Gelderlands voormalige steden: Elburg

Artikel uit het boek "Gelderlands voormalige steden"
door Mr. J.W. Staats Everts
 
(Uitgegeven bij Fa. Stenfert Kroese & van der Zande 1891)  


Elburg heeft eene grootte van 869 H.A. en telt 2716 inwoners. (In 1866 stierven hier op de 2403 inwoners 46 aan de cholera, Prov. Verslag 1866 bl. 235)
Tot de gemeente behooren de gehuchten Vrijheid en Nieuwstad. Hare oude benamingen zijn Elborch, Elburch, Elburgh of Eijlborch, Latijnsch Elburgensis, ook Elbeurgensis; volgens sommigen in het jaar 1025 mede Helbergen (Zie Sloet, Oorkondenboek No. 152). Denkelijk is de benaming ontleend aan eene streek gronds, de El, Elle of Eijl genaamd, waarop oudtijds een burg was gebouwd.
Volgens anderen zou die afkomstig zijn van het door de stad loopende beekje, eene elle of slingerende aal vormende, en daarom ook de Elbeek genaamd. (Deze beek heeft onder Oldebroek en Doornspijk de benaming van Haar, Oost- en Huisbeek). In oude stukken wordt steeds van de stad van der Elborch gesproken.
De plaats, nabij de Zuiderzee gelegen en overigens geheel door de gemeente Doornspijk omringd, ligt omstreeks 5 kwartier uurs van den Centraal-spoorweg (station Elburg-Oldebroek). te midden eener lommerrijke en vruchtbare streek met welige tot aan de zee schietende weilanden, die aan de kust een vroolijk aanzien geven.
Zij heeft de gedaante van een langwerpig vierkant en is, behalve door grachten, door beplante, in nette wandelingen herschapen, wallen omgeven, waartegen, aan de binnenzijden, nog vele overblijfselen van oude stadsmuren zichtbaar zijn; terwijl de wallen tot beveiliging voor zeer hooge watervloeden dienen. De stad is zeer regelmatig gebouwd en met rechte straten doorsneden.
Door haar midden loopt de bovengemelde beek, de El of Elle genaamd.
Hierover zijn 5 bruggen gebouwd, die tot markten gebezigd worden. De namen hiervan zijn: de Wachtbrug, Zaadmarktbrug, Vischmarktbrug, Botermarkt- en Markebrug. Er waren vroeger 4 poorten, door welke alle men, op de Markt staande, kon henen zien. Als een bizonderheid wordt vermeld dat iedere poort oudtijds haar eigen invoer had. Zoo moest de visch door de Vischpoort (de eenige nog aanwezige poort, dagteekende van 1592), worden binnengebracht; het gras, hooi, de melk en boter door de Meenpoort; het hout door de Graaf Hendriks kleine- of Oostpoort en het koren door de Goorpoort. Niet ver van de Oostpoort stond vroeger een kasteel van graaf Hendrik van den Berg, thans in onderscheidene woningen verbouwd en als Hooghuis bekend.
De huizen, waaronder men vele goede aantreft, zijn ingevolge reeds in 1300 en 1552 door den magistraat genomen beslissingen meestal met een tusschenruimte van een voet van elkaar gebouwd, terwijl vele stoepen uit net ingelegde witte en zwarte veldkeitjes bestaan.

Ofschoon het tijdstip van de stichting der stad niet met juistheid bekend is ( de stichtingsbrief is niet meer voorhanden; volgens Valkenier "Verward Europa" was Elburg oudtijds een grenskasteel der Romeinen, Aliso Castellum, en door dezen gesticht ), vindt men den 27 maart 1291 het eerst van haar gewag gemaakt, toen zij reeds eene handeldrijvende bevolking bevatte, die van den graaf van Holland tolvrijheid verkreeg, zie Mr. P. A, N. S, van Meurs, "Geschiedenis en Rechtsontwikkeling van Elburg".
Volgens dezen schrijver had de verleening van stadsrechten misschien al voor 1271 plaats. Mogelijk kan dit nu wel onder graaf Otten II in 1233 geschied zijn). Reinald verleende haar vervolgens den 4 December 1312 dezelfde rechten als Doesburg, verder bepalende, dat zij naar Zutphen ter hofvaart had te gaan, d.w.z. de zaken, waarin zij zelf niet wijs ( vroed ) genoeg was, aldaar moest laten beslissen.
Hierop komt in 1331 de eerste opdracht voor hare schepenen voor.
Twaalf, jaarlijks door de burgerij gekozen schepenen, met secretaris en schout benevens twaalf gemeenslieden, maakten thans het bestuur uit.

(Over het oude bestuur der stad zie men: Mr. A. W. van Oldenbarneveld, "de Elburgo eiusque statutis municipalibus" Harderw. 1768.)
Daarbij had een door den graaf aangesteld richter voor de rechten van den landheer te waken. Ook was de stad in vorige eeuwen eene der vijf Veluwsche steden, die een afgevaardigde naar den Landdag der Staten van Gelderland zond. Graaf Reinald schonk later, den 21 Mei 1336. aan de poorters van Elburg zijne henghemunde, haghemunde (Heerenveld), het Goor (Goer, eene moerassige plaats) genaamd, zijnde 60 morgen land, tusschen de kerk van Doornspijk en de stad gelegen "tot een vrij erftinsgoed alsmede twee windmolensteden aan zee en den anworp van den zande mit hoeren belopen en weghen, dat men daartoe voeren en comen mag (van Spaen, Inleiding D. IV, Codex Diplomaticus bl. 50 en 51)
Aan de poorters en erfgenamen was vrijgelaten haar deel in hetzelve aan elkander over te doen en te verkoopen.
Dit Goor, nu circa 87 H. A. groot, behoort thans aan verschillende personen en corporatien, welke de weide jaarlijks door middel van eene door den raad benoemde Commissie verpachten.
Elburg ontving in 1359 met Doornspijk en Oosterwolde een dijkbrief van denzelven graaf voor het leggen van den Oostwolderdijk; en eenige jaren later (1387) sloot het met Oosterwolde, 't Eket en 't Ouden (Olden-) broek een verdrag over het plaatsen van een dijk in Dronten.
Men treft de stad in 1365, bij het bereiken van den grootsten bloei als Hanse- (Aen-zee) stad aan, waarna
Koning Albert van Zweden haar drie jaren later eene faktorij op Schonen (Scanor) schonk.
Omstreeks dezen tijd (1393 en 1410) veroorzaakten vele Friesche zeeschuimers, Vitaliënbroeders en Likedeelers geheeten, grooten overlast, waardoor men deze gevaarlijke roovers, in vereeniging met andere Zuiderzeesche Hansesteden, door het uitrusten van een Vredeschip had te bekampen.
In het jaar 1443 kreeg de stad, evenals Harderwijk, van hertog Arnold de vergunning van het stapelrecht der zeevisch. Hertog Eduard begiftigde haar vervolgens in 1369 met den Mheen, (meen=algemeen),
Meeden of Veliken-) Veelkenmeede voor eene gemeene weide, ter grootte van circa 70 hektaren.
De giftbrief der Veelkenmeede luidt als volgt:

"Wij Edwart bi der genaden goits hertoge van gelren en greve van Zutphen doen cont allen luden dat wij hebben gegeven en geven oevermids dezen brief, voer ons, voer onse Erven, en nacomelingen, onser liever stat van der Elborch en hare burgheren die daer nu sijn, oft namaels wesen zoelen, den Meeden, die geheiten is, die Veelkenmeede, kleine en groete, binnendijx en butendijx, die gelegen is, oesterwert ane, bij onsz, stad ter Elborch, die omgegraven te bliven also alze die ongegraven heeft gelegen bi ons lijven tiden ons lieven Vaders en ons andere den god allen genedic sij. En die vortane te gebruijken, in alle rechten, gewoonten, en hierkomen en alze onse voerschr. stad en burghere van Elborch dieze tot desz. tijt toe gebruict, oft gehat hebben.
In orkonde des brief, mit onzen Zegel bezegelt, gegeven in 't jaer ons Heren dusent drijhondert negen en 't seistich op Sent Georgius dach des heiligen".


Op deze weide brengen de burgers van 1 - 10 Mei hunnen beesten. Daarna wordt deze gemaaid door de eigenaren. Van het begin van September tot den invallenden winter komt der burgerij hetzelfde recht toe tot het inscharen of opbrengen van beesten, die beslagen (van een merkteeken voorzien) worden.
Deze Mheen is het privaateigendom van verschillende eigenaren. Van 1 - 10 Mei en in het begin van September hebben (zooals thans het gebruik is) alle erkende veehouders van de stad het recht hierop hun vee (vier koeien of twee paarden) te weiden.
Bij den strijd tusschen de Heeckerens en Bronkhorsten koos Elburg de partij van eerstgemelden. De stad geraakte vervolgens in vele geschillen met den machtigen en lastigen Herbert van Putten wiens aanzienlijk slot Old Putten in 1375 veroverd en geslecht werd. Dit slot werd ruim 100 jaren later (1483), na door de gebroeders Herman en Pelgrom de Vos van Steenwijk opgebouwd te zijn, die evenzeer in de buurt vele geweldadigheden en strooperijen pleegden, door Elburg met behulp van naburige steden onder aanvoering van den overste Dirk van Lintelo andermaal ingenomen en gesloopt, waarna het niet meer verrees (Zie Haasloop Werner, Belegering van Old Putten" in den Geld. Volksalmanak 1847 bl. 40. Op het gemeentehuis bewaart men nog een paar tweehandige slagzwaarden uit de 14e eeuw, welke van dit huis te Putten afkomstig zijn.)

Toen het indringen der zee in 1392 gevaarlijk begon te worden, vatte de rechter der Veluwe, Arend thoe Boecop, onder de regeering van Willem van Gülick, het plan op om die stad, die toen uit slechts 52 hofsteden met 148 huisgezinnen bestond, op een hoogere plaats, meer landinwaarts in te bouwen (van Meurs Bl. 28).
Zij verrees nu drie jaren later in hare tegenwoordige gedaante, met hoogen muur en buitengrachten omringd en van poorten en twintig rondeelen benevens twee torens voorzien.
De hertog had hiervoor uitbreiding van gebied binnen eene mijl toegestaan, waarna in 1438, onder Arnold, om dezelfde reden andermaal vergrooting van het schependom volgde. Bij den twist tusschen Arnold van Gelder en zijn oom Adolf werd in 1465 de partij voor den laatste gekozen.
Nadat men zich nu kort na diens dood voor het huis van Bourgondië had verklaard, volgde in 1480 eene nachtelijke overrompeling door Zutphensche bezetting, onder den overste Lintelo, bij welke gelegenheid vele burgers zich in eenige op de stadsbeek uitloopende riolen verborgen, terwijl anderen, waaronder Arend thoe Boecop, die zich later voor veel geld moest vrijkopen, werden medegevoerd.
De plaats kwam vervolgens onder bestuur van den hertog van Saksen. Daarna maakte zich Karel van Gelder in 1495 van haar meester. Hoewel bij verdrag van 1505 de overgave aan Koning Philips I was bedongen, bleef de stad niet in diens macht. In 1521 viel er vervolgens in de nabijheid te Aperlo (onder Doornspijk), een bloedige veldslag tusschen Karel van Gelder en de Overijsselschen voor, waarbij de laatste toen, mede met krachtigen bijstand van Elburg's ingezetenen, verslagen werden (Zie Mr. J. J. van Doorninck, Gevecht bij Aperlo, in de Volksalmanak der Maatschaapij tot Nut van 't Algemeen 1879 bl. 33. De toen gevangen genomen Deventersche schout Willem van Deutichem en Jan Croese, rentmeester van Salland, werden op het slot te Hattem, in de Wassenaarskooi, als een paar wilde dieren opgesloten.) Daarop volgde in den zomer van 1528 eene overgave op redelijke voorwaarden aan Floris van Egmond, graaf van Buren, voor Karel V, die in 1528 den Schuttoren, tot versterking, in een blokhuis veranderde.

Door het doordrijven van den Schout "Magerhein" geschiedde hier in 1558 de afkondiging der plakkaten tegen de ketters, tegen den wil van Wijchman van Wijnbergen. Naar aanleiding hiervan doodde nu gemelde Schout dezen van Wijnbergen. Hem werd echter voor dien manslag een remissiebrief uitgereikt, als hebbende voor de goede zaak gestreden. (Zie Haasloop Werner).
Nadat de beeldstormerij in 1566, onder aanvoering van zekeren doodgraver Wilhelm Kinnegilde, evenals elders, binnen de stad had gewoed, verzoende men zich in het volgende jaar weder met Koning Philips.
Vijf jaren later volgde eene inneming door den Graaf van den Berg, bij welke gelegenheid zijne soldaten de kerken plunderden.
Diederik Sonoij versterkte de plaats vervolgens in 1579 aanmerkelijk en voorzag haar tevens van vele verdedingingsmiddelen, o.a. buitenwallen met bolwerken.
In Augustus 1587 liet de magistraat eenige uit Deventer gedeserteerde soldaten, die zich aan rooverij hadden schuldig gemaakt, binnen de stadhuisplaats onthoofden, daar het te voorzien was, dat het garnizoen in der stad de misdadigers anders zoude hebben ontzet (Zie Haasloop Werner). Weldra teisterde nu eene zware ramp de plaats, daar een brand haar toen voor een vierde gedeelte vernielde. In 1596 kreeg de stad eene uitnodiging om bij het uitroeien der wolven in den omtrek behulpzaam te zijn. (Ook reeds tusschen 1424 en 1426 had men op de Veluwe last van deze dieren). Toen den 19 Juni 1672 de Munsterschen, onder den overste Houtuijn, met 600 man troepen door verraad van een kwaadwillig burger binnengedrongen waren, bleek eene verdediging eene ijdele zaak te zijn door gebrek aan krijsvolk en amunitie en den slechten toestand der vestingwerken, die alleen uit vier gevallen bolwerken en een ondiepe gracht bestonden, zoodat spoedig, onder beding van vrije godsdienstoefening en behoud van lijf en goed, werd gekapituleerd. Weldra rukten nu ook de Franschen, onder den hertog van Luxemburg, binnen, die tot hun vertrek op 2 December van het volgend jaar hier en in de omstreken, in strijd met de gemaakte bedingen, grooten overlast veroorzaakten, veel vernielden en het geschut wegroofden, terwijl zij o.a. den predikant Lubbertus Fabritius voor eene opgelegde brandschatting van F 12000 mede als gijzelaar naar Arnhem vervoerden.

Als eene voor ons vaderland opmerkelijke bijzonderheid vinden wij vervolgens vermeld, dat het stadwijnhuis in de Groenstraat (thans Kerkstraat) den 18 September 1692 tengevolge van eene aardbeving instortte. (Geld. Volks. Almanak 1848 bl 133. Van de aardbeving, die zich den 18 Sept. 1692, omstreeks 2 ½ uur, sterk te Amsterdam deed gevoelen, komt eene beschrijving voor in de Amsterdamsche Saturdagse Coerant van 20 Sept. 1692, overgenomen in het eerste Bijvoegsel bij de Arnhemsche Courant van 30 December 1889).
Elburg leed ook gedurig door hevige stormen. Zoo vinden wij vermeld dat den 16 Jan. 1362 een orkaan vele gebouwen ternederwierp en het zeewater met geweld over de omgelegen velden joeg. Vijf jaren later spoelde een hevige storm tusschen Harderwijk en Kampen veel land langs de kusten weg en werd ook menig gebouw vernield.
Groot was verder de schade, die de vierde Allerheiligenvloed van 1570 aan de stad berokkende. De bekende zware stormen van 14 en 15 November 1775 en 21 en 22 November 1776, veroorzaakten mede belangrijk nadeel. Door doeltreffende afdamming werd echter beide malen grooter onheil voorkomen. Niet minder nadeel bracht de zware vloed van 4 op 5 Februari 1825 te weeg. Ofschoon de stad zelve ook toen door kistingen aan de poort voor overstrooming gespaard bleef, leed de onmiddelijke omgeving veel en verdronk bijna al het vee in de gemeente. Nadat vervolgens stormen den 21 Januari en 4 December 1863 eene doorbraak van den Kerkdijk nabij de stad hadden veroorzaakt, leden de omstreken inzonderheid veel schade. Hetzelfde was bij den vloed van 30 op 31 Januari 1877 het geval. Elburg was toen slechts met een boot te bereiken. Den 15 October 1881 brak de Kerkdijk bij eene hoogte van circa 3 m. boven A.P. over een lengte van 110 m. opnieuw door, waardoor weder een aanzienlijk gedeelte der gemeente met omstreken onder water geraakte. Gelukkig konden toen alle in de lage gedeelten wonende menschen nog tijdig hunnen woningen verlaten en kwam er hier en daar slechts een enkel stuk vee om. Prov. versl. 1881, bl 294 en vlg.
Volgens artikel 157 van het reglement voor den polder van Oosterwolde van 8 November 1888 is de stad vrij van den aanslag in de lasten voor dien polder. Ook werd in laatst gemeld jaar de Kerk- en Zomerdijk aan den polder Oosterwolde in eigendom overgedragen.

Het jaar 1786 vormt eene belangrijke episode van Elburgs geschiedenis. Nadat reeds in de beide voorgaande jaren onrust had geheerscht over de niet erkenning van gemeenslieden door den magistraat en de wapening der burgerij, verzette zich toen de stad Hattem tegen de Staten van Gelderland. Bij die Staten waren namelijk in 1785 door velen uit verschillende streken der provincie rekwesten ingediend over verbetering van het regeerings-reglement van 1750 enz. Hieronder behoorde ook een verzoekschrift van 300 ingezetenen van Elburg. Deze indiening had nu de verbittering van dit College gaande gemaakt, dat zulks ongepaste bemoeiing met het bestuur van de landschap noemde.
Dit nam hierop den 11 Mei 1786 een besluit, waarbij de indiening van dergelijke verzoekschriften voortaan verboden werd; met lastgeving om het verbod alom, zoowel in de steden als ten plattelande, te publiceeren.
Het gemeentebestuur van Elburg besloot toen om deze publicatie niet te doen afkondigen, doch terzijde te leggen. De regeering, op de gevolgen der weigering bedacht, begon thans de schutterij met een derde compagnie te versterken en droeg aan den burgerkrijgsraad de behandeling van eenige stukjes geschut op, terwijl door het uitdiepen der grachten als anderszins verdere verdedigingsmaatregelen genomen werden.
Daarop door het hof over het niet afkondigen der publikatie onderhouden, antwoordde zij den 10 Augustus o.a.

"dat de weigering was geschied omdat die publikatie eene directe atteinte toebracht aan de onbetwistbare rechten en voorrechten der burgerij, die alleen bevoegd was haar ter verantwoording te roepen. Zij verklaarde ten slotte zich door geene middelen van geweld van de cordate en bedaarde verdediging der aan haar toevertrouwde volksrechten te zullen aftrekken".

De burgerij nam met welgevallen van dit schrijven kennis, terwijl de burgerkrijgsraad bij circulaire van 13 Augustus van het genomen besluit aan alle vaderlandsche schutterien en genootschappen mededeeling deed en, ingeval van nood, hulp inriep, die Kampen inzonderheid toezeide.
Op dit bericht dat er herwaarts militie zoude gezonden worden, machtigde men den stadssecretaris den bevelhebber bij aankomst schriftelijk te vermanen om het stadsgrondgebied niet te betreden. De Landdag te Zutphen vergaderd, verzocht hierop den stadhouder herwaarts en naar Hattem krijgsvolk af te zenden. Elburg beantwoordde dit dadelijk met een krachtig protest tegen het geweld, dat men wilde aandoen, verder de hulp der Staten van Holland en van de Overijsselsche hoofdsteden inroepende. Des niet tegenstaande beval de stadhouder den 2 Sept. den generaal Spengler om met garnizoen op te rukken. Ofschoon men zich nu tot krachtigen tegenstand had voorbereid en er van Amsterdam en elders vele krijgsbehoeften waren aangevoerd, gaven inmiddels Van der Capellen tot den Marsch en andere leden der Staten, die op de hand der stad waren, aan magistraat en ingezetenen den ernstigen raad om aan de overmacht geen weerstand te bieden, maar de stad te verlaten. De raad besloot hierop den 4en September "dat hij en de gemeente, bij provisie voor het naderend geweld zouden wijken, de stad en jurisdictie verlaten en zich binnen Kampen retireren; om vervolgens te resolveren en voor te nemen, hetgeen ten nutte van de ongelukkige stad noodig en dienstig geoordeeld en bevonden zal worden".
Men verwijderde zich nu, nadat vele burgers reeds vroeger vertrokken waren, in den nacht van 4 op 5 September naar die plaatst, waardoor een nutteloos bloedbad werd gespaard. De generaal Spengler trok daarop, na voorafgaande manifest der Staten, waarin de bezetting niet als krenking van vrijheid of privilegiën, maar alleen als rust en goede orde aangemerkt werd, den 6 September zonder slag of stoot binnen. Hij bracht het eerste bataillon van het regiment Plettenburg met eenige artilleristen als bezetting mede. Weldra had nu de geweigerde afkondiging der publikatie van de staten plaats. (Zie Mr. C. L. Vitringa, Gedenkschrift. 1e stuk, alsmede Wagenaar, Vad. Hist., Verv. D XII bl 201 - 274, alsmede Mr. H. van A. "Uit de gedenkschriften van een voornaam Nederlandsch beambte, bl 100 en vlg).

In de landschapsvergadering van 17 September 1786 werd vervolgens tot het nemen van eene amnestie voor dit oproer besloten. Men zonderde hiervan echter enkele notabele burgers, zooals de beide predikanten (Tot deze predikanten, die bij het oproer eene hoofdrol speelden, was in deze tijden de aanschrijving gericht, zich naar de bestaande verordening omtrent het gebed voor de overheden des lands te gedragen.
Zij kweten zich daarvan schoorvoetende door het zeggen van de volgende woorden aan het slot van hun gebed:
"Wij moeten U ook nog bidden voor het Huis van Oranje. Amen".) Heijn en van Diermen benevens de bakker Klaas Diermen uit, die een, naar men oordeelde, onvoegzaam en te sterk gekleurd adres aan de Staten van Holland ingediend hadden, dat door dezen aan Gelderland was opgezonden. Deze burgers werden den 25 April 1788 door het hof van Gelderland van hun burgerrecht vervallen verklaard en tot de straf van het zwaard over het hoofd benevens verbanning veroordeeld. Evenwel schonk reeds in de volgende maand de landdag aan sommigen hunner gratie of vermindering van straf. (Zie o.a. Registers op het Archief afkomstig van het voormalig Hof des Vorstendoms Gelre bl 339 en 340.)
In het reeds meermalen aangehaalde manuscript van Haasloop Werner komt aangaande deze gebeurtenis nog het volgende voor: "Elburg en het naburige Hattem verzetteden zich in den jare 1786 tegen de Staten van hun gewest, die daarop den stadhouder, als kapitein-generaal hunner provincie bevel gaven deze steden, desnoods met geweld, te bezetten.
Zie hieromtrent de bizonderheden uit het rapport van Johannes Plas wegens Elburg den 5 September 1786. Hij rapporteerde- "dat heden nacht omtrent één uur alle vrijheidszonen of zoogenaamde patriotten, ten getalle van omtrent 600 a 700 man, uit Elburg naar Kampen vertrokken zijn, en zulks op order van den heer van der Capellen tot den Marsch, zoo men zegt, met voornemen, om wanneer de troepen in Elburg zouden zijn binnen getrokken, een inval in het kwartier van Veluwe te doen.
Bij het uitmarcheren riepen nog eenigen aan het huis van den Heer Kinsbergen: "Wij zullen u nog doodschieten voor dat wij de stad uitgaan, Oranjedonders!"
De Elburgers hebben vóór het uitmarcheren hun geschut vernageld en de affuiten in de beek, die door de stad loopt, geworpen. Die van Deventer en Kampen hebben het hunne weder medegenomen, zijn de er van beide plaatsen ieder omtrent 200 man geweest en omtrent 30 van Amsterdam, die men zegt, dat een mortier bij zich hadden. Op de wal zijn omtrent 18 a 20 stukken kanon geweest, waarvan het kaliber 3, 4, 6 en 9 $ (ponden) bals (sic) was. Het uittrekken is in een uiterste verwarring gegaan, hebbende sommige vrijcorporisten hunne geweren laten staan in de huizen, waar dezelve gebiljeteerd waren. De heer burgemeester Kroch heeft in Elburg gekommandeerd. Men heeft niemand, noch vrouwen noch kinderen uit de stad willen laten, tot gisteravond, toen de brief van den Heer Capelle kwam, wanneer aan ieder vrijheid werd gegeven zich te retireren.
Gepasseerde Zondag is er in Elburg een schip van Amsterdam met proviand gekomen en gisteren nog twee van Harderwijk. Men zegt dat de brief van den heer Van der Capellen ook inhield twee projecten; het eene om te defenderen tot den laatsten droppel bloed, en het andere om de stad te verbranden en vervolgens te verlaten.
Gepasseerde Zondag hebben reeds die van Deventer gezegd, dat zij niet met grof geschut konden omgaan, en dat zij niet van voornemens waren, om zich in Elburg te laten doodschieten, waarop die van Elburg hun den dood zwoeren indien zij uittrokken.
Bij het vertrek van den expresse (des nachts om half twee) was de stad open, kunnende een ieder in- en uitgaan naar goedvinden". In de laatste honderd jaren hadden verder geen voorvallen van beteekenis meer in Elburg plaats.

Na de verlegging der stad verrees in 1397 de St. Nicolaaskerk, die vervolgens in 1448 weder met toestemming van bisschop Rudolf in de tegenwoordige gedaante werd verbouwd. Het is een mooi, vrij ruim en goed onderhouden kruisgebouw, van Toskaansche bouworde, met fraai orgel, dat in 1825 werd vernieuwd.
Men vindt daarin eene kostbare graftombe van wit en zwart marmer der familie Feith, waarin ook Maria Catharina Feith, douairière van Jhr. Gerrit Witten, de stichtster van het Feithenhof, geboren Juli 1664, (overleden) 5 September 1740, begraven ligt. Deze milde erflaatster vermaakte aan de kerk mede enkele bezittingen (de beide Wesepertienden onder Heerde), onder voorwaarde dat haar lijk in dezen grafkelder, die volgens haar verlangen altijd gesloten moest blijven, zoude worden geplaatst.
De torenspits brandde den 18 Augustus 1693, door het inslaan van den bliksem af, waarna zij niet meer werd opgebouwd. De kerk zelve bleef bij deze gelegenheid met groote inspanning van verderen brand bevrijd.
In de toren hangen vier klokken, waarvan de oudste van 1694 dagteekent en tot opschrift heeft: "Vigilate et orate deo Confitentes; Jacobus Krusen tot Amsterdam."
Verder heeft men eene Christelijke afgescheiden kerk, een klein, eenvoudig gebouw op de Beekstraat, en een synagoge in de After- of Jufferenstraat, in een gedeelte van het Hooghuis, het vroegere kasteel van graaf Hendrik van den Berg, een der oudste gebouwen van de stad. De voornaamste straten zijn; de Jufferen- of Zusterstraat, de Vischpoortstraat, Beekstraat, Kerkstraat, de Ledige Stede, de Smeestraat, Ellestraat, Kruisstraat, Bloemstraat, Breedstraat en het Marktplein.

De stad is de bakermat van den voornamen zeeschilder Jan (Hansje) van Elburg, geb. 1500, die tot 1551 te Antwerpen werkzaam was. Verder werd er 22 Maart 1786 geboren Campegius Lambertus Vitringa, (overleden) 6 September 1864 op zijn landgoed de Groote Bunte te Nunspeet, schrijver van de bekende "Gedenkschriften en Staatkundige Geschiedenis der Bataafsche Repupliek" Arnhem 1857-64, 4 dln.
Nog stond hier van 1818 - 1828, toen hij naar Arnhem beroepen werd, als predikant Johannes Steenmeijer (geb. te Amsterdam 28 Maart 1791, (overleden) Arnhem 19 Juni 1864), bekend door zijn uitnemende kanseltaal en dergelijke geschriten, waaronder zijne "Brieven aan Bartholo over de Welsprekendheid in het algemeen en de Kanselwelsprekendheid in het bijzonder." Zijne levensbeschrijving, een waar model van getrouwe karakter- afspiegeling, werd door den Utrechtschen hoogleeraar B. ter Haar bij den bundel zijner nagelaten leerredenen (Arnhem, Is. An. Nijhoff en Zoon, 1865) uitgegeven. Verder was de bekende, in 1890 te Velp overleden geschiedschrijver Mr. Adriaan Walraven Engelen, van 1832 - 1843 als rector der Latijnsche school binnen de stad werkzaam.

Na de verbouwing der plaats vestigde men in 1896 het tegenwoordige vrij goede gemeentehus in de Kerkstraat, in een toen van den richter Arend van Boecop aangekochte woning. Het is een oud, ruim, in de laatste jaren inwendig gedeeltelijk vernieuwd gebouw. Men treft in de raadkamer aan een schoorsteenmantel, voorstellende de Waarheid, op een troon gezeten en de Wijsheid aan hare rechterhand hebbende, terwijl de Onschuld bescherming verzoekt. Dit tafereel is omvat met eene kostbare bruinhouten lijst voorzien van de wapenschilden van vroegere burgemeesters. Hiernaast hangt een schilderij, op paneel, voorstellende de geschiedenis van den ridderlijken kamp, die 5 Februari 1600 op de Vuchterheide bij 's Bosch voorviel, tusschen Abraham Gerards (alias Lekkerbeetjen), een der gezellen, die Geertruidenberg aan de Spanjaarden verkocht, benevens 21 van zijn ruiters, tegen Breanté, een Fransch edelman, mede van 21 ruiters vergezeld.
Nog worden als merkwaardige gedenkstukken voor de geschiedenis der stad op het gemeentehuis bewaard: een scherprechterszwaard, eenige pijnbankinstrumenten, een zoogenaamde Spaansche bok, tot opsluiting van gevangenen, een oud schandbord voor vroege onkuische vrouwen, en, in een afzonderlijk, open hangkastje, sierlijk uit eikenhout gesneden, een doornstokje, vroeger tweemalen bij het uitspreken van een doodvonnissen verbroken en tweemalen door een koperen bandje weder hersteld. Aan dit gebruik ontleent de bekende spreekwijs den staf over iemand breken (d.i. veroordeelen) haar naam.

De gemeente bezit ook een zeer uitgebreid en niet onbelangrijk oud-archief, dat thans grootendeels in het Rijks-archiefgebouw te Arnhem berust en aldaar geinventariseerd is. Ook zijn de archiefstukken van oud rechtelijken aard in 1885 naar het archief-depot te Arnhem overgebracht. Dit werd het laatst der vorige eeuw geordend onder toezicht van den bekenden geschiedschrijver van Gelderland, Mr W. A. baron van Spaen van Hardenstein, van 1769 - 1795 gedurig alhier burgemeester, welke betrekking hij reeds op 18 jarigen leeftijd bekleedde (De ritmeester H. H. Werner beschrijft zijn leven uitvoerig in den Geld. Volks Almanak van 1885, bl 18 en volgg. Van Spaen vond het archief belangrijk en in de beste orde bewaard. Zie Inleid. tot de Gesch. v. Geld, bl 233.) De Utrechtsche hoogleeraar Mr. P. Bondam maakte vervolgens een inventaris van dit archief op, dat aan vele geleerden eene rijke bron voor hunne geschriften openstelde.
De nu nog in het gemeente-archief berustende stukken werden in 1887 in orde gebracht en gecatalogiseerd, zoodat dit thans volkomen aan de eischen voldoet. (Gemeenteverslag 1887)
Reeds in 1390 kwam het eerste stadrecht tot stand, waarvan het handschrift nog op het archief aanwezig is. Eene vervolgens omstreeks 1467 gemaakte willekeur (Mr. van Meurs beschrijft die uitvoerig op bl 35 en volgg. van zijn boven aangehaald werk) was tot 1636 geldig waarna een geheel nieuw recht van zuiver privaatrechtelijken inhoud werd vastgesteld, dat in 1719 in druk verscheen als de Gereformeerde Willekeur der stad Elburg.
Later bracht Mr. P.A.N.S. van Meurs door nasporingen in het archief voor zijne "Geschiedenis en Rechtsontwikkeling der plaats" nog vele onbekende bizonderheden aan het licht.
Ook bezit de gemeente een net manuscript, getiteld: "Bijdrage tot de geschiedenis en plaatselijke beschrijving van Elburg" met vele op haar betrekking hebbende fraaie afbeeldingen van den vroegeren toestand, oude gebouwen, kaarten, enz. vervaardigd door den gep. kapitein Heinrich Gottfried Haasloop Werner, die van 1842 tot aan zijn overlijden op 29 September 1864 meest in hare nabijheid, op het landgoed de Hare woonde, en zich met vele oudheidkundige onderzoekingen onledig hield, waarvan hij de resultaten in den Gelderschen Volksalmanak en elders publiceerde. (Het Gemeentebestuur bood ons dit handschrift op welwillende wijze voor onze onderzoekingen aan).
Nog is het vorige stadhuis, het eenige van de oude stad overgebleven gebouw, en thans eene private woning, aanwezig.
Op den hoek der Beek- en Zusterstraten stond vroeger, bij de Middelste brug, het Gerechthuis, waar thans nog het opschrift in een vierkanten steen zichtbaar is, "Victrix Triumphat Veritas a, 1596. Op de brug hiertegenover trof men tot in 1805 een steenen schandpaal aan, met ijzeren sluithoepels, die voor tepronkstelling van misdadigers diende. Vroeger was hier een kantongerecht gevestigd, dat den 15 Mei 1877 naar Harderwijk verplaatst werd.

Reeds in het jaar 1418 was er binnen de stad een St. Agnieten nonnenklooster van de Franciskaner Orde.
Ook vereenigden zich omstreeks dezen tijd in het oude stadhuis eenige zusters van St. Catharina, waarna dit gebouw langen tijd als het St. Catharina Convent bekend stond. Beide kloosters werden in 1578 gesaeculariseerd.
Van 1584 tot 1619 werd binnen de stad eene Munt aangetroffen. Nadat echter het hof van Gelderland in laatst gemeld jaar vernomen had, dat men gewaagd had nieuwe munten te slaan en den muntslag in trein te brengen, werd de momber Willem Everwijn gecommiteerd om te onderzoeken, welke munt geslagen was, op wiens last en met welke instructie dit geschiedde. ( Registers op het Archief van het voormalige Hof bl 382.
Op de in het Rijksmuseum te Amsterdam gedeponeerde belangrijke verzameling van munten van den heer Joh. W. Stephaniek treft men een paar te Elburg geslagen munten aan, waarvan eene van het jaar 1615 dagteekent.)
In de gemeente zijn vijf scholen, t.w. twee openbare voor gewoon lager onderwijs, eene Christelijke nationale en de beide instituten van Kinsbergen. De twee laatste zijn de op 13 Mei 1809 door den Luitenant-Admiraal, welke hier woonde, volgens convenant met den magistraat opgerichte bekende opvoedingsgestichten; t.w. het Instituut van Opvoeding en Onderwijs, gevestigd in een groot gebouw van het vroegere Schippers- of Schipludengild.
(Zie over dit Schippers- of Schipluden Gilde, dat van 1330 - 1796 bestond, en onder bescherming van Deensche en Zweedsche koningen opgericht werd, Haasloop Werner, Geld. Volks Alm. 1848 bl 126.)

Het oorspronkelijke doel van dit gild was bevestiging der scheepvaart en handel op de Oostzee.
Ook zond men afgevaardigden naar de Lubecksche Hansedagen. Behalve de schippers behoorden daartoe de voornaamste burgers, ook schepenen en neringdoende personen, benevens ambtenaren. Uit de opbrengsten der boeten werd vroeger mede den schoolmeesters eene toelage bij hun traktement gegeven. Den 11 Mei 1587 besloot men uit de inkomsten van het gild, langzamerhand door bijdragen en giften toegenomen, weezen van tot in het derde geslacht, Elburgsche burgers, tot hun 18de jaar in een weeshuis op te voeden. Dit weeshuis werd echter steeds slecht bezocht. Men bleef nu als op zich zelf staand lichaam, dat door het goed gehalte zijner leden zijne niet onaanzienlijke fondsen regelmatig beheerde, in de 17de en 18de eeuw, onder de benaming van gild, twee malen 's jaars telkens drie dagen feestvieren.
Bij akte van 13 Juli 1796 stond het gild echter al zijn eigendommen aan de stad af, opdat deze ze altijd voor bevordering van opvoeding en onderwijs onder haar opperbeheer zoude besteden. De magistraat, als superintendent van het oude fonds van Schipluiden, ging vervolgens op den 16 Mei 1809 eene overeenkomst aan met den viceadmiraal Jhr. J.H. van Kinsbergen over het aanwenden van deze inkomsten, in verband met zijn stichtingen van onderwijs. Van Meurs, Gesch. en rechtsontwikkeling van Elburg blz 13, noot 8, alsmede rapport van de curatoren Hoefhamer en Lubbers van het Instituut van Kinsbergen, dd. Juni 1817, over den oorsprong van het Schipluden college, berustende ter gemeentesecretarie van Elburg.) in de Kerkstraat, waarin jongelieden voor de hoogeschool (men vereenigde nu hiermede de sedert 1580 bestaande Latijnsche school ) en verschillende andere betrekkingen worden opgeleid, en een Instituut voor meisjes, dat in een door den erflater aangekocht huis gehouden wordt. Kinsbergen vermaakte voor beide scholen een aanzienlijk fonds, dat met de geheele inkomsten van het Schipludengilde (Dit Schipluden- of Weezenfonds heeft niet onaanzienlijke vaste goederen. Het wordt thans bestuurd door vier weesmeesters, door den raad te benoemen, die jaarlijks van hun beheer aan dit college rekening en verantwoording doen. Het geheele batig saldo ( ± F 3200,- ) komt ten voordeele van de Instituten "van Kinsbergen".) vermeerderd wordt. Deze beide Instituten staan onder beheer van vier curatoren, waaronder twee buiten de ingezetenen te benoemen door administrateuren van een gedeelte zijner nalatenschap, en twee door den Raad uit de ingezetenen te kiezen.
Behalve de inkomsten van gemeld gild ontvangen de beide Instituten nu jaarlijks eene bijdrage van ± F 3000.- uit het Fonds van Kinsbergen, waarvoor subsidiën aan hoofdonderwijzers uitgekeerd en de gebouwen enz. tevens onderhouden worden. (Zie de ter gemeentesecretarie berustende convenanten tusschen magistraat en curatoren van 13 Mei 1809 en 19 November 1819.) De erflater vermaakte nog aan eerstgenoemd instituut eene bibliotheek met niet onbelangrijke verzameling van mineraliën, schelpen, benevens vele natuurkundige-, waterbouwkundige-, aardrijkskundige- en meetkundige werktuigen. Deze verzameling werd later belangrijk uitgebreid en is thans naar den eisch van den tijd ingericht.

Buiten de Vischpoort is een goede haven, die van 1443 dagteekent en voor F 670.- aangelegd werd. In het jaar 1860 droegen de Staten van Gelderland tot verbetering daarvan een derde in de kosten bij, ten bedrage van F 15.000,-.
De wekelijksche marktdag wordt des Dinsdags gehouden. De jaarmarkt heeft den 2den, 3den en 4den Dinsdag van October plaats. De ingezetenen vinden hunne voornaamste middelen van bestaan in landbouw, veeteelt, vischvangst, vaart op de Zuiderzee en haringrookerij. Vroeger waren er in de nabijheid vele eendenkooien, die thans zijn verdwenen. In het jaar 1887 waren hier 54 visschers, met hetzelfde getal schuiten, van gemiddeld 12 - 15 ton inhoud. De opbrengst der visscherij bedroeg in evengemeld jaar F 95.150,- waaronder F 5.500,- aan paling, en in 1888 F 2.9205,97, waaronder F 8.918,75 aan panharing en F 8.225,- aan bot. Gering was echter de opbrengst van 1889, die toen slechts F 19.025,- was, waaronder F 6000.- aan panharing, en F 10.100,- aan zijden net bot. Daarentegen was 1890 een zeer gunstig jaar, vooral wat de ansjovis betreft.
Men heeft verder eene stoomgrutterij, leerlooierij en bierbrouwerij.
Nog is er eene werf voor den aanbouw van visschersvaartuigen en herstellingen van kleine schepen.
De voornaamste logementen zijn het Haasje, de Bonte Os en de Zon.
Volgens het "Reisboek der Vereenigde Nederlanden" was hier in het jaar 1700 het logement "In Arnhem".
In de gemeente worden de volgende stichtingen aangetroffen:

  1. Het Hervormde Weeshuis.
    Dit is in 1858 door eenige notabele ingezetenen, op initiatief van den predikant D. Gildemeester, gesticht en voor 12 à 15 kinderen bestemd. Het wordt bestuurd door eene commissie van vijf leden uit de oprichters, die op gezette tijden aftreden, doch herkiesbaar zijn, aan welke drie regentessen ter zijde staan. De kosten worden uit eigen inkomsten en collecten in de kerk en langs de huizen bestreden, terwijl, zoo noodig, de Ned. Herv. diaconie het ontbrekende aanvult. In 1889 bedroegen de uitgaven voor zeven verpleegden F 1072.-; de ontvangsten waren toen F 1020.- (Vroeger was hier nog een Burgerweeshuis van het Schipludengilde, waartoe in het jaar 1585 het Schipluden gildenhuis in de Kerkstraat, thans het instituut van Kinsbergen, was ingericht.)

  2. Het Feithenhof, een zeer rijk en aanzienlijk liefdadigheidsgesticht.
    Deze stichting in een voornaam gebouw op de Leege Stee, aan de Breedestraat, gevestigd, werd door Maria Catharina Feith, douairière van Jhr. Gerrit Witten, burgemeester van Elburg, bij testament van 25 Augustus 1733, den 5 September 1740 door haar dood bekrachtigd, in het leven geroepen. Zij is bestemd voor de verpleging van 12 behoeftige mannen en evenveel vrouwen van den Hervormden godsdienst niet onder den 60 jarigen leeftijd, welk getal men inlatere jaren tot 50 a 60 uitbreidde, te Elburg geboren of aldaar vijftien jaren gewoond hebbende. Het beheer berust bij een college van vijf opzieners of bestuurders, bestaande uit de beide predikanten der stad (welke beurtelings president en secretaris zijn) benevens die van Doornspijk, Oldebroek en Oosterwolde. Volgens het testament geniet ieder bestuurder jaarlijks twee ankers goeden Franschen wijn, twee vette ganzen en vier paar hoenders.
    Jaarlijks wordt op St. Maarten aan de verpleegden een extra maaltijd gegeven, waarvoor de stichteres een grooten zilveren vergulden beker met haar wapen liet vervaardigen. De bestuurders stellen voor het dagelijksch bestuur een rentmeester en rentmeesteresse aan. De bezittingen, die in latere jaren door oplegging aanzienlijk toenamen (Mededeeling van een voormalig bestuurder). bestonden tijdens het overlijden der stichtster o.a. uit verschillende meer of min belangrijke boerderijen, tienden, perceelen land enz., alle gelegen onder Elburg, Oosterwolde, Oldebroek, Doornspijk, Nunspeet en Epe, welke in het testament, waarvan wij inzage namen, onder vijf en veertig nummers voorkomen en nimmer mogen vervreemd worden. In het jaar 1889 werd voor drie en vijftig verpleegden F 12.737,- uitgegeven. (Zie verslagen van den toestand der gemeente over 1889. De inkomsten zijn echter onbekend, even als die van zoovele andere stichtingen in Gelderland.) De uitgaaf bedroeg in 1887 F 13.225,-.

  3. Behalve deze weldadige inrichting vermaakte bovengenoemde stichtster bij haar testament aan de Gereformeerde huisarmen, al of niet tot de diaconie behoorende, den Aperlooschen tiend, waarvan ook vervreemding te eeniger tijd verboden is. Met de revenuën hiervan moeten viermalen in den winter uitdeelingen geschieden aan Gereformeerde huisarmen, door beide predikanten, die voor hunne administratie drie percent in rekening mogen brengen en aan den kerkeraad verantwoording schuldig zijn. De tegenwoordige inkomsten van dezen tiend die in gunstiger jaren , 1875 en volgende, F 500,- à F 600,- beliepen, bedragen F 3 à 400.-
    Volgens het Gemeenteverslag van 1887, waarop de ontvangsten als Nihil voorkomen, werd toen aan 40 bedeelden F 442.- uitgekeerd; en in 1889 besteedde men voor 42 bedeelden F 313.-.

  4. De stichting van Maria Harms Corage.
    Deze vrouw, aan welke tijdens hare verpleging in het Feithenhof eene erfemis ten deel viel, bestemde 6 Februari 1773 hare nalatenschap voor de uitkeering van minsten F 2.- per maand gedurende de vier wintermaanden, aan behoeftigen, niet door de diaconie bedeeld wordende; deze beliepen in 1886 133. Volgens het Gemeenteverslag over 1889 waren er toen 115 bedeelden, die te zamen F 2055 kostten.
    Evenwel moet jaarlijks een derde gedeelte der inkomsten worden besteed voor verbetering van landerijen en gebouwen, benevens vermeerdering van het fonds. Het beheer wordt gevoerd door den burgemeester der gemeente als opper-provisor, die twee onder-provisoren kiest.
    Thans staat eene som van ± F 2300.- ter bedeeling aan het bestuur, die in goede tijden ± F 3000.- bedroeg.
    De provisoren oefenen tevens, door korting in de bijdragen voor onwillige ouders, een zachten drang uit tot bevordering van het schoolbezoek der kinderen, welke maatregel uitnemend werkt.

  5. Het Weduwenhofje van Henrich Albert Baltzoen (een priester), die 17 Juli 1549 vijf in de Breestraat, op den Hooghof, gelegen woningen met daarbij gevoegde landerijen en renten, naderhand nog door enkele legaten vermeerderd, voor verpleging van eenige (thans tien) weduwen bestemde. (De oudste giften dezer stichting dagteekenen van 1490, toen Johan Matheus en zijne echtgenootte Alijd eene jaarrente ten behoeve van arme weduwen opdroegen, waarna Baltzoen zijn bezittingen bij open brief, mede voorkomende in het aanhangsel van bovengemeld manusscript van Haasloop Werner, voor hetzelfde doel afstond.)
    Deze stichting, die in 1650 den naam van het Weduwenhofje verkreeg, wordt onder toezicht van den raad door twee door dit college te benoemen burgers, Besjesvaders genaamd, beheerd. Volgens het Gemeenteverslag van 1889 bedroegen de uitgaven toen F 788,-. Al deze gestichten zijn gerangschikt onder lett. c. van art. 12 der Armenwet.

Ook bestaat er te Elburg eene vicarie (de bloed-vicarie van St. Jacobi) bij testament van 22 Maart 1484, in originali op het depôt van het Rijks-archief te Arnhem aanwezig, gesticht door Bernardus Lutteke, voornaam prior van de stad. Deze erflater richtte daarbij eene praebende op voor studenten, bij voorkeur uit zijne familie te kiezen, die thans ter begeving van het gemeentebestuur staat. Zie P. Nijhoff, Registers op het Archief van het voormalig hof van Gelre, bl 21 en 207.
Nog heeft men een Diaconie-armenhuis, naar den stichter het Veghenhofje genaamd, op de Schuttorensplaats, bestemd voor zestien huisgezinnnen, die van het armbestuur bedeeling ontvangen. Dit hofje werd in 1773 gebouwd.
Verder is hier een goed ziekenhuis, voornamelijk bestemd tot opneming van lijders aan besmettelijke ziekten. (in 1335 vergunde Johan, bisschop van Utrecht, reeds aan de schepenen en de gemeente van Elburg een Gasthuis op te richten. Archief).
De gemeenterekening bedroeg in 1888 aan ontvangsten F 33328,- en aan uitgaven F 26369,-.
Tot de inkomsten behooren: opbrengst van bezittingen F 12131,-, waaronder voor wei- en hooilanden langs de zee en in Oosterwolde F 10650,-, 4/5 personeel (hoofdelijke omslag bestaat hier niet). Onder de uitgaven komt F 5144,- voor lager onderwijs voor.
De gemeenteschuld bedroeg 1 Januari 1890 F 28200,-, rentende 4%. Sedert 1886 bezit de gemeente eene gasfabriek, die haar F 14.000,- kostte. De hiervoor opgenomen geldleening is onder de ontvangst der rekening 1886 begrepen.

Het gemeentewapen bestaat uit eene met een valhek beslotene poort, met drie in azuur gedekte torens op een zilver veld, voor welke poort is liggende een zilver wapenschild, voorzien van een rooden klimmende leeuw.
Het geheel gedekt met eene gouden kroon van vijf fleurons, gehouden door twee klimmende leeuwen van natuurlijke kleur.
Er bestaat een geregelde omnibusdienst tusschen de plaats en het station Elburg-Oldebroek van den Centraal Spoorweg. Bovendien zijn er twee vrachtwagendiensten van en naar Zwolle en Kampen, en een dito van en naar Harderwijk en Nunspeet enz., terwijl ook twee beurtschepen tusschen de stad en Amsterdam dienst doen.
Reeds sedert geruimen tijd bestaat het plan om eene tramverbinding tusschen Nunspeet over Elburg naar Kampen of Zwolle aan te leggen.