Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart1.jpg

Doornspijk, zedelijk en Sociaal

Wanninkhof, Utrecht 25 Oct. 1951


Doornspijk gezien door een buitenstaander

Eenige gegevens omtrent toestanden en gebruiken in de Gemeente Doornspijk gedurende de jaren 1915 - 1935; met een korte nabeschouwing over de toestand op heden.
Voor alles is het noodig te beseffen dat deze gegevens verre van voltallig of volledig zijn. Voor enkele gevallen wendde ik mij tot den Burgemeester. Zijn aanvullingen en correcties zullen ten spoedigste worden nagezonden, zoodat ge tenslotte toch een juist beeld hebt.

De Gemeente Doornspijk is ** H.A. groot en omvat zoowel een welvarend als een arm gedeelte. Het welvarende gedeelte: Lage Bijsel geheeten, is in hoofdzaak langs de Zuiderzeestraatweg gelegen; het zijn boerderijen met in hoofdzaak melkvee bedrijven.
Uitgestrekte weiden van uitnemende qualiteit, zijn op de uiterwaarden langs de voormalige Zuiderzee gelegen. Het overgroote gedeelte der gemeente was, door zijn slechte bodemgesteldheid, arm; er waren stukken bij, die tot de allerarmste streken van ons land behoorden. Het waren heidevelden en zandverstuivingen.
Nadat in 1923 door het Rijk een uitgestrekt heideveld, de z.g.n. Doornspijksche heide, groot ** H.A. was aangekocht, kwam er verbetering in de sociale toestand.


Sociale toestand

Immers die arbeiders die vroeger 's winters werkeloos waren en dan schulden moesten maken om in het bezit van de allernoodzakelijkste levensbehoeften te komen, werden nu bij het Rijk te werk gesteld voor: het graven van leem en grint, het aanleggen van fietspaden, het verharden van bestaande zandwegen, en het aanleggen van betonwegen;
het graven van brandstroken en het planten van dennen en berken langs de grenzen van het schietterrein. Deze werkzaamheden hadden bij voorkeur in de wintermaanden plaats.
De arbeiders kregen hierdoor niet alleen een vast loon, maar tevens een inkomen dat beduidend hooger lag dan het vroegere door hen genotene. Hoe ellendig deze menschen oorspronkelijk leefden, moge uit het volgende blijken.


Woningen

Hun huisje was meestal niet meer dan een plaggenhut, of een uit leem en tenen
Opgetrokken bouwwerkje dat met riet of stroo gedekt was en slechts één vertrek, met een stukje deel omvatte.
In dit vertrek, dat slechts één raam en een deur had werd geleeft, gekookt en geslapen.
Op den achtergrond bevonden zich twee bedsteden, waartusschen een muurkast. De bedsteden hadden licht noch lucht, en aan het voeteneinde was meestal nog een krib gebouwd, waarin de kleinste kinderen sliepen. Het was geen zeldzaamheid dat in één bedstede 4 à 5 kinderen sliepen, jongens en meisjes te samen. Op de deel stond de geit, en was het brandhout, de truf, het wintervoer en het weinige gereedschap geborgen, terwijl de inmaak als snijboonen en aardapelen er ook een plaatsje vonden.
In het woonvertrek was een open vuur, waarboven aan een ketting de waterketel of de ijzeren pot voor de aardappelen hing. De brandstof bestond uit: kapot geslagen dennen,
stobben en wat turf. Een permanente rook hing er in 't vertrek, waardoor vele bewoners er ook tanig uitzagen van huidskleur.
Aan een haak aan de zoldering hing een petroleumlamp. Ergens buiten was een put. Heel dikwijls deed zoo'n put dienst als watervoorziening van een aantal van deze huisjes.


Arbeid

In het voorjaar, eind april begin mei gingen de mannen naar Drente en Twente "eekkloppen"! Dit was jong eikenhout 8 à 10 jaar oud, en akkermaalshout genoemd.
Dit werd gekapt, en van de bast ontdaan door er met de achterkant van de bijl hardop te slaan. Deze bast - de eek - ging naar de leerlooierijen waar het als run voor het looien van leer gebruikt werd. Het ontschilde hout, werd in stokken van ca. 70 cm lengte gehakt; 30 van deze stokken werden tot een bos samen gebonden met dunne eiken twijgen en werd "talhout of meihout" geheeten.

102 van deze bossen was een voer (wagenvracht) en werd naar de steden vervoerd, alwaar het als zeer gewaardeerde en prima brandhout voor f 15 à f 18 voor verkocht werd. Nadat het in kleine stukken gehakt was werd het in de keukenfornuizen gestookt. De allerdikste stammen ca. 10 cm. middellijn, werden op 80 cm. lengte afgehakt; en per 1000 tal verkocht aan de groote inrichtingen of industrieën. Dit heette "duizendhout", diende ook alleen voor brandstof.
Dit houthakken en eekkloppen was een zwaar werk. Van de vroege ochtend tot de late avond werd er gewerkt. Woonde er een boer in de buurt, dan werd daar wel in een schuur of hooiberg geslapen, doch heel dikwijls bivakkeerden de menschen in de open lucht zonder enige bescherming.

Zoolang het gezin niet al te groot, en de kinderen nog niet leerplichtig waren (6 jaar) trok de vrouw met de kinderen mee. De kleinsten in een groote mandewagen, waarin tevens de ijzeren pot voor de aardappelen, een koffiekan en wat kommetjes en borden geborgen waren. Zoo leefde men dikwijls in 't open veld 4 à 6 weken met als eenig voedsel roggebrood waarop wat uitgesmolten varkensvet, en aardappelen, die gezien het vergevorderde seizoen en de slechte qualiteit (meestal fabrieksaardappelen) weinig voedingswaarde hadden. Het was dan ook geen wonder dat juist in deze maanden de kindersterfte onrustbarend groot was. Wanneer tegen juni, het eekkloppen afgeloopen was, trok men naar huis terug. De man ging dan al heel spoedig naar Holland, om te hooien en rogge te maaien (hannekemaaiers).
Later ging een gedeelte van hen nog aardappelen rooien maar daarna was het toch afgelopen met de verdiensten. Met het in de zomerse maanden verdiende geld, werd allereerst de oude schuld afbetaald, vervolgens een enkel noodzakelijk stuk kleeding aangeschaft, en was dan naar verloop van tijd het geld weer op dan begon het maken van schulden opnieuw.

Het handwerk "eekkloppen" bestaat niet meer. Door de voortschrijdende wetenschap wordt het leer met chemische zuren gelooid, en in de steden zijn reeds lang gas en electrische fornuizen waarop gekookt wordt. In de wintermaanden en wel meestal in december, gingen deze arbeiders nog wel bij de groote boeren dorschen (met de vlegel). Dit ving aan 's morgens om 5 uur bij maanlicht, of bij een armoedig olielampje en duurde tot 's avonds 6 uur. Hierdoor had men tegen de feestdagen nog eenige verdienste al was er na Nieuwjaar niets meer van over daar het met de feestdagen meestal in drank was omgezet.
Gedurende de tijd dat de mannen naar Holland waren om te maaien, gingen de vrouwen bij de groote boeren werken: schoonmaken en wasschen! Immers was het tot ca. 1930 de gewoonte slechts 2x per jaar de groote wasch te doen! Het was een bewijs van welstand en boerentrotsch, dat een ieder de lange lijnen vol lakens, sloopen en hemden kon zien, die dan buiten te drogen hingen. De oudste kinderen zorgden dan wel voor de kleinsten, en was al reeds in 1900 de leerplicht ingevoerd, zoo was gedurende dien tijd het schoolverzuim toch groot. Al heel jong zoodra de kinderen maar van school mochten, (dat was oorspronkelijk op 13 jarige en later op 14 jarige leeftijd), moesten ook zij uit werken gaan. Meestal was het aardappels oprapen in 't najaar - en daarna het zoeken van eikels en beukenootjes, die voor veevoeder verkocht werden en het zoeken van denneappels, die als aanmaak brandstof verkocht werden. Eikels en beukels brachten 4 à 5 cent per Kg - denneappels 10 cent per 400 stuks op. Doordat in 1900 pas de leerplichtwet ingevoerd was, waren er onder de volwassenen nog zeer veel analphabeten. Ook dit komt nu niet meer voor.


Opkomst

Toen nu des levensvoorwaarden beter werden, o.a. na het aankoopen door 't Rijk van het schietterrein - werden de levensomstandigheden zienderoogen beter!
Men begon zich intens toe te leggen op de verbetering van het pluimvee. Groote pluimveebedrijven rezen als paddestoelen uit den grond, en de baten hiervan werden een groote bron van inkomsten. Men ging over tot het bouwen van modelkippenhokken met veel licht en lucht, en ramen aan de windzijde. Zoo verrezen naast de armelijke behuizingen overal deze moderne hokken. De vrouwen bleven nu het geheele jaar thuis en meestal waren zij het, die het kleine stukje land dat rondom hun huisje lag, en oorspronkelijk uit heidegrond bestond, bewerkten. Behalve de mest van de geit, en soms had men toen ook een varkentje, deed de kunstmest hier haar intrede, en oogstte men van eigen grond aardappelen en rogge. Voor zoover men de verkregen rogge niet voor brood voor eigen gebruik noodig had, werd deze verkocht, en van de opbrengst opnieuw zaairogge en kunstmest gekocht. Men ging over tot het verbouwen van eenige groente;
eerst sla, erwten en snijboonen, doch allengs ook spinasie en andijvie. Men begon te spren, en wanneer men een kleine som bijeen had, kon men na verloop van 2 à 3 jaar, door de hulp van de boerenleenbank een voorschot krijgen waarmee dan een eigen huisje gebouwd werd.
Tot deze vooruitgang had niet weinig de oorlog 1914 - 1918 bijgedragen. Gedurende dezen tijd waren vele jonge mannen gemobiliseerd, en deze hadden in die jaren gezien en ondervonden, dat er buiten Doornspijk andere zeden en gewoonten bestonden, waarbij men niet alleen gezond en in leven bleef, doch waarbij de menschheid zelfs gelukkiger en welvarender werd.


Schapen

Met de vooruitgang van de streek ging echter een ander bedrijf ten gronde, namelijk dit van het hoeden van kudden schapen door herders. Eeuwenlang was dit een bron van inkomsten geweest. De grootere en kleinere boeren gaven hun schapen (allen van een merkteken voorzien) aan de zorg van een herder. Deze trok met zijn kudde over de uitgestrekte heidevelden. De herder ontving slechts een heel klein loon, maar bovendien kreeg hij een deel van de wol, ook wel een lam, en had het recht gedurende de koudste wintermaanden, één of meer weken bij een boer kost en inwoning te genieten. Als regel had een herder een hut bij de schaapskooi waar de schapen gedurende de zomer 's nachts verbleven. De herder had het recht om wanneer een schaap 3 lammeren geworpen had, waarvan er bijna steeds één, niet door het moederdier werd aangenomen, deze met een flesch groot te brengen en te behouden. Zoo gebeurde het, dat een herder naar verloop van jaren zelf een kudde had, en deze kudde zonder schapen van boeren te verzorgen.

Dat het een zeer armelijk bestaan was behoeft geen nadere verklaring. Soms verdiende zoo'n herder er een kleinigheid bij, door al hoedende dat steeds met behulp van een hond geschiedde, kousen te breien. Tegen den winter gingen de schapen naar de diversen eigenaren terug. De boeren dreven dan hun schapen in een weide om de graspollen, die door de koeien versmaad waren af te grazen. In het voorjaar, wanneer de sneeuw van de velden verdwenen was, werd zoo'n kudde schapen wel door het Rijk gehuurd om een dijk, die door het overtollige water geleden had, of pas nieuw was aangelegd, gedurende eenige weken te beweiden. De fijne schapenpootjes trapten de graszoden vast; dit in tegenstelling met koeien en paarden die de dijk kapot zouden maken. Maar ook dit "dijktrappen" komt nog maar heel zelden voor.
Machines hebben het werk van de schapenpootjes overgenomen. Bovendien komen er in ons land geen groote schapenkudden meer voor, een enkele uitgezonderd, die dan met steun van overheid en particulieren in stand gehouden wordt, ook al omdat er geen uitgestrekte heidevelden meer bestaan. Van de schapenwol liet men dekens en breiwol maken voor onder en bovenkleding. Werd er in 1925 nog op enkele boerderijen gesponnen, zoo kwam dit reeds in 1925 niet meer voor.


Flora en Fauna

Op deze groote heidevelden kwamen allerlei planten en dieren voor, die men in het overige deel van ons land, niet meer, dan wel sporadisch aantrof. Op de uiterwaarden broedden vele kieviten; langs de slooten en in de grienden allerlei soorten eenden, waaronder zeldzame uitheemsche soorten, waterhoentjes en reigers; plevieren en grutto's waren er in groote getale terwijl de veldleeuwerik en vele soorten uilen, sperwers en valken voorkwamen.
Gedurende den winter, vooral bij langdurige sneeuw, streken honderden wilde ganzen en zwanen op de uiterwaarden neer. De haas kwam hier veelvuldig voor.

Behalve wilde spirea's, zuring, dotterlissen en anemonen, bloeiden er de vergeetmijniet, en de gewone weidebloemen, maar ook vaak de blauwe veldsalie en cichorei. Op de Heide leefden enorm veel konijnen, bij honderden kon men ze s'avonds bij onder gaande zon zien spelen. Verder waren er de heihazen, vossen, reeén, wilde zwijnen, wezels, hermelijntjes en bunzings. Patrijzen, fazanten, korhoenders en wulpen.

In het voor en najaar zag men er groote troepen koperwieken. Als een bijzonderheid kan vermeld worden, dat de bergeend hier broedde. Deze eenden trokken met hun pas geboren kuikens in de richting van de Zuiderzee. Daarvoor moesten zij steeds de spoorlijn Amersfoort - Zwolle passeren. En nu scheen het moederdier reeds op zeer groote afstand te hooren, of daar trillingen te gevoelen dat er een trein in aantocht was.
Nu werd het dier onrustig, ging weifelen, liep angstig heen enterug, soms tot even over de eerste rail om wanneer ten slotte de trein vlakbij was, ineens in een soort doodsangst te trachtten de overkant alsnog te bereiken, met het gevolg dat oud en jong om het leven kwamen. Dit was een jaarlijks voorkomend verschijnsel.

Verschillende soorten orchideeën ("Adam"=donkerpaars, en "Eva"= licht paars), en vleesetende plantjes, wolgras, kattestaarten, gaspeldoorn, brem en bramen en wilde rozen groeiden er. Er was een klein ven, waar prachtige mossoorten groeiden.
Hier was steeds water wanneer er verder op de Veluwe geen druppel meer te vinden was, en dat terwijl het ca. 30 cm boven A.P. lag. De overlevering vertelt dat reeds in 1640, toen het een zeer warm en langdurig droog zomer was, de herders uit Gortel, Nierssen en Vaassen hier 's avonds hun kudden lieten drenken. Tusschen 1935 - 1940 schijnt de leemlaag waarop dit ven rustte bij aanleg van wegen en vliegveld, door gestooten te zijn, tenminste sindsdien is het vennetje met zijn plantengroei, en de vele hagedisjes verdwenen. Vliegdennen en prachtige jeneverbessenstruiken kwamen overal voor.


Kindertal

In de gemeente Doornspijk, was het kindertal groot; gezinnen met 8 tot 12 kinderen waren geen uitzondering. Het sterftecijfer was onrustbarend. Doordat er dikwijls geen bevoegde hulp, bij bevallingen aanwezig was, er geen voorlichting voor kinderverzorging bestond, en het overgroote deel der bevolking niet het minste begrip omtrent hygiëne had, stierven vele kinderen beneden het jaar. Dit was het sterkst bij de z.g.n. Hannekemaaiers en eekkloppers. Daarbij kwam dan nog een groote dosis bijgeloof.
Zoo gaf men b.v. een pasgeborenen "zwarte koffie". Hierdoor zou de duivel geen intrek in het lichaam kunnen nemen! Het dagelijks baden, of zelfs maar eenvoudig het lichaampje wasschen beschouwde men als: Den Heere verzoeken! 't Kind zou maar kou vatten. De baby werd of in de kribbe aan het voeteneind der bedstede, dan wel in een wagen gelegd die dan met een groen saaien gordijn overhangen werd, opdat er toch vooral maar geen licht of frissche lucht bij kon komen.


Godsdienst

Men was en is ook thans nog conservatief, zeer conservatief. Vrijwel de geheele Noord Veluwe, waaronder Doornspijk ressorteert is Gereformeerd, dan wel Rechtzinnig Hervormd. De predikanten hadden een groote macht; hun woord was wet!
Dikwijls werd misbruik van deze macht gemaakt. Zoo mochten meisjes wel een betrekking in Harderwijk als dienstbode aannemen, want dit was een uitgesproken
Rechtzinnige gemeente, doch niet in Zwolle, dat nog dichter bij Doornspijk gelegen was; want in Zwolle was ook een vrijzinnige predikant! En dan - daar was een bioscoop!
Het bezoeken van een bioscoop zou schade toebrengen aan de ziel.

Wel werden er af en toe, op een bijeenkomst, lantaarnplaatjes vertoond, dit werd aangeduid als: "lichtbeelden" - als het woord bioscoop maar niet gebruikt werd!
Zoo was een comedie verboden, maar onderlinge voordrachten die "samenspraken"
genoemd werden, waren toegestaan. Voor marktbezoek kwam men echter wel in Zwolle, en ook werd men er wel in het ziekenhuis opgenomen, of door specialisten behandeld.


Burenplicht

Zooals vrijwel overal vroeger het geval was, bestonden ook hier de burenplichten.
Deze werden zeer hoog opgevat. Het saamhorigheidsgevoel was zeer sterk ontwikkeld en bewonderenswaardig. Men kon te allen tijde op elkaar rekenen. Wanneer b.v. in een jong gezin de moeder overleed, en er waren geen directe familieleden om de kinderen op te voeden, zoo werden deze kinderen (beneden de 18 jaar) eenvoudig onder de buren verdeeld, die hen dan opvoedden, hoe arm zij het zelf ook hadden! Onder burenplicht verstaat men o.a.: Het helpen bij bevallingen en het waarnemen der huishoudelijke bezigheden gedurende de eerste 14 dagen; zoo nodig ook het verzorgen van vee, en de veldarbeid. Het aanzeggen van geboorte of overlijden bij familie, buren en kennissen.
Het waken bij zieken. Het helpen rooien van aardappelen, maaien van rogge of andere veldarbeid. Indien iemand verhinderd was, zijn buurplicht waar te nemen, zoo werd deze plicht verkocht tegen het bedrag van één of twee dagloonen.

Burenruzie

De verhouding tot inwoners van een andere gemeente was slecht, dikwijls zeer vijandig.
Men leefde slecht in eigen kleine kring. Een huwelijk met een persoon uit een naburige gemeente gaf steeds vechtpartijen, waarbij niet zelden de messen getrokken werden.
Het leven van "zoo'n vreemde", werd onmogelijk gemaakt door plagerijen en molesteeren. Nog in 1924 moest op het Harde, (een gehucht dat tot Doornspijk behoort) de marechausse de wachthouden - met gummistok - bij de catechisatielokalen, omdat het godsdienstonderwijs aldaar ook door eenige meisjes uit Oldebroek gevolgd werd.


Introuwen

Daar deze beslotenheid ontstond het introuwen van familie's onderling, met alle ellendige gevolgen daarvan. Zoo kwam er veel achterlijkheid en onvolwaardigheid bij kinderen voor, evenals Engelsche ziekten. Dit werd "niet kloek zijn" genoemd. En bij volwassenen krankzinnigheid, vooral bij vrouwen godsdienstwaanzin!

Bijgeloof

Het bijgeloof tierde welig. Hoorde men b.v. bij het ontwaken een kraai krassend over het huis vliegen, zoo zou er spoedig een doode zijn! Was er, na één jaar getrouwd zijn geen kind of zwangerschap, dan werd dit aangemerkt als "Een straf des Heeren"! De geesel Gods had de vrouw tot onvruchtbaarheid geslagen en de man gedoemd zonder nageslacht te sterven. Deze menschen noemde men, evenals de gekeggelden: "Door God geteekend". Deze kinderloozen werden geplaagd en gesard, allerlei baldadigheden werden aan huis en bezittingen uitgehaald en zoowel man als vrouw werden zoo'n beetje uit de gemeenschap gestooten. Zoodra echter de vrouw zwanger werd, hielden alle plagerijen op en werden zij weer in de kring opgenomen, want Gods goedertierenheid had hen immers weer met vruchtbaarheid gezegend!


Gewoonten

Er waren allerlei gebruiken en gewoonten. Zoo droeg een dopeling onverschillig of het een jongen of een meisje was, steeds een lange Nassaublauwe jurk, in welker rok vele oprijgen waren aangebracht. (Teeken van welstand). 't Lijfje was heel strak, de lange rok ruim. Een mutsje, dat strak om het hoofdje sloot had rond het gezichtje vele fijne plooitjes, terwijl het kind 2 paar lange kousjes over elkaar droeg. Een doopfeest bestond echter niet.


Klederdracht

Tot en met 2 jaar bleven ook de jongens, meisjeskleren dragen, lange jurken! Daarna kreeg hij een lange broek aan, met een nauwsluitend heje. Een petje (soort jockeypet) en klompen voltooiden het tenue. De kleine meisjes liepen in lange zwarte jurken nauwsluitend lijfje, met stijf gesteven wit kanten kraagje langs de hals, en ruime rok, waarover een blauw geruite schort; die alleen de rok bedekte. Om de schouders een kleurig doekje, dat op het midden van de rug in een punt was vastgespeld. Eenige snoeren roode bloedkoralen ontbraken nooit. 't Lijfje had korte nauwsluitende mouwen.
Een zwart vilten of strooien kapje omsluit het geheele achterhoofd, waarop langs het gelaat een soort struisveertje genaaid was. Dit hoofddeksel, dat van ouder op jonger overging, was een kweekplaats van ongedierte en onreinheid.
Na het 12 de jaar liepen de meisjes blootshoofds tot aan hun bevestiging (belijdenis des geloofs). Bij winterdag droegen zij meestal een gebreide zwarte doek, die als een driehoek gevouwen om de schouders geslagen werd. Zwart gebreide mofjes, soms met kraaltjes versierd beschermden de bloote armpjes der kleine meisjes. Na het 12 de jaar werden geen mofjes meer gedragen. Wanneer de meisjes hun geloofsbelijdenis deden kwam er verandering in de klederdracht.

Men droeg dan een wijde zwarte rok, waarover een jak met lange ruime schoot. Het zeer nauwe lijfje van 't jak was van voren met plooitjes of kantstof versierd. Onder het jak droeg men een blauw gestreept zeer nauwsluitend onderlijfje, "kraplap" genoemd, die de borstkas zooveel mogelijk moest insnoeren. Hoe meer een vrouw op een strijkplank geleek, hoe mooier! Een wit geborduurd platliggend kraagje omsloot de hals.
Zondags droeg men een witte tule muts met lange kanten zwaar gesteven en geplooide strook, waarin gouden oorbellen hingen, 4 á 5 snoeren kralen met gouden slot om de hals, en een mooi zwart kantje onderaan de lange mouw van 't jak, bedekten gedeeltelijk de handen. Bij deze gelegenheid kregen de jonge mannen op de boord van hun nauwsluitend zwart buis, 2 gouden knoopen en droegen van hun belijdenis af, een hoogzijden pet met aan beide kanten een klein zwart rosetje. Was men echter in de rouw, hetgeen zeer veel voor kwam, dan werd de tulen muts door een effen neteldoeksmutsje vervangen, en droeg men inplaats van gouden - zilveren bellen en knoopen en zwarte kralen met zilveren slot inplaats van roode. Voor een vader of moeder ging men 1 jaar en zes weken in de rouw, voor een kind - zuster of broer, of één der grootouders een half jaar; oom of tante, nicht of neef 3 maanden.
Zoo kan het gebeuren dat in één familie jarenlang onafgebroken in de rouw was. Het is een knap soort menschen dat hier woont, vooral onder de vrouwen, met hun donker haar en oogen en hun slanke gestalte komen schoonheden voor, al veranderen zij zeer snel vanwege hun zorgvol bestaan en harde lichaamlijke leven.


Huwelijk

Bij het huwelijk waren geen bijzondere gebruiken, evenmin kwam er dan verandering in de klederdracht. Hoewel het vanzelfsprekend was, dat men zondags 2x ter kerk ging.
Zoo kwam het kerkelijk huwelijk toch maar hoogst zelden voor. Dit vond zijn oorsprong in het feit, dat men meestal eerst dan trouwde, wanneer het meisje zwanger was. En het volksgeloof bracht nu eenmaal mee, dat wanneer men in dat geval toch kerkelijk wilde huwen, het meisje bij de ondertrouw in de kerk, ten aanhoore van de gansche gemeente een schuldbekentenis moest afleggen, omdat zij niet meer rein was.
Door de predikant werd dan vergeving voor deze zonde gegeven, waarna 14 dagen later het huwelijk kerkelijk kon worden ingewijd.


Middelbare leeftijd

Wanneer de vrouw de middelbare leeftijd bereikt had (dit zal in de oudtijd het moment geweest zijn, waarop zij geen kinderen meer kon baren) veranderde zij van muts.
De lange kanten muts werd door een nauw om het hoofd sluitend, wit neteldoeks mutsje vervangen, waarover een wit-rood of wit-blauw kleiner mutsje ging, waarover gouden klampen. De gouden bellen werden niet meet gedragen. Was men in de rouw, dan werd het een wit-zwart gebloemd overmutsje met zilveren klampen. In rouwtijd droegen de mannen zilveren knoopen.


Sterfgeval

Was er een sterfgeval, zoo kwamen de allernaaste buren, zoowel man als vrouw om de afgestorvene te wasschen en te kleeden in een lange wit linnen doodshemd. Dit wordt - "een doode afleggen" genoemd. Tijdens deze handeling verlaten alle inwoners het huis. Is men gereed met afleggen, en het lijk met een wit laken geheel bedekt, dan worden de huisgenoten door de buurman binnen genoodigd. De buurvrouw staat dan bij het hoofdeneind van de bedstede, en slaat, zoodra alle aanwezigen voor de bedstede staan, het laken tot halverwege de borst terug, en toont zoo de afgestorvene. Daarna gaan de buurmannen, meestal de 2, of bij een groote familiekring de 4 dichtsbijwonenden, het overlijden bij de familie en kennissen aanzeggen. Het gebruik wil, dat men van de eerste boom die men ziet, een takje afsnijd, dit van bladeren ontdoet en dit takje, gedurende den geheelen tijd van het aanzeggen in de hand houdt. Bij iedere woning waar men ging aanzeggen kreeg men een glas jenever. Het gevolg was dat de aanzeggers soms stomdronken waren, wanneer zij hun laatste aanzeggingen moesten doen. Den volgende dag wordt het lijk gekist. Dit geschied alleen door de buurmannen. De lijkkist wordt dan tot de begrafenis voor 't raam geplaatst. De luiken voor 't raam zijn al dagen (meestal 4)
gesloten.


Begrafenis

Voor de begrafenis werden op een open boeren wagen 2 bossen stroo gelegd. Hierop werd de lijkkist geplaatst, waarna de allernaaste vrouwelijke verwanten, b.v. moeder, vrouw of zusters, op de lijkkist plaats nemen. De vrouwen hadden dan hun zwarte schouderdoeken om hoofd en schouders geslagen, zoodat er slecht weinig van het gelaat te zien was. Deze lijkwagen, werd slechts door 2 zwarte paarden getrokken. Alle mannen lopen achter de wagen.
Na de teraardebestelling was er aan het sterfhuis een doodenmaal. Dit bestond uit kleine broodjes (kadetjes) met boter en kaas en koffie. De dragers krijgen jenever. Van zoo'n doodenmaal mag niets bewaard blijven. Zijn niet alle broodjes opgegeten, zoo worden de overgeblevenen meegegeven voor diegenen, die de begrafenis niet kon bijwonen. Zoo is het in een arm gezin, meermalen voorgekomen, dat er den volgenden dag, geen kruimel brood is huis was, en de kinderen zonder brood naar school moesten gaan.


Drankmisbruik

Vooral in de jaren van groote armoede was het misbruik van drank zeer groot. Vermoedelijk vond dit zijn oorsprong in de ellendige toestand waarin men leven moest. Bij slechte woontoestanden, bijna geen behoorlijke kleeding en onvoldoende voeding, groeiden de zorgen maar al te vaak hen boven het hoofd, en trachtte men vergetelheid en troost te vinden in de drank. Dat hierdoor de ellende steeds grooter werd, wilde men niet zien of begrijpen,


Ziekten

Daarbij kwam dan nog het veelvuldig voorkomen van allerlei ziekten. Brak er in deze streek een epidemie uit, van griep, mazelen, of kinkhoest, dan vielen hier steeds talrijke slachtoffers. Men had, door de slechte voedingstoestand geen weerstand, en door de slechte woontoestanden was het besmettingsgevaar zeer groot. Geen wonder dat de tuberculose hier zeer veel voorkwam, en zeer veel slachtoffers maakte. Bij het bestrijden en voorkomen van epidemieën stuitte men bovendien steeds op hardnekkig verzet van kerk en predikant. En al is er veel verbeterd en veranderd van medewerking om kwalen te bestrijden, is nog steeds geen sprake.


Bijen

In de gemeente Doornspijk hadden vele boeren en ook de kleine landbouwers, eenige korven met bijen. In het voorjaar gingen deze korven naar de uiterwaarden, opdat de bijen uit de witte klaver die daar overvloedig groeide honing konden puren. Tegen de zomer werden de korven naar de heide gebracht. Allengs ging men van bijenkorven op bijenkasten over, aangezien de opbrengst hierdoor grooter werd, en de honingraten ooglijker en meer ongeschonden geoogst konden worden. De honing werd in 't najaar meestal als raathoning in de steden verkocht. Later ging men hier en daar over tot het slingeren van de honing. De overblijvende raat werd dan op de groote najaarsmarkt in Zwolle verkocht, (was) voor industriéle doeleinden. De firma Ten Doesschate te Zwolle een zéér oude zaak, die ook diverse kruiden als thijm, pepermuntkruid, oogenklaar en boschbessen opkocht, die door arme vrouwen wel gezocht werden, bestaat reeds een paar eeuwen, en is er thans nog.
Degenen die een stuk heidegrond in hun bezit hadden, stelden die grond aan bijenhouders uit andere delen van ons land ter beschikking, om daar tegen een kleine vergoeding per volk, hun korven te plaatsen.


En hoe is de toestand nu?

Door de betere levensomstandigheden is er zeer veel veranderd. Leem of plaggenhutten bestaan heelemaal niet meer, en zijn er overal behoorlijke, zij het dan ook dikwijls kleine woningen. Wel is hier, zooals in de meeste plaatsen van ons land, het welvaartspeil na de 2 de wereldoorlog terug geloopen.
De ontzettende woningnood deed de menschen besluiten hun intrek te nemen in de mooie modelkippenhokken. In de oorlog waren de kippen immers toch, zij het noodgedwongen, vrijwel allemaal opgeruimd! Dat zoo'n hok, hoe mooi ook voor een kip, geen woning voor een mensch is, behoeft geen nader betoog. De laatste paar jaren heeft de pluimveehouderij weer een groote vlucht genomen, al is dezen én door regeeringsmaatregelen, én door de veevoederpositie niet meer op het vooroorlogsche peil aangeland.

Veel heidegrond is ontgonnen en omgezet in akkers voor rogge en aardappelen of weiden. Nadat in 1928? de vaste brug over de IJsel bij Zwolle tot stand gekoomen was (voor dien was er slechts een veerboot) nam het verkeer snel toe. Er werden nieuwe verkeerswegen aangelegd, bestaande zandwegen in verharde wegen herschapen. Terzelfder tijd deed hier ook de electriciteit haar intrede en werd deze streek hierdoor als het ware uit haar isolement verlost.
De vakbonden, het betere onderwijs, waaraan vooral het vakonderwijs op ambachts en industriescholen genoemd moeten worden, en de avondlandbouwcursussen brachten de eertijds achterlijke bevolking, die kennis bij, die noodig was om een normale plaats in de maatschappij in te nemen. Van bepaalde klederdrachten is geen sprake meer, slechts sporadisch ziet men het nog bij ouden van dagen; de jongere generaties beschikt er niet meer over. En hoe pituresque die kleederdracht ook was, zij was niet in het belang der volksgezondheid. De moeilijk te wasschen kleeding, die bovendien van ouderen op jongeren overging, werkten de ziektehaarden in de hand.

Gelukkig komen de in elkaar geperste borstkasten niet meer voor. Consultatiebureau's voor moeders en baby's doen prachtig werk, om van de wijkzusters van het Groene Kruis met hun zware doch zegenrijke arbeid maar niet eens te spreken! En dan de radio!
Deze ontbreekt in bijna geen enkele woning meer. De onderlinge twisten door de verschillende buurtgenooten bestaan niet meer. Dit kan men gerust op rekening van de sport schrijven. Ook verminderde door de sport het drankmisbruik en de vechtpartijen.
Door de verschillende zeer kleine bedrijfjes van nog geen 2 H.A. was langzamerhand het bestaan niet meer verzekerd. Ons land dat toch reeds een surplus aan landbouwers heeft, die door gebrek aan cultuurgronden geen emplooi meer vinden, tracht men deze kleine bedrijfjes een bestaan te verschaffen door het om te zetten in kruidentuinen.

De slechte zandgrond te Doornspijk wordt met regeeringssteun hiervoor geschikt gemaakt. Of dit bedrijf op den duur loonend zal zijn, valt nu nog niet te zeggen. Al komt het nog regelmatig voor dat de buren elkaar in tijden van nood helpen, zoo sterft het begrip-, burenplicht uit. Ook deze gemeente heeft nu zijn begrafenisonderneming met lijkauto enz. Door de auto's en motorrijtuigen kan een ieder zich in korten tijd, medische en andere hulp verschaffen, en doordat ieder huis, zoo al geen waterleiding, dan toch een pomp voor behoorlijk drinkwater heeft, is men veel minder op elkaar aangewezen. Toch blijft deze gemeente door haar sterk conservatieve houding ongunstig afsteken tegenover andere gemeenten; men kan gerust zeggen, dat zij een uitzonderlijke positie inneemt in ons land. Eenige voorbeelden uit den laatsten tijd zijn zeker het vermelden waard.
Slechts eenige weken geleden, werd door het optreden van een predikant verhinderd dat de inwoners, en wel speciaal de schoolkinderen op T.B.C. werden doorgelicht. Dit groote volksbelang in een streek met veel T.B.C. wordt teniet gedaan door het starre optreden van één predikant, die deze behandeling noemt: Den Heere verzoeken!

Maar diezelfde predikant stemde toe in zoo'n doorlichting bij zijn eigen dochter, die anders niet voor een functie als onderwijzeres in aanmerking kon komen. Maar dit doorlichten mocht niet in Doornspijk gebeuren, doch geschiedde te Zwolle!!
Een ander geval.
Een man haalt voor een verzekeringsmaatschappij de premiegelden op voor een veeverzekering.
Zijn eigen koeien heeft hij echter niet verzekerd. Velen gaan ook niet over tot een brandverzekering. Men zegt: "Wanneer de Heere met plagen geeselt, zoo moet men daarin ootmoedig berusten". Wat God doet, is welgedaan! Nog steeds wordt de zondagsrust, tot in het onmogelijke doorgevoerd. Men zou bijna van ontheiliging gaan spreken. Krijgt men in de gemeente op zondag een ongeval aan auto of rijwiel, zoo wordt dit euvel niet hersteld, zelfs geen fietspomp krijgt men even te leen.

Ja, men gaat zelfs zoover dat men weigert medische hulp te halen. Een klein dierenparkje moet zondags gesloten blijven, het mag zelfs niet gratis ter bezichtiging gesteld worden.
En op het oogenblik loopt er een proces, waarbij 25 boeren betrokken zijn. Deze willen namelijk hun vee niet aan de wettelijke verplichte keuring op T.B.C. laten onderwerpen. En hoewel de rechtbank respect had voor de geloofsovertuiging van deze menschen: "Wat God doet dat is welgedaan, en zonder Zijn wil valt zelfs geen muschje ter aarde" - zoo kan een dergelijke houding in onze maatschappij, in het belang der Volksgezondheid, niet toegestaan worden en zal een veroordeling volgen.
En zoo zijn er nog vele andere gevallen die, in 1951, Doornspijk tot een uitzonderlijke gemeente maken.