jan Boes, executeuren van de testamentaire dispositien van wijlen zijn heer comparants broeder, de heer Ambrosius Pieter Tulleken van Hogenhouck en nog hij heer mr. Andries Christiaan Boode, als in plaatse van de overleden heer Jan Kornielis Best gesubintreerde cashouder van deze laatstgemelte boedel en nalatenschap op des zaek van hem heer comparant bij twee onderscheidene actens op den 5 dezer maand september voor en ten overstaan van den notaris Jan Fredrik Meier en getuigen te Amsterdam gepasseerd, de heer Job Seceburn Maij bij zijn edele absentie in zijne plaats

21.2.

plaats in de voorschreven commissien gesubstiticeerden bij deszelfs overlijden daarin gesarrogeerd eerst met zoodanige magt als bij dezelve actens is gemeld. Dat de voornoemde heer mr. Andries Christiaan Boode daardoor niet alleen aan hem comparant en zijnen famille een blijk van vriendschap en verpligting heeft gegeven en hetzelve alzoo, hunlieden volkomen goedkeuring is wegdragende; maar hij heer comparant daar door in de verpligting is gekomen, om zoo wel

21.3.

wel de heer mr. Andries Christiaan Boode als de gemelte heer Jan Boest wegens alle zoodanige verrigtingen als door de voornoemde heer Job Seceburn Maij uit kragt van de voorseide op hem gedisioneerden commissien zullen worden gedaan, buiten eenige verantwoording te stellen en hun edele wegens alle zoodanige nadeligen gevolgen, die onverhoopt daar uit zouden kunnen komen te resulteren te guaranderen vrij kost en schadeloos te houden zoo als hij heer comparant zoo voor zich zijnen kinderen en verdere erfgenamen wel expresselijk verklaard te doen, bij dezen, met belofte hetzelfve ten allen tijden te zullen respecteren, doen respecteren en naarkomen en dit alles onder rementiatie van relief en verband als volgens de wet gepasseerd voor de heeren Wijnne en Vos. Oircond dezer stads zegel en de subscriptie van den secretaris in Elburg den 10 van herfstmaand 1810.

Nummer 22.

Extract translaat.

Testament.

Aan ons ondergeschreven heeft de hooggeleerde Joseph Zeby van Praag versogt zijn testament van woord tot woord te schrijven, wij hebben dan ook van hem vernomen, dat ieder woord door hem wierd uitgesproken met vollen verstand, uit vrijen willen en niet door dwang (’t welk zij verre) ook niet als een bevel van een zieltogenden, maar als een bevel van een gezond mensch, en deeze is d’extensie van zijne woorden;

Aangezien dat de geboorene [..]

  1. Ik begeer dat gijlieden zult neemen uit mijn geld tweehonderd agt & vijftig stuivers, uitmaakende ’t getal van mijn naam Joseph Zeby, en van dat geld zal gegeeven werden aan drie theologanten yder drie gulden ten einde

22.2.

dat zijlieden voor mijne ziel zullen leesen van den dag mijner begraving af tot het einde der dertig dagen des morgens & avonden een capitel van de mischna en agtien psalmen etcetera.

  1. Het overschot van de voornoemde tweehonderd agt & vijftig stuyvers, zal in de zeeven treurdagen uitgedeelt werden aan arme lieden, en die van mijne bloed verwanten zullen geprefereerd werden boven de vremdelingen.
  1. Uit mijne nalatenschap zal aan ymand gegeeven werden twaalf gulden, ten einde dezelve geduurende een geheel jaar voor mij zal leezen des avond en des morgens een capitel van de mischna na ’t ordinair gebed [..]
  2. Ik begeer dat uit mijne nalatenschap voldaan zal werden zo veel als nodig zij tot ’t branden van een ligt gedurende een geheel jaar.

22.3.

  1. Ik begeer dat gijlieden voor mij zult koopen een graft bij de joodsche gemeente te Zwoll, mitsgaders ’t geen vender tot mijner begraving nodig zij, en mij aldaar begraven.
  1. Men zal moeten betaalen aan een iegelijk ’t geen dezelve van mij te vorderen heeft, wat ’t ook mag zijn.
  1. Aan mijne dogter Blommetje zal uit mijne nalatenschap betaald werden twaalf guldens veertien stuyvers die haar competeeren, mitsgaders ’t beloop van vijftien ponden vleesch.
  1. Alle de huysraade, kaggel, fournuise, kisten, kasten, bed als anderssints zullen gegeeven werden aan mijne dogter Blommetje, dat ook ’t geld dat zij mij van ouds schuldig is, aan haar zal blijven geremitteerd.
  1. Aan mijne klijndogter Rebecca geef ik van nu af aan tot eene volmaakte

22.4.

donatio, en niet onder den titul van erfenis, honderd guldens, en aan mijne klijndogter Egla en mijne klijndogter Eva aan yder van dezelve uit d’overschietende penningen. Zullende dat geld op interest in handen van een derden uitgezet werden tot dat zij in staat zullen zijn te trouwen voor haar huwelijks geld.

  1. En ter consideratie dat ik aan mijn klijndogter Rebecca meerder tot præsent als aan mijne verdere klijnkinderen gegeeven heb, zo zal zij gehouden zijn, wanneer zij door Gods gunste, getrouwd zijnde, eenen zoon ter wereld brengt, dat denzelve met mijnen naam genoemt zal werden.
  1. Mijn silver horologie geev ik tot eene volmaakte donatio aan mijnen klijnzoon Joseph, ten einde hij dezelve verkoope en daarmeede betaale leerloon vor hem selvs etcetra

22.5.

  1. Ik geeve van nu af aan tot eene volmaakte donatie aan mijne drie klijnzoonen David, Joseph & Gabriel alle mijne boeken, ten einde, dat dezelve verkogt en derzelver provenuen in drie deelen verdeelt werden, en zo zal daarmeede gehandeld werden.Uit de tweederden zal leerloon betaalt werden voor mijne klijnzoonen Joseph & Gabriel, en ’t laatste derde deel zal zijn voor mijn klijnzoon David, om hem daar voor een convenabel handwerk te laaten leeren.

(in dorso staat)

De geheelen inhoud van dit geschrift hebben wij van woord tot woord uit zijn mond vernoomen, derhalve onderteekenen wij dit om dezelve woorden te bevestigen, alhier ‘t Elburg den 9e dag den 28e Adar Scheny 540 naar ’t klijngetal des

22.6.

Joodsche tijdreekening, overeenkomende met den 4e april 1780.

(waaren geteekent)

Joseph, zoon van den eerwaarde Jacob Abraham zaliger. Jehiel zoon van den eerwaarde Israel zaliger.

(lager stond)

Ik heb meede vernomen zodanige woorden uit de mond van den hooggeleerden Joseph op den 8e Schebat 540 naar ’t klijngetal der Joodsche tijdreekening, overeenkomende met den 15 january 1780.

(was geteekent)

Kalman, zoon van den eerwaarde Abraham zaliger.

Op de voorste pagina onder aan staat ’t volgende:

Ik ondergeschrevene verklaare genoegen te neemen met het testament door wijlen mijn vader de hooggeleerde Joseph zoon van den eerwaarde Ruben zaliger gemaakt

22.7.

en ik wil niet querelleeren, min noch ’t allergeringste daarteegen opposeren nemaar zal uytgevoerd werden zo als ’t zelve beschreeven staat, en tot een blijk heb ik dit onderteekent en mijn bruidegom Samuel Ruben is meede content dat de beveelen van den overleeden volbracht zullen werden, dat de ziele mijnes vaders mag genieten de eeuwige zalighijd benevens verdere rechtvaardige; den 6e juny 1780.

Waren geteekend

Blommetje Josephs, Samuel Ruben.

Getrouwlijk geextraheert en vertaalt uit ’t hebreuwsch & Joods hoogduitsch respective in Amsteldam den 29e october 1781,

Jacob d’Lion Arons, beëdigd translateur.