Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart.jpg

Burgemeester Van Sytzama

Van Sytzama als 'interim-manager', burgemeester van Doornspijk tussen 1911 en 1913.

Met ingang van 1 maart 1911 wordt mr. Maurits Pico Diederik baron van Sytzama door Hare Majesteit benoemd tot burgemeester van de gemeente Doornspijk (1)
Hij volgt de vertrekkende Nicolaas Samuel Rambonnet op. Van Sytzama, tot dan burgemeester van Groenlo en geboren in de buurgemeente Oldebroek, komt in een gemeente die op dat moment diep in de problemen zit. Met het vertrek van Rambonnet betekent het niet dat de voor die tijd gebeurde zaken afgerond zijn. De financiële perikelen zijn echter nog lang niet afgerond en Van Sytzama valt hier middenin. Van Sytzama, wegens ziekte niet eerder ge?talleerd, woont zijn eerste raadsvergadering te Doornspijk bij op 29 maart 1911. Waarnemend burgemeester en oudste wethouder Lammert Boerendans heet Van Sytzama welkom en verricht de officiële installatie. Tijdens deze bijeenkomst houdt de nieuwe burgemeester een uitgebreide toespraak, waarin hij duidelijk laat blijken goed op de hoogte te zijn van de kommervolle omstandigheden waarin hij zijn werk moet beginnen. Wel zegt hij zeer verheugd te zijn in de buurgemeente van zijn geboorteplaats aan de slag te kunnen.
De raad bestaat op dat moment uit de wethouders L. Boerendans en E. Draaier en de leden W. van den Brink, H. Veldkamp, L. Vinke, J. van de Brake, R. Blaauw, W. van de Weg, G. van der Maaten, H. Spijkerboer en J.W. Achter de Molen.

Om enige indruk te geven van de situatie van de gemeente in 1911 volgt hier een korte samenvatting uit het gemeenteverslag over dat jaar (2)
De gemeente Doornspijk telt op dat moment 3732 inwoners, waarvan er 585 staan ingeschreven in het kiezersregister. De scholen in de gemeente worden bezocht door 288 jongens en 239 meisjes. Hiervan gaan er overigens nog geen honderd naar een openbare lagere school. De gemeente besteedt een aanzienlijk bedrag aan steunverlening aan armen en wel ruim f 2858. Dit is bijna twaalf procent van de totale gemeentelijke uitgaven voor dat jaar.
De veestapel bestaat in 1911 uit 446 paarden, 4307 runderen, 735 schapen, 287 geiten, 1630 varkens, ongeveer 6000 hoenders en 283 bijenkorven. Hieraan is goed te zien dat het hier een plattelandsgemeente betreft. Overigens wordt in het verslag nog wel vermeld dat er aanhoudend mond- en klauwzeer heerst. Vooral de kleine boertjes zullen hiervan te lijden hebben gehad. Bij het onderdeel nijverheid wordt melding gemaakt van een stoomzuivelfabriek (de N.V. Altena) met zes arbeiders, een stoommachine met twee ketels met in totaal twaalf paardekrachten. Hiernaast zijn er nog twee korenmolens op een petroleummotor met twee man personeel. Verder is er een zaaginrichting met twee medewerkers en een zaaginrichting met drie personeelsleden. Tot slot is nog vermeldenswaardig dat twee maal per jaar een schapenmarkt binnen de gemeentegrenzen wordt gehouden.

 

"Het muisje wat nog een staartje heeft"

Voordat de installatievergadering van Van Sytzama plaatsvindt op 29 maart 1911 komt de raad op 13 maart al bij elkaar onder voorzitterschap van loco-burgemeester Boerendans. Naast het bericht van Gedeputeerde Staten dat Rambonnet eervol ontslag is verleend - in het vorige artikel hebben we kunnen zien hoe met name de reactie van wethouder Eibert Draaier hierop was - komt er een nieuw probleem opduiken. Het blijkt dat er een lening op naam van de gemeente Doornspijk is aangegaan bij de Nutsspaarbank te Elburg. Het gaat hier om een schuld van drieduizend gulden, waar de raad totaal niets van af wist. Dit betekent de zoveelste onverwachte strop. Tijdens de vergadering wordt dan ook gelijk van fraude gesproken. Besloten wordt het onderzoek hiernaar op te schorten tot Van Sytzama er is en het onderzoek aan burgemeester en wethouders op te dragen.
Van Sytzama neemt na zijn komst al heel snel actie op een punt wat in het verleden ook heeft gespeeld, namelijk de verhuur van de heidevelden. Binnen een maand heeft hij een gesprek gehad met de directeur van de artillerie-schietschool en meer dan de vroeger al geldende afspraak blijkt echt niet haalbaar te zijn.

Van Sytzama houdt zich ondertussen ook bezig met de grote vraagtekens die er waren rondom het beruchte boekje van de ongeregelde uitgaven (wat zich bij Rambonnet bevond). Het gaat hierbij dan tevens om de zogenaamde "rekening Hengeveld" (3)

Het onderzoek levert toch niet de verwachte volledige duidelijkheid op. Men is van mening dat de ontvanger te goeder trouw is, hoewel hier wel enige twijfel over blijft bestaan. De secretaris wordt verantwoordelijk geacht en doordat hij ieders vertrouwen had, kon dit ongemerkt gebeuren. Lang niet voor alle betalingen en leningen is een mandaat afgegeven. Ook notulen van vergaderingen van burgemeester en wethouders uit die tijd zijn er niet, zodat een en ander wel nooit helemaal duidelijk zal worden. De raad concludeert dat burgemeester en wethouders wel van het gebeurde afgeweten moeten hebben.
Wat betreft de lening van de Nutsspaarbank te Elburg: de raad besluit zich niet verplicht te voelen tot terugbetaling van de f 3000 omdat ze als raad nergens van af weten.
Deze reactie levert een conflict op met leden van de Elburger gemeenteraad. Zij vinden dat de gemeente Doornspijk wel degelijk de verplichting tot terugbetaling heeft en hierdoor de spaarbank te Elburg in grote problemen brengt. Mede in verband met deze zaak wordt besloten om een commissie te benoemen die een onderzoek gaat uitvoeren naar de financiële onregelmatigheden (4)
Ondertussen heeft Draaier enkele vergaderingen voor dat besluit tijdens de rondvraag een tiental vragen ingediend over het gemeentebeheer. Deze vragen worden door Van Sytzama beantwoord. Er blijkt door het college onderzoek gedaan te zijn in de gemeentelijke stukken. Hieruit blijkt ondermeer dat de ontvanger heeft geprobeerd zelf een en ander weer recht te trekken. De ontvanger wordt alleen aansprakelijk geacht voor die situaties waarin hij betalingen heeft verricht zonder hiervoor een mandaat te hebben. Onbekend blijft of de secretaris geld heeft achtergehouden. De wethouders waren maar gedeeltelijk op de hoogte en gingen er - hoe naïef dan ook - van uit dat het allemaal wel wettelijk in orde gebracht zou worden.
Begin 1912 wordt in de raadsvergadering meegedeeld dat de vroegere secretaris A.J. Veldhoen failliet is verklaard en dat de gemeente een bedrag van f 72,09½ is toegewezen. Dit bedrag is ruim 24 % van de vordering die de gemeente op hem had.

 

De commissie rapporteert over de financiële onregelmatigheden

In de raadsvergadering van 12 januari 1912 doet Draaier als voorzitter van de commissie verslag van de bevindingen tot dan toe. Hij vertelt dat de commissie de taak wat ruimer heeft opgevat dan oorspronkelijk geformuleerd; ook wordt onderzoek gedaan naar de vervalsingen van mandaten en rekeningen. Hij vraagt tevens om het rapport door een deskundige te mogen laten schrijven om later problemen te voorkomen. In het geheime deel van de vergadering blijkt dat er al een rapport is uitgebracht door een zekere mr. De Wilde te Arnhem. Met dit rapport is de commissie het echter niet eens. Draaier drukt door dat mr. Van den Oever te Kampen het rapport gaat schrijven. (5)
Ter vergadering onderstreept Draaier het belang van alles door te spreken over "gevaar, zelfverdediging, noodweer, Russische toestanden op Christelijke grondslag" en meer.
Draaier voelt zich in zijn streven tot gerechtigheid zeker niet door ieder serieus genomen. Zo weigert hij kort daarna de kohieren van de hoofdelijke omslag mee vast te stellen. Naar zijn mening is de "gewone man" de dupe van de verduisteringspraktijken. Hij verlaat dan ook de vergadering, hierin gevolgd door Van Binsbergen, Veldkamp en L. Spijkerboer. De overgebleven raadsleden stellen overigens de kohieren vervolgens gewoon vast.
In de vergadering van 27 juni 1912 wordt het rapport van de commissie en deskundige van 6 mei besproken. We proberen hier een korte samenvatting van het rapport te geven.
Van de in de rekening opgenomen betalingen ten behoeve van de armen blijkt uit getuigenverklaringen slechts een klein deel werkelijk uitbetaald te zijn. Bovendien zijn er ongetekende verklaringen en vervalste mandaten. De door de ontvanger uitgekeerde voorschotten werden later aan hem terugbetaald. Hier bleken behoorlijke verschillen in te zitten, waarmee voor een deel de rente voor de onwettige lening is betaald. De veldwachters tekenden gefingeerde mandaten voor niet uitgevoerd en niet betaald werk. Ook werden door burgemeester en wethouders mandaten, op naam van particulieren gesteld, aanzienlijk verhoogd. Er werd een geregelde en een ongeregelde boekhouding gevoerd. Zowel het college als secretaris en ontvanger hebben geweten van de onjuiste handelingen. De kascontrole werd vier maal per jaar door het college uitgevoerd, waarbij een kastekort door verhoogde mandaten werd opgevangen. Burgemeester Rambonnet moet van veel op de hoogte zijn geweest. Vooral in verband met de schoolbouw is veel vervalst en zijn gefantaseerde rekeningen ingediend. Getuigenverklaringen bevestigen dit. De commissie heeft de voormalige burgemeester uitgenodigd om hem te horen, maar deze heeft hier geen gevolg aan gegeven. (6)
De commissie acht het niet nodig zelf uit het rapport conclusies te trekken en voegt een zestiental getuigenverklaringen als bijlage bij het rapport.
Tot zover het rapport van 6 mei 1912. In zijn toelichting zegt Draaier dat er veel geld weg is en dat niet aan te geven valt waarheen dit is verdwenen. Volgens hem houdt het feit dat Rambonnet niet is verschenen voor de commissie in dat deze niet onschuldig is. Dan gaat het Van Sytzama te ver en hij valt Draaier in de rede met te zeggen dat het niet aangaat om iemand die zich hier niet kan verdedigen zo te beschuldigen, waarop Draaier mokkend opmerkt dat al het onderzoek toch niet schijnt te baten.
Uit het verweerschrift van Rambonnet van 26 juni blijkt overigens dat deze er een heel andere visie op na houdt. Hij stelt geen enkele reden te zien om voor die zogenaamde commissie te verschijnen. Zeker niet omdat de commissie (en eigenlijk impliceert hij datzelfde voor de raad) bij haar onderzoek zich niets heeft aangetrokken van het onderzoek van de Commissaris van de Koningin en van het onderzoek van de Minister van Justitie. Beiden hebben immers verklaard dat er geen reden is Rambonnet te beschuldigen van fraude en overige ongeoorloofde praktijken. Tot slot adviseert hij de commissie zich niet verder belachelijk te maken en zich maar liever bezig te houden met het belang van de gemeente.
Hierop reageert Draaier in een aan de raad gerichte (overigens niet behandelde) brief waarin hij Rambonnet schuldig acht aan vervalsingen en onwettige boekhouding. Hij nodigt Rambonnet uit om zich publiekelijk te verdedigen.

In feite is hiermee de zaak afgedaan. Er wordt verder geen aandacht meer aan besteed. Enkel het probleem met de lening bij de Nutsspaarbank te Elburg blijft nog bestaan. In 1914 vinden we in de notulen van de raad terug dat in het proces wat is gevoerd uiteindelijk een schikking tussen gemeente en bank wordt getroffen.

 

De rust nog niet weergekeerd

Na het "afsluiten" van dit zwarte hoofdstuk in de geschiedenis van de gemeente keert de rust niet onmiddellijk weer terug. Al in oktober 1912 komt in de raad een voorstel van acht raadsleden aan de orde om de gemeente-ontvanger alsnog te schorsen en te ontslaan. Van Sytzama is van mening dat schorsing niet mogelijk is en verzoekt dit voorstel in te trekken. Dan trekt Draaier weer van leer. Na hem de tijd te hebben gegeven om zijn ergernis te uiten, valt Van Sytzama hem in de reden en zegt dat Draaier zich buiten de orde begeeft en dat het nu slechts om intrekking van het schorsingsverzoek gaat. Draaier wil hier niet toe overgaan en na herhaald aandringen en zwijgen van de rest van de raadsleden is voor Van Sytzama de maat ruimschoots vol. Hij vindt dat de raadsleden onvoldoende vertrouwen in zijn mening hebben. Hij vindt het niet aangaan om een 78-jarige ontvanger na het gebeurde en na twee jaar nog buiten spel te zetten. Hij had slechts de bevelen van burgemeester en wethouders op te volgen. Van Sytzama verklaart zich sterk tegen het voorstel en verwijst ook nog naar het aan het begin van elke vergadering voorgelezen gebed waarin om wijsheid en verstand wordt gevraagd. Dit is Draaier uiteraard tegen het zere been, die zegt het te ervaren als zeer grievend. Van Sytzama vindt dat er wel reden toe was en verklaart de volgende keer wel te weten hoe te handelen. Ook hier blijkt wel dat de sfeer niet al te goed is. De raad besluit toch tot schorsing en ontslag over te gaan. Gedeputeerde Staten keuren uiteindelijk dit besluit niet goed maar ontvanger Rozeboom heeft inmiddels zelf al ontslag aangevraagd per 1 februari 1913. Dit ontslag wordt hem uiteraard verleend.

 

Van Sytzama en de raad

Tot nu toe is het functioneren van Van Sytzama als burgemeester nog niet echt duidelijk uit de verf gekomen. Dit is goed verklaarbaar uit de perikelen die eerst uit de weg geruimd moesten worden. Zoals hiervoor al gezegd is het dieptepunt van de moeilijke tijden voor de gemeente wel enigszins achter de rug. Toch is in de vergaderingen en ook naar alle waarschijnlijkheid in de onderlinge verhoudingen goed merkbaar dat zich dit alles heeft afgespeeld. Het ligt voor de hand te verwachten dat de verhouding tussen de raad en burgemeester en wethouders nog jaren onder spanning staat. Dat is zondermeer aantoonbaar in de hele periode dat Van Sytzama burgemeester is.
Zo komt de raad, en met name wethouder Draaier, nogal eens in aanvaring met de burgemeester. Zo bijvoorbeeld bij de beschuldiging tegen het functioneren van veldwachter Schenk. Van Sytzama verricht hiernaar onderzoek als hoofd van de politie. Herhaalde malen moet hij in de raad aangeven dat dit tot zijn competentie behoort en niet tot die van de raad.
In deze periode worden ook nog enkele verzoeken ingediend om raadsleden te schorsen omdat zij als bestuurslid van de N.V. Stoomzuivelfabriek Altena in strijd met de wet hebben gehandeld. (7)


Naast al deze zaken behandelt de raad uiteraard ook alle gewone zaken die aan de orde komen. Zo wordt een verordening vastgesteld in verband met het gebruik van motorrijtuigen en rijwielen, waarbij wordt bepaald dat in de bebouwde kom niet harder gereden mag worden dan vijftien kilometer per uur. De nieuwe secretaris R.A. de Valk krijgt toestemming om in Nunspeet te blijven wonen. Wel is een raadslid van mening dit jammer te vinden in verband met de hoofdelijke omslag; de gemeente loopt zo belasting van een belangrijke en goedbetaalde ambtenaar mis. Tot nieuwe ontvanger wordt benoemd R. Prins te Doornspijk.

 

Vertrek van burgemeester Van Sytzama naar de gemeente Oldebroek

Tijdens de raadsvergadering van 14 oktober 1913 wordt afscheid genomen van Van Sytzama als burgemeester. Met ingang van de dag daarna zal hij als burgemeester aan de buurgemeente - en zijn woongemeente - Oldebroek verbonden zijn. Dit na een ambtsperiode van precies twee jaar en vijf en halve maand te Doornspijk. Uiteraard wordt hem door Hare Majesteit eervol ontslag verleend, hetgeen ditmaal wel de instemming van Draaier heeft. Draaier, als enig aanwezige wethouder, spreekt de burgemeester voor het laatst toe. Hij meent dat het gegeven dat de verhouding niet altijd aangenaam was verklaard moet worden uit het feit dat de gemeente "een poel van ellende" was. Hij is van mening dat Van Sytzama de gemeente Doornspijk voor een groot deel uit de ellende heeft gehaald. Verder memoreert hij nog dat van de elf raadsleden die ruim twee jaar geleden nog aanwezig waren bij de installatie van de burgemeester er nu nog slechts vier in functie zijn.
Van Sytzama zegt in zijn afscheidswoord dat zijn vertrek niet komt door de gemeente Doornspijk. Hij is van mening dat zijn periode in Doornspijk niet makkelijk is geweest maar wenst de raad veel sterkte toe voor de toekomst.
Na een korte vacante periode wordt per 1 januari 1914 tot burgemeester van Doornspijk benoemd J.H.A. Frieswijk.

 

Tot slot

De betrekkelijk korte periode waarin Van Sytzama burgemeester van Doornspijk was, wordt voor een groot deel gevuld met moeilijkheden van financiële en personele aard. Hierdoor blijft de persoon van de burgemeester enigszins op de achtergrond. We is merkbaar dat hij een man is die door een stuk natuurlijk overwicht veler respect afdwingt. De opmerkingen van wethouder Draaier tijdens het afscheid van Van Sytzama mogen zonder meer als complimenten worden aangemerkt.
Duidelijk blijkt in meerdere situaties van Van Sytzama niet over zich heen laat lopen en waar nodig zijn verantwoordelijkheden claimt. De hier beschreven periode is te kort om een beter oordeel over hem te vellen. In het artikel van B. Doornewaard over het vervolg van zijn loopbaan in de gemeente Oldebroek wordt een veel duidelijker beeld geschetst van de persoon Van Sytzama (zie ook noot 1).
Zoals al uit het opschrift boven dit artikel mag blijken, is Van Sytzama (zoals we dat tegenwoordig betitelen) een interim-manager geweest. En uit het hiervoor verhaalde kunnen we concluderen dat hij het er, gezien de omstandigheden, goed van af heeft gebracht.

Elburg, 28 februari 1996 Peter van Beek

 

Voetnoten

Zie voor meer informatie over de familie Van Sytzama en over de periode als burgemeester in de gemeente Oldebroek het artikel van B. Doornewaard. Naar verwachting zal dit worden gepubliceerd in "Uth het Oulde Bruck", tijdschrift van de Oudheidkundige Vereniging De Broeklanden, september/oktober 1996.

Archief Gedeputeerde Staten van Gelderland, inventarisnummer 1155, gemeenteverslagen vanaf 1890.

Deze rekening krijgt de naam van ambtenaar ter secretarie F.R. Hengeveld. Het gaat om een bedrag van f 350 waarop een tekort werd weggeschreven. In de notulen van burgemeester en wethouders van 19 mei 1911 vinden we terug dat besloten wordt dit bedrag terug te vorderen en wel een kwart van Rambonnet, een kwart van de erven van voormalig wethouder Van Zeeburg, een kwart van voormalig wethouder Van de Weg - die hiermee instemt - en een kwart van de ontvanger. Uit het verslag van de raad van 15 juni blijkt dat de ontvanger het hele bedrag van f 350 heeft teruggestort. Rambonnet had in 1910 al een bedrag van f 100 betaald. Op 5 augustus 1911 wordt besloten Hengeveld te ontslaan en op een later verzoek van hem om financiële steun te mogen ontvangen, wordt negatief besloten.

Dit besluit wordt genomen in de geheime vergadering van 26 oktober 1911. Overigens waren de raadsleden Van de Weg, Boerendans en Vinke hier tegen.

Uit een verweerschrift van Rambonnet op het rapport van 6 mei 1912 door mr. Van den Oever blijkt dat deze advocaat tevens de raadsman van Draaier is in een proces tussen Rambonnet en Draaier. Rambonnet oordeelt het rapport daarom van weinig waarde te achten. Naar zijn mening is er geen sprake van enige onpartijdigheid.

Volgens het rapport heeft Rambonnet "zich zelfs niet ontzien met zijn zoon de Commissie op dien dag in de nabijheid van het gemeentehuis uit te lachen".

Hierbij gaat het om de raadsleden J. van Binsbergen, W. van den Brink en H. Veldkamp. Door enkele gemeenteleden wordt schorsing aangevraagd. Hen wordt ten laste gelegd dat zij in 1895 (!) als bestuurslid van de stoomzuivelfabriek betrokken waren bij een onderhandse verpachting. Uiteindelijk wordt alleen Veldkamp door Gedeputeerde Staten geschorst en vervallen verklaard van zijn raadslidmaatschap. Als reden hiervoor wordt aangegeven de overtreding van de Gemeentewet. Van Binsbergen blijft gewoon raadslid en Van den Brink neemt na 24 jaar raadslidmaatschap zelf ontslag.