Topografie van een kleine stad

Het Eerste Klooster en de Poorten van Elburg

Door Fokke J. Bakker

Dit artikel bestaat uit twee delen: Het Eerste Klooster van Elburg en de Poorten van Elburg. Beide onderwerpen staan ter discussie en zijn belangrijk genoeg om er in breder verband kennis van te nemen. Hoe is het toch mogelijk dat er in Elburg geen heugenis meer is aan het kloosterbegin tussen de Beeckstrate en de Olderstrate en evenmin aan de juiste ligging van de voornaamste stadspoort, de Heilige Geestpoort? Ondanks alle ijver van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe heeft niet één van de dertien getranscribeerde stadsrekeningen in de periode 1441-1471 een kloostermelding opgeleverd. Wat betreft de Heilige Geestpoort zijn de resultaten ronduit verrassend.

Het Eerste Klooster te Elburg

Alle onderzoekers die tot nu toe over het Eerste Klooster van Elburg geschreven hebben, gebruiken gemakshalve de naam St. Agnietenklooster al vanaf het allereerste moment waarop een enige vrouwen, nonnulle virgines,[1] samen een geloofsgemeenschap willen vormen. Deze kloosterbenaming is feitelijk onjuist, want pas in de loop der tijd wordt definitief gekozen voor een patroonheilige. Heel lang worden de vrouwen omschreven als de Zusters der orde van St.Franciscus te Elburgum. Maar hierover later meer.

We beginnen nu eerst met een kort overzicht van de Elburger nieuwbouwgeschiedenis vanaf 1392. Het oude Elburg is niet meer dan één lange straat, de Olderstrate.[2] Deze hoofdstraat begint in het zuiden bij de Oude Kerk(hofsweg) en loopt helemaal door tot aan de weg naar scheepsrede ten noorden van de stad. In 1392 krijgt Elburg een rechthoekige vorm en wordt alleen het midden gedeelte van de Olderstrate opgenomen in het nieuwe stadsplan.[3] De bewoners van de beide uiteinden van de Olderstrate worden gedwongen om binnen de muren van de nieuwe stad te gaan wonen. Het merendeel van die gedwongen verhuizers bouwt een nieuw onderkomen aan de Beeckstrate, die parallel aan de Olderstrate, het nieuwe stadje precies middendoor deelt. Gezien de structuur van het nieuwe Elburg zou er nog een derde parallelle hoofdstraat genoemd moeten worden, maar daarvan wordt pas sprake als eeuwen later de Ledige Stede over het voormalige kloostererf wordt doorgetrokken tot aan de Bloemstraat. De drie zijverbindingen tussen de Olderstrate en de Beeckstrate worden aanvankelijk alle drie simpelweg Brederstrate genoemd. Latere namen van deze Brederstraten zijn: Bloemstraat, Susterenstraat en Kerkstraat. Het zuidoostelijke deel van de stad blijft gereserveerd voor bijzondere bebouwing, tuinen en uitbreidingen.

Zes blokjes van zes erven

In 1393 is een lijst gemaakt van alle personen die in het nieuwe Elburg een erf krijgen toegewezen.[4] Deze lijst begint vanzelfsprekend met alle nieuwbouw aan weerszijden van de Beek.[5] Maximaal kunnen dit 56 erven zijn geweest. Het vervolg van de uitgifte moet ongetwijfeld gezocht worden tussen de Beeckstrate en de Olderstrate. Zo wordt immers het nieuwe gedeelte met de oude stad verbonden tot een geheel. Hiervoor zijn de nummers 57 tot en met 92 beschikbaar, zes blokjes van zes erven. We vinden ze aan weerszijden van de straten die nu Smedestraat, Vischpoortstraat en Noorderkerkstraat worden genoemd.[6]

In de namenlijst van 1393 vinden we in dit tussenliggende gebied het dubbelerf van Pelgrim van Putten op de nummers 84 en 85. Meerdere auteurs hebben gezegd dat op dit dubbelerf zijn Gruithuis stond, een belastingkantoor voor het innen van biergelden.[7]

Westerink lokaliseert beide erven met de nummers 84 en 85 aan de Rozemarijnsteeg doorlopend tot aan de Vischpoortstraat.[8] Deze erven zouden dan uitzonderlijk diep zijn geweest, vanaf de Vischpoortstraat helemaal tot voorbij de Kromme Steeg. Uitgaande van een zo eerlijk mogelijke grondverdeling is het logischer de twee, precies tegenover liggende erven, grenzend aan de Rozemarijnsteeg, tot aan de Smedestraat als uitgangspunt te nemen. Vooral ook omdat aan de Smedestraatkant de hoofdingang van Pelgrims gebouw is teruggevonden.[9]

Ommuurde vestingstad

In de onmiddellijke omgeving van dit nog altijd bestaande Gruithuis komen we de erven van Arend Alfarenzoon tegen onder de nummers 80 en 8l. Van een van die erven weten wij dat het ‘geleghen is alre naest den walle’.[10] Elburg is aangelegd als ommuurde vestingstad. De huidige wallen om de stad zijn van 1530 en kunnen dus niet bedoeld zijn. Dat betekent dat in 1418 een huis aan de buitenrand van de stad alleen maar aangeduid zou kunnen worden als een ‘huseke dat neest de muere staet’.[11] De wal die in de stadsrekeningen van 1443, 1447, en 1454 wordt genoemd moet dan ook gezocht worden buiten de stad bij het Oude Kerkhof en is mogelijk een restant van de verdedigingswerken van voor 1392.

Ook de Schoenmakerswal[12] bij de sluis ligt buiten de stad en is beslist geen plaats om een huis bouwen alleen al niet vanwege de stank van de schoenmakerskuipen. Aan welke wal ligt dan het huis van Arend Alfarenzoon? Het erfnummer in de 80 verraadt het al. De genoemde wal kan alleen maar de Olderstrate zijn. Deze straat ligt duidelijk hoger dan het omliggende land. Latere ophogingen van het Gruithuis bevestigen dit.[13] Door de bocht in de Olderstrate ligt het bewuste huis slechts twintig meter van ‘den walle’. De conclusie luidt dat het achtererf van Arend Alfarenzoon grenst aan het erf van het Gruithuis en loopt langs de Rozemarijnsteeg door tot aan de latere Vischpoortstraat.

Zes huizen, één geheel

Deze conclusie is heel belangrijk voor het vervolg van dit verhaal. Want in 1418 lezen we dat Mechteld ter Brake en Fie Willem Vincken dochter het halve steenhuis, dat Aert Alfers soen had laten timmeren, aan de Gemene Susteren hebben overgedragen.[14] Twee huizen van de zes zijn nu in bezit van de zusters. Na de dood van Mecheld ter Brake en Fie Willem Vincken erven de Zuster hun derde huis. Nog enkele jaren later hebben dezelfde Gemene Susteren het hele huizenblok in hun bezit, te weten alle zes huizen tussen de Smeesteeg en de Rozemarijnsteeg. Tegenwoordig aangeduid als Vischpoortstraat 5 tot 13.

Nu kunnen de Zusters aan de pastoor van Doornspijk toestemming vragen om zich in te mogen sluiten tot een echt klooster. Op 26 april 1425 wordt die toestemming onder bepaalde voorwaarden verleend aan de Zusters die wonen in de huizen die vroeger waren van Arnoldus Alferdi, Peter Bunten, heer Lubbertus Gertsz. priester, Conradus Quants, Fenne Conradi en Aleidis Plussen.[15] Deze zes familienamen zijn allemaal in verband te brengen met de Zusters en vormen een aaneensluitende reeks in de erfuitgifte van 1393 en later.[16] ‘Bij deze gebeurtenis in 1425 lezen we niets over medewerking van de magistraat’, constateert Westerink[17]. Dat is ook niet nodig want in feite verandert er niets voor het stadsbestuur. De Zusters blijven voorlopig op dezelfde plaats in dezelfde zes huizen wonen.

Kapel met onderaardse gang

Ook krijgen zij van de pastoor toestemming om een kapel te mogen inrichten. Dan ontstaat er een probleem: waar moet deze kapel komen? Het liefst aan de straatkant, maar aan die kant zijn de zes kloosterhuizen ingeklemd tussen twee stegen. Een bewoner van de Beeckstrate biedt uitkomst: er mag wel op het achtererf gebouwd worden net aan de overkant van de latere Smedesteeg. De maten van deze kapel worden in de akte van 1425 vrij nauwkeurig aangegeven. Als er een voetmaat van 30 centimeter is gebruikt, dan kunnen we zelfs de genoemde afmetingen exact terug vinden in het tegenwoordige huis Vischpoortstraat 3a.[18] Zo lang de buurman op de hoek Beekstraat / Vischpoortstraat het achtererf niet vol bouwt, staat de nieuwe kapel volledig in het zicht.

Pas in 1949 wordt deze kapel van het Eerste Klooster herontdekt. Tijdens een opknapbeurt valt er een stuk witkalk van de muur en worden er afbeeldingen van drie heiligen gevonden. Een vierde heilige is waarschijnlijk verloren gegaan door het doorbreken van een muur voor de aanleg van een gang op de eerste verdieping.[19] Andere schilderingen als De wonderlijke Visvangst en De wijze en dwaze Maagden zijn eveneens verloren gegaan. Om de kapel vanuit de kloosterhuizen ongezien te bereiken, is ongetwijfeld van een onderaardse gang gebruik gemaakt. In Elburg zingen meerdere verhalen rond die in die richting wijzen.[20]

Andere zienswijze

Dit is al jaren mijn visie over de ontstaansgeschiedenis van het latere Agnietenklooster, De heer Westerink denkt daar heel anders over. In zijn boek Elburg en Doornspijk is de complete insluitingsakte van 1425 twee keer afgedrukt, zowel in het Latijn als in het Nederlands.[21] Woorden kunnen echter meerdere betekenissen hebben. Bij het vertalen van een tekst wordt altijd gekozen voor een woord dat het beste de situatie weergeeft, zoals de vertaler die voor zich ziet. Het is duidelijk dat de heer Westerink de Zusters bij hun kloosterstichting in 1425 situeert op dezelfde plaats waar nu nog steeds al die mooie kloostergebouwen staan. Als hij dan ook een vertaling moet geven van de zin ‘in opido Elburgensi sint edificia constructa’, kiest hij: ‘in de stad Elburg zijn gebouwen gemaakt’.

Zelf zie ik zes huizen in de Vischpoortstaat voor me. Dus ik vertaal ‘in opido Elburgensi sint edificia constructa’ met de woorden ‘in de stad Elburg zijn huizen samengevoegd’. Beide vertalingen zijn correct! [22]

Maar voor de verdere lezing van de stichtingsakte is het van groot belang voor welke van de beide vertalingen is gekozen. Kiest iemand voor mijn versie, dan is de volgende vraag heel makkelijk te beantwoorden: Welke huizen zijn dan tot een klooster samengevoegd? Wel dat zijn de huizen waar vroeger in hebben gewoond Arnoldus Alferdi, Peter Bunten, heer Lubbertus Ghertsz. Priester, Conradus Quants, Fenne Conradi en Aleidis Plussen.[23]

Met de vertaling van de heer Westerink kom je in de problemen, want als de zusters ten tijde van de stichting in 1425 al wonen in die mooie gebouwen aan de Jufferenstraat, dan moet de toestemming zijn verleend voor de zusters die eertijds in bovengenoemde huizen hebben gewoond. De helft van die eertijdse zusters kan inmiddels al overleden zijn, maar ze mogen toch nog samen een klooster beginnen.

Dit klinkt niet erg overtuigend. Gelukkig vind ik ook een medestander voor mijn visie: Van der Ven schrijft: ‘In die huizen, die tezamen in 1425 tot een besloten convent werden gemaakt, zijn de kloosterzusters blijven wonen.’ [24]

Het voordeel van mijn vertaling van ‘samengevoegde huizen’ wordt nog duidelijker aan het eind van de stichtingsakte. Daar staat dat de zusters alleen met toestemming van de pastoor een preek mogen houden in de nieuwe kapel of binnen de heining. Er worden dus twee aparte plaatsen genoemd: binnen de heining van de zes samengevoegde huizen of in de nieuwe kapel. Dit komt toch precies overeen met hetgeen hiervoor geschreven is: er zijn zes samengevoegde huizen in de Vischpoortstraat met aan de overkant van de Smeesteeg de kapel.[25]

Door de bescheiden afmetingen is deze kapel eigenlijk alleen geschikt voor eigen gebruik en kunnen de rechten van de parochiekerken later wel geregeld worden.[26] Toch worden in de stichtingsakte van 1425 wel enkele uitzonderingen genoemd wanneer bezoek wel mogelijk is: op de feesten van de Patronen en kerkwijding en bij gelegenheid van de kleding en professie der zusters en dat begrafenissen zullen plaats hebben in genoemde kapel.[27]

Bakkerijbrand

Argumenten dat de muurschilderingen in de eerste kapel van iets jongere datum zijn dan 1425 blijft mogelijk. De Zusters hebben immers bijna 25 jaar van deze ruimte gebruik gemaakt, zoals later zal blijken. Er wordt in een recent onderzoek naar de juiste ouderdom niet precies aangegeven wat is onderzocht: de eerste verflaag, de tweede, de derde. Zijn er na het vertrek van de Zusters misschien nog andere erediensten gehouden in hetzelfde kapelletje? Is er rekening gehouden met de bakkerijbrand in 1954?[28] Wat in ieder geval helemaal ontbreekt, is een recent iconografisch onderzoek naar de datering van de afbeeldingen. Dat is wel gedaan door Thom. J. de Vries in een brief met diverse afbeeldingen, gedateerd 17 Oct. 1950. Zijn conclusie: ‘vandaar dat ik geneigd ben St. Christoffel ook op circa 1423 à 1425 te dateren.’

Tot zover het eerste deel van mijn artikel uit 1985 opnieuw bekeken. De herziening van het vervolg is noodzakelijk geworden na nieuwe onderzoekingen en de geweldige hoeveelheid nieuwe transcripties van laatmiddeleeuwse archiefstukken.

Hout al gekapt

Het is van meet af aan de bedoeling geweest om bij voldoende middelen een nieuw kloostergebouw met bijpassende kapel te bouwen in het nog lege, zuidoostelijke deel van de stad.[29] Uit de stadsrekening van 1443 blijkt dat de Zusters inmiddels grond bij de stadsmuur hebben aangekocht. Onderzoek heeft aangetoond dat enkele balken in de kap van Jufferenstraat 8 in 1444 zijn gekapt en klaar liggen om gebruikt te worden.[30]

Maar eerst moet biechtvader Lubbert Gerardsz uit Elburg in mei 1444 nog samen met zijn Harderwijkse collega Jacob naar Utrecht om een afschrift van een pauselijk en een bisschoppelijk privilege te verkrijgen om met de langverwachte nieuwbouw te kunnen gaan beginnen.[31]

De notaris ontvangt de beide priesters in het huis van de biechtvader van het Ceciliaconvent in Utrecht.[32] Daar worden de onmisbare documenten afgeschreven en voorzien van de nodige handtekeningen. Terug in Elburg kan dan eindelijk de spa de grond in en wordt er flink gebouwd, tot eind 1448 het geld op is. Voor het eerst moeten de Zusters meerdere landerijen verkopen.[33] Hun trouwe biechtvader Lubbertus Ghertsz maakt nog net de verhuizing mee naar het prachtige nieuwe klooster. Hij sterft in 1450 en laat aan de Zusters 500 gulden en een huis na.[34]

Patroonheilige St. Agnes

Bewust is in het voorafgaande verhaal alleen maar de aanduiding Zusters gebruikt omdat het niet duidelijk is wanneer de Zusters zich onder het patronaat van de Heilige Agnes hebben gesteld.[35] In de insluitingsakte van 1425 wordt Agnes niet genoemd, wel is er sprake van Patronen in het meervoud.[36] Er zijn 27 regesten betreffende de Zusters in de periode van 1418 tot 1447. Hierin komt in de officiële kerkelijke stukken de naam St. Agnes nog niet voor.[37] Dat is wel het geval bij enkele particuliere schenkingen aan het klooster of bij verkoop van landerijen aan het klooster namelijk 7 keer van de 27. Deze 7 vermeldingen zijn voor een deel te herleiden naar Zusters die Agnes heten.[38]

In de periode van 1447 tot 1474 volgen nog 22 regesten. Slechts in vier gevallen is sprake van Gemeene of Besloten Zusters. Maar vanaf 1457 spreekt iedereen van het St. Agnietenconvent binnen der Elborch.

We bekijken nu even wat nauwkeuriger naar de overgangsjaren tussen de beide serie regesten, de periode van 1445 tot 1449. In regest 255 van 4 maart 1445 wordt verklaard dat de Zusters ter Elburg land hebben gehuurd. Deze overeenkomst wordt door vijf met namen genoemde officiële kerkelijke instanties en een priester bevestigd. Het valt wel erg op dat een aanduiding als Agnietenconvent of St. Agnieten in deze rij nog steeds ontbreekt.

Begin 1449, regest 266, wordt aan alle onzekerheid, wat betreft de naamgeving van het nieuwe klooster, definitief een einde gemaakt door ondertekening vanuit het klooster zelf: ‘Oetbrich ten Bleke, ministersche, en de Zusters van het convent van St. Agneten in der stad Elborch verklaren verkocht te hebben aan Lubbert van Dry verschillende landerijen.’

In deze overgangsperiode kan regest 261 nog een heel licht werpen op de geschiedenis van de naamgeving van het klooster: ‘Hesse, graaf van Lynnygen, Wylhem, graaf van Vyrnenburg en Thurbrich heer van Boedingen, verzoeken burgemeester, scholt en raden der stad Elburg, Peter van Deirsdorp, die een welgeboren, “schiltber”man is, op zijn bedevaart naar Heilige Graf en Sent Katheryne te willen steunen met een aalmoes.’

Uit dit verzoek blijkt dat het tot ver in Duitsland bekend is dat Elburg een bijzondere Katharina verering kent. In de St.Nicolaaskerk binnen de stad is aan de noordzijde een altaar voor St. Catharina ingericht met een eigen priester, die betaald wordt uit de vicarie van St.Georgius en St.Catharina.

Het is daarom heel goed mogelijk dat ook de voorkeur van de Zusters aanvankelijk uitgaat naar St. Catharina van Alexandrië als patroonheilige, net zoals dat in Harderwijk het geval is. Deze mogelijkheid sluit eveneens aan bij wat Van der Ven ziet als belangrijkste bron van inkomsten van de Zusters in de zes huizen, namelijk spinnen en weven.[39] St. Catharina is immers nog steeds de beschermheilige van deze beroepsgroep. Dit kan verklaren waarom juist de muurschildering van St. Catharina een ereplaats krijgt in het kapelletje achter bakkerij Schenk. Eveneens wordt dan duidelijk waarom er in de Elburg literatuur zo hardnekkig over een Sint Catharine Convent wordt gesproken.[40] Tot 1449 ligt immers de naam nog niet vast en kan er zowel van St. Agnietenconvent als van St.Catharineconvent gesproken worden als het gaat over de Besloten Zusters in de zes huizen aan de Vischpoortstraat.

Brieven uit Arnhem

Na nog vierentwintig jaar giften en schenkingen volgt in 1474 uitbreiding. Er worden twee complete bouwblokken aan het kloostererf toegevoegd. Zelfs het tussenliggende straatje wordt aangekocht. Zeer tot ongenoegen van de gebroeders Van Speulde en hun vriend Steven Vinck. Onder aanvoering van dit drietal worden allerlei nare acties ondernomen, zoals vernielingen aan het klooster en opjagen van vee door de afrasteringen heen. Kennelijk treedt het gemeentebestuur van Elburg onvoldoende op tegen dit vandalisme, want vanuit Arnhem komen meerdere brieven van het landsbestuur met uitlatingen als: geef de daders honderd leeuwenguldens boete of stuur ze desnoods maar op naar Arnhem. De Zusters in Elburg hebben hun grond in Elburg niet zomaar gekregen maar voor veel geld gekocht. Ze wonen al 27 of 28 jaren rustig op dezelfde plaats en dat moet zo blijven![41] Wellicht ten overvloede wil ik er op wijzen dat deze brieven in 1475 zijn geschreven. Dit maakt de datering van de nieuwe kloosterbouw wel heel erg gemakkelijk 1475 – 27/28= 1448/1447.

De Poorten van Elburg

Een vestingstad met grachten, wallen, muren en poorten geeft een gevoel van veiligheid. In de loop der tijd bestaat de behoefte om dit gevoel zichtbaar te maken in een speciaal teken: het veiligheidsteken. We vinden dat op meerdere plaatsen terug in de muren van Elburg, zowel aan de binnen- als aan de buitenkant.[42] In de hoge muur naast de Vischpoort, tegenover de bistro is het mooiste exemplaar van dit teken terug te vinden. Oorspronkelijke hebben er, op gelijke afstand van elkaar, drie gezeten. Van de een is alleen de onderkant nog over en de ander is een slordige vervanging van het originele teken, dat door het maken van een hooiraam is vernield.

Dit onderzoekje is eenvoudig met een meetlint te doen. Jarenlang heb ik in Elburg allerlei metingen verricht met lint en lange lat en daaruit conclusies getrokken. Het is heel fijn dat nu enkele van deze conclusies door de transcripties van het Streekarchivariaat Noordwest–Veluwe worden bevestigd. Ik heb voor mijn verhaal gebruik gemaakt van dertien bewerkte stadsrekeningen in het tijdvak 1441-1471. Zonder het voorbereidende werk van P. van Beek en vooral van E. Kranenburg-Van der Beek was dit niet mogelijk geweest. Hartelijk dank.

Van drie naar twee poorten 1392-1530

Het vorige hoofdstuk begint met het in drieën delen van de Olderstrate. Het middelste gedeelte wordt opgenomen in de nieuwe vestingstad Elburg. De twee coupures in de lange Olderstrate zijn weloverwogen gekozen: wat er wel en wat er niet in de nieuwe stad opgenomen moet worden. De coupure aan de zuidwestkant wordt bepaald door de ligging van het Heilige Geestgasthuis, gebouwd in 1335. Van Meurs schrijft daarover in 1885: ’Het Heiligegeest-gasthuis, waarvan de fundamenten nog aanwezig zijn aan de uiterste grens der stad, zoodat het daar juist binnen viel’.[43]

In het museum Elburg hangt een zestiende-eeuws schilderij waarop dit gasthuis duidelijk te herkennen valt aan het blauwe leien dak. Het ligt inderdaad direct achter de muur. In het rechterlijk archief Elburg wordt in 1472 een overdracht vermeld van ‘dat halve huys ghelegen an de Hilligen gheist porte upten hoick teghen dat gasthuys over’.[44] Het lijkt mij duidelijk dat deze Heilige Geestpoort de eerste coupure van de Olderstrate afsluit. De bewoners van de Olderstrate binnen de nieuwe stad kunnen gewoon via hun oude vertrouwde route naar de kerk op het Oude Kerkhof. Het zal nog wel een tijdje duren voordat de nieuwe kerk in de stad klaar is.

De Heilige Geestpoort is erg handig. Tijdens de nieuwbouw aan de Beeckstrate hoeft niet iedereen over de modderige bouwterreinen langs de Brederstrate naar de nieuwe Goorpoort om de stad te verlaten. Trouwens de hoofdweg is nog eeuwenlang de Damm of Brede Gang tussen de hovens door langs de kust in de richting van Doornspijk aan Zee.

De coupure in het noordoostelijk deel van de Olderstrate wordt gewoon dichtgezet met de stadsmuur. Dit gedeelte van de nieuwe stad krijgt al gauw de toepasselijke naam Endenhoek.[45] De noordoostelijke Mheenpoort richting Kampen komt aan het einde van de nieuwe Beeckstrate.

Kort na 1400 heeft Elburg dus drie poorten: twee aan de zuidwestkant[46]en een aan de noordoostkant. Meerdere keren wordt in de stadsrekeningen gesproken van het schoonmaken van de drie poorten.[47] Ook zijn er drie stadspoortwachters die in 1461 alle drie een nieuwe muts krijgen.[48] Toch worden er in de periode 1441-1471 zes verschillende namen gebruikt voor deze drie poorten. In het nu volgende gedeelte worden de drie poorten met hun bijpassende namen een voor een besproken.

De Heilige Geestpoort

Dit is verreweg de belangrijkste poort. Heel opvallend is de eensgezindheid over de naam. Vanaf het begin is de poort alleen maar aangeduid als de Heilige Geestpoort. In de onderzochte periode wordt de poort 34 keer genoemd. Dat is 11 keer meer dan de twee andere poorten samen. Wat verder opvalt is het aantal schoonmaak meldingen en het effenen van de grond voor de poort. Het vuil uit de stad wordt via deze poort naar zee afgevoerd en vanuit de ‘hovens’ wordt druk de stad in en uit gelopen. De tuinen buiten de stad bestaan uit vruchtbare kleigrond. Niet voor niets wordt een oude boerderij aan het Bagijnendijkje Smerenburg genoemd.[49]

Direct voor de poort vinden allerlei activiteiten plaats zoals jaarmarkten,[50] terechtstellingen[51] en niet te vergeten het spannen van lakense stof op spanramen.[52] Een eindje verderop staan ook nog ramenwerken voor leerbereiding.[53] Misschien komt het water voor de schoenmakerskuipen wel uit de put voor de poort.[54] In de herfst liggen er langs de toegangsweg bundels riet[55] en rijshout.[56]

Bij grote werken als de gracht uitdiepen, de kap vervangen en uitgebreid metselwerk wordt nadrukkelijk de naam van de poort genoemd. Ook bij klein onderhoud ontbreekt de naam niet: een nieuwe bank, een nieuw hengsel en een nieuw hek.[57] Als bijzonderheid wordt vermeld dat de metselaar aan de poort zijn ladder breekt en dat hij op kosten van de stad een nieuwe mag laten maken.[58]

Het allerduurste is de beveiliging van de stad. Want niet alleen poortwachters maar ook meerdere nachtwakers moeten betaald moeten worden. In de loop der jaren neemt deze post in de stadsrekeningen alleen maar toe.

Het blijft voor mij nog altijd een groot raadsel waarom stadshistorieschrijver Westerink schrijft: ‘De heilige Geest poort stond in ‘t verlengde van de Gasthuissteeg’.[59] De voornaamste poort van de stad aan het einde van een nietszeggende steegje. Een blik op zijn kaart van Jacob van Deventer had voldoende moeten zijn om deze uitglijder te voorkomen.[60]

Om dit hoofdstukje nog even af te ronden. In 1512 worden extra versterkingen voor de Heilige Geestpoort aangelegd.[61] Daarna neemt de betekenis van deze poort af. De Olderstrate gaat zijn naam steeds meer eer aan doen en het centrum van de stad is in de loop der tijd naar de Vischmarkt opgeschoven. Voor de aanleg van de wallen rond het jaar 1530 is veel geld nodig. Ook de poortingangen moeten aan de nieuwe situatie worden aangepast. De stad heeft de accijnzen op wijn en importbier al drastisch verhoogd. Dan valt het besluit: drie versterkte poorten is voor Elburg te veel. De Heilige Geestpoort wordt gesloopt. De afgebikte stenen zullen wel elders in de verdedigingswerken zijn ingezet. Acht jaar later probeert een aantal burgers tevergeefs hun geliefde poort opnieuw te openen. De nieuwe hertog Willem II laat de zaak bekijken, maar wijst uiteindelijk het verzoek af. Alles is goed zoals het nu is.[62]

De Zeepoort of Oosterpoort of Medenpoort

De eerste vermelding van deze poort aan de noordoostkant van Elburg in de periode 1441-1474 is meteen al in het jaar 1441. Een kapotte sliengel of slegel om de poort te openen wordt vervangen.[63] Deze poort is na de gebiedsuitbreiding van Elburg in 1438 een stuk belangrijker geworden. De scheepsrede bij Elburg voldoet niet meer en er zijn plannen om ten noorden van de stad een haven te maken. Daarvoor wordt de Puttener Beek omgeleid en een kilometer lang buitendijks kanaal uitgegraven. Tenslotte wordt de kustwal doorstoken en een nieuwe verbrede monding aangelegd.[64] Voortaan kunnen kleinere schepen de stad bereiken en afmeren aan de Kadijk, vlak voor de Zeepoort.

Onderweg passeren ze de twee bakens bij de brug naar de Meden.[65] Deze brug over het havenkanaal was voor hooiwagens uit de Meden.[66] Zo konden ze de stenen hooibergingen (‘schueren’)[67] bereiken ten noordwesten van de stadsbleek. Behalve nog een enkele melding in 1470 komt de naam Zeepoort in de onderzochte stadsrekeningen niet meer voor. Wel wordt de Zeepoort nog een keer genoemd in het verslag van een oproer in 1453. Om de moordenaar van de stadsbode te kunnen grijpen, moeten alle drie de poorten worden gesloten. Bij de twee poorten aan de zuidwestkant van de stad lukt dat op tijd, maar Zeepoort blijft open.[68]

De naam Oosterpoort[69] komt 9 keer voor. De eerste keer in 1443: Er wordt een plank geleverd om de steiger te maken. Waar de steiger precies staat, is onleesbaar. Het zou aan de Kadijk kunnen zijn.[70] In 1447 wordt wel zeven keer melding gemaakt van activiteiten voor of buiten de Oosterpoort. Er wordt volop puin en zand aangevoerd om vijftig meter straat voor de poort aan te leggen. Ook wordt de brug over de gracht en de oever nagekeken. Heel bijzonder zijn de werkzaamheden aan het ‘huusken’ buiten de Oosterpoort.[71] Dit huisje staat op de stadsbleek. In Elburg aangeduid als de bleke stede of wassche. Het gebruik van de stadsbleek is gratis maar voor eventuele bewaking van het wasgoed verwacht de pachter wel een bijdrage. Mogelijk ook voor het gebruik van de ‘waschbanc’.[72]

De laatste post waarin de Oosterpoort wordt genoemd staat op dezelfde bladzijde als de eerste vermelding van de Medenpoort.[73] Een nieuwe naam is in opkomst en heeft uiteindelijk de strijd gewonnen. Vandaag de dag wordt er in Elburg alleen nog maar van Mheenpoort gesproken als het gaat over de noordoostelijke uitgang van de stad. De Medenpoort geeft na 500 meter toegang tot de gemeenschappelijke weide van Elburg. Een hek onderaan de dijk geeft toegang tot dit gebied. Vandaar de oude naam Veelken Meden, waarin Vleken hek betekent en Meden of Maden hooiland.

Voor de Medenpoort staat de kalkoven.[74] Hierin worden schelpen gebrand tot metselkalk. De ovens zijn er al lang niet meer, maar in de volksmond wordt het pad langs de haven nog steeds aangeduid met ‘noar de Kalkovens’. Aardig is het om te lezen dat Albert de Kuper de opdracht krijgt om een officiële inhoudsmaat te maken, waarmee de stad de aangevoerde schelpen kan meten.[75]

In 1461 maakt de stadsschrijver een fout als hij schrijft dat de grond buiten de ‘Ghoerpoerte ende buten de twee poorten’ geëffend wordt. Wij weten inmiddels dat de aanduiding de twee poorten alleen maar geldt voor de beide poorten aan de zuidwestkant van de stad. Dat de schrijver echt de Medenpoerte bedoeld heeft als hij Ghoerpoerte schrijft, blijkt uit de volgende bladzijde in de stadsrekening. Daar verschrijft de schrijver zich opnieuw. Halverwege het woord ziet hij zijn vergissing, streept Ghoer door en gaat verder met Medenpoerte.[76]

In 1471 worden de drie poorten van de stad extra bewaakt. De vijand wordt voor de Goorpoort verwacht. Er wordt maar liefst vijf man ingezet. De wacht bij de Medenpoort wordt verdubbeld. Van de Heilige Geestpoort wordt alleen maar geschreven wat een hele maand bewaking kost.[77]

Zuiderpoort of Goorpoort

De naam Zuiderpoort is te verklaren door de schuine ligging van de stad. In het voorgaande is steeds de aanduiding zuidwesten gebruikt als de Doornspijker kant van de stad wordt bedoeld. De naam Zuiderpoort vindt geen weerklank, evenmin de naam ‘Suitdijc’.[78] Alleen in het jaar 1443 wordt vier keer de aanduiding zuid gebruikt in en om de Goorpoort. Dit vooral in verband met het maken van ‘den sijl’.[79] De heruitgave van de stadsrekening geeft als verklaring van sijl: waterloop, waterafvoer of sluis.

In Elburg moeten we meer denken aan een drempel in de gracht zoals het Engelse woord ‘sill’ aangeeft. Deze sijl of stuw is nog steeds aanwezig onder de Goorpoortbrug en zorgt (zorgde) voor water in de stad. Even voor de brug wordt het water van de gracht onder de wallen doorgeleid. Voor kinderen van groep acht is het een onvergetelijke belevenis om deze tocht onder de wallen mee te maken. De aanvoer van allerlei kalk en steen en het graafwerk veroorzaakt nogal wat vuil in de poort. Vandaar de aparte vermelding van een grote schoonmaakbeurt aan de Goorpoort.[80]

Nog twee meldingen van de Goorpoort vinden plaats in 1470 en 1471. In het ene jaar legt de stratenmaker enkele nieuwe stenen in de poort, het andere jaar wordt extra bewaking ingevoerd en krijgt de wapenkist op de Goorpoort een nieuw slot.[81]

Van twee naar vier poorten

In de loop der eeuwen groeit het aantal poorten van twee naar vier. Omstreeks 1840 geeft Marie Agnes Haaasloop Werner op dichterlijke wijze hiervan een beeld:[82]

Door poorten is de stad verzekerd
men heeft er één aan elke zij
de poort die ik eerst zal noemen
leidt naar het Goor of de stadswei.

De Vischpoort draagt zijn naam naar waarde
want hier koopt men des morgens visch
’t zij kabeljauw of tong of snoeken
of wat er aan de afslag is.

Het Hooy komt door de Mheenpoort binnen
van Oosterwolde of digter bij
maar dan is ook door dit poortje
een aller vreeslijkst druk gerij.

De Oostpoort, kleine poort geheeten
diend mij wanneer ik soms eens droom
te gaan naar Kampen, Zwoll of Hattem
of ook wel naar den Ekelboom.

Het geeft ons wel eens stof tot lachen
als op de markt een vreemdling staat
die daar te g’lijk door alle poorten
zijne verbaasde blikken slaat.

In 1592 krijgt de Visserstoren een poortdoorgang naar de nieuwe haven. De rekeningen hiervan zijn bewaard gebleven.[83] Daaruit weten dat de Vischpoort aanvankelijk de ‘Nije Poerte’ wordt genoemd.

Op een stadsgezicht uit 1672 zien we, naast de gevangentoren,[84] de Kleine Poort of Oostpoort of Graaf Hendrikpoortje. Deze uitgang van de stad wordt steeds belangrijker, vooral als rond 1830 de loop van de Zuiderzeesche Straatweg dwars door Elburg gaat. In die tijd komt de naam Zwolsche Poort in zwang, tot voor kort de meest gebruikelijke naam.[85]

De meest bijzonder naam voor de Zwolsche Poort is voor het laatst bewaard. Cornelis Springer noemt als locatie van een houtskooltekening uit 1863: ‘Bij de Ravennespoort te Elburg’.[86] De tekening is zonder enige twijfel bij de Zwolsche Poort gemaakt. In een van mijn artikelen voor de Elburger Courant heb ik een mogelijke verklaring gegeven. De bomen op wallen naast de Zwolsche Poort zijn meerdere malen bevolkt geweest door uitgebreide roekenkolonies.[87] Zo erg dat hier en daar zelfs van een plaag wordt gesproken. Roeken of raven is voor een geplaagde Elburger een pot nat. En zolang er geen naambordje bij een poort is, kan iedereen zijn eigen aanduiding gebruiken. Dat is wel duidelijk geworden na het lezen dit poortverhaal.

Van vier naar één poort

Alleen de Vischpoort is aan de sloopwoede van de negentiende eeuw ontsnapt. Het havenlicht aan de 25 meter hoge toren vormde een onmisbaar baken voor de scheepvaart. Ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan van de Vischpoort in 1992 zijn er opnieuw deuren in de poort gehangen. Er is twee kubieke meter eikenhout voor gebruikt en ze wegen samen zo’n 1600 kilo.[88]

Resultaten van dit onderzoek

Het voorstel om de foutieve naam Eendenhoeksteeg te veranderen in Endenhoeksteeg wordt niet door de oudheidkundige vereniging gesteund. De beslissing wordt verdedigd met het argument: ‘Ook foute namen behoren uiteindelijk tot ons erfgoed’.

De gemeente Elburg voert een actief beleid ten aanzien van oude kerkpaden. Het voorstel om het oude kerkpad van de Ellestraat naar de Oude Kerkhofsweg nieuw leven in te blazen vindt geen weerklank. Terwijl het toch vrij eenvoudige te realiseren is: een coupure in de wal op de plaats waar eens de Heilige Geestpoort heeft gestaan, een eenvoudig ophaalbrugje over de gracht en klaar is deze nieuwe historische wandelroute.

De vrijgekomen grond uit de wal zou kunnen dienen om het aangrenzende bolwerk van het Neerlands Bergje op de oorspronkelijke hoogte te brengen.

Het kloosterverhaal heeft meer succes. Door de bakker wordt weldra een speciaal gebak onder de naam Kloosterwegge op de markt gebracht. Mijn aandeel bestaat uit het ontwerpen van de gebaksdoos, compleet met afbeeldingen van de gevonden heiligen en enkele pakkende teksten. De poortvormige cellofaanopening in de deksel sluit aan bij het verhaal van een onderaardse kloostergang.

Swifterbant, najaar 2009, aangevuld herfst 2013



[1] G.Westerink, Elburg en Doornpijk,(Zutphen z.j.) 287

[2] De straatnamen Olderstrate, Beeckstrate en Brederstrate zijn overgenomen uit de Transcriptie op het protocol van vrijwillige rechtspraak, Elburg 1443-1472, H. Kranenburg (Elburg 2005) Oud Rechterlijk Archief (ORA) inv. nr. 113. De Olderstrate heet tegenwoordig binnen de wallen Ellestraat. Het onverharde deel ten zuidwesten van de stad wordt nu Brede Gang genoemd. Ten noorden van de stad is de Olderstrate mogelijk alleen nog terug te vinden in een erfgrens. Meer over dit noordelijke gedeelte van de Olderstrate zie ORA inv. nr. 113, 23 en 68.

De noordelijke Olderstrate, als onderdeel van de oude stad, ontbreekt bij Reinout Rutte, Stedenpolitiek en stadsplanning in de lage landen, (Zutphen 2002) 96.

[3] Het terrein voor de nieuwe stad wordt uitgezet in de verhouding 3:4. In Elburger roeden uitgedrukt 75:100. Waarbij elke roede bestaat uit 14 voeten van 27,5 cm = 3.85 m. Rutte hanteert voor Elburg een roede van 3.80 m. Zie Reinout Rutte, Over de aanleg van de nieuwe stad Elburg omstreeks 1400, oudheidkundige vereniging Arent thoe Boecop ( AtB) nummer 80 (Elburg 2005) 5.

[4] Oud Archief Elburg (OAE) inv. nr. 427.

[5] Bij nummer 12 is ‘up der beke’ toegevoegd. De Vischmarkt maakt deel uit van de Beeckstrate. Drie van de vier bewoners van de hoeken van de Vischmarkt worden terug gevonden in paragraaf 61van OAE inv. nr. 427a gedrukt bij P. A. N. S van Meurs, Geschiedenis en Rechtsontwikkeling van Elburg, (Arnhem 1885) 83. Deze drie bewoners aan de Vischmarkt zijn: Aelt Egbertszoens, Henrick Toernemaker en Henric Hoppenbrouwer.

[6] Het Arent thoe Boecophuis (Stadskasteel) in de Kerkstraat vinden we in de lijst van 1393 terug rond nummer 120. Dit hoge nummer bevestigt de volgorde van uitgifte zoals ik die in mijn verhaal schets.

[7] G.Westerink, Doornspijk en Elburg, (Assen 1961) 25 noot 42: ‘Zeker niet voor zelfbewoning, maar voor zijn gruithuis. Van Meurs, 29 noot 5.’

[8] G.Westerink, De Ellestraat in Elburg, AtB nummer 16 (Elburg 1980) 18,19.

[9] Fokke Bakker, Gruithuis, AtB nummer 28 (Elburg 1984) 17-32 en AtB nummer 64 (Elburg 1998) 39-42.

[10] OAE inv. nr. 1306.

[11] OAE inv. 427. Met deze aanduiding opent het protocol van erfuitgifte 1393.

[12] E. Kranenburg-Van der Beek, Heruitgave stadsrekening Elburg 1453, (Elburg 2000) 19v.

[13] R. Meischke, Het huis Rosmarijnsteeg te Elburg,. Bulletin van de Kon. Ned. Oudh. Bond 6e serie- Jaargang 11-Aflevering 2-April 1958 (Den Haag) 82.

[14] OAE inv. nr. 1306.

[15] OAE inv. nr. 1293.

[16] Fokke Bakker, Het eerste Agnietenklooster, AtB nummer 30 (Elburg 1985) 3-18

[17] G.Westerink, Elburg en Doornspijk 179.

[18] Binnen het gebouw gemeten zijn de afmetingen van de huidige kloosterkapelaan de Jufferenstraat: onder de galerij 27x34 voet en een koorgedeelte van 27x 20 voet. De gehele kapelruimte is dus gebouwd in de verhouding 1:2. Deze maten zijn absoluut niet terug te vinden in de stichtingsakte van 1425.

[19] Fokke Bakker, Het eerste Agnietenklooster, AtB nummer 30 (Elburg 1985) 3-18.

[20] J.L. de Boer, Elburg de middeleeuwse stad, (circa 1950), 12: ‘Een onderaardsche gang wordt bij het Oude Raadhuis verondersteld’ en 13: ‘Gedeelten van een onderaardsche gang zijn bij het Jufferenklooster gevonden. De juiste loop van deze gang moet nog nader worden onderzocht. Zij is met één tak op de St Nicolaaskerk gericht.’ Van beide veronderstelde gangen wordt later niets meer vernomen. Dan kan ook niet want in de parochiekerk hielden de zusters geen bijeenkomsten. Dat was natuurlijk wel het geval in de kapel aan de Smeesteeg. De situatie in Elburg lijkt op die in Rhenen. Daar liep een onderaardse gang onder de straat door van het Agnietenconvent naar de Grote Kerk. Zie: Hildo van Engen, De derde orde van Sint-Franciscus in het middeleeuwse bisdom Utrecht, Hilversum 2006, 250 (Van Engen)

[21] G.Westerink, Elburg en Doornspijk, (Zutphen z.j.) 287 en 177.

[22] Kloosters hebben vaak meerdere gebouwen en de omvang gaat ook meestal een gewoon huis te boven. Vandaar simpelweg het woord edificia. Maar naast elkaar staande huizen vormen ook een groter geheel en kunnen dus eveneens met edificia worden aangeduid. Een voorbeeld daarvan in de bundel Ter Recognitie, (Hilversum 1987). Daar wordt op pag. 74 vastgesteld dat in Utrecht alle huizen langs de

burchtgracht, die hoger en breder waren opgetrokken dan vóór de brand, moesten worden afgebroken. Dit is een vertaling van: ‘De fossato eciam urbis omnia edificia que longius et lacius quam ante incendium fuerant ibidim sunt erecta.’ De betekenis van constructa, constructio, construo is ruimer dan alleen maar maken of bouwen. Samenvoegen en bijeenplaatsen vallen ook onder hetzelfde begrip. Bijvoorbeeld: dentes in ore constructi – rijen tanden.

[23] Het is heel gebruikelijk een huis aan te duiden met de naam van de oorspronkelijke eigenaar: ‘dat huus waer… plach te woenen.’

[24] H.J. Olthuis, Gedenkboek, Arnhem 1969, 50

[25] Eind negentiende eeuw doet zich een merkwaardig geval van geografisch determinisme voor: op een erf midden in het vergeten kloostercomplex aan de Vischpoortstraat wordt de eerste gereformeerde kerk van Elburg gebouwd.

[26] Regest OAE 200, 10 februari 1431

[27] G. Westerink, Elburg en Doornspijk 178

[28] Frederieke Jeletich-Visser (met medewerking van Esther van der Knaap en Els Leeffers), Van klooster tot Gemeentemuseum, AtB nummer 79 (Elburg 2005) 49.

[29] Het zuidoostelijk deel van de vestingstad Elburg is vijftig jaar lang leeg gebleven. Namen als Ledige Stede en Bloemstraat herinneren nog aan de tijd dat hier ruimte was voor stadstuinen. Speciaal hiervoor waren enkele waterputten geslagen om tijdens de warme zomermaanden over genoeg water te kunnnen beschikken. Een van die putten is voor de bouw van het Agnietenklooster gedeeltelijk dichtgegooid met stadsvuil en zorgde later voor verzakking.

[30] Janny ten Hoor-Van Maren, Bep de Waard-Ruijs, Zijwegen, Begijnen en Agnieten AtB nummer 86 (Elburg 2008). In het laatste hoofdstuk neemt De Waard-Ruijs opnieuw de vertaling van G. Westerink als uitgangspunt om de resultaten van nieuwe onderzoeken en transcripties in te passen. De inhoud van de inventarissen OAE nummer 62 en 62a is door haar over het hoofd gezien. Het simpele feit van een (beer)put is onvoldoende voor de conclusie dat de Zusters al vóór de bouw van het huidige kloostercomplex op dit terrein woonden.

[31] Zie regest OAE 198: Na gehouden onderzoek mogen zusters der orde van St. Franciscus een klooster met kapel inrichten als daarvoor de middelen aanwezig zijn. Aldus paus Martinus op 21 maart 1430. Hiervoor moest de bisschop van Utrecht zijn medewerking verlening.

[32] Van Engen, 386.

[33] OAE inv. nrs. 1310 en 1400.

[34] OAE inv. nr. 1300, fol. 2.

[35] A.J. van der Ven in Gedenkboek van dr .H.J. Olthuis Arnhem 1969, 48: ‘Bij welke gelegenheid het klooster onder het patronaat van de H. Agnes, maagd en martelares, is gesteld, blijkt niet’.

[36] Zie noot 27.

[37] A.J. van der Ven, De oude Archieven van de Gemeente Elburg en van de Zeepolder Oosterwolde, ’s Gravenhage 1932.

[38] Regest 167: Dirc van Dorrete beleent, na opdracht van Aert Alfersz en Agniese, diens dochter, heer Lubbert Ghertsz, priester, ten behoeve van de gemeene zusters van St. Agnieten ter Elborch met de tienden te Gortel. Regest 179: Opnieuw belening tienden van Gortel. Regest 251: Nogmaals de tienden van Gortel. Ook bij de andere vier regesten, 178, 196, 225, 240, lijkt eveneens, wat de namen Wolfs en Van Arler betreft, enige onderlinge band te bestaan. In regest 225 wordt zelfs de naam van zuster Nyese=Agnes genoemd.

Wat zou het fijn zijn voor deze families als de besloten Zusters van Elburg als patroonheilige nu juist Agnes zouden kiezen. Enkele royale giften onder vermelding van de voorkeursnaam Agnes zouden weleens geholpen kunnen hebben.

[39] A.J. van der Ven in Gedenkboek van dr. H.J. Olthuis Arnhem 1969, 46.

[40] Arent thoe Boecop nummer 50, 28.

[41] OAE inv. nrs. 61, 62 en 62a.

[42] F.J. Bakker, Drie metselkruisen in de stadsmuur,Van zeven Vonders tot zeven Voetvallen 150 verhalen van Elburg Vroeger 42. (Elburg Vroeger: veertiendaagse rubriek in de Elburger Courant vanaf 27-01-1989).

[43] P.A.N.S.van Meurs, Geschiedenis van de rechtsontwikkeling van Elburg, (Arnhem 1885) 29.

[44] Rechterlijk Archief van Elburg, nr. 116, folio 3.

[45] Westerink, Doornspijk en Elburg, Deel II Bijlage 2. Hierin wordt de eerste hofstede in de Endenhoek omschreven als: ‘Arnt Petersz van de eerste hoffstede an die alde straete bynnen de Elburgh an die noirtsyde.’ Zie ook F.J. Bakker, Aan lager wal in den Endenhoeck, Elburg Vroeger 4.

[46] Of westkant zie Oud Archief Elburg (OAE) inv. nr. 427a Willekeuren der stad Elburg (c.1467) gedrukt bij Van Meurs paragraaf 75, 85. Let op het verschil in poortaanduiding: ‘buten der Westpoerten ofte de Oesterpoerten.’ Als het aan de westkant maar om één poort gaat, dan had er Westerpoerten moeten staan!

[47] 1453-3, 1455-8, 1462-18v, 1470-8v.

[48] 1461-8v.

[49] F.J.Bakker, De naam Smerenburg gaat niet verloren, Elburg Vroeger 1.

[50] G.Westerink, Doornspijk en Elburg Bijlage 8.

[51] Van Meurs 15.

[52] 1443-78, 1447-40v, 1451-30, Dirc Boet beschrijft voor 1 gulden hoe draperie moet worden behandeld.

[53] Westerink, Doornspijk en ElburgBijlagen 8: ‘area iuxta mare dair die schoemaicker kupen op staen.’

[54] 1462-33: ‘voer ene spare daer een putswengen waert gemaect.’

[55] 1453-8v, 1454-3, 1455-7v.

[56] 1445-15, 1454-3v.

[57] respectievelijk 1462-15, 1447-39, 1451/53-31v.

[58] 1445-18 en 19.

[59] G.Westerink, Elburg en Doornspijk, 205 n.150. Het gezag van dr. Westerink is groot en ijlt nog na in de het boek Elburg op zicht (Elburg 1996) 15. In hetzelfde boek is op bladzijde 8 een stadsgezicht van Elburg in spiegelbeeld afgedrukt. In de onlangs opnieuw uitgegeven kaarten van Jacob van Deventer is de toelichting wat betreft de Heilige Geestpoort in Elburg eveneens onjuist. Het zal jaren duren voor dat dit weer uit de wereld is, als het al lukt. Uitgave Canaletto, Alphen aan de Rijn. De kaarten zijn eventueel los verkrijgbaar.

[60] F.J. Bakker, Heilige Geestpoort te Elburg van 1392 tot 1530, AtB nummer 62 (Elburg 1997) 3-14.

[61] OAE inv. nr. 1556 (1512).

[62] OAE inv. nr. 1172 (1538).

[63] 1441-16 en 18.

[64] 1471-73v: ‘Item gegeven heer Wolter Dirkszoin 7 Vleemsch van hoylande, dair die haven duer gegraven is.’ 1462-22: ‘14 Vleemschen die men jairlix sculdic is van hoylande dair die haven doer gegraven is.’

[65] 1447-38v, 1453-17v, 1451/1453-30: ‘bake waert gericht’ en ‘do se palen setten up dat dijctgen’.

[66] 1447-36v: ‘onse stat hem jaerlics sullen geven voer sijn voeder gronts daer die brugge op licht.’

[67] 1447-38v.

[68] Van Meurs, bijlage LVI, 2 juli 1453, 205.

[69] Vanaf halverwege de Olderstrate gezien, ligt de Oosterpoort pal oost.

[70] 1443-99.

[71] 1447-33, mogelijk ook 35: ‘burger huusken’.

[72] 1443-87.

[73] 1453-15v.

[74] ibidem.

[75] 1447-35v.

[76] 1461-10v, 11.

[77] 1471-73.

[78] 1443-87.

[79] 1443-86 en l02. Vanaf halverwege de Olderstrate gezien, ligt de Zuiderpoort vrijwel zuid.

[80] 1443-92.

[81] 1471-36v.

[82] H.J. Olthuis, Elburg 1233 – 1933, Arnhem 2e druk met aantekeningen van G. Westerink, 155.

[83] OAE inv. nr. 1560.

[84] F.J. Bakker, De Gijzelkamers in de toren naast het KleinePoortgen, Elburg Vroeger, 109.

[85] In Kroniek 150 van AtB, Elburg 2012, wordt de Zwolsche poort voor het eerst Susterenpoort genoemd. Niet te verwarren met de Susterentoren die naast deze poort heeft gestaan.

[86] Onder andere afgebeeld in AtB nummer 40, 7.

[87] AtB nummer 29, 58.

[88] J. Stork, Poortdeuren, AtB nummer 48 (Elburg 1992) 39-44.