Lutteke-Vicarie

De Vicarie van den Heiligen apostel Jacobus of Lutteke-Vicarie.
M. Schoengen

 

De Lutteke-vicarie was eene van de elf vicarieën en prebenden, die in den loop der 15e en 16e eeuw in de parochiekerk te Elburg (1) waren gesticht. Deze was, als zoovele kerken langs de kust, gewijd aan St. Nicolaus en Maria Magdalena. Zij was een dochterkerk van Doornspijk, zie aan de Benedictijner abdij Werden behoorde. (2) Derhalve lag ook het patronaatsrecht van de parochiekerk van Elburg in handen van den abt dezer beroemde Rijksabdij.
De thans nog bestaande kerk (3) werd omstreeks 1397 met verlof van bisschop Frederik van Blankenheim binnen de muren der stad herbouwd en in 1448 met goedkeuring van bisschop Rudolf van Diepholt vergroot door den aanbouw van het koor en twee kapellen, benevens de sacristie. (4) Blijkens aanteekeningen, getrokken uit het archief der gemeente Elburg, stonden behalve het hoogaltaar en die in de beide kapellen aan de Noordzijde der kerk vijf altaren en wel die van Onze Lieve Vrouw, van den H. Antonius, van den H. Sebastianus, van den H. Antonius, van den H. Johannes den Dooper en Evangelist. Aan de Zuidzijde bevonden zich de altaren van het H. Kruis, van St. Pieter en Paulus, van den H. Jacobus en van St. Joris.(5) Van vier van deze altaren zijn ons de stichtingsbrieven bewaard gebleven, nl.:

  1. van den H. Apostelen Petrus en Paulus van 3 December 1453.
  2. van den H. Antonius van 4 Januari 1464.
  3. van den H. Jacobus of Lutteke-Vicarie, in latere officieele akten ook wel Bloed-vicarie genoemd.

Deze laatste werd den 22 Maart 1484 door den priester Bernhard Luttike ter eere van Maria, Sint Anna, van den Apostel Jacobus den Meerdere en der H. Elfduizend Maagden gesticht. (6)  De Magistraat van Elburg keurde de stichting goed en verzocht dd. 1486 Januari 21 Mr. Johannes de Wyt, vicaris en officiaal van bisschop David van Bourgondië de voor deze stichting gelegateerde goederen te willen mortificeeren. (7) Bernhardus Luttike was blijkens deze fundatie een Elburger van geboorte en een zoon van welgestelde ouders. (8) In den stichtingsbrief worden deze ouders en verdere bloedverwanten niet genoemd, met uitzondering van een broeder Henricus, die eveneens priester was. Dat hij echter nog meer nabestaanden had, blijkt wel uit den stichtingsbrief, waarin hij zijn bloedverwanten tot eerste en voornaamste rechthebbenden op het bezit van deze vicarie aanwijst. Aangezien een stamboom van de familie Luttike door het bestuur der Luttikevicarie is bijgehouden, acht ik het voldoende belanghebbenden daarnaar te verwijzen. Slechts van een enkele van zijn familieleden eenige bijzonderheden.

 

Het is een algemeen bekend feit dat de Hervorming al vroeg op de Veluwe aanhangers vond, vooral onder de geestelijken. (9) Behalve te Hattem, Garderen en harderwijk, was ook Elburg een der hoofdcentra der nieuwgezinde beweging. Reeds tijdens de regeering van Karel van Egmond waren verschillende reguliere en seculiere geestelijken op de Veluwe als volgelingen van Erasmus doordrongen van kettersche gevoelens. Het is natuurlijk zonder een grondig onderzoek niet uit te maken of zijn Erasmianen, Sacramentisten of Lutheranen waren. Het staat echter vast dat de scholen van Zwolle, Amersfoort en Harderwijk zeer sterk onder Erasmiaanschen en Lutherschen invloed stonden. Door de strenge maatregelen door den Hertog van Gelre genomen trad de beweging ten gunste van de nieuwe leer wel is waar slechts sporadisch openlijk aan het licht, doch nauwelijks was de regeering in handen van den Hervormingsgezinden Willem van Cleef overgegaan of de aanhangers der vrijzinnnige onkatholieke leerstellingen, vooral de Sacramentisten, lieten hunne gevoelens de vrije loop. Van menigen kansel werd de kettersche leer verkondigd en verdedigd, vooral te Harderwijk, Hattem, Garderen en Elburg. Hoe diep de nieuwe leer te Elburg wortel had geschoten, blijkt wel hieruit, dat niet slechts de geestelijkheid, zooals elders, doch vooral de leeken uit den Raad als bevorderaars der ketterij optraden. Hieronder worden vermeld leden van de families van Holte, Feyt, Dorre, Veghe en Lutteke, ja, onder de streng katholieke familie Ten Boecop vindt men een afvallige. Onder de priesters, besmet met nieuwe, onkatholieke denkbeelden, worden met name genoemd de pastoor Dirk Dorre en de priester heet Herman Lutteken. (10) Als verdediger van het voorvaderlijke geloof trad met alle kracht op Mr. Arndt thoe Boecop, lid van de Elburger raad. Nauwelijks was Gelre in het bezit gekomen van Karel V of hij liet geen middel onbeproefd om aan de ketterij paal en perk te stellen.

 

Vooral drong hij bij de regeering er op aan den pastoor Dirk Dorre te vervangen door een trouw Katholiek. In hetzelfde rapport van 14 December 1543, dat hij in handen stelde van den raadsheer Mr. Herman Knoppert, klaagde hij verder over den priester Herman Luttike. Deze, zoo betoogt hij, had ook na de komst van den stadhouder van Karel V, René van Chalons (September 1543), zijne kruin niet willen laten scheren. Bovendien had hij openlijk verkondigd, dat hij in de zielmissen niet voor de gestorvenen wilde bidden en ten slotte, dat hij het dagelijksche bidden der Getijden "loeryen", prulwerk achtte. (11) Of heer Herman vicaris was van de door Berent Luttike gestichte St. Jacobus- of Lutteke Vicarie, kon ik niet achterhalen. Zonder twijfel echter was hij een bloedverwant van den stichter. Bij gebrek aan bewijsmateriaal was ook niet na te gaan of hij later tot meer katholieke gevoelens terugkeerde. Uit processtukken blijkt alleen dat hij in 1557 en 1559 nog als priester te Elburg leefde. (12) Met het Katholicisme zag het er in die dagen te Elburg droevig uit. De nieuwe vrijheidsbeweging der Hervormers was ook het St. Agnesklooster binnengedrongen. In 1555 schaakte Jan te water een zuster en kort daarop vluchtte Anna thoe boecop uit het klooster om met den geestelijke Bruno Veghe een huwelijk te sluiten. Diens broeder, Jan Veghe, religieus te Elburg, trachtte eenige jaren later het voorbeeld van zijn broeder te volgen (13) en in de troebelen van 1566 verlieten tal van nonnen het klooster. (14) Of het klooster van St. Agnes als klooster van de Derde Orde van St. Franciscus van het Kapittel van Utrecht door paters van die congregatie of door die van het Minorietenklooster te Harderwijk werd bestuurd, vermocht ik niet te vinden. Zoude het laatste het geval zijn, dan zou de tuchteloosheid, die blijkbaar in het convent heerschte, gemakkelijk te verklaren zijn.

 

Want het Harderwijksche Gaudentenklooster was berucht als brandpunt der ketterij en van het libertinisme. (15) Begin September 1566 had te Elburg de beeldenstorm plaats. Ook in de parochiekerk bleef niets gespaard. In de kerk heerschte een gruwel der verwoesting totdat de magistraat door Alva gedwongen werd de schade zooveel mogelijk te herstellen. (16) Doch slechts korten tijd bleven de katholieken in het ongestoord bezit van hun godshuis. In Juli 1572 gaf Elburg zich aan Willem van den berg over. Het lot van de kerk was beslist. Al het herstelde werd andermaal vernield en alle ornamenten en kostbaarheden door de woeste soldeniers van den graaf geroofd. Deze rampen, die de katholieken van Elburg binnen zes jaren tweemaal troffen, waren er wel naar on ze moedeloos te maken. Wederom was het binnenste van hun parochiekerk een puinhoop. Niets was er gespaard gebleven, andermaal was ze beroofd van alle liturgische gewaden en voorwerpen. En toch verloren zij den moed niet. Zij kenden al te goed de middeleeuwsche voorstelling van het geluksrad, zij wisten dat hij, die heden koning was, morgen het laagst bij den grond kon liggen. Zij begonnen opnieuw hun godshuis voor den goddelijken dienst gereed te maken. Doch alvorens het tweede zestal jaren was verstreken, was hunne parochiekerk definitief voor hen verloren. Met de komst van Diederik van Sonoy in 1578 had de Hervorming voor goed gezegevierd. Het uitoefenen van den katholieken godsdienst was onmiddellijk verboden, de kloosters waren geseculariseerd. Reeds den 8 December 1578 werd de Magistraat gewaarschuwd dat de katholieken "geheime conventikels" hielden!

 

Het ligt niet op onzen weg hier na te gaan welke besluiten de vroedschap van Elburg genomen heeft ten opzichte van de goederen der vicarieën en prebenden, noch waarvoor de niet geringe opbrengsten werden besteed. Voor ons is het van belang te weten, waarom niet ook de inkomsten der Lutteke Vicarie door de stad genaast en voor de bezoldiging der predikanten gebruikt werden. Blijkbaar heeft de familie Lutteke zich daartegen verzet en de beschikking over de inkomsten der fundatie als familiestichting opgeëischt. Het bewijs hiervoor leveren ons de processen, die de familie voor het Hof te Arnhem heeft gevoerd. Van belang voor de kennis van de geschiedenis en der rechter dezer vicarie is in de eertse plaats het proces dat Johan Lutteken in 1596 tegen den magistraat van Elburg voor het Hof van Gelre won. (17) In het dossier toch bevinden zich tal van den officieele stukken - o.a. ook een afschrift van den stichtingsbrief van 1484 der vicarie (18) - die in dit proces zijn overlegd en als bewijsmateriaal hebben gediend. Johan Lutteken trad op als de naaste bloedverwant van Berent Lutteken, den stichter der vicarie van den H. Apostel Jacobus, en eischte op grond daarvan erkend te worden als de eenige rechthebbende collator dezer vicarie en eigenaar van hare inkomsten. Bij vonnis van 9 October 1596 besliste het Hof ten zijn en gunste. Een tweede proces, waarbij eveneens veel bescheiden over het wezen en de rechten der vicarie werden overlegd, werd in 1668 door Willem Toewater, momber van Cornelis Lutteken, contra Nicolaas Lutteken voor het Hof gevoerd. Ditmaal betrof het een familiegeschil over het gebruik en de collatie van de "Bloed Vicarie St. Jacobi", (19) een kwestie, die hier als zoodanig buiten beschouwing kan blijven.

 M. SCHOENGEN

 

Voetnoten:

 

  1. Aangaande de historische ontwikkeling van Elburg raadplege men: Meurs, P. A. N. S. van, Geschiedenis en Rechtsontwikkeling van Elburg. Arnhem 1885.
    Staats Evers, J. W., Gelderland's voormalige Steden. Arnhem 1891. 125 vv.
    Hoefer, F. A., Mededeelingen over Elburg. Bijdragen en mededeelingen van Gelre. XIV (1911), 183 vlg.
  2. Vergel. over de schenking van Doornspijk in 796 aan den priester, en in 805 aan den bisschop Ludger van Münster:
    Sloet, L. A. J. W. , oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutfen.
    Deel I. 's Gravenhage 1872. Nos. 16 en 24.
  3. Vergel. hierover: Voorloopige lijst der Nederlandsche Monumenten van geschiedenis en Kunst. Deel IV.
    De Provincie Gelderland, Utrecht 1917.
    Hoefer, F. A., Mededeelingen over de Monumenten van Elburg.
    Oudheidkundig Jaarboek III (1923), 145-161, waar bldz. 153 een plattegrond der kerk te vinden is.
  4. Zie van Meurs, bldz. 197 v.
  5. Men vergel. hierover Lindeborn, J., Historia sive notitia episcopatus Daventriensis. Coloniae Agrippinae 1670. bl. 457.
    Van H(eussen) en V(an R(hijn), Oudheden en Gestichten van het Bisdom van Deventer. Deel II. Leiden 1725. bl. 376 -
    Acta Visitationis Diocesis Daventriensis ab Aegidio de Monte factae, bewerkt door Mr. R. E. Hattink.
    Werken der Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis. No. 17. Zwolle 1888.
  6. Zie Bijlage I.
  7. Zie Bijlage II.
  8. Voor het eerst wordt in de Elburgsche archivalia de naam Lutteke vermeld in het testament van Albert Bodelewynsoenne uit het midden der 14de eeuw. Deze noemt daar "oelde Bernt Lutteke, mijn neve" (Van Meurs, 1. c. 209).
    In 1361 wordt Berent Luttic porter ter Elborch vermeld. (Van Meurs, 1. c. 172) en
    in 1369 en 1373 treedt Berent Luttic of Lutticken als schepen op. (Van Meurs, 1. c. 171 v.)
  9. Ris Lambers, C. H., De kerkhervorming op de Veluwe, 1523-1578.
    Bijdrage tot de geschiedenis van het Protestantisme in Noord-Nederland. (Diss.). Barneveld (1890).
  10. Ris Lambers, 1. c. 60 vv.
  11. Ris Lambers, 1. c. 60 vv; b. 122.
  12. Van Meurs, 1. c. 132, 143.
  13. Ris Lambers, 1. c. 73. - Zie ook het schandelijke testament van Goessen van Heuckelum, pastoor van Elburg en Doornspijk, dd. 1553.
    Nieuw Arch. Kerk. Gesch. II. (1854) 252.
  14. 1473 Dec. 2 verzocht Aegidius de Monte, bisschop van Deventer den magistraat van Elburg nogmaals den pater en de provisoren van het convent behulpzaam te willen zijn in het terugbrengen der uitgeweken en verloopen juffers.
    Het origineel bevindt zich in het Archief van Elburg h. 23, No. 205. Ris Lambers CCCXXXI.
  15. Schoengen, M., Die Klöster des ersten Ordens vom H. Franziskus im Königreich der Niederlande, 1229 - 1926.
    Sonder abdruck aus Heft 1/2 1927 der "Franziskanischen Studien". Münster 1927. 21 v.
  16. Zoo kocht den 23 Augustus 1568 de magistraat van Elburg door bemiddeling van den prior van het klooster Bethlehem te Zwolle, Johan van Zutphen van den prior van het klooster Bordesholm bij Kiel ( zie Acquoy, Windesheim, III. 182 v.) onder bepaalde voorwaarden voor de som van 236 Carl. Gulden een verguld zilveren monstrans en een verguld zilveren ciborium.
    De prioir van Bordesholm, Marquardus Stauren, had in 1565 met zijn conventualen zijn klooster moeten verlaten en eene toevlucht te Zwolle bij zijn confraters in Bethlehem gevonden.
    (Hoefer, F. A., Verkoop van gewijd Vaatwerk. Verslagen en Meded. Overijss. Regt. En Geschied., 39 stuk (1922) 204 v.)
  17. Nijhoff, P., Registers op het archief afkomstig van het voormalig Hof des Vorstendoms Gelre en Graafschaps Zutphen. Arnhem 1856. bl. 20.
  18. De heer Dr. J. S. van Veen te Arnhem vervaardigde eeb afschrift van dit document en bood het de redactie van dit tijdschrift ter publicatie aan. Met zijne bekende en gewaardeerde welwillendheid deed Dr. Van Veen afstand van deze publicatie ten gunste van mijn afschrift van het origineel uit het archief der Gemeente Elburg, thans berustende in het Rijksarchief te Arnhem. Zie Bijlage I.
  19. Afgaande op deze bij Nijhoff 1.c. voorkomende regesten schreef Staats Evers, Gelderland's voormalige steden.
    Elburg bl. 141, het volgende: "Ook bestaat er te Elburg een vicarie (de bloedvicarie van St. Jacobi) bij testament van 22 Maart 1484, in originali op het depôt van het Rijksarchief te Arnhem aanwezig, gesticht door Bernardus Lutteke, voornaam prior van de stad. Deze erflater richtte daarbij een prebende op voor studenten, bij voorkeur uit zijne familie te kiezen, die thans ter begeving van het gemeentebestuur staat."