Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart.jpg

Kindermoord 1743 te Elburg

ADVYSEN en SENTENTIEN.

Ingewonnen by onpartydige RECHTSGELEERDEN, Op en teegens de Persoonen van CATHARINA KASPERS en JOANNA WILLEMS, Synde MOEDER en DOGTER.

Geëxecuteert binnen de STADT ELBURGH op den 6 October 1743.

Over het ombrengen van haar Eygen Kind, op den 11 July 1743.

Pag. 1.

ADVYS.

Een præsumptive Kindermoord met geesseling en bannissement gestraft.

Gesien en geeëxamineert by ons ondergeschreven Rechtsgeleerden de Informatien op verscheide tyden ingewonnen op de Heeren van de Magistraat der Stadt Elburg over de persoon van Joanna Willems ongetrouwd Vrouwspersoon, oud 23 a 24 jaeren thans gedetineerden en geincarcereerde, soo en als deselve informatien onder besegult transfix van den Heer Præsident in tempore by missive van welgemelte Magistraat in dato den 27 Augustus 1743 aen ons zyn toegezonden, en daer op sullende dienen van ons onparthydig advys; soo ist:

Dat wy by alle die informatien ofte oock de circumstantien van het gepasseerde in desen niet hebben gevonden soodaene preuves, bewysdens, bewyssens ofte indicien waer upt wy concludendo na rechten hebben konnen vaststellen, dat de gedetineerde sig aen ‘t crimen intanricidii heeft schuldig gemaeckt en daer over by ons, soo wy Richters waren, gecondemneert sou konnen werden.

Geconsidereert dat een soodanig crimen is een gantsch enorm en capitaal delict tot welkers waermakinge werd vereischt eeuluce clarior probatio, sive per testes idoneos, sive documenta apertissima, vel indicia ad probationem indubitata. l, sin. C. de Probat.

Het welke by onsen Doopouderen altoos soo stiptelik en sorgvuldig is in agt genomen geworden datse selfs in gewald-breuken die met gelt geboetet werden, niet gewilt hebben, dat ymant voor deselve geëxecuteert soude mogen werden, ten zy saeck, dat het gewalt by den dediger bekent ofte met onparthydige bekondschapt ware; als te sien in de Reformatie der Veluwsche Lantrecht cap. 2. art 10.

Dat betreffende het eerste middel, de Bekentenisse het in defen daer soo verre af is dat de gedetineerde een begangene infanticidium bekend soude hebben en uyt kragt van soodane consessie condemnabel zyn;

Dat in tegendeel by alle de informatien van haers selfs op verscheide tyden geduyrende haere detentie ingewonnen als op den 16 July tweemaelen, sub Nis. 2. & 3., 18 July, sub No. 8 iterum, sub No.18. 18 Augustus sub No. 20. 20 Augustus sub No. 23 en laetstelyck den 27 Augustus sub No. 25, alle deses Jaers 1743 sy volstandig

2.

daer by gebleven is, dat sy geen kind ter werelt heeft gebragt; maer dat all ’t geene haer op den 11 July 1743. (synde den dag wanneer sy gekraemt sou hebben) is afgegaen, niet meer is geweest als een miskraem wel de gedaente hebbende van een kind, groot twee á drie handbreedte ende een vrucht van drie maenden daer Vader van was een Ruyter genaemt Jan, welke gelogeert sou syn geweest ten huyse van Beert de kuyper, met welken sy omtrent drie maenden geleden vleeschelik geconverseert sou hebben, edoch sonder dat sy eerder als als op voorseide 11 July laestleden wanneer haer ’t geseide in de pot afging, was gewaer geworden dat sy swanger was.

Welke bekentenis of wel deselve in syne omstandigheden om meer als eene reden gantsch suspect van onwaerheyd, ja oock tegens de mogelijkheit en gemeene regul der nature aenloopende is;

Als 1. dat een miskraem van twaelf weecken de groote van twee a drie handbreed sou hebben; daer de Verklaeringe van de Med. Dr. R. Feith uytbrengt dat alle omstandigheden de gedetineerde wel by de seven of meer maenden is swanger geweest ende dat een vrugt van drie maenden of daer omtrent boven een derde part van die grootte niet heeft. 2. Dat Beert Lubbertien en syn vrouw sub No. 12. verklaeren dat sedert een geheel jaar geen ruyter van ’t guarnisoen genaemt Jan, ten haeren huyse gelogeert heeft. 3. Dat een Vrouwspersoon als dese gedetineerde die meer gebaert heeft uyt verscheide tekenen na de gemeine loop der nature kan weeten, immers moet konnen besluyten, dat sy met een manspersoon vleeschelyck geconverseert hebbende swanger is: daer sy selfs bekent sub No. 8. (’t welck oock by de Moeder sub No. 7. werd geconfirmeert) dat sy sedert drie maenden de maendelycke ontlastinge gemist heeft.

Gevoegd by andere omstandigheden meer; in specie, dat de gedetineerde nog eens te voren in onegt heeft gekraemt als sub No. 8. welck kind gestorven is sonder dat eenige Vrinden of Buyren daer sijn by geroepen als nadat reets dood was; sub no. 18. ende dat sy afdryvende middelen heeft gebruyckt welcke dese afgang of miskraem had veroorsaeckt als sub No 3. & 4. conform de verklaringe van haer moeder sub no. 10. mitsgaders dat haere borsten seer geswollen ibid. ende eyndelik dat haer lichaem seer uysette als van een Vrouw die swanger is en reeds verre geadvanceert is, als upt de kondschappen der nabuyren sub Nis. 5. 13. 14. & 15. waer dan nog by komt dat sy aen heare Moeder, de chirurgyn Albert Feith ende nabuyren selfs onder duyre eeden heeft verklaert geen mans sedert haer eerste kraem bekent te hebben en niet zwanger te syn; als sub Nis.10. 11. &12.

Nogtans dese en andere omstandigheden meer alles by elkanderen niet anders uytleveren als suspicien en conjecturen, waer omtrent

3.

de regul der nature by veele exemplen bevonden is seer te varieren gelyck de herhaelde verklaeringe van de Stadt Vroetvrouw sub no. 9. en die van den Med. Dr. R. Feith sub no.16. ons mede aen de hand geeven: Op welcker fundament wy dan geensints het besluyt hebben konnen vestigen dat sy waerlyck een kind heeft ter werelt gebragt. Dum nec suspicionibus aliquem debere damnari, á Divo Trajano Assiduo severo rescriptum legimus in L. 5. pr. ff. de Pœn.

Daaer egter dit besluyt het eerste en allerseeckerste sou moeten sijn, inval wy de gedetineerde aen een infanticidium souden konnen schuldig erkennen: als buyten ’t welcke in desen onmogelyck is, dat van ’t corpus delicti sou konnen consteren waer van nogtans in criminali judicio, alvorens tot een condemnatie te koomen, ontwyffelbaer moet consteren. L. 1. § 24. etc. ibi. Bartol ff. ad Sc. Silan. Clarus lib. 5. Sentent. § fin. quœst. 4. n. 1. In tantum, ut, si non constat de corpore delicti, nequidem ad inquisitionem judex devenire possit: uti pluribus auctoritibus probat Gabriel Comm. Conclus. Lib. 7. concl. 17. n. 3 & 4.

Men gezwyge dat al consesseerde de gedetineerde, dat sy een levendig kind gebaerd ende ’t selve gesuffoceert had (’t welck beide alhier niet gevonden werd) egter alnog sonder andere indicia probabilissima ac indubitata geen condemnatie tegen haer super infanticiduo sou mogen vallen, soo lange niet de corpore delicti en desselfs begaene omstandigheden behoorlyck den Gerigte kwame te blycken. vid. Ant. Matth. de Probat cap 1. n. 4. Id quod eleganter Tertullian. in Apolog. ita exprimit: "Si de nocente gognoscitis, non statim confesso eo nomen homicidæ, vel sacrilegi, vel publici hostis, ut de vestris elogiis loquar, contenti estis ad pronuntiandum, nifi & consequentia exigatis, qualitatem tacti, modum, locum, tempus, conscios" Quid enim; si quis confiteatur se occidisle eum, qui adhuc vivit? werd als een confessio impossibilis voorgesteld by Bouric. in Captiv. cap. 3 § 41. En waerom souden wy op gelycke fundament van impossibiliteit niet mogen vraegen, Quid enim, si quæ confiteatur se infantem suun suffocasse, quæ non peperit?

Wat de Getuygen met betrekking tot een crimen infanticidii betreft; soo bevind sig onder alle de Getuygen geene eene welke op eenige grond van seeckerheit heeft verklaert dat dese gedetineerde waerlyck een kind of levendig schepsel heeft ter werelt gebragt. Daer omtrent allereerst in consideratie sou moeten koomen de verklaeringe van de Stadts Vroetvrouwe, die door order van de Magistraat het lichaem van de gedetineerde kort nadat deselve de gelibellerde miskraem had gehad heeft gevisiteert gehad.

Dese verklaert sub No. 1 al bey positive & absolute, dat sy ‘t selve vrouwspersoon gevisiteert en bevonden heeft dat deselve

4.

voor sommige dagen heeft gekraemt “Mede voor reden geevende”, Dat de borsten alnog waren opgeswollen “Seggende vorder het selve ten allen tyde met eede te konnen verklaeren”.

In der daad een formule van verklaeringe in en over soo een saeck als dese die al vry liberaal en posityf is ingestelt en die in desen al van een vry verre uytsigt en consideratie sou moeten sijn, indien deselve op soo veele seeckerheit als assurantie berustende. Daer men andersints doorgaens gewoon is te houden desen regul, guod cuilibet credendum in sua arte, & fidendum judicanti de negotio, cui præpesitus est. P. Voet. Statut. sect. 5. cap. 1. n. 2. rat. 5. & in terminis similibus Sim. van Leeuw. cens. For. lib 5. cap. 17. a princ. Bouric. in Captiv. cent. Poster. cap. 5. n. 50.

Maer soo posityf en seecker dese eerste verklaeringe leit; even soo wankelbaer en onseecker is dese Attestante omtrent dese haere gedaene verklaeringe of soo genoemde rapport by haere naedere verklaeringe van den 20 July sub No. 9 alwaer sy all ’t geene sy in de voorgaende met soo veele assurantie en als volseecker had gestelt met even soo veele redenen van onsekerheit stelt buyten alle mogelykheit om een seecker besluyt van een volle kraem daer upt te konnen opgemaeckt werden.

Want daer sij in de eerste sub no.1. rapporteerde soodaene gewisse tekenen aen ’t lichaem van de gedetineerde na gedaene visitatie gevonden te hebben, dat sij daer upt volseecker kon besluyten en oock wel met eede kon verklaeren dat de gedetineeerde voor sommige dagen heeft gekraemt; daer komt sy by haere nadere verklaeringe sub No.9. met eene gantch andere tale voor den dag stellende na haere doemaelige gedagten eene genoegsame onmogelyckheit, immers onseeckerheit om aan ’t lichaem te konnen sien of ’t een rechte kraem of miskraem is: dat wel de borsten van de gedetineerde geleken na een volle kraem van 7 á 9 maenden; dog dat de borsten van d’eene in de kraem wel meer geswollen sijn als van d’andere. Sulcx wij omtrent dit eerste rapport van dese Stadtsvroetvrouw liever het daer voor willen houden, dat sij onder ’t woord gekraemt, oock het miskraemen begrepen heeft.

Ende dat die uytterlycke tekenen en omstandigheden meer op de gewoone, dog oock veranderlycke loop der nature rusten en daerom geen seeckere besluyt tussen een volle en een miskraem uyleveren, sullen wij veel geruster willen aennemen uyt de verklaeringe van meergemelte Dr. R.Feith sub No.16. aldaer nae ondervraeginge van de voorseide Stadts Vroetvrouw over den toestand van des gedetineerdes lichaem verklaerende “Dat alle omstandigheden by malkanderen gebragt sijnde wel schynen te kennen te geeven dat die Johanna wel up de 7 of meer maenden is zwanger geweest

5.

sijnde evenwel die kentekenen die niet genoegsaem om met seeckerheit het selve te kennen bevestigen” Aldaer verdergetuygende hoe ’t koomen van melck in de borsten, ’t lossen van bloed, opening van de baarmoeder toevallen sijn die men oock by een miskraem van 3 of 4 maenden heeft. Om welke onseeckerheit wy dan oock regtelyck mennen soo lang wy niet seeckeder onderregt konnen werden dat de gedetineerde gekraemt heeft, te mogen en te moeten het daer voor houden dat de gedetineerde een miskraem gehad heeft. Intellectus enim hominus debet effe benignus, ut bonum potius, quam malum, præsumat & credat. Bald. In l. moveor. C. de Serv. export. Add. Cravett. Cons. 244. Dec. Cons. 175. Dum facilius fit & melius, misericordæ, quam crudelitis reddere rationem. Mod. Pristor. Part. 4. quæst. 141.

De andere informatien en bewysdommen als die van de Moeder, Albert Feith en de gemeine Nabuyren; soo vinden wij daer onder geen eene die schoonse haere depositien met eede bevestigd hebben, heeft konnen seggen dat de gedetineerde ter gelibelleerden tyd gekraemt heeft, nog ytz bespeurd hebben waer uyt sij ’t selve besloten hebben; als alleenlijck, dat sy te voren wel gedagt hebben dat sy wel swanger mogt sijn, omdat sy haer soo dick van lichaam voorkwam; het welck de mogelijckheit van een miskraem gantsch niet komt weg te neemen.

Wy hebben ons niet in ‘t breede alhier willen uytlaeten in een ondersoeck of de gedetineerde wegens alle de vorenstaende omstandigheden niet ter scherper examen en torture damnabel geoordeelt sou konnen werden; vermits daer omtrent alle bedenkingen welke sommige Doctoren daer voor opgeeven ad sufficientiam, en selfs in terminis longe gravioribus & fortioribus (soo wy vertrouwen) sijn opgeloscht in het Advijs door den laest onderschreven Referent en den Professor Belt Zalt. gegeeven, sijnde het 9e in ordre van des Mede Referents gedruckte consultatien, waer toe wy ons kortheitshalven alhier refereren. Behalve dat wy in desen oock andersints seer bezwaerlijck tot een decretum torturæ souden durven resolveren, soo lang alhier niet alvorens ten minsten ex indiciis probabiliffimis & indubitatis constire de corpore delecti; per ea, quæ habit Carpz. In Pract, Crim. part. 3. quæst. 119. n. 54. etc. seqq. ad. n. 60.inclusive.

Off wel wy nu hier mede de Gedetineerde door gebrek van bewijs buyten de accusatio infanticidii koomen te stellen, soo vermeinen wy dog by het naegaen der informatien soodaene mesuses en ongeoorlofde saecken by de gedetineerde begaen te hebben bevonden welcher transgressie in een Stad van Policie en Justitie niet tolerabel en strafloos behoord te sijn.

Waer omtrent ons allereerst is voorgekomen dat de gedetineerde bekennende sub No. 8, art. 21. verleden jaer in onegt gebaerd

6.

te hebben, alnu nadat sy by haar eerste examinatie sub No. 1 eerst voorgaf nooit vlleschlick met mans te verkeeren; (Cujusmodi mendacium per se crimen est, & pœnam meretur; als te sien by Carpov. in Prect. Crimen. part. 2. quest. 93. n. 9.) in dat selfde examen en vervolgens in die sub No. 8. 18. 20 en 25 interativelik bekent voor omtrent twaalf weecken met een Cuyter genaemt Jan, die sy seide ten huyse van Beert de Kuyper gelogeert te sijn geweest (schoon uyt de kontschap van dien Beert de Kuper en sijn vrouw sub No. 12. art 2. consteer sulx almede onwaar te sijn) vleeschelycke conversatie gehad te hebben: ende alsoo vermits de opgevolgde miskraem consesseert voor de tweede mael in onecht beswangert te sijn.

Het welck niet alleen insereert eene verdubbeling van gepleegde baererye waer over sy dan oock te swaerder meriteert gestraft te worden: Siquidem reiteratio delicti regulariter graviorem requirat pœnam; secundum communem Doctorum opinionem, tetrsdeert by Carpov. in dict. Pract. Crim.part. 1. quest. 38. n. 75. Even als mede het Placaat op den 22 Juny 1681. by Erf-Stadthouder en Raaden deser Provincie op de Hoerery geëmaneert by verdubbeling van straffe opklimt van de eerstemael tot de tweede en derdemaelen.

Maer oock daer en boven de Gedetineerde beswaert met eene seer kragtige præumtie dat sy na die vleeschelyke conversatie en ’t ophouden er maendelycke ontlastinge natuurlycker wijse niet wel heeft konnen ignoreren dat sy beswangert ware; als afnemelyck uyt het geadviseerde van den Professor Ruysch en Dr. Hendrik Ruysch nevens twee Stadts-Vroermeesteren binnen Amsterdam te vinden in de 9 Cosultatie van den laetst-ondergeschrevene n. 14 als deselve aldaer de mogelijkheit van soodaene ignorantie alleen toeschryven aen een Vrouwspersoon voor de eerste maal bevrugt synde Ten minsten staat hier uyt by ons vast dat de gedetineerde alvoren eens gekraemt hebbende ende na gereitereerde bystaen uyt het cesseren der maendelyke stonden het uytsetten van haer lichaem en andere toevallen meer heeft geweeten, of heeft moeten weeten dat sy immers by apparentie swanger was.

Ende waer uyt wy dan verder voor een tweede beswaer van de gedetineerde dit besluyt rechtelyk vermeinen te mogen opmaecken dat sy sulks niet tegenstaende voor haar eygen Moeder, Chirurgyn Albert Feith en Nabuyren haer swangerheit selfs onder duyre dog falsche eeden ontkennende en verbergende als sub dict. Nis. 10. 8. & 13. daer door heeft geverseert in dolo ende alle alle præsumptie van een kwaed opset omtrent hare vrugt, diese droeg op sig gehaelt. Als werdende eene soodane fraudulente accultatie van beswangering wel soo swaer by veele Rechtsgeleerden

7.

genoomen ut si mulier graviditatum traudulenter ac dolele occoltat, inde facillime indicium fumant ad torturam. Jason in l. cum ea. N. 4. 5. C. de Transact. Referente Carp. In Pract. Crim. part. 3. quest 122. n. 26.

Waer uyt dan voor een derde tot nog een veel grootere beswaer van de gedetineerde resulteert, dat sy geduyrende haere swangerheit sig heeft bediend van een afdryvend middel door het iterativelijck gebruyck van senuwen bladen en wel op ‘t laast by verdubbeling van de quantiteit derselver ende daer door wercklik oock haere opgevolgde miskraem veroorsaeckt heeft, volgens haere eygen consessie sub Nis 3. 8. & 20. consorm de de depositie van haer moeder sub No. 10. en die van Alb. Feith sub No. 4. Invoegen sy daer mede bekent haere opvolgende miskraem selfs geprocureert en veroosaeckt te hebben. Een crimen, wel van die aengelegentheit dat ’t ook in Gods Woord ten hoogsten strafbaar werd verklaert. Exodus 21, vers 33. & seqq en by veele Rechtsgeleerden sonder onderscheit doodstraffelijck werd gehouden. Tertull. In Apolog. Cap. 9. Cujac lib. 19. Observ. cap. 9.

In het gemein werd gedistinqueert tusschen het afdryven van een Vrugt die reets leven had ontfangen en ene die nog geen leven ontfangen had vid. Berlich.in Pract. Conclus. part 4. concl. 8. n. 8. Welsemb. in Paratitl. ff. ad. L Corn. de Sic. n. 7. en andere; maer vermits het niet volkomen seecker is quo tempore fœtus sit vitalis seu animatus, soo vind men by een Constitutie van den Ceurvorst Augustus in jaren daer omtrent dese determinatie, dat een vrugt met betrekkinge tot het crimen procurari abortus, voor leevend zal werden gehouden, als deselve is gekomen tot de helft na ontfangenis Carpz. d. Tr. part. 1. quœs. 11. n. 5. Op sijn beste genomen en gesupponeert dat de afgedreven vrugt nog geen leven had ontfangen, is de straffe van dit crimen arbitrair en extraordinair ene op sijn minste een geesseling of bannissement. Damhoud. Prax. Crim. cap. 74. n. 13. Cothofr ad l. 38. §. 5. lit. b. ff. de Pœn.

Een laetsten komt hier nog by, dat de gedetineerde sub. Nis. 2. & 8. consessteert dat het geene haer is afgegaen de gedaente van een kind had; maer dat sy niet kan seggen of het dood of levendig ware ende dat sy alles by elkanderen in een pot door haar moeder op een vaald heeft laeten wechwerpen. Het welcke ons voorkomt als een blyck van de allergrootste ontaardheid van dese gedetineerde als die weetende haeren staat, daar sy sedert haere vleeschlycke conservatie in geweest ware en siende dat yts afging van soo een merckelycke grootte en dat de gedaente van enn kind had, niet soo veel agtinge op de vrugt van haer eygen lichaem heeft gegeven, dat het haer eens de pyne waardig was daer na te sien of ’t selve levendig of dood ware; maer na tegendeel ’t selve soo als ’t was ’t zy levendig of dood als een gemeine dreck heeft laeten uytdraegen en op een misthoop

8.

werpen; daer ’t selve (soo ’t maer waer is) van de katten en honden by geval sal sijn verslonden en opgegeeten, vermits wy geinformeert sijn dat de vaald waer van in de Stucken gemelt word na behooren gevisiteert, dog aldaer niets gevonden is. Het welke wy vertrouwen dat niemant sal ontkennen te sijn een rem mali exempli, en mitsdien in een Stad van Policy en Justitie niet strafloos te konnen syn; arg. d. l. 38. 38. & 5. ff de Pœn.

Sulcks dan alhier te saemen loopende soo veele crimina, die yder op sig selven eene arbitraire en extraordinaire straffe meriteren; wy geoordeelt hebben geene mindere aan de Gedetineerde te konnen werden opgeleit als die van een strenge geesselinge en verbannissement conform ’t dictum der onverstaande Sententie. Ons daer omtrent conformerende met de exemplen en gewysdens van aensienlycke Hoven van Justitie geallegeerd by Sande in Defis. Frisic. lib. 5. tit. 9. def. 3 vers. Quœdam. § verf. Taet Ulbe, en Grivell. in Decis. Dolan. dec. 19. n. 10 vers. His tamen non obstantibus. Add. Teslaur. dec. 13. & Carpz. Pract. Crim. part. 1. quœs 11. n. 3. & DD. ibid.

Sententie.

Alsoo Johanna Willems geboortig van Elburg oud drie á vier en twintig jaeren gedetineerde binnen voorseide Stad aen den gerigte aldaer vrywillig by iterative consessien heeft beleden ende oock by ingewonnen informatien gebleken is dat sy gedetineerde hebbende in den verledene jaere buyten echt gekraemt, sedert desselfs verlossinge wederom omtrent drie maenden voor haere detentie met eene kuyter genaemt Jan, vleeschelick heeft geconverseert ende sig alsoo voor de tweede maal in onecht laeten beswangeren; onder andere onwaere positien mede tegens alle contrarie circumstantien voorgeevende dat sy sedert niet geweeten sou hebben dat sy beswangert was.

Dat sy oock voor haer eygen Moeder, Chirurgyn en Nabuuren iterativelik en onder duyre eeden tegens de waerheit ontkent ende alsoo verborgen gehouden heeft dat sy swanger was. Dat sy in de tyd van haer swanger sijn verscheide maelen Senuwen-bladen heeft getrocken en gebruykt, oock in het laest by verdubbeling; en daer door veroorsaeckt dat sy op den 11 July deses jaers ‘smorgens als sy alleen en haer moeder na buyten was en sonder ’t byhaelen van eenige Buurvrouwen een miskraem heeft gehad en haer yts is afgegaen van de grootte van ongeveer wel drie handbreedt dat de gedaente van een kind had, edog dat sy niet wist of het selve leefde. Ende dat sy het selve sonder nadere visitatie alsoo alles by elkanderen in een pot door haeh moeder heeft laeten uytdraegen en op een mistvaald laeten uytgieten. Ende alsoo all ’t selve kwaede seyten

9.

sijn strydende tegens de eerbaarheit natuurlycke affectie mitsgaders van een gantsch pernicieus exempel welcke in een Stadt van Policy en Justitie niet tolerabel, maer allenthalven strafbaer zyn; soo ist dat het voorseide Gerigt doende recht, met advys van onparthydige Rechtsgeleerden, deselve Johanna Willems gecondemneert heeft en condenmeert mits desen om ter plaetse daer men gewoon is openbaere Justutie te doen, anderen ten exempel strengelijck te werden gegeesselt, deselve voorts verbannende uyt de voorseide Stadt en Vryheid van dien sonder ooit daer weder binnen te koomen by swaerder straffe.

Wy hebben de saeck en sententie van de Dogter voor af laten gaen als de principale sijnde. Betreffende de Moeder Catharina Kaspers, is ons uyt de Informatien en consessien soo van de Moeder selfs als van de Dogter respectivelyk gebleken.

Eerstelyk dat haer Dogter rwaalf weecken voor ’t geval haere stonden natuurlyck heeft gehad, maer dat sy deselve sedert de twaalf volgende weecken aen haer Dogter gemist heeft sub No. 7. Dat de Moeder een Vrouw sijnde die drie maelen gekraemt heeft en weetende uyt voorige beswangering van hare Dogter in onecht, dat deselve niet kuysch van leven was daer uyt niet sonder gedachten en apprehensie heeft konnen sijn van dat sy wederom sig in onecht had laeten beswangeren:

Gelijck sy oock in die gedagten en apprehensie werkelik toond geweest te syn door dien sy verklaerd daer aen gewyffelt te hebben en haere Dogter wel tien maelen gevraegd te hebben of sy kraemen moest? Als sub No. 10. art. 3. 4.

Dat sy des onaengesien selfs die geene is geweest die 14 dagen te voren voor een ½ stuyver Senuwen-bladen heeft gehaelt en deselve voor haer Dogter gepræpareert heeft met het afdoen der steeltjes die haer Dogter liet trecken als thee; daegs voor ’t geval voor een geheele stuyver, daer van haer Dogter dien dag de helft had gebruyckt; sub No. 10. art. 11. ende alsoo door het subminisireren van afdreyvende middelen tot de opgevolgde miskraem gecoopereert heeft. Synde dit in der daad een crimen die by alle Wetgeeveren ten hoogsten strafbaer werd geconsidereert, waer van te sien by Carpzov. In Pract. Crim. Part 1. qnœst. 11. en andere.

Ten tweeden dat sy die geene is welcke ’s morgens thuys gekomen synde en haer Dogter in die staat vindende, de pot waer in nae ’t seggen van de Dogter alles was dat haer was afgegaen en alsoo mede het schepsel van 3 handtbreedt volgens verklaeringe van de Dogter sub No. 2. of omtrent van de grootte van een span nae consessie van de Moeder sub No. 26. heeft uygedraegen

10.

en op een mistvaeld gesmeten; volgens haer eygen bekentenis sub No. 7. 10. 20. & 26. en die van haar Dogter sub Nis 3. 8. ende sulx alles sonder eenige nabuyrige vrouwen daer over onthaelt of ’t afgegaene schepsel behoorlyk gevisiteert te hebben.

Ten derden dat sy salve op een doekje gesmeert en de pleysier geleit heeft op haere Dogters borsten om deselve op te droogen; sub No. 10. art. 13. ’T welcke wy aenmercken als een teken dat sy van alle ’t gepasseerde niet onkundig is geweest; ende alsoo in geen excusable ignorantie van de waere geschapentheit der saecke, maer ter contrarie haer Dogter daer in behulpsaem is geweest.

Waer in wy niet weinig werden geconfirmeert daar dien sy NB. na ontfangen citatie, soo benaeuwt is geworden dat sy wegens mismoedigheit sig op de vlugt heeft begeeven en buyten van ’t eene lant na ’t andere gaende geen schuyylplaets vond; volgens haere depositie sub no. 10. art.15. en 16.

Dat dese poincten en wel voornaementlyck ’t eerste en tweede sijn saecken van een seer kwaed exempel en schadelycke en schandelycke gevolgen in een Republyck en daerom niet strafloos te passeren; en waer over wy souden vermeinen dat de Moeder met een bannissement behoorde gestraft te worden; conform de decisie in de vorens geallegeerde l. 38.9.& 5. ff. De pœn houdende: Qui arbortionis aut amatorium poculum dant, etfi dolo nen faciant, tamen quia mali exempli res est, humiliores in metallum, honestiores in insulam amissa paret bonorum relegantur: quod si eo mulier aut homo perierit, summo supplicio afficiuntur.

Sententie.

Alsoo Catharina Kaspers, geboortig van Elburg oud in de vyftig jaeren gedetineerde alhier aen den Gerichte den Stadt Elburgh vrywillig en interativelik heeft bekend ende ook up de ingewonnen informatien gebleken is dat sy niet tegenstaende sy in een welgegrond vermoeden was dat haere Dogter Johanna Willems sig voor de tweede mael in onegt had laeten beswangeren, sig niet ontsien heeft voor deselve een afdryvend middel van Senuwen-bladen tot meermaelen te haelen en te præpareren waer door dan ook veroorsaeckt is dat haer Dogter op en 11 July laestleden een schepsel van omtrent drie handbreedt of (soo Catharina seit) van omtrent een span lengte met bloed als anders is afgegaen; ende sy verder sig niet heeft ontsien het een en andere oock sonder ’t onthaelen van eenige nabuyrige vrouwen en behoorlycke visitatie van ’t afgegaende schepsel of ’t selve leevendig of dood was, in een pot uyt te draegen en op een mistvaeld te werpen; voorts mede dat sy haere Dogter tot het bedecken van het gepasseerde anders

11.

behulpsaem is geweest en daerom na ontfangen citatie sig geabsenteert heeft, dog wyl sy buyten geen schuilplaets vond wederom is gekomen. All ’t welke saecken sijn van kwaad exempel en pernicieuse gevolgen die in een Stadt van Policy en Justitie niet geleden en ontraffelyck gepasseert konnen werden. Soo ist dat het Gerichte der voorseide Stadt doende recht na ingenomen advys van onparthydige rechtsgeleerden de voornoemde Catharina Kaspers hebben verbannen ende deselve verbannen by desen uyt dese Stadt en Vryheit van dein sonder ooit daer weder binnen te koomen by swaerder straffe.

Aldus geadviseert by ons onderschreven judico meliorisalvo, binnen Harderwyck den 10 Sept. 1743.

J.F.W. Pagenstechet, J.Strassert.

11.

Een bewesen kindermoord met de dood gestraft.

Gesien en geëxamineert by ons onderschreven Rechtsgeleerden de Informatien na onse hier bevorens afgegeevene en ingesondene Advysen nader ingewonnen en bekomen by de Herren van de Magistraat omtrent de persoonen van Catharina Kaspers en Johanna Willems, alnog gedetineerde en geincarereerde soo ende als deselve by Missive van welgemelte Magistraat de dato den 25 Sept. 1743. aen ons nevens de voorige Stucken en Informatien zyn toegesonden; en daer op nader sullende dienen van ons onparthydig Advys wat en hoe daer in alnu na vereysch van goede Policy en Justitie gedaen en tegen de gedetineerdens gesententieert werden.

Soo diend:

Dat wy boven enbehalven all het geene wy bevorens tot laste van de twee gedetineerdens respectivelick uyt die doemaelige Stucken en Informatien hebben konnen opmaecken; waar omtrent wy ons voorige Advysen respectueuselik alhier gedraegen:

Alnu upt de informatien na die Advysen nader ingewonnen komen te verneemen; ende wel aenvankelyck upt de Consessie van de eerste gedetineerde Catharina Kaspers, Moeder van de tweede sub dato den 13 sept. 1743.

Dat deselve Catharina Kaspers aldaer vrywillig en sonder pyn en banden bekent

12.

Dat sy op den 11 July 1743 ’s morgens als sy weder t’huys kwam haar Dogter Johanna Willems is over ’t math gekomen als deselve besig was met kraemen;

Dat haer Dogter vervolgens is verloscht van een levend kind, sijnde een meisje;

Dat sy selve den navel met een draadtje heeft afgebonden; ende vervolgens dat kind (volgens de bekentenis in de gehoudene confrontatien den 14 en 23 Sept. 1743) naeckt heeft gesmeten van ’t steyger by de sluyse in deser Stadt gracht;

Nadat sy het selve het hoofd met haere vingeren had ingedruckt.

Dat wy daer mede confererende de informatien door die van den Geregte van Lemmer en naderhand by den Hove Provinciael van Friesland over een dood lichaempje op e 12 Augustus 1743 gevonden aen de Zee-strand tusschen de Cuindre en de nieuwe Contributie Zee-dyck in het buyten bedyckte Land gehorende onder welgemelte Provincie;

Daer by wy geinformeert werden dat het aldaer aengedreven kind by nauwkeurige visitatie eerst van twee besworen Chirurgyns en een beëdigde vroedvrouw door ordre van ’t Gerecht van Lemsterland en daar na van een Medicinæ Doctor en Chirurgyn op bevel van welgemelte Provinciael bevonden is te zyn een voldragen nieuwgeboren kind, ’t welk volgens ’t dryven der long werd besloten na geboorte geleeft en geademt te hebben; sijnde een meisje; hebbende den navel met een draadtje afgebonden moeder-naackt, aen het hoofd mishandelt; ende hebbende waarschynlijck al eenige dagen dood geweest als het vel al aen ’t vergaen zynde en reets beginnende te riecken.

Uyt alle de circumstantien waer op men omtrent dit lichaampje eenige reflexie sou konnen neemen en die alhier soo veele in getal soo omtrent de tyd, plaets als kentekenen des lichaems te saemen loopen geen andere besluyt konnen opmaecken als dat het aldaer aengedreven lichaempje is het selve het welke door de eerste Gedetineerde alhier in de Stadts gragte is gesmeeten; het welke daer uyt door de sluys in Zee gespoeld zynde daer na toe gedreeven en opt strand geraeck is na dat ’t selve tusschen den 11 July en den 12 Augustus in ’t water geweest sijnde reets na de gemeene loop aen ’t riecken was geraeckt.

Ende mitsdien ook aen ons rechtelyck fundament aen de hand geeven dat daer uyt in desen de corpore delicti te consteren op goede gronden kan en mag werden vastgestelt; per ea, quæ in terminis refert Carpzov, in pract. Crim. part 1 quæst. 16. n. 16, 17. etc. seqq. Dat ons vervolgens upt de naedere informatien van Catharina Kaspers d. dd. 13 14 en 23 September komt te consteren dat de selve

13.

eerste gedetineerdde aldaer buyten eenige pyn en banden ende sonder d’allerminste bedreiginge van een scherper examen bekend en by alle die Informatien oock selfs in de Confrontatie tegen haer Dogter de tweede gedetineerde volstandig daer by gebleven is;

Dat als haer Dogter in de gelibelleerde morgenstond was verloscht, het kind geleeft ende sy het selve op het aensetten van haer Dogter seggende onder swaere vloecken, doed het dood, maeckt dat ’t wech komt, het hoofd met haere vingeren ingedruckt en soo vervolgens in de Stadts gracht gesmeten heeft.

Gelijck ons daer benevens upt de Informatien van de tweede gedetineerde Johanna Willems, komt te consieren dat, nadat sy in haere examina van en 16, 13, 14, 23 en 24 Sept. sig met veele onwaerheden en variatien ende mede met revocatie van voorige geconsesseerde poincten had getragt te behelpen; eyndelick op den 25 September 1743 buyten pyn en banden ende sonder eenige dreigement van deselve heeft beleden dese vyf articulen:

1. Dat sy in desen jaere een levendig kind ter werelt heeft gebragt.

2. Dat haer Moeder is binnengekomen als sy besig was met kraemen.

3. Dat sy dat kind aen haer Moeder heeft overgegeeven en geseit: doed het dood; maeckt dat ’t wech komt.

4. Dat sy dien selven morgen quæstie met haer Moeder heeft gehad, door dien sy vroeg Moeder waer hebt gy ’t gelaten; en haer Moeder seyde Jou verduyvelde beest, verleden jaer een kind en nu weder een kind.

5. Dat sy met vloeken (naementlyck als in de confrontatie van den 23 September, Jou blixem! Jou donder!) tegen haer moeder geseit heeft doed ’t dood; maeckt dat ’t wech komt.

Koomende daer nog by dat de eerste gedetineerde in de Confrontatie van den 23 September onder anderen verklaert niet alleen dat sy door haer dochter daer toe vervoert is, die sulx voor God niet kon verandwoorden; maer daer en boven dat als sy ’t kind de hersenen ingedruckt heeft sy by ’t bed gestaen, en haer Dogter sulks gesien heeft.

Soo dat wy uyt dese consessien volkomen en legaliter overtuygt moeten zyn dat de eerste gedetineerde Gatharina Kaspers, diegeene is die dit kind van ’t leven ter dood gebragt en alsoo dood sijnde in ’t water geworpen heeft.

Ende dat de twee gedetineerde Johanna Willems, ’t selve belast en met vloeken doen en vervolgens oock metter daad sien uytvoeren heeft.

Ende dus soo wel Grootmoeder als Moeder sig aen een gruywelycke kindermoord schuldig hebben gemaeckt.

14.

Een delict wel soo swaer dat ’t niet alleen in rechten onder den naam van een Parricidium werd begrepen l. 1. ff. ad. L. Pompej de Parricid. en daerom oock met het crimen læsæ Majestatis werd geæquipareert by Ant. Matth. de crimin. in proleg. cap. 2. n. 8.

Naer welkers onnatuurlyckheit in een moeder omtrent haet drugt alle begryp te boven gaet; daer immers de H

D. Schrift de Moederlycke barmhertigheit omtrent haer kind door eene ontstekinge haeres ingewands komt uttedrucken 1. Reg. (1. Koningen) 3. vers 26, ende God selven als yts boven-natuurlyck en als ’t ware onmogelyck aenmerckt dat een Vrouwe haeres Suygelings sou konnen vergeeten, dat sy haer over de vrugt haeres lichaems niet sou ontfermen. Jesai. (Jesaja). 49 vers 15.

Men denke niet als of de Dochter dien alleen haer Moeder tot dit infanticidium heeft vervoerd minder schuldig en straflyck zou zyn als de Moeder die ’t heeft uytgevoert, gelet dat in desen de rechten Mandantem & Mandatarium houden te sijn duo Correlata, & ob it, homicidio secuto, delictum mandantis & mandataii confidereren als unum fere & idem, ut sic in commisso homicidio mandans non minus quam mandatarius ultimo supplicio sit afficiendus. Ja soo dat selfs een mandans geoordeelt werd plus delinquere, quam mandatarius; uti plene apud Corpzov. D. part 1. quæst. 4. n. 1. 4. 5. 6. 9. & 12.

Sulcks dat wy uyt en om all ’t gene voorschreven is geen ander rechtelyck besluyt ter voldoeninge aen een goede Policy en Justitie konnen opmaecken als dat beyde Gedetineerdens voor het gepleegde en by haer bekende moorddadig ombrengen en doen ombrengen van het jong-geboren kind haer leven verwerckt hebben en niet minder als met de dood gestraft sullen werden.

Welcke doodstraffe alsoo die van een soodanig delict hier te Lande doorgaans of het swaerd of den strop oock somwylen wel ’t rad is; als te sien by Groenew. de LL. Abrog. ad. §. 6. Inslt. de Pub. Judic. n. 3. Damhoud. Prax crifu. 89 n. 8.

Soo souden wy, soo wy Richters waren in desen (daer soo veele circumstantiæaggravantes mede vermengt zyn als in voorgaende Advyse aengehaelt) de beide Gedetineerdens condemneren om aen een paal geset en met een strop gewurgt ende vervolgens op ’t galgevelt begraeven te werden.

Ten ware dat omtrent het allerlaeste Daer Wel Edele ende Achtbaere bysondere consideratien mogten vinden om haer een kist te vergunnen; waerom wy daer van oock in het dictum der Sententien geen meldinge hebben gemaeckt: als sijnde buyten contest potestatem moderandi pœnas non solum in extraordinariis, sed & in publicis judiciis obtinere jedicem. Qualem Aristoteles in præmiis & pœnis distribuendis proportionem, Geomerriu, scilicet, fer vandam dixit lib. 5. Ethic. 6.

15.

Wy hebben alhier de Sententie van Catharina Kaspers laeten gaen voor die van haer Dogter; gelyk wy ook vernemen dat deselve voor de Dogter geëxecuteert sal behooren te werden vermits seeckerlyk de eerste in desen om meer als eene reden eerder commiseratie verdiend als de tweede.

Sententie van Catharina Kaspers.

Alsoo Catharina Kaspers, oud in de vyftig jaeren, geboortig van Elburg, gedetinnerde alhier aen den Gerichte der Stadt Elburg iterativelyck sonder pyn en banden heeft beleden dat sy geduirende het laetste swanger zyn buyten echt van haer Dogter Johanna Willems sig niet ontsien heeft voor deselve een afdryvend middel van Senuw-bladen tot meermaelen te haelen en te præpareren; ende op den 11 July laestleden ’s morgens als sy wederom t’huys kwam haer Dogter voornoemd op ’t math is gekomen als deselve besig was met kraemen; dat haer Dochter verloscht sijnde van een Dogtertje dat leefde sy ’t selve den navel met een draadje afgebonden ende vervolgens op aensetten van haer Dogter by het bed en in desselfs gesicht het hoofd met haer vingeren ingedruckt en daer na van het Steyger op de sluyse naekt in deser Stadt gracht geworpen heeft; Synde een saeck gantsch onnatuuryck en onchristelyck ende van een gantsch pernicieus gevolg die in een Stadt van Politicy en Justitie niet geleden kan werden, maer anderen ten exempel ten hoogsten strafbaer is: Soo is ’t dat ’t Gerigte van welgemelte Stadt recht doende na ingenomen advys van onparthydige Rechtsgeleerden verklaert de voorgenoemde Catharina Kaspers haer leven verwerckt te hebben deselve mitsdien condemnerende om ter plaetse daer men gewoon is soodaene executie te doen aen een paal gebonden en met een strop gewurgt te werden datter dood na volge.

Sententie van Johanna Willems.

Alsoo Johanna Willems, oud drie ‘s vier en twintig jaeren, geboortig van Elburg, gedetineerde binnen deselve Stadt aen den Gerichte aldaer buyten pyn en banden heeft beleden dat sy gedetineerde hebbende in den verleden jaere buyten egt gekraemt sedert desselfs verlossinge sig wederom in onecht heeft laeten beswangeren ende onder voorgeeven van ’t selve geignoreert te hebben sulcks voor haer eygen Moeder, Chyrurgyn en Nabuyren (selfs onder duyre eeden) verborgen gehouden; oock in de tyd van haer swanger sijn verscheide maelen Senuwen-bladen getrokken en gebruyckt tot afsettinge.

16.

Dat sy op den 11 July deses jaers ’s morgens (sonder onthaelingen van nabuyren) in den arbeid geraeckt sijnde haer moeder Catharina Kaspers binnen is gekomen als sy besig was met kraemen; dat sy van een leevendig kind verlost sijnde het selve aen haer moeder voornoemd heeft gegeeven en deselve (onder swaere vloeck-naemen) daer toe aengeset en vervoerd dat sy het kind soude dooden en wech maeken; gelyck oock by de confrontatie uyt des moeders consessie gebleken is dat deselve het kind by het bed en in ’t gesigt van haer Johanna Willems het hoofd met haere vingeren ingedruckt en vervolgens in de Stads gracht geworpen heeft: All ’t welcke saecken sijnde gantsch onnatuurlyck en onchristelyck ende van gantsch pernicieuse gevolgen die in een Stadt van Polity en Justitie niet geleden konnen worden maer anderen ten exempel ten hoogsten stafbaer zyn; Soo ist dat ’t Gerigte van welgemelte Stadt recht doende na ingenomen advys van onparthydige Rechtsgeleerden verklaert de voornoemde Johanna Willems haer leven verwerckt te hebben deselve mitsdien condemnerende om ter plaatse daer men gewoon is soodane executie te doen aen een paal gebonden en met een strop gewurgt te worden datter de dood na volge.

Advys geadviseert by ons onderschreven onder submissie aen beter oordeel binnen Harderwyck den 28 September 1743.

Geëxecuteerd binnen Elburg den 6 October 1743.