Cookiemelding

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en u te informeren over het gebruik van functionele cookies. Cookies zijn belangrijk voor onze website.

Het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gebruikt functionele cookies, maar daarnaast ook cookies voor het beheer van de webstatistieken. Deze cijfers gelden als noodzakelijke feedback om de digitale dienstverlening en de vindbaarheid van de site te verbeteren. Daarnaast worden de webstatistieken gebruikt om verantwoording af te leggen aan de deelnemers van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe en subsidieverstrekkers.

Bezoekers van de website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe blijven anoniem. Ook voor cookies geldt dat ze nooit direct aan individuen zijn te koppelen. Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe gaat vertrouwelijk om met de gegevens die door middel van cookies worden verzameld.

De website van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe is alleen bereikbaar als u cookies accepteert!

U bent natuurlijk altijd welkom op de studiezaal van de 5 vestigingen van het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe

Ik accepteer deze cookies

Meer informatie over cookies »

sm-kaart.jpg

Agnietenklooster

De volgende inventarisnummers hebben betrekking op het Sint Agnietenklooster en de beeldenstorm.
De inventarisnummers komen uit het Stadsarchief van Elburg 1320-1813.
Door A.J. van der Ven.

Invnr.: Regestnr.: Onderwerp:
61 439 Gevangenneming personen die convent hinderen.
62 451 Toestemming bebouwing erf.
62 446 Bevel bescherming.
88 685 Knechten mogen begijnen niet lastig vallen.
135   Johan ten Water en een bagijn.
144 a   Alijt Janss uit klooster.
144 b   Alijt Janss uit klooster.
146 a   Placaat tegen beeldenstormen.
146 b   Beeldenstorm.
146 c   Anna tho Boecop uit klooster, onterfd.
148 a   Bisschop Knyff, consecracien.
148 b   Bisschop belooft naar Elburg te komen.
148 c   Bidden voor overleden zoon van Carolus.
148 d   Beeldenstormers.
148 e   Goederen beeldenstormers.
149 a   Mense laat kind niet kerstenen.
149 b   W. Dirckssoen beeltstormer en kerstenen kind.
149 c   Willem Dirckssoen, Campen.
149 d   Wilhelm Dirckssoen, Campen.
151   Brunis Vege en Anna tho Boecop.
154 a   Klooster is in 66 en 72 overvallen, salvergarde.
154 b   Salvergarde.
371   Pater vraagt ontlast te worden van soldaten.
372 a   Keur tegen geweld kloosters.
372 b   Keur tegen geweld kloosters.
394   Kroniek, verslag.
1269 431 Koop percelen Achterstrate, 1303-2v= kopie.
1292   Zusters verklaren geen huizen te kopen.
1295 445 Koop Achterstrate, 1303-1= kopie.
1297   Regesten 265, 323, 397, 430, 584, 605, 606, 768, 794, 816, 887, 1154.
1298   Regesten 178, 345, 666, 670, 672.
1299   Regesten 314,522.
1300   Regesten 159, 196, 232, 241.
1301 1150 Akte van belening.
1302   Regesten 607, 621.
1303-1 445 Koop Achterstrate, zie 1295.
1303-2v 431 Koop Achterstrate, zie 1269.
1303-4 433 Koop land.
1303-4v 649 Schultbekentenis, zie 1348.
1303-5 646 Betimmering hofstede Voorstrate.
1303-5v 428 Toestemmming voor het bouwen van een boog.
1323 1152,1153 Geschil nalatenschap.
1354 614 Voorschieten geld hertog Karel.
1355 640 Terugbetaling hertog Karel.
1356 1215 Bevel koeien weiden.
1357   Voorschriften 3e orde. latijn.
1366 1144 Voordracht vicaris Sint Jacobsvicarie.
1432   Deductie in zake beheer kloostergoederen.
1438   Opheffing convent. 2
1439   Geschil magistraat en convent (opheffing).
1440   Inventaris inboedel.
1441   Overeenkomst magistraat - klooster.
1442   Lijsebeth van Straten.
1443   Verpachtingscondities.
1445   Verkoop kloosterwoningen Bloemstraat.
1452   Akte van belening.
1469 1178 Magistraat toezicht geestelijke goederen.
1484   Afscheiding Elburg-Doornspijk kerkelijk gebied.
1485 1162 Elburg en Doornspijk krijgen ieder een pastoor.
1486 1185 Voordracht van personen aan de deken. (latijn)
1570   Verdachvaardiging.

 




Inventarisnummer 61
14 Oktober 1475

Precident en raden van de hertog van Bourgondien, bevelen aan schout, burgemeesters en schepenen van Elburg alle personen die de pater en de zusters aldaar hinderen in het betimmeren van hun goederen, gevangen te nemen en naar Arnhem te zenden.
Charter.

Copie.
Die precident ende anders die raide mijnes alre geduchte ende soindane heer den hertoge van Bourgonien gecommitteert ten saicken zijnre landen van Gelre. Ende schout, burgemeisteren ende schepenen der stadt vander Elburch saluyt. Alsoe tot onser kennisse gecomen is, hoe dat die pater ende convent vanden susterhuys ter Elburch inden goeden den voirseide convent toe behoeren ende die zu d nechdelicken om haren penningen gecocht hebben, zekere hinder, letsel unde moeynesse aengedaen, ende oeren bovendien gedreicht werden bij einigen, zoe dat zu hier gainde niet gebruicken noch betymmeren en mogen, naer hoeren belieften. Ende want wij dit in geensins langer gehengen, mair dairin voirsien willen, als omme die bewaernesse vanden hoicheit ende heerlicheit ons voirseide alre gedachtes ende soindane henen ende oir die beschermenesse vanden voirseide pater ende convent. Ende de werke dat staen onder zijner genaden protectie ende sauvergarde, dair ter dienst ende behoert. Soe ist dat wij u dairom ontbieden, machtigen ende oick bevelen elcx van u bijsonder van wegen ons, onser alre geduchtichste ende soindainen heen opte pijne van hondert gulden leeuwen, tegens zijnre genaden te verbueren, dat ghij aen tast ende vanget alle die ghene die ghij mitter waerheit bevinden selt connen, die den voirseide pater ende convent dreygen of mit cracht keeren sullen willen, det zu hoer goeden niet betymmeren noch gebruicken en souden moeten.Ende ons die gevanget sendet alhier tot Aernhem, omme van hemluyden sulcke punctatie ende correctie gedaen te wesen, als nae gelegentheit van hoere misdaet dairtoe dienen ende behoeren sal, van welcken saicken te doen wij u geven volcommen macht ende soeciael bevel ombieden ende bevelen allen den burgeren, inwoneren vanden voirseide stadt, dat zu u in dit doende doen alle hulp ende bijstant, sonder des te laten in eenigerwijs up al tgoent dat zu onsen voirseide alsoe geduchtichsten ende soindane heren duchtende zijn ende dairtegens verbieden mogen gegeven onder t ons voirseide lare geduchtichstenende soindane heer hieran gehangen opten 14e dach van octobry int jair ons Heren duysent vierhondert vijf ende tseventich.

Inventarisnummer 62
11 November 1476

Johan, jongheer tot Egmont, gouveneur van Arnhem en Veluwe beveelt scholt, burgemeesters, schepenen en raad van Elburg op last van de stadhouder, dat zij het convent in hunne stad een gekocht erf rustig moeten laten verbouwen, en in het bezit laten van land, dat het jaren heeft gebruikt.

Ersaime wijse voirsichtige bisonder guede vrunde. Wij hebben verstain ind oick schrifftelicken gesien seeckere brieve u vanden stathelder myne geduchtiche heren hertogen van Burgondien gesant ruenende den convente binnen der Elborch twilcke mit groiten onrecht verkurt verweldicht ind van Gerydt van Spoelde mit sijnen bruederen ind hulpen bedruckt wurdt ind den vurseide convente ore erve onbruick maicken buthen dingte manieren van rechten, ind baeven dat sijt XXVII off XXVIII jaeren rustelyck ind vredelick gebruickt ind beseten hebben. Dese ongeboirlickheit die vurseide stathelder verstainde, heifft u bevoelen ind trefflicken geschreven sulcken gewalt to schutten ind vurseide convent te beschermen, gelijck sijne brieve dair vorder nit lange aff inhalden ind begrijpen.
Dessgelijcke die president ind raide onss geduchtiche heren gecommittiert then saicken sijnen landen van Gelre oick seer eernstlicken geschreven ind bij seeckeren groiten peynen bevaelen hebben, dat gij aintasten ind vangen soldt alle diegene die gij kust bevynden, die den pater ind convente dreichden, off mit kracht keerden, dat sij oir erve ind guet tgene sij om hoere penningen gecocht hebben niet betymmeren noch gebruicken en musten, en musten na vorder inhalt der selffder schrifften etc. Lieve geminde vrunde, soe wij dan verstain dat gij alle dese scharpe mandamenten ind schrifften met achtende lichtelicken overslait ind niet en duet tgene u van reden wegen behoirt betrachten wij inder wairheit dat gij ard mits dese ongehoirsaemheit, onrecht ind gewalt in groiten swaeren verderfflicken lasten komen suldt, dess wij seer goene verhuedt seghen.
Want wij dan ther kennissen van desen als goeveneur ind drosst van Veluwen versocht ind hevich aingeroepen, sijn sulck grove oeveldait gewalt ind onrecht te stugeren ind to berichten, gheven wij u dit doch gelick te kennen. Nyettemyn bevelende ind gebiedende u van wegen onss genedigen onfriensten heren, dat gij den vurseide pater ind convente oir gecochte erve ind guet rustelick, vredelick lait betymmeren. Ind oir lant tgene sij alsoe lange jaeren gebruickt, ind beseten hebben oick voirtan ongehindert van yemande gebruicken lait ind hemluden beschermt von gewalt, gelijck u hijr bevoerene vanden stathelder ind rait geschreven ind eernstlicken bevaelen yss. Geschreven dess alsoe met soe sall tot uwe groiten lasten dairynne versien wurden, oick alsoe trefflicken dat wij dess seer ongerne seghen onss onbedeckt mit desen beiden overschrijvende wess uwe meynongen yss ind gij van willen sijdt te doin, dair sich na to richten bewijsende u hyrynne als manierlicken bij soe hoige gij onssen gnedigsten ontsientsten heren duchtende sijdt lieve geminde vrunde onsse heren Got sy mit u.
Geschreven tot Arnhem onder onsser secreet op Sunte Martynsdach anno etc. LXXVI°.

Johan jonge here tot Egmont goeveneur voor Arnhem ind van Veluwen.

Dorsaal:
Straffing wairom sij den pater und tconvent ut laten overvalle und hare guederen onbruicken maicken. 1476.
Dem ersamen wijsen voursichtigen scholt, burgemeister, schepen ind rait der stat vander Elborch, onsse bisonder guede vrunde.


Inventarisnummer 62a
9 Augustus 1476

Philips van Croy, stadhouder-generaal en raden van de hertog van Bourgondie, beveelt scholt, burgemeesters, schepenen en raad der stad Elburg, het convent te beschermen tegen geweldadigheden van Gerit van Spoelde en diens broeders Brant en Steven Vinck.

Philypps van Croy, greve van Chimay ind van Lyomoigen stathelder, grave ind anders die raide mijns generael heren shertoge van Bourgondien gestelt ten saicken sijnre lande van Gelre. Lieve gemynde vrunde, wij hebben verstaen dat woe waell dye pater ind convent bynnen Elborch aver XXVII off XXVIII jaeren sommige erve ind guet onder u gelegen gebruyckt hebben rustlich ind vredelic sonder dat hyrop ymant dair hinder noch crot inne gedain hefft, nochtans dese nyettegenstaende, so Geret kortz leden geleefft Gerit van Spoelde myt sijner bruederen Brant ind Steven Vinck myt oeren hulperen den voirseide convent dair crot inde huiden inne to doin, ind sijn gekomen, ind hebben oer have ind beesten van oeren besloten lande gejaghet eynwerff anderwerff derdewerff sonder ennigen rechtvorderingen, off manieren van rechtin dat onss van u seer vremdt hefft sulcx laet geschien, angesien dattet selve convent onder u geseten is schat schilling ind dienst myt u duet. Oick angesien dat ghij dair gestalt synt van wegen onss genedigen heren om eynen ygelicken recht ind insticie to doin, ind voir ondade ind gewalt to beschermen, ind nyet gehengen dat sulcx geschieden. Ende want onss dan sulcx nyet en behaecht, ontbieden u ind bevelen dat ghij sulck gewalt aff stelt ind dat voirseide convent beschudt ind beschermpt, dat sulck gewalt nyet meer en geschie. Ind aff dair yet gedaen is dat ghij terstont wederom stelt inder yrsten staet ind die voirtan halt in oeren rustlich ind vredelic besit, ind wil Gerit van Spoeldt myt sijnen bruederen Brant ind Steven Vynck off ymant anders den voirseide convent yet heyssthen dat sij myt recht spreecken voir u off ander dair hem dat gelegen sall weesen, men sall hem guet recht doen ind alsulcken breucken onsen genedigen heren dairinne vervallen sijn dye so to vorderinghe dat onss genedigen heren hoocheyt ind heerlicheyt dairinne bewairt sij, ind u hyrinne so bewijsten dat wij gheen clachten dair meer aff en hoeren ind onss gheen noydt en sij dair anders inne to versyen.
Lieve gemijnde frunde onse heren Got sij myt u.
Geschreven tArnhem den 9en dach van augusto anno LXXVI.


Inventarisnummer 88
10 November 1505

De raden van de koning van Castilien voor het land van Gelre, bevelen burgemeesters, schepenen en raad van Elburg, te zorgen dat het begijnenklooster aldaar niet door de in de stad liggende knechten lastig gevallen worden.

Omdat er een aanval beraamd wordt door IJsselstein en de Cleeffschen, beveelt hertog Karel door zijn hele ambt de klok te laten luiden. Een paar maanden later komt Palyck van Scherpenzeell met zijn knechten Elburg bewaken. Karel beveelt de stad goed te bewaken, daar de vijand van Utrecht een aanslag beraamd.

Ersame guede frunde, wij verstain woe dat begijnencloister bynnen der Elborch vanden knechten aldair liggende avervallen ind belesticht werden, begeven darvonne guetlicken van u gesynnende dat gij soevoile u des moigelick sijn sall dairan sijn, ind verfuegen dat vurgenoemde convent vanden knechten aldair liggende niet ainvallen noch besweert ind verschoint werden nae uwe machten des getrouwen, ind verlaiten wij ons uitlicken.
Gescreven tArnhem op Sent Martijnsavont anno Domini etc. quinto.

Dorsaal:
Rade ind vrunde den koning van Castilien vanden lande van Gelre in affwesen des stathelders.
TArnhem wesende.


Inventarisnummer 135a
25 September 1555

Een bagine in het clooster beslapen ende mit kinde salmen int clooster bestellen, ende personen na gebeur straffen.

Den erbaren ersamen und voirsichtigen onser gueden vrunden, scholtes, burgermeisteren, schepenen und raedt der stadt Elborch.
Jehan tho Water exces und Jehans Grevens schelung.

Eerbare ersame und voirsichtige guede vrunde.
Alzoe wij alhyer verstaen hebben, woe binnen jaers geschiet sye, dat Johan ten Water een burgerszoen aldaer, desswellicken vaeder ende moeder noch in leven zijnde, een geprofesside beghinne bekandt und aen die selve binnen tcloester ter Elborch een kijndt verweckt, und folgens mit haer nae Utrecht gegaen is, twellick ongetwyffelt een zaecke is van seer quaden exempel, und nyet en staet ongecorrigeert to blijven. Is demnae in statt Keyserlicke Majesteits onsers allergenadigen heren ons gesynnen, dat ghij und uwe ersame beyde die vurseide persoenen (woe die to bekhommen zyn) anhalden, und die beghyne wederomme in oere cloister brengen laten om aldaer gebeurtlicken starff haer opgelacht to worden. Und dat die vurseide Johan ten Water to rechte gestelt und oick nae zijn misdaet anderen tot exemple gestrafft worde.

Anderwyls zoe wij gelyckfals verstaen, dat aldaer drie broeders oick burgers kynderen zyn die wellicke andere tweffelicke burgeren gescholden hebben. Ende zoe dan daer uuyt meerder tweedracht in die stadt rysen mochte, twelk men gheerne verhuedt saeghe, und mit allen vliet to keeren geneight, is oick van wegen hoichst gedachter Keyzerlicke Majesteits ons gesynnen dat ghy und u ersame ons opt vordelicxst alle die gelegenheyt und oirsuecken sullicker scheldinge und folgens eyntlicken een volcommen bericht wat van zullicker saecken zye overschrijven. Om van wegen Zyner Majesteits daerinne verschen oder geordonneert to worden als nae bevynde behoiren zall u und u ersame den almechtigen bevelende, geschreven tot Arnhem den 25en septembris XVc vyff ende vyfftich.

Cantzler und raeden des Keysers in Gelderlandt verordent.
T. Roos.


Inventarisnummer 144a
18 Mei 1564

Alijt Janss is uit het klooster gegaan om bij haar moeder te gaan wonen.

Erbaer ersamen und voirsichige bysondere guede vrunden. Wes uns yets instatt der Coninklijke Majesteits to Hispannien etc. unset alergenadigsten heeren durch pater mater procuratricx ende gemeyne conventualen des convents van Sinte Agnieten aldaer to kennen gegeven wordet, hebt ghij ende uwe ersamen uuyt hierinne besloten supplicatie to spueren und to vernhemen, und diewyle sullicx und dat men die angetogen suster Alijdt Janss oire clooster verlaten ende wertlick habit aengenomen hebbende, aldaer contrarie ende nyettegenstaende zeker mandament alhier van wegen zyner Majesteits uuytgegeven twellick, als wij verstaen u ende uwen ersamen to mehermaelen getoent geweest und noch gethoent worde sall, suslange geleden is, ons nyet weinich befrempt ende wondernheempt. Demnae is und derselver Coninklijke Majesteits wege onse gesynnen, dat ghy ende uwe ersamen aenstondt dieselve suster Alijdt aentasten apprehenderen und folgentz wederomme in oiren convente brengen laeten. Und off villicht is selve bij u ende uwe ersamen ondientlick und dat nyet mit were zij daer weder to stellen bevonden worde, dat indyen gevalle ghij ende uwe ersamen haer straffen nae behoir, und evenwael bevehelend uuyt die stadt vander Elborch und uuyt die vryheit der selver to vertrecken sonder dat sy daer langer bij u ende uwe ersamen gestadet oder geleden worde. Und van ghoene bij u ende uwe ersamenn hierinne gadaen sall wesen gesynnen wy mitten allereersten een wederbeschreven antwoorde van u ende selve uwe ersamen die wij hiermit den almachtigen bevehelen. Geschreven to Arnhem den 18en may XVc LXIIII.

Cantzler und raeden des connincks in Gelderlandt verordent.
T. Roos.


Inventarisnummer 144b
18 Mei 1564

Baginen gingen uut het clooster, Alijdt Janss sal men daerover aensprecken ende berichten. Anno 1564.

Den erbaren ersamen und voirsichtigen scholtis, burgermeisteren, schepenen und raedt der stadt vander Elborch, onsen bisunderen gueden vrunden sampt und bisunder.
conventz supplicatie […]

Den wijsen strengen edelen erentfesten hoich ende walgelerden wijsen ende voirsinnigen heren; cantzler und raeden onses allergenedichsten heeren des connincks in Gelderlandt.

Thoonen und geven uwen strengen wijsen erentfesten ende frome, lieven opt demuedichst te kennen, wij pater, mater, procuratrix inde gemeyne conventualen des convents van Sunte Agneten binnen der stadt van der Elborch, hoe dat nyettegenstaende id mandement hyer angehecht (twellich tho mehermalen den ghoenen diet behoirde geinsinueert gewest) id noch gelust und gelieft heeft eenige zusteren bij ons geprofessijt onbehoirlicker wijss (oire vota ende professie vilipenderende ende nyet achtende) oire habijt ende convent te verlaten, und dat arger is (sunderlinge eene mit name suster Alijt Janss binnen die stadt van Elborch recht tegenover id convent, in onsen oogen und (als men achtet) ons tho spijte) bij oere moeder in wertlicken habite te entholden ende woonen (sunder dat sij suster Alijdt daeromme tho mehermaell bij ons ende van onsen wegen gebeeden ende versocht zijnde) sich yewerlt hebbe bedencken und wederomme bij ons khomen off immer uuyt der stadt und uuyt onsen oogen vertrecken willen, twellick nyet alleenlick tendeert tot groote nadeyll und schande, maer oick tot ergernisse eeniger anderer onser conventualinnen, die welcke moegelick woe hyer inne nyet versehen wordde van gelijcken tho onderstaen, und voirtonemen dencken muchten.
Ende soe dan mogelick mede eyn oirsaicke deses gebrecks wesen mach, dat dit vurseide mandement te zeer generael is, und derhalven die scholtis, burgermeisteren und raedt der stadt van der Elborch sich die execution nyet willen ondernemen, ende daerinne die voirseide geapestateerde suster Alijt Janss aldaer alsoe blijft zitten, onaengefangen und ongestraft, bidden wij nochmaels id willen uwe strengen weeerdige, erentfeste ende frome etc. alsoe aen vurseide scholtis, burgemeisteren, schepen ende raedt van Elborch te verbueren ende oiren lieve ende trouwe van wegen hoichstgederchter Majesteyts bevehelen dat daer een insehenn opgenomen ende dickgeruirte suster Alijt Janss angefangen, gestraft off immers ten weynichsten uuyt onsen oogen verdreven worden moegen, off dat dieselve uwe strengen weledelen, ersamen ende frome lieve, sullicke andere maniere van provisie tot eere ende walfaert der religion voir to nemen believe als bij derselver gueden raede naegelegentheyt der saecken ende gestaltenisse deses geferlicken tijts bevonden sall worden te behoiren.
Dit doende etc.


Inventarisnummer 146a
28 Augustus 1566

Streng placcaet tegen het kerckenbreecken end beeldenstormen. Anno 1566.

Den ersamen und voirsichtighen onsen lieven bijsonderen burgermeisteren, schepenen und raedt der stadt Elborch.

Kaerl van Brimeu grave tho Megen, friheer tho Humbercoyrt, heer tho Honsdanigh ende Esperlecq etc, ritter vanden oirden des gulden vlies, und Coninklijke Majesteits der furstendombs Gelre und graeffschap Zutphen, statholder ende capitein generael.

Ersame und voirsichtige lieve bijsundere, wij schicken uwen ersame hierinne verwaert copie eynes edicts und verbots provisionaels bij Coninklijke Majesteit tho Hispanje etc. onses allergenadigsten heeren doen verfatten und expedieren om dese beroirten mitsgaders die bederffnisse beroovinghe ende plunderinghe vanden kercken, cloesteren und goidtshuysen to beletten, und behinderen. End is van hoichstberumpter Coninklijke Majesteits wegen onse gantz ernst gesijnne, dat u ersame tselve edict und verbot aenstondt binnen die stadt Elborch to allen plaetzen daermen gewointlick is publicatien te doen, publiceren und verkundigen doen. Procederende ende doende procederen mit allen middelen tot observatie und onderhoudenisse des inhalts van dyen tegen den overtredens bij executie vanden peine daer toe gestelt, sonder eenige gratie, gunste, dissimilatie off verdrach. Und dat u ersame hierinne nyet gebreckelick zijn sullen, willen van hoichstbemelter Coninklijke Majesteits wegen wij ons alsoe totten selven versihen die den almechtighe bevehelende.

Gegeven tho Arnhem den 28en augusti XVc LXIII.
Charles de Brimue.


Inventarisnummer 146b
25 Augustus 1566

Copie.
Bij den Coninck.

Onsen lieven ende getrouwen die stadtholder […] ende luyden van onsen raede in Ghelrelant […] alzoe eenighe oproerige ende seditiense menschen […] ende sectarisen met grooten stouticheit ende verwaentheyt […] verfordert hebben voele ende verscheyden kercken, cloosteren ende goidtshuysen in onsen landen van herwerts sovere midtsgaders die boecken aldaer zijnde to verbrennen, bederven, berooven und plunderen ende dat arger is, het hoichweerdich heylich sacrament des aeltaers zeer onweerdichlicken tho handelen ende tracteren, oick die beelden und representatien vanden heyligen cruyce Sancten Sanctumen ende andere gewijde ende gesacreerde dingen af to brecken, schueren ende vernielen, tot groote versmadenisse ende offensie van onsen heere Godt, ende oick tot geheele confusie ende gnaedige bederfnisse vanden gemeynen staet van herwerts overe zoe verre daerinne bij alle gevuechlicke middelen ten tijdts nyet versien en worde.

Soe eest dat wij tzelfde aengemerct ende begerende daerinne promptelicken remedie provisionael tho stellen, hebben mit rijpe deliberatie van raede und bij advyse van onse zeer ciene ende zeer beminde zustere die hertoghinne van Parma und plaisance voir ons regente ende gouvernante in onsen voirseide landen van herwerts overe ende van onsen zeer lieven ende getrouwen ridders van onsen ordenen ende luyden van onsen Raeden van State ende secrete neffens haer wesende verboden ende interdiceert, verbieden ende interdiceren wel ernstelick allen ende eenen yegelicken int bezundere eenige kercken, cloosteren, offt andere goidshuysen in onsen voirseide landen van herwerts overe tho beroven, plunderen, pilleren, bederven oft verbranden, directelick oft indirectlick oft daer toe eenige hulpe oft bijstandt tho doen bij hem zelven oft bij andere met hueren weten, oft ydt van daer tho draeghen oft nemen op pene vanden galge ende van confiscatie van goede, daer confiscatie stadt grijpt, verclarende zulcke luyden voor kerckschenders oft roovers openbare dieven, vianden van Godt, van ons ende vanden lande de welcke wij ende yegelick toelaeten, doot to slaen, nyet alleenlicken, vryelicken ende zonder punitie, maer oick mit loff prijs ende eeren gelijcken, doer ende useert tegens den gemeynen vianden vanden landen ende openbaer grassateurs.

Voorts meer ordonneeren ende statueren wij bij desen, dat alle ende eenen yegelick van wat conditie oft qualiteit die wesen moghen, nyet alleenlick officiers ende wethouders, maer oick edelmans, poirters, burgers und ingesetenen mitsgaders, alle andere particuliere personen, die vanden voirseide cracht, ghewelt, ende overlast zullen weten tho spreecken oft die zelve zullen zien doen ende committeren, ghehouden zullen worden terstont ter hulpen ende were te lopen ende mit alle huer macht beletten die plunderingen ende pillerien vanden voirseide kercken, cloosteren ende godshuysenop arbitrale pene tegens den officiers ende wethouders. Zoe wel int generael als int particulier, welcke pene insgelijcx stadt grijpen zal tegens alle dandere die daerbij ende tegenwoirdicg zijn, ende geen debuoir doen en zullen, om de voirseide cracht, gewelt und overlast tho beletten ende verhoeden. Oick op pene voir ende aengaende den steden, aldaer de wethouders hen hierinne nyet quyten en zullen, ende tlichaem oft die gemeente vandien daerinne gheconsenteert van hun previlegien te verkiesen ende verbueren, willende dat van gelijcken gedaen ende geobserveert worde.

Indien men particuliere persoonen oick eenige overlast oft geweltdade, daerenboven om twelck alomme zoe oproerich wesende huere wapenen af te doen leggen, zoe verbieden ende interdiceren wij insgelijcx allen persoonen hoedanich die wesen moghen in eenighen vergaderinghen met eenighe invasible wapenen te commen, oft die zelve te draegen, tsij binnen ofte buyten den steden, dan alleenen die ghoene die die zelve bij publique authoriteit wesende officiers oft oirlochsvolck ende ter zacken van huere officien moeten draeghen, op pene daervan gestraft ende gepuniert tho worden, als wederspennighen rebelle uproerich, seditienx ende perturbateurs vanden ghemene ruste, tzij metter door oft mit andere extraordinarissen penen naeden eysch gheleghentheyt ende circumstantie vanden saken twelck wij bijden authoriteyt vanden gouveneurs vor[…], den last, die wij hen deshalven gegeven hebben[…] vanden officiers, wethouders, capiteynen, ooirlochsvolck, alle mogelicken middelen willen […] volcomen ende rigoreuselick geexercuteert tho worden […] van tzelve ingevalle van negligentie op hen th[…] ende ten eynde dat van onse teghenwoirdich ver[…] ende ordonnantie nyemandt tguorantie en zoude mogen preten[…] ontbieden und bevelen wij u wel scherpelicken dat ghij zelve terstondt ende zonder vertreck doet kundighen uutroep ende publiceren binnen der steden, ende welcken van onsen furstendombs Gelre ende graefschap Zutpen, daert van noode wesen zal, ende men gewoonlijck is uutroepinghen ende publicatien te doen. Ende tot onderhoudenisse und observatie van dieren procedee ende doet procederen teghen den oivertreders ende ongehoirsamet executie vanden penen boven verclaert zonder eenighe gratie, gunsten, dissimulatie oft verdrach des te doen mit diesser aencleeft gheven wij u midtsgaders den vurseide officiers ende wethouders volcommen macht, authoriteyt ende zunderlick bevel. Ontbieden ende bevelen voorts eenen yegelicken dat zij ende hen zulcx doende ernstelick verstaen ende obedieren, want ons alzoe gelieft.
Gegeven in onsser stadt vant Bruyssele onder onsen contrezegel hierup gedruct, in placcate den 25en dach van augusto XVc zessentzestich.
Onder stondt geschreven; bij den coninck in zijnen raede.

Onderteykent Donerloepe.

Gecollationeert tegens zijn rechte originael ende accordeert bij mij, T. Roos.


Inventarisnummer 146c
4 februari 1566

Anna tho Boecop is onterfd, omdat ze uit het klooster is getrokken, om samen gaan wonen met een priester.

Den erbare ersamen ende voersichtigen onsen lieven bisunderen scholtis, burgermeisteren, schepenen ende raedt der stadt vander Elborch.

Kaerl van Brimeu, grave tho Megen, friheer tho Humbercourt, heer tho Honsdanigh, ende Esperleg, ritter vande oirde des gulden vlies ende Coninklijke Majesteits der furstendombs Gelre ende graeffschaps Zutphen, stadtholder ende capiteyn generaell.

Erbaer ersame ende voersichtige lieve beisundere, wij worden tegenwoerdelick durch jonffrouwe Geze, weduwe zalige meisters Arents tho Boeckop voer oer selffs ende mede uuytten naem van oiren kinderen bijden selven meister Arent geprocreert, aengesocht ende gebeden, also ghij ende uwe ersame hierinne verwaert tho vernemen, und gesien bij ons id extract uuyten signale der stadt vander Elborch, daer bij dat angetogen Anna to Boeckop mede eene der dochteren bovengenoempter meisters Arents ende jonffrouwe Gesen, inden convente van Sinte Agnieten aldaer binnen der Elborch geprofessijt zijnde van allen oiren vaderlicken ende moederlicke goederen noch weerlick zijnde affgestaen ende vertegen.Gesien oick een extrack uuyt een maechgescheit bijden voirnoempte meister Arent opgericht daerbij hij ad maiorum cantelam, dieselve Anna sijn dochtere (om angetogen oirsaicken) exheredeert oder onterfft heefft, und gemerckt dat die selve Anna in sullicker gestalt als zijnde niet gequalificeert is om to ageren ende gheen personen heefft standt in inditio.

Demnae is van wegen der Coninklijke Majesteits tho Hispanien etc. onses allergenadichsten heeren onse gantz ernst gesinnen, dat (indien sij villicht aldaer queme om die successie oires zaliger vaders meister Arents voerscheit to forderen, ende dat sij tegen bovengenoempten supplianten oire moeder, broeder ende susters mit recht aenheffen woll, u ersame haer niet in rechte aennemen noch ontfangen, noch oick gestaden, dat sij denselven supplianten off eenigen van hun mueyelick alle off tot hun tegen ende buyten oiren wille off danck, inkome maer in aenmerckongh dat sij oire convent ende habijt verlaten oire professie geuwleert ende soe leelick ende onlijdelick mit eenen priester sich misdragen, dat ghij ende uwe ersame allen vliet aenkeeren, indien sij daer kompt off daer tho betreden is, sij aen to tasten und wanneer ghij ende u ersame haer aengetast sullen hebben, hier wederomme in haer convent te brengen, ten eynde dat sij daer aengehalden woerde, ende blijven, alst behoert. Und ingevalle die pater, matersse ende conventualen haer villicht (als nogtans to verhope ist) niet weder aennemen wollen, dat ghij ende u ersame haer evenwael aenhalden ende wael bewaeren laetten, ter tijt toe ende soe langhe, dat u ersame ons off onses affwesens den heeren cantzler ende raeden alhier sullicx verstendicht sullen hebben, om dan u ende uwes ersame tho verstendigen, wat sij oirenthalven wijders sullen hebben to doen. Und hierinne niet naelatich to zijn, dan desen allenthalven naeleven to sullen willen van hoichstberumpter Coninklijke Majesteits wegen wij ons verschen tot u ende uwen ersame, ditselve den almechtigen heeren bevelende.
Gegeven tho Arnhem den vierden dach februarij XVc LXVI.
[…].


Inventarisnummer 148a
15 Juni 1568

De eersamen wijsen ende zeer discrete heren burghemeestere ende scepen der stede vanden Elborch ons ghenediste frunden.

Na allen behoerlick recommandacien an u lieve ghescreven
eersame wijsen ende zeer discreten heren burghemeesteren ende scepen ic kan u lieve nicht onthalden, als nadenmaels u lieve tertijden als wij tot Harderwijc waren ons versocht te willen commen tot der Elborch on onsen dienst totter consecracien vanden altaren ende kercken te volbrenghen, nader ordonnancie der heyligher kercke ghelijc oer mede doer ordonnancie des Koninklijke Majesteit bevolen is, ende wij dien tijt en nicht ghecommen mochten, wal wij in ander sake belet waren. Also nu wal wij nu een bequaem tijt hebben bevonden, om u lieve goedlicke begheerte te voldoen, so sal ic op heylich sacraments avont mijn bij u lieve laten vijnden, begherenden u lieve ons willen ordonnieren ende bequaem plaets om te logeren, dat doende sellen u lieve ons frunscap doen, anders ende weet ic u lieve nicht te scrijven, dan ic ghebeeden ende frundelicke tot u lieve uuyt vorecht mitter haest ende 15 juni anno XVc LXVIII.

U Lieve, ghenstigen frunden. Johan Knyff, biscop tot Grueningen


Inventarisnummer 148b
22 April 1568

Bischop Knuyff van Deventer beloefft binnen Elborch te koemen, anno 1568.

Den eersamen wijsen ende voersinnighen heer pastor vander Elborch ons goeden vrund tot Elborch.

Nae alle behoirlicke recommandatie an edele heeren gheschreven andee eersaeme haer pastoer vander Elborch. Ick en kan u lieve niet verberghen als dat ick voer mijn ghenoemen hadt, ghelijck als ick versocht wat van eenen van u heeren dat ick in octavis pasche ter Elborch soude hebben ghecoemen, dan nu overmits mij te vooren sijn ghecoemen notelijcke saken. Alsoe dat ick van Utrecht mijn niet en mach absenteren. Soe sal ick dese sake vertrecken tot dattet alder ghelegenste sal wesen, daer ick lieve heeren sal af doen adverteren. Ick begherer dat u lieve tselfde den eersaemen raet wilt gheven te kennen, an wye ick mijn selve seer ghedienstelicken recommanderen, hier mede blyeff god bevelen die u lieve langhe spaere ghesondt.
Uuyt Utrecht metter haest den 22 aprilis 1568.

U lieve frundt Johan Knyff, bischop van Grueningen.


Inventarisnummer 148c
2 Oktober 1568

Ontfangen am 13en octobris anno ut in klereis des avonts omtrent vier uhren wert terstont den pastoer vander parochi kercke und dem patter is Agneten convents voirgelese.

Den ersamen und voirsichtighen onsen lieven bisonderen burgermeisteren, schepenen und raedt der stadt Elburch.

Kairl van Brimeu, grave tho Megen, friher tho Humbercourt, heer tho Danigh und Esperlesrg etc. ritter vanden oirden des gulden vlies und Coninklijke Majesteits statholder, und capiteyn generael over Gelderland, Zutphen, oick Vrieslandt Overijssel Groninghen und Lynghen etc.

Ersame und voirsichtige lieve besundere alsoe word van wegen der Coninklijke Majesteits tho Hispanien etc. unses allergenadighsten durch den durchluchtigen hoichgeboren furst, und her den hertoge tho Alva lieutenant gouveneur ende capiteyn generael etc. uns geschreven yetz hoichst berumpter Coninklijke Majesteits zoene unse genedichste heeren Carolus hoichlofflicker memorie opten 24e dach july laest vergangen, deser wereldt overleden und in Godt verstorven is, hebben drye daegen daerbevoiren mit grooter devotie sijne heylighe sacramenten onfanghen und sullicken christelicken uuytganck gehadt, oick zijnen mit sullicken berouw und contritie vuerleden, dat id zelve hoichstgedachte Coninklijke Majesteit in dem donck rouw und droefheyt, daerinne sijne Majesteit (overmits desselvigen zijner Majesteits zoons doot, gevallen und daermit sijne Majesteit sich was bevindende) to grooten trooste und consolutie gereyckt und geweest sye, twellick diezelve zijne Majesteit bevolen in allen desen zijner Majesteits erffnederlanden to kennen te geven und voirts begenckenissen uuytfaerden ende andere demonstranten van rouwe und druck doen. Demnae is overmits sullicker und voirts durch uuytendruckelicken schriftelicken bevehelen hoichgedurchtes hern herteugen tho Alva etc. onse gesynnen dat ghij den gheestelickheyt ende religieusen persoonen der stadt Elburch vermanen und bevehelen Godt den haere to bidden voir die zalicheit des zyelen hoichstgeduchtes hern princen mitszuders om voirspoet ende directie vanden saecken zijner Coninklijke Majesteits to zijnen goetlicken dienst, und voirts inder moeder und parochie kercke to der selver stadt koste mitsgaders inden cloosteren ende goidshuysen, oick tot koste derzelver cloosteren ende goidtshuysen zullicke und dergelic diensten beganckenissen und uuytvaerden to doen, doen und celebreren als sullicx over gelijcken prince behoirt, und dat ghij hierinne guyten und die voirseide geestelickhen sich choenten doen, als zij te raede vunden sullen, und huy guedt duncken zall. Und dat ter eerster gelegentheyt ende soe haest alst muegelick zijn sall, biddende (woe boven gesacht) Godt den Heer voir die ziele hoichgemeltes hern prince und dat bij zijne Godtlicke genade onses alletz hern den connincks saecken beweget ende gedirigeert worden tot waelfaert onste und vrede van alle zijner Majesteits staten coninkleycke landen und onderstaten. Daer aen geschiet zijne Majesteit aengenaeme dyenst, und wij versehen van derzelver wegen ons alzoe tot u die dem almechtighen heren bevehelende.
Gegeven tho Arnhem den tweeden dach octobris XVc LXIII.

T. Roos.


Inventarisnummer 148d
17 Oktober 1568

Last der gerichter tegen de gereformeerde. 1568.

Wij N.N. burgemeisteren der stadt vander Elborch verclaeren und certificeren mits desen opten eedt in tstuck onser offitie gedaen, uuytgeroepen ende gepubliceert hebben nair schepenclockluyde van onsen stadthuys aff in gewoentlyicker maniere die commissie ende bevel der commissaryussen Johans Wrd, raede ende mombar Coninklijke Majesteits onsers allergenedigsten heeren in desen fortendom Gelre ende graefschap Zutpen, ende Henrick die Ghoer scholtis der voirseide stadt vander Elborch overgelevert in dato den 17 idtz loependes maents octobris anno XVc LXVIII. Ende voirts geciteert ende verdachvaert die personen hiernae beschreven, als namentlicken Lambert Franckenzoen, Franck Henricxss, Henrick van Holt zecretaris, Johan Thijssen weert Jacob Arntss halffpaep een weert zijnde, Henrick Kistemaecker, Herman Brinck, Herman Dismers, Johan van Putten, Henrick ten Wolde, Jonas Feyt, Rijck Reeffs, Aelbert Dieppe, Herman Scherpinck, Henrick Scerpinck, Aelt Raymaecker, Henrick die moeler, Helmich Steltman, Jacob Janss stadtdiener, Gerrit Piecker, Wilhelm Dirricxss kinnegilde, Johan Ffeijt, Henrick Reeffs die jongen, Johan toe Water, ende Chunan Lakey naar uuytwijsinge ende conformiteyt der selver commissie oder bevel. Ende voirts bevoelen onsen geswoeren ende gewoentlijcken stadtdiener der voirseide commissie bevel ende verdachvaerdinge te denuncieren ende vercondigen ten laesten woenstadt binnen Elburch van die personen. Inde voirseide commissie ende bevel genomineert, ende voerts die selve commissie ende dachvaerdinge schriftlick to affigeeren ende op te slaen ande doore vanden laesten woenstadt van die persoenen, mitsgaders anden portale vanden principaele kercke ende stadthuys voirseit. Des toirconde hebben wij dit onsen zecretaris doen onderteyckenen.

Instuctie voir den gerichtsboode ofte stadtdienair, omme te maecken zijne relatie.
Ick U geswoeren stadtdienaer oft gerichtsboode der stadt Elburch, verclaere ende certificere mits desen onder den eedt in tstuck mijner offitie gedaen, die schriftelicke commissien, bevelen ofte verdachvaerdingen mij bijden burgemeisteren deser stadt Elborch endeende gelevert, vercondicht thebben in jegenwoerdicheit der naebueren opten U. dach octobris XVc LXVIII ten laesten woenstede binnen Elborch van U.E.U. ende die selve schriftlijcke bevelen ende verdachvaerdinge opgeslagen ande doore van zijnen laesten woenstede voirseit, mitsgaders anden portalen vanden principaele kercke ende deser stadthuys. Oirconde mijnen hanteycken hieronder gestelt opten U. dach ende anno XVc LXIII.

Nota voir memorie van burgemeisteren, schepen ende raedt der stadt Elburch.
Jeerstlich als die bevelsschriften der commissaryssen, belangende die daginge ende verdachvaerdinge der persoenen inde selve bevelschriften genoemt, gepubliceert ende affgeroepen zijn, sallen burgemeisteren, schepen ende raedt ten selven tijde ende aenstondt uuytgeroepen ende seggen tghuudt nair volcht, als te weten:
Burgemeisteren, schepen ende raedt der stadt Elborch citeren ende verdachvaerden mits desen alle die personen ende ieder van hun in dese uuytgelesene ende gepubliceerde commissie, genoemt naer uuytwijsen, vermoegen, forme ende tevoir der voirseide bevelschriften, te erschijnen voer zijne esxellentie ofte der selver gecommitteerde, opten 26en dach novembris desses loependes jaers XVc LXVIII.

Ende tselve gedaen zijnde, sullen vande voirseide bevelschriften der commissaryssen, copie auctentijcke laetten maecken, ende onderschriven aldus.
Dese publicatie ende verdachvaerdinge, is naer collatie van dese copie auctentijcke gedaen bij burgemeisteren, schepen ende raedt der stadt Elburch, opten 21en dach octobris anno XVc LXIII naer schepenclockluydinge voir stadthuys aff. Oirconde thanteycken van mij U. zecretaris der zelver stadt.

Ende zullen alsdan voerts die voirseide copie auctentijcke van die bevelschriften der commissaryssen mit hoerlieder certificatie hier boven int naeste angetogene verhaelt, dairbij gevuecht, doen affigeren ende opslaen ande dooren van iedere geciteerde persoen, mitsgaders an die doore der portaele vanden kercke ende stadthuys, uuyt wijsens der voirseide bevelschrifft.


Inventarisnummer 148e
1568

Beeltstormers guet wordt nagetracht.

Mijn heeren burgemeisters, schepenen ende raet, soe men bereidt dat die guederen der kerckenschenders versteken ende verbracht worden es van wegen Coninklijke Majesteits unsses allergenadigen heeren het gesynnen uwer ersame alle die burgeren upden raethuyse beschrijfen ende hemluyden ende elcx van hun beveell gheen guederen die uuytter kerckenschenders huyseren verbracht bij sich tho holden oft te verbergen dan tot contrarie die selve tusschen dit ende te een uren […]middaech te voerschijn brenghen om geinventareseert te worden cop pene soe verre sij sulcx nyet en doen ende sulcke guederen bij hem bevonden worden dat sij alle oere guederen daermede verbuert sullen hebben ende geacht worden als die schuldige.

Bij mij priester van sijne pretors leengriffier ende commissaris deser saecken.


Inventarisnummer 149a
219 April 1569

Den ersamen, wijsen ende voirsichtigen schultez, burgermeijstern, schepenen ende raeth der stadt Elburch, unsen gusunders gunstiger guider vrunde.

Ersame, wijse ende voirsichtige insunders gunstige guide vrunde, wij worden berichtet als dat een vrouw persoen, mit naemen Mense Boldtwijns onlancx uth u lieve stadt Elburch, omdat sie hoer kijnndt nae utsettinge der hilliger karcken ende older catholycker religion nijet hefft willen laten kerstenen, gebannen oft erlijcker anderen diergelijcken quaeden sacken halven geweken solde sijn, begeren demnae vruntlick u ersame willen der justitie toe guede onbesweert sijn ons bij brenger van desen schriftelicken ende opt spoedichste to verstendigen, oft sulcke uythbanninge oft uthwijkinge der voorseide Mense geschiet zij oft nyet, mitz overschrevende, vurseit wat oirsaken sulcx geschiet solde moegen wesen.
Dairan sullen u ersame wel doen, ende wij sijnnen geneycht tselve steetz in gelijkene toe verschulden kenne Godt die u ersame lange gefristen moeth.
Datum Campen den 29en aprilis anno etc. negen ende tzestich.

Burgermeysteren, schepenen ende raeth der stadt Campen.


Inventarisnummer 149b
27 September 1569

Den ersaemen wijsen ende voirsichtigen burgermeistern, schepenen ende raeth der stadt Elburch, unsen insunders gunstigen guiden vrunde.

Eersaeme wijse voirsichtige insonders gunstige guide vrunde, wij konnen u eersame nyet verholden, welker gestalt wij vergangen daegen alhier hebben doen apprehenderen ende in hachten stellen, eenen die in u eersame stadt dootgraver gewest solde sijn, mit naemen Willem Dirckssoen kynniegilde, die welcke bij ons alhier gediffaineert is, als solde hij der kercken ende beeltstorminge (vergangen jaeren in u eersame stadt geboert) mede plichtich sijn, ende die stucken der beelden nae huys gedraegen, oyck eenige insolencie inder kercken int kerstenen eens kijndes angerichtet hebben. Is damnae onse vruntlick begeren u eersame willen der justitie toe guede nae die gelegentheyt der voerverhaelden saecken, ende oft sulcx bij hem geschiet sij, ende voorts nae ander feyten die bij den selven Willem Dirckssoen in u eersame stadt oft elders begetugen mochten sijn. Eygentlicken ende behoorlicken toe vernomen ende ondersoecken, ende ons daervan bij brenger van desen schriftelicken verstendigen, mitz overschrivende woe hij sich bij u eersame geholden ende gedraegen hebben, darvor schulden wij in gelijken ende meerderen steetz geerne. Vorder gunstige vrunden, moegen wij u eersame nyet bergen, hoe dat u eersame kosters soene, wesende een kuyper syn hantwercks (soe wij berichtet sijn) onderstaet tot diversen tijden, sich alhier in onser stadt vrijheyt ende up Campervene to begeven, ende aldaer contrarie der mandamenten ende onser gedaener publication duyven te vangen, begeren demnae vruntlicken u eersame willen denselven cuyper alsoe onderichten, dat sulcx hen vorder naeblyven moegen, off ingevalle wij hem desfals betreden konden, sollen hem straffen nae behoeren, doende u eersame hiermit den heren bevolen datum den 27en septembris anno XVc LXIX.

Burgermeysteren, schepenen ende raeth der stadt Campen.


Inventarisnummer 149c
7 Oktober 1569

Den eersamen wysen ende voersichtigen burgermeisteren, schepenen ende raedt der stadt Elburch, onsen insonders gunstigen gueden vrunden.

Eersame wijse voersichtige insondere gunstige guede vrunde.
Alsoe wij am lasten u eersame bij onse schriften hebben angesocht dat u eersame der justitie ter guede ons solden willen bij onsen boden schriftlicken verstendigen: oft Willem Dirckssoen kinningilde onse gevangen, der kercken ende beeltstorminghe vergangen jairen in u eersame stadt geboert, medeplichtich sij ende eenige anderer feyten begangen hebbe. Wijders inholt derselver onser schriften. Daerop u eersame ons doemaels in antwoort geschreven, dat etlicke u eersame raedtsfrunde uthgereyst, die u eersame verhoopten den avent weder to huys te komen, ende dat u eersame ons alsdan van gemelten Wilhelm opt spoedelixte berichten wolden, twelck nochtans biss noch ter naegebleven is. Soe begeren wij overmaels, u eersame alnoch in faveur van justitie nae die gelegentheit der voerseide saken ader feyten bij den selven Wilhelm Dirckssoen in u eersame stadt oft elders begangen, willen vernemen, ende ons daervan mit eyck woe hy sich bij u eersame gedragen hebbe by brenger van desen opt spoedelixte schriftelicken verwittigen. Want bij gebrueck van dien, solden wij ons dus schier oft morgen in vall der noottruft mit u eersame moeten varantwoerden, dan u eersame alle vruntschap te bewijsen sinnen wij geneycht, kenne Godt almachtich die u eersame lange gefristen moet.
Datum den 7en octobris anno 1569.

Burgermeysteren, schepenen ende raedt der stadt Campen.


Inventarisnummer 149d
12 December 1569

Den eersamen wijsen ende voersichtighen burgermeisteren, schepenen ende raede der stadt Elburch onsen insonders gunstigen gueden vrunden.

Eersame wijse voirsichtige insonders gunstige guede vrunde.
Alsoe wij tot tweemael toe an u eersame schriftlick versocht hebben, u eersame der justitie toe guede ons verstendigen wolden, oft Wilhelm Dirckssoen kinningilde, der kercken ende beeltstorminge (in u eersame stadt geboert) medeplichtich sij, ende eenige andere feyten begangen hebbe, daerop u eersame ons (onser begeerte nae) ghien eyntlick bescheit hebben toegescreven. Hoewel (als wij nyet en twyfelen, dan eensdeels wel gespoert) u eersame van syne begangene feyten, soe inder kercken ende beeltstorminge als anders eetwes voergekomen sij, oft vernomen hebben. Soe begeren wij noch eens u eersame ons bij brenger van desen schriftelicken verstendigen willen, wes u eersame vanden feyten bij den selven Wilhelm Dirckssoen (soe inder beeltstorminge als anders begangen) bewust oft voirgekomen is, oft daervan gehoert moegen hebben. Indien u eersame in voerweygeringe bleven des alsoe tot bevorderinge der justitien te doene, moeten wij sulx toe gelegener tijt an Coninklijke Majesteitt ende F.D. van Alva, ende an anderen oerden, daer die noot erfordert, verthoenen, dwelcke wij liever vermijdet seget. Dan u eersame vruntschap to bewijsen sinnen wy geneycht, kenne Godt, die u eersame lange gefristen moet.
Datum den 12en decembris anno 1569.

Burgermeysteren, schepenen ende raedt der stadt Campen.


Inventarisnummer 151
1 Mei 1571

Den gardiaen van het klooster te Harderwijck belast met het toezicht op de kloosters der derde orde van Sint Franciscus te Harderwijk en Elburg verzoekt de magistraat van Elburg Anna toe Boecop in het St.Agnietenconvent terug te brengen en de gewezen priester Bruno Veghe, met wie ze gehuwd is over te leveren aan de bisschop van Deventer

An den ersamen wijsen ende zeer voersichtige heeren burgemeesteren, schepenen recht unde radt der stadt Eelburch.

Dem ersamen wijsen ende voersichtigen heeren burgemeesteren, schepenen der stadt Eelburch, saluyt.

Ersame wijse heeren, soe mij doer cracht des heylige stoelen van Romen eernvestelijck geboden ende befoelen is, obsicht te hebben op die cloesters der deerde orde Sante Francisci, gelegen toe Harderwijck ende Eelburch. Op der nae godts wet ende regule den heiligen concilioms van Trente, alle gheestelijke personen souden in goede disipline onderhoudinge harder beloeftenissen gehouden worden, ende oeck dieghene die souden moegen doer wellust des vleysch, quade leringen verleyt wesen, souden vederome gebrocht worden tot hare cloesters om behorlijke penitentie voer hare misdaden menedicheeden te doen. Ist dat wij verstaen hebben in voerleden tijden somige susteren aldaer uut het cloester verloepen sijn hoeryghe kettersghe menedichsche echten aengenomen hebben. Onder welleken ons speciael befel gedaen om te vernemen nae eren apostaet ketter ende menedichghen priester genoempt Bruno Veghe, diewellike niet en is gewest, niet tefreden sijn eygen proprie verdomenisse, mer heeft daertoe een professide suster genaempt Anna toe Boecoep, selige meester Arent toe Boecoep dochter, uut het cloester geroepen, met haer hoerighe kettersche ende verdomelyke echt angenomen ende alsoe niet alleen apostaten des priesterdoms ende den cloesterlyck levens, mer oeck des geloefftes geworden, diewellike jure divio geschuyt ende alle gemeenschap familiarityet, huysvestinghe, hantreykinge geinterdiceert ende verboden is, ende jure humano nae bescreven rechten gepunieert, gestrafft, behoren te worden.
Soe ijst den wij mijn heeren uut cracht des Heiligen Concilions vrintlyck vermanen ende doer die gehorsamicheyt, ghij God ende den heilige Apostolixge Roemsger kercken sculdich siet, gebieden die vorseide Anna Boecoep te apprenderen ende in haer cloester te brengen, om aldaer behorlijke penitentie, nae cloesterlijke statuten ende ordinantien te doen, om hoer ziele uut des duvels handen te trecken. Hem te weten Bruno Veghe als enen verkerden rebellen, verleyder ende boesdadighen apostatet in handen des hoechwerdighe bischops toe Deventer wilt leveren.
In alles voerseyt in willen u ersamheyt gheensins versumicht wesen, ende den priester van cloester alle assententie doen, opdat ick mijnen heren loff hij diegheen, mij daerna vragen sullen, mach geven ende niet verorsaeckt en worden, sich wijder den te beclagen.
Dit doende sall ghij God ende beyde uwe wettelijke overicheyden genauwen dienst doen, met haest uut ons cloester toe Harderwijck den eersten dach mey anno MVc LXXI.

Mijnen heren goetgunstige dierers B. Simon clercx van Hoesselt Guardiaen.


Iventarisnummer 154a
12 Juli 1574

Die priory und cloester vander Elburch suppliconeren ande raeden, dat se anno 66 vande rebellen der vurgenoempte stadt waren verdorven end mit groeten kosten wederom gerepareert, und anno 72 wederom op het niewe het hare benoemen end daer en boven, so wel hebbende salvegarde van die […] Alva, mit schatinge und leninge worden beswaert, dat haer edelen daerin wilde verbien na behoeren.

Dem werdigen hoichgeleerttenn heren Coninklyke Majesteits Cantzler ende Raeden in desen furstendoms Gelre verordente etc.

Gheven seer oytmoedelycken ende dyenstlicken thoe kennen, dat cloester van Sinte Agneten, ende voirt die preysteren ende religiosen bynnen der stadt vander Elburgh residyerende, alsoe die vurseide supplianten hyer bevorens anno 66 seer oeverfallen, ende durch die rebellen Coninklyke Majesteits beschediget syn worden, die welcke het hoer vernyelt. verdestruyert, ende voirt alles thoe stucken geslaegen hadden, ende dairnae wederomme tot groeten costen aenden onlost des vurseide cloesters ende religiosen hebbende tselve gereparyert.
Soe ist tselve dairnae anno 72 abermaels durch die vurseide vianden gantz ende geheyll verdestruyert, alsoe dat dair nyet heyls gebleven en wass hoer kellicken, erborien genoemen, hoer pachten thom deyls ontvoert. Ende dair beneffens nu wordt mit schattinge, leeninge der Coninklijke Majesteits soldayten, buyten alle der religiosen der andere nabuer staeden, dair die cloesteren ende religiosen tot desen alss recontribuyeren, gants vrye sijn) bestent dick nyet tegenstaende die salvagarde des durchluchtiger heren des hertoughen van Alva etc. hyerbij gevueght.
Soe ist derhalven dieser supplianten oytmoedelick end dyenstlick bid u weledele ende lieve gelyeve hyerinne genedelyck te ordinyeren ende den officyren der vurseide stadt vander Elburch te bevelen. Gemerct dese supplianten alsoe seer verdorffene sijn, dat sij hen supplianten myt alsoe danig contributie verschoenen ende ongemolestyert laeten wulden opdat dye vurseide supplianten hoer verdorffene dingen ende weynich thoe beter moeghen laeten restauryeren ende wederomme reparyeren twelck suss anders nyet moegelijck en weer te doene noch oick nyet en kunden lenen.
Dit doende.


Inventarisnummer 154b
12 Juli 1574

Die raden schriven ande magistraet dat over haer edele vanden pater und conventualen gesuppliceert is, end belasten dat selvige vurseide supplianten vande die […] geruerte beswaringe sullen verschoenen.

Den eerbaeren, fromen, eersamen und voorsichtigen scholtis, voorts burgermeisteren, schepenen und raedt der stadt Elborch, onsen gueden vrunden.

Eerbaer, frome, eersame und voorsichtige, guede vrunden. Wy schicken u luyden hierinne verslooten die supplicatie ons van wegen des cloosters van Sinte Agneten ende voorts des priesteren ende religiosen binnen der stadt vander Elborch overgegeven und gepresenteert. Und zijnde bij ons gelet opt ghoene daerinne aengetogen wordet, und gesien die salvegarde bij den durchluchtigen und hoichgeboren fursten und heeren, hertougen to Alva etc. hier bevoirens desen supplianten vergundt und gegeven is van Coninklijke Majesteits to Hispanien etc. onses allergenadigsten heeren onsen gesynnen dat ghijluyden oick intrachtongh vandien den supplianten vande geruerte bezweringe verschoonen unde die salvergarde genieten laeten, woe tselve u luyden doentlick zye. Und woe nyet dat in dem gefallen ghyluyden ons aenstondt overschrijven ende toecommen laeten, die redenen daeromme sulcx nyet en solde geschien ader gestadet kunnen worden, und ons daerbeneffens die supplicatie deser supplianten wederseynden, om alsdan u luyden redenen und wederschrijven daerentegens gesien wijders inder zaecken wess gebuert geschien to laeten mit bevelinge des almachtigen.
Geschreven to Arnhem den 12en july pt LXXIII.

Cantzler ende raeden des connincks in Gelderlandt verordert.
T.Roos.


Inventarisnummer 371
Ca. 1577

Pater alhier versoect ontlast te sijn van soldaten die bij hem huyr gecomen waren.

An u eersame, achtbare, wolwijsche, seer discrete unde vromme burgemeysteren, schepenen unde raidt der stadt Elburch, unse gebydende unde insonder guetgunstighe heren unde vrunden.

Versuecken, myt aller erbidunghe, demoeth unde behoirlicke obedientie her Gerrit van Zwolle pater unde die gemene conventualinnen an Sinte Agnieten convent bynnen die stadt vuerseit, tho kennen gevende woe dat enige van dushe nhuu hier garnizoen holdende soldaten, vellichte buyten wylle unde consenth van u eersame unde from lieffden, des paters vuerseide huysinge ingenhomen, also dat die pater vuerseit (die doch een tijtlanck sick myt benautheit unde engycheit beholpen unde tho vreden is gewest) nhuu gans perturbiert synde, nauwe soe voele ruyms gelegentheit und plaitze beholden, dair hy sijn studia off watt hy sus meer tho doene mach hebben, mach exerceren unde myt vryeheiden syne maeltijden doen, begheren derhalven die pater unde gemene conventualinnen des convents vuerseit seer dienstlicken, u eersame und from lieffden gelyven wyllen des paters vuerseit gewoenlicke woenstede van den selvigen soldaiten tho ontlasten unde tho vrijen. Ende hem (soe vere sie hem holden moeten) bij die anderen in die gastkamer forieren. Oeck mede synt sommighe van oir tho bellettede soldaten die dagelicks myt groter wrevelicheidt sick onderstaen tho seggen, sie willen langer myt oir seruys des men oir meer unde niet mijn leth passieren niet tho vreden wesen, mhenende also myt drigementen die conventualynnen tho beanxtigen, dat sie nyet beter sullen durven (als sie oick uuyth die mont seggen) dan oir dye kost gheven, bydden unde begeren dersalven die pater unde die gemene conventualynnen des vuerseide convents andermaels u ersame unde from lieffden, die sie doch als oiren wertlicken overheit in desse saicke imploreren, gelyven wyllen hair voir te staen, dat sye doch nyet wijder myt die knechten kost tho geven, unde myt andere dyngen meer belasteth worden, dan andere gemene burgeren, doende die selve soldaten prohibitie, dat sie nuu voirtan drijgens opholden. Ende noch den pater, noch enige van der conventualinnen, off derselver dienstboden (gelijck als kortelick sonder reden ende oirsaick geschiet is) myt slaen off myt enige andere drygementen ende manyren overlast doen unde impugneren sulcx unde wes oir meer tho gevalle geschiet bynnen sie bereyt ten allen tijden tegens u eersame und from lieffden nha oir vermoegen myt danckbairheidt tho verschuldigen, kenne Godt Almechtich die sye u ersame from lieffden in lanckwijlige gesontheidt unde in geluckzaligen regimente bevelen.
Verwachtende hierup een thoverlatich unde troestlick antwoirdt.


Inventarisnummer 372a
25 April 1567

Keur van de raad waarin het gebruik van geweld tegen kerken en kloosters verboden wordt, alsmede het beledigen van een ander.

Burgemeistern, schepenen und raidt desser stadt Elborch doen ende lathen wethen allen ende een yder burgeren ind inwoeneren der selver stadt, dat sij sich wachte enygh gewaldigh handt to slaen aen kercken offt kloysteren. Oyck lathen sye mede verbyeden dat nyemandt op den enderen smaden noch ennigh smeewoerden op den andere doen en sall, noch geeystlik noch wertlik, noch then beyden syeden nyemant op den anderen tdoen bij pene ind verburt dat men gemeynt is den ghenen dye daer en tegens dede te doen straffen nae behoir ende nae vermugen, dye conditien ende verdrach met onssen gnedighen heren der stadtholder.
In naem ende van weghen Conincklijke Majesteit onssen alder gnedigisten heren onlancx geaccordeert ende verdragen ende bewilliget bynnen een ieder wijll sich wachten vuer schaden.

Dese publicatiae is geschyeedt opten verden vrijdach nae Paeschen op festen compassionis mariae, anno LXVII.


Inventarisnummer 372b

Keur tegen het gebruik van geweld tegen kerken en kloosters, alsmede het verbod om geestelijken met woord en daad aan te vallen.

Burgemeistern, scepenen en rhaedt deser stadt Elborch, doen ende laten weten allen ende een yder burgheren ende inwoenderen der selver stadt dat zij sich wachten enighe gewaldighe handt toe slaen aen kercken oft cloosteren, oick allen geestelijcken personen met woorden noch met wercken te offenderen, bij pene ende verbeurte datmen gemeynt is den ghene die daaren tegens dede, te doen straffen naer behoiren ende nae vermoghen die cunditien ende verdrach met onsen genedighen here den stadtholder in naem ende van weghen Coninclijcke Majesteit unses alder genedichsten here onlanx geaccordert ende bewilliget. Een yder wil sich wachten voir schaede.


Inventarisnummer 394

Kroniek van Elburg.
De kercken zijn diverse malen vernielt.

Item int jaer ons heren duysent vijfhondert ende sestentych op sondag nae sante Matheus worde de kerck gebroken ter Elbruch, de eerstemael doe worde se weder opgemaekt. Daer ses jaeren daernae wordt se weer gebroken, doe wort se wer op gemaekt. Seve jaer wort se weer gebroken, dat staet nach datmen nu scrijft 8½ wat ernach wesen sal, dat mach men verwachten den leeft in dat 9½ jaer doe legen ter Elbruch wel over de 1½ hondert Scotten in en Engelsen in ende daer was sulcken tenantheyt in de stadt ende op de landen dattet nyet toegelove en is af ten heeft gyen man beleeft af van hoiren seggen dat onse vrinden wyesen solde deden ons mit quaets dan ons de vyanden wesen solden doet al veroerlijckt was van kercken cloesteren van presteren van alle geestelijke huysen doe worden alle myenst hen so bersocht van inpost men mocht nyet en broet backen af en kannebyers drinken af men most daer inposst vangen als de syese al betaelt was sulcke scatteynge als doe alde jaren voer leden gegeven hadde so dat den huiseman alte samen inde steden mosten trecken so dat de landen bleven onbeseyt leyggen den huiseman kande nyet mer opbrengen.


Inventarisnummer 1269
Zie inventarisnummer 1303 2v.


Inventarisnummer 1292.

Akte waarbij de zusters te Elburg met hun biechtvader verklaren geen huizen te zullen kopen zonder toestemming van de magistraat, en erkennen dat de huizen welke haar verschaft zijn wereldlijk goed zijn.

Afschrift.
23 September 1418.

Ic Lubbertus Ghertszone preester ende bychtvader der susteren ter Elborch ende wi ghemenen susteren nu ter tijt wonachtich ter Elborch maken kundich alle luden die dessen breef sullen sien of lesen dat wi uut gueden volcomenen beraden wille eendrachtelic overgheven ende verwilkoren voer ons ende onse nacomelinghe dat wi totter susteren behoef die nu ter tijt in onsen huse wonachtich sijn offte namaels wonachtich sullen wesen in ewiche den ne ghiene husighe noch erve gheleghen binnen der stat van der Elborch noch binnen hare vriheit noch poerters erve, dat buten der stat vriheit gheleghen is, daer die stat jaerlix vrighelt of betaelt copen en sullen na datum des breefs buten oerlof ende consent der ghemene schepene die in der tijt schepene sijn der stat van der Elborch vorseit. Ende weert sake dat wi ofte onse nacomelinghe hier en teghen deden, ende men dat betughe mochte, so gheve wi over dattet huus ofte erve dat wi ofte onsen nacomelinghe aldus ghecoft hebben der stat ende den schepenen vorseit sulle verschenen wesen ende ons ende onsen nacomelinghen verloren. Voert soe belie ic Lubbertus vorseit ende wi ghemenen susteren belien in desen openen breve dat die husinghe ende erfnissen die ons van den schepenen vorseit ghevestighet sijn dat si ons die ghevestighet hebben tot werliken guede also dat wi daervan doen sullen totter stat behoef alse anders borghers pleghen te doen ten si dat die schepen mit ons liden willen. Arch ende list uutgheseghet.
In oerconde der waerheit so hebbe ic Lubbertus vorseit mijn seghel an desen breef ghehanghen. Ende wat wi ghemenen susteren vorseit willen dat dese vorwarde voor ons ende onse nacomelinghe sullen vaste ende stede wesen so hebbeen wi onses conventes seghel mede an des breef ghehanghen.
Ghegheven int jaer ons heren dusent vierhondert ende achtiene des vridaghes na sente marthens des hillighen apostels ende evangelisten.

Alleen op afschrift:
Na inholdinghe desser copien so heft die stat enen beseghelden breef van den susteren.

Dorsaal:
Dit is altemael doet vermits nye privilegie die wij omt groeten ghelden van den stat gecoef hebben.


Inventarisnummer 1295
Zie inventarisnummer 1303 1.


Inventarisnummer 1297
Regesten van dit inventarisnummer uit Van den Ven.
Regestnummers: 265, 323, 397, 430, 584, 605, 606, 768, 794, 816, 887, 1154.

265: 27 Augustus 1448.
Henrick en Alijt ten Hove verklaren schuldig te zijn aan hun dochter Gheise voor medegave en aan het St. Agnieten convent te Elburg 100 rijnsche gulden, en geven daarvoor drie gresen buitendijks land.

323: 31 Januari 1464.
Richter van Veluwe, Peter van Egmond, oorkondt at Johan ter Stegen Goessensz., verkocht heeft aan Lijsbet Arnt Woltersz. Dochter, als procuratrix ten behoeve van het convent te Amersfoort, drie kampen land gelegen in Doornspijk.

397: 22 Mei 1472.
Priester Bernardus Lutteke, Gheryt Drullinck, Johan Franckensz. En Gheryt Franckensz. Stellen een magescheid vast tussen Femme, weduwe van Geryt Johansz. En haar kinderen Heinrick en Geertuyt enerzijds, en Stijne, dochter van Femme, met het convent van St. Agnieten binnen Elburg anderzijds, over goederen, die Stijne geëfd heeft van haar vader.

430: 4 Juni 1474.
Gheryt van der Eket, Tydeman Bolle, Egbert Goedenz., en Arent ten Velde stellen een magescheid vast tussen Herbert Goedensz., Hermen Willemsz. Mette diens vrouw en Mechtelt, dochter van Herbert enerzijds, en Stijne Herbertsdr. en het convent van St. Agnieten anderzijds, van de goederen, door Stijne geërfd van haar moeder Stijne ten Velde.

584: 31 Juli 1490.
Andrees Greve en Johan Vincke, vanwege Egbert van der Ieckt met Stine zijn vrouw, zijn zuster en Daem van Dielen en Wolter van Pelen van wege de zusters van St. Agnieten binnen Elburg, als scheidslieden, bepalen dat Egbert ¼ deel van Bullincksmate, door zijn vader Henrick wegens schuld aan het klooster verpand, terug krijgt, maar daarvoor drie gresen land moet afstaan.

605: Alijt Joests zuster van wijlen Aelbert Aerntsz., verklaart verkocht te hebben aan de zusters van St Agnieten, een huis en hofstede in de stad Elburg, welke haar broer aan het convent had vermaakt, en zij van de zusters voor haar leven in huur had ontvangen.

606: 2 Oktober 1493.
David de Burgundia, bisschop van Traiectum, bekrachtigt de inhoud van 605.

768: 18 December 1518.
Rorick Wolff en Reyner van Wenkom vanwege Egbert van hasselt, pater van St. Agnieten, optredende voor de conventualen Aerntgen Francken en Grietgen Toeyssers, en jonge Aerent van Brenen en Wilhem van Hokelom, vanwege Wyntgen, koopman, en Ghert Frankens Toeyssers, stellen een magescheid vast tussen de genoemde partijën omtrent nalatenschap van Ghert Franckenss. en Geertgen Toeyssers, waarbij het convent een stuk land onder Dorenspijk krijgt.

794: 11 September 1520.
Griete Vincke verklaart verkocht te hebben aan Egbert van Hasselt, pater van het convent, een stuk hooiland en een stuk haverland te Dorenspijk.

816: 19 Maart 1524.
Egbert van Hasselt pater, en Bette Wolters mater, Griette Veghen procuratrix en de gemene zusters van het St. Agnieten klooster verklaren ontvangen te hebben van Berent Heecket 150 rijnsche guldens, waarmee ze hun tienden te Wessinghe hebben betaald, en voor welke som zij hem 7½ rijnsche gulden 'sjaars zullen betalen uit kloostergoederen.

887: 13 Juli 1530.
Berent Heecket schenkt de rente, hem verschuldigd krachtens de brief (816) aan het convent, om deel te krijgen aan de aalmoezen en de goede werken van het klooster.

1154: 22 November 1562.
Peter van Apeldorn, Goeris Gerritsz. ook optredend voor Anna zijn vrouw, en Gerrit Franckensz. ook optredend voor Jennetgyn Wilhems zijn vrouw, verklaren, het geschil bij te leggen, dat zij hadden met het convent, over landerijen.


Inventarisnummer 1298
Regesten van dit inventarisnummer uit Van der Ven.
Regestnummers: 178, 345, 666, 670, 672.

178: 5 Mei 1422.
Heinrick Wolff richter van de Veluwe, oorkondt, dat Lubbe Heyn Hackendr van Gortel overdraagt aan heer Lubbert Garritz. ten behoeve van de vergadering van St. Agnieten in Elburg, een goed dat zij geërfd heeft van Heyn Hackenn, haar vader.

345: 22 Mei 1466.
Schepenen der stad Elburg oorkonden dat Jacob Gosen Lambertsz., Arent Franckensz., en Mechtelt en Heinrick (dochters van Lambert Andreesz.)erkennen schuldig te zijn aan het St. Agnietenhuis in Amersfoort 63 rijnsche gulden, door Foyse (dochter van Lambert Andreesz.) geërfd van heer vader en moeder, en geven daarvoor pand.

666: 1 februari 1503.
Wolter Pelentz. En Henrick van der Eket, vanwege het convent van St. Agnieten te Elburg, heer Wolter ten Uutslaghe vanwege Johan ten Uutslaghe, den oudste, en Bernt Lambertsz. en Roloff Aertz. vanwege Lubbert Martenss, doen als scheidslieden uitspraak omtrent een erf in Oosterwolde.

670. 10 Oktober 1503.
Aleyt Joess verklaart een morgen land geschonken te hebben, en een rentebrief van 24 karolusstuivers 'sjaars, voor een wekelijkse mis in de kerk van de zusters.

672: 21 Oktober 1503.
Fredericus bisschop van Traiectum, bekrachtigt de inhoud van de brief d.d. 10 oktober 1503, en verklaart de daarin genoemde goederen tot kerkelijke goederen.


Inventarisnummer 1299
Regestnummers van dit inventarisnummer uit Van der Ven.
Regestnummers 314,522.

314: na 21 December 1461.
Alijt vann Ganghelt, weduwe van Johan van der Eket, verklaart in erfpacht gegeven te hebben aan Tylmann van Werden ten behoeve van het St. Agnietenklooster, een stuk land, gelegen binnen der stad Elburg.

522: 26 December 1482.
Tydeman Bolle, gheryt van Beynthem, Gheryt Frankenz. En Reyner Wychmanz. Stellen een magescheid vast tussen Johan Louwenz. En Hille zijn vrouw enerzijds, en Griete, dochter van Bernt Mennenz. en Hille voornoemd anderzijds, van de goederen door Griete geërfd van haar vader en grootmoeder, bij welk magescheid zij ten behoeve van het klooster, waarin haar een plaats is gegeven.


Inventarisnummer 1300
Regesten van dit inventarisnummer uit Van der Ven.
Regestnummers 159, 196, 232, 241.

159: 28 September 1418.
Jacob Revich, scholt en schepenen van Elburg, oorkonden dat Aernt Alfersz. En Nyese zijn dochter, verkocht hebben aan Lubbertus Ghertsz., priester ten behoeve van de zusters, een stuk land, geheten de Winkel.

196: 7 December 1429.
Griete Wolfs verklaart verkocht te hebben aan het convent, twee stukken land.

232: 2 September 1439.
Griete Wolfs veklaart, dat de twee stukken land, die zij aan de zusters heeft overgedragen, bestemd zijn ten gebruike van van Lubbert Ghertsz. Priester en biechtvader der zusters, maar dat zij na zijn dood aan dezen zullen komen.

241: 2 Januari 1442.
Beert van Empse, Aert van Erler, Dirc Tengheneghel en Ghert Korenwevel, als scheidslieden, stellen een magescheid vast tussen Henrick ten Bleke en Jutte zijn vrouw, enerzijds, en Alida zijn dochter en de zusters anderzijds, wegens goederen door Alide geërfd van haar moeder Ghertrude, waarbij zij verkrijgt een stuk land en een huis.


Inventarisnummer 1301
23 juni 1557

Akte van belening van het Sint Agnietenconvent te Elburg door de proost van Sint Marie te Utrecht met een made land te Oosterwolde.
Heer Aernt Penninck van Doesborch, pater van het Sint Agnietenconvent in de stad van der Elburg, legt de leeneed af in handen van Mr. Wychart Schuiring, vicaris van den proost heer Maximiliaen Morillon, wegens het leengoed genoemd in de brief d.d. 1557 23 juni (zie inventarisnummer 1337).
Afschrift, gewaarmerkt door Claes van Urck, secretaris te Kampen.

Copia.
Wij Anthonius Perrenot bijder gnade Gods, biscop vann Atrecht, prost ende archydiaken der kerke vann Sancte Marien tUtrecht doen kondt ende kenlick allen luydenn dat vor ons unde onsen proostyen mannen vann leene hiernae bescreven, gecomenn is die eerbaere heere Aernt Penninck vann Doesborch, nae dode sijns hulders, heere Egbert van Hasselt ende heefft aen ons ther gueder tijt versocht tot behoeff der beslotenn susterenn des convents van Sancte Agnietenn bynnenn der stede vandenn Elborch daer hij pater ende verwaeren off was, eene maede landen, gelegenn bynnenn denn kerspel vann Oestenwoelde buytenn denn Somerdijck, daer zuytweert naest gelant leyt Gheertruyt Stickers myt haerenn kijnderenn, noirtwaert Bernt Veghe Lubberss, oestweert streckende aendenn Somerdijck ende westweert inde zee.
Ende als dit geschiet was, soe hebbenn wij heerenn Aernt Penninck van Doesborch, pater ende verwaerre des convents vorgenoempt mitten vurseide landenn verlijdt unde verleendt, verlijen ende verleenenn, mits desenn tegenwoirdigenn brieve beholtlijcken ons ende onser proostijen ende een yegelickenn zijns rechts inn voirwairdenn ende manieren hiernae bescreven, dats te weetenn dat menn dese maede landes voirgenoempt sall versoecken ende verheergewaidenn nae doode des paters, ofte soo dicke alse verschijndt oft overset wordt, mit eenre merck older engelschenn.
Ende des gelijcx sullenn doenn alle sijne nacomelinghen, paters des convents vurseid beholtlickenn, dat hij ons altijt eenenn goedenn mann sall settenn, die hulde ende eedt voir hem sal doenn.
Ende op dit mael heeft hulde ende eedt gedaen vann wegen des paters ende convents vurseid Heinrick vann Puttenn als een leenmann sijnenn rechtenn leenheren schuldich is te doen, daer dit gescheide warenn over, aen ende bij Frederick van Rodenborch ende Meester Gherrit vann Latingenn, leenmannenn onsen proostyen vurseid ende meer goede luyden genoch.
In oirconde der waerheit, soo hebbenn wij onsen zegel uutgehangen aen desen brieff gedaen.
Gegevenn indenn jaere onsen Heeren duysent vijffhondert soven ende vijfftich opten drie en[de] twintichsten dach junij.

Jo de Goch. Sancte [...]

Concordiert mit sijn bezegelde principael bij mij; Claes van Urck, gezwoiren secretaris pater Sancte [...]

In dorso litterarum stondt aldus;
Indenn jaere XVc twe ende tsestich op dynsdach den 28en aprils heefft heer Aernt Penninck vann Doesborch, pater tot behoeve der besloter susternn des convents vann Elborch bynnen der stede vann Elborch, mit Heinrick vann Puttenn, sijnn hulder mittes leger handt versocht aenn handenn heeren ende Meester Wychart ende Hueringen connonick Sancte Marien tAtrecht, als vicaris ende stadthouder vandenn eerweerden heeren heeren Maximilien Morrilon proost die zekerlicken, dit leengoet doer desen tegenwoirdigen brieff off spreckt. Ende Heinrick van Putten heeft wederomme vann wegenn des paters ende convents voirseid huldt ende eedt gedaenn, alst gewoertlickenn is, in tegenwoirdicheit vann die eersame mannenn Heinrick die voecht ende Ryenelt ende Johann vann Groesbeeck, leenmannenn der proostijen vurseid [...] put[...].
[.]irhuck Nots.

Gecollationiert ende auscultiert mit ende tegens sijn bezegelde originaell ende is bevonden dairmede va[n] woirde to moinde accordierende bij mij:
Claes van Urck, gezwoiren secretaris der stadt Campen, pater Sancte [...].


Inventarisnummer 1302
Regesten van dit inventarisnummer uit Van der Ven.
Regestnummers; 607, 621.

607: 18 Oktober 1493.
Johan Vrankenn en Mette zijn vrouw, erkennen schuldig te zijn aan het convent 50 goud guldens, als medegave voor hun nicht Fenne van Holtenn, en geven als onderpand daarvoor een stuk land.

621: 15 Juni 1496.
Alijt Joests, zuster van wijlen Aelbert Aerntss., verklaart aan de zusters een stuk land verkocht te hebben in de Toepscher.


Inventarisnummer 1303
Regestnummer 445
Fol.1. Zie inventarisnummer 1269
25 Mei 1476.

1
Burgemeesteren, schepenen en raad verklaren in een ingelaste brief (24 juli 1474) inv.nr. 1269, afschrift inv.nr.1303, fol. 2v te hebben gegeven aan de zusters van het convent.

Wij burgemeister, schepenn ende rait der stat van der Elborch doen kont allen luden ende bekennen met desen openen brieve dat wij den susteren van des besloten convents Sunte Agnieten binnen der Elborch eenen besegelden brief gegeven hebben ganss geve heel ende ongecanceliert, inholdende van woerden tot woerden, de hiernae beschreven staet:
Wij burgemeisters, schepen ende rait der stat Elborch doen kont allen luden ende bekennen mit desen openen breve dat wij bij consent ende volbert onser gemeene burgeren ende inwoenders vor ons ende onse nakomelyngen den susteren des besloten convents Sunte Agnieten binnen der Elborch ende hoer nakomelingen ten love ende ter oeren godes Marien sijnnen gebenedider moeder, sunte Franciscus den heiligen confessoir ende Sunte Agnieten der heiliger joncfrouwen xpi in eenen rechten steden onder vasten een eigen effcoop vererfft hebben die Achterstraten die zuytwert bijlanges den cloester vurseit ende der huysinge ende hofstede die Herbert Goeden.om mit sijne dochter den convent ter medegaven gegeven heeft, gelegen is westwert streckende aen Wolter van Kuenres hofstede, oistwert ander state bij der statmure daer die susteren reventer ende Zwene van Kampsen huys anstaet voer eene somme gelts die ons tot onsen willen vol ende al wel betaelte is die wij voirt in onser stat ende gemeynten orber gekeert hebben. Voirt hebben van den vurseide cloester consentien overgegeven ende belieff te hebben ende te holden ende tot hoer orber te gebruyken vrij van allen diensten ende mit hoer cloester te vrijen ende te besluyten erffick ende ewelick te besitten costelick ende vredelick ter gebruyken alle die husingen ende hofsteden mitten Achterstraten vurseit gelegen tusschen der straten die oistwert bij der statmure gaet, westwert an Geryt vanden Hekets husinge to strecken, zuytwert van der Brederstraten nortwert an die vurseide cloester. Beheltlick dat sie die woeningen voir van der Brederstraten vurseit maecken ende holden sullen, wonachtich vor werltliken personen, die der stat daer van dienen ende doen sullen gelijck ander burgeren ende inwoeneren. Uthgenomen dat die susteren vurseit een bouhuys mit eenre poerten

1v
ander selver strate vurseit mogen hebben ende vrij beholden.
Voirtmeer weert saken dat den susteren vurseit tot enigen tijt eenen put beliefden te maken op dese vorseide hofstede, die sullen sie tot oeren schoensten daer mogen setten ende leyden dat water uter statgraven inder put mit eene goten. Ende off sij enich water van den hofsteden vurseit inder statgrave leyden wolden dat sullen sij oick mogen doin mit eenen goten gelijck sij nu hebben in oeren cloester, dat hem in voirtijden van onsen raitsvrunden gegunt is. Voirt soo loven wij voor ons, onsen burgeren inwoeners ende nakomelingen dat die vorseide susteren ende oer nakomelingen voirt an gebrukenn sullen all alsulcken privilege vordele ende rechten als wij onsen burgeren ende inwoenderen in eenige manieren hebben ende gebruken mogen ende copen ende vercopen uutgenomen dat sie geen husinge meer in onser stat copen en sullen. Ende geboedet tot einigen tijd dat dat vurseide convents meerder vestenisse hier aff begeerde, die loven wij hem te doin tot oeren gesinnen, weert oick saken dat den vurseide convents nu off heirnamaels eenige deser puncten vurseid despeert worden ende sij daer hynder off schaden bij hadden, den hynder nede schaden loven wij voir ons ende onsen nakomelingen den vurseide convente ende oer nakomelingen op te richten ende te betaelen tot oeres simpelen seggen sonder argelist in orconde der waerheit soo hebben wij der statsegel vander Elborch voir ons ende burgeren, inwoeners ende nakomelinghenn te midwegen beneden an desen openen brieff doin hanghen, ende want wij alle desen vorworden ende puncten vurseide stede vaste nede onverbrekelike holdenn willen ende geholden willen hebbenn wij des tot eenen getugen der waerheit ende um der meerre vestenisse willen gebodenn vyer guder mannen uut onsenn rade mit namen Hendrick de Voss van Steenwijck, Arent toe Bocop, Gerijt Drullinck ende Gerijt vander Eket desenn brieff mede vor ons onsen burgeren, inwoeners ende nakomelingenn te bezegelen, dat wij Heindrick, Arent, Gerijt ende Gerijt vurseit um bedenn willen der burgemeisters scepen ende rait der stat vander Elborch vurseit ende mede voir ons selvenn gedaen hebbenn, ende hebbenn onse zegele voir an desenn openen brieff gehanghenn. Dessgelijcks hebbenn vann to samenn vyer gueder mannenn uut onser gemeynte gebeden

2
alss Alberte ter Brake, Johan Franckennzoin, Johan Boesen ende Berent Morre desenn brieff mede voir ons onsenn burgeren, inwoeners ende nakomelinghenn te bezegelen dat wij Albert, Johan, Johan ende Berent vurseit bij bedenn willen der burgemeisteren scepenn ende rait vurseit voir hem ende voir ons oick gedaenn hebbenn ende hebbenn onse zegel aen desen oopenen brieff gehangenn. Gegeven inden jaer ons heeren dusent vyer hondert vyer ende tsoeventich op sunte Jacopsavont des heiligen apostels des tot eenen getuge der waerheit so hebben wij der statzegel vander Elborch aen desenn openen brieff als eenn vidimus doen hangen, ende want wij gemyen susteren des beslotenn convents Sunte Agnietenn binnen der Elborch aldusdanighe brieff vanden eersamenn rait vander Elborch ontfangen hebenn, welcke brieff wij voir ons ende onsenn nakomelingehenn stede ende vaste holdenn ende voltrecken
willen, soo hebbenn wij der ter oirkonde onser conventszegel mede aen desenn openen brieff doin hangenn. Gegevenn inden jair ons heeren dusent vyerhondert sess ende tsoeventich op sunte Urbanusdach pape.
Gecollationiert ende ansculurit mit ende tegens die originael bezegelde brieff ende bevonden daermede van woirde to woirde accordierende bij mij;
Claes van Urck gezworene, secretaris der stadt Campen […].


2v
Ingelaste brief.
Regestnummer 431
24 juli 1474.
Verkoop Achterstraat aan het convent
Copia
Wij burgemeisteren scepenn ende stat der Elborch doin kont allen luden ende bekennen mit desen openen brieve dat wij bij consente ende volbert onse gemeeine burgeren ende inwoeners voir ons ende onsenn nakomelingenn den susterenn des beslotenn convents Sunte Agnietenn binnen der Elborch ende oeren nakomelingenn tenn love ende ter erenn Godes Marien sijnenn gebenedider moeder Sunte Franssescus den heiligenn confessoer ende Sunte Agnietenn der heiliger jonckfrouwen xpi in eenen rechtenn steden ende vastenn ewigenn erfcoep vercofft hebbenn die Achterstrate die zuytwert bijlanges denn clooster vurseit ende husinge ende hofstede die Herbert Goedennzoin mit sijnen dochter den convent ter medegave gegeven heefft, gelegenn is westwert, strekkende aen Wolter van Keunres hofsteden, ostwert ander straten bijder statmuren daer der susteren reventer ende Zwene van Empsenn huys aen stait, voir een zomme gelts die ons tot onsen willen voll ende all well betaelt is, die wij voirt in onser stat ende gemeinen orber gekort hebbenn. Voirt hebben wij denn vurseide clooster consentiert, overgegevenn ende belieft te hebbenn te holdenn ende tot oeren orber te gebrukenn, vrij vann allenn diensten ende mit oeren closter te vrijenn ende te besluytenn, erfflick ende ewelick te besitten, costelick ende vredelick te gebruken alle die huysinghe ende hofstedenn mitter Achterstrate vurseit, gelegen tusschen der straten die oistwert bijder statmuren gaet, westwert aen Gerijt vander Ekets husinge to strecken, zuytwert vander Brederstratenn, noirtwert an dat vurseide clooster. Beheltelicken dat sie die woeningen voir vander Brederstraten vurseit makenn ende holden sullen wonachich vor werkliken personen die der stat daer van dienen, ende doin sullen gelijck ander burgeren ende inwoeners, uutgenomen dat die susteren vurseit een bouhuys met eenen poortenn ander selver stratenn vurseit moegen hebbenn ende vrij beholden. Voirt meer weert saken dat den susteren vurseit tot eeniger tijt oeren put belieffde te maecken op dese vurseide hofsteden, die sullen sij tot oeren schonsten daer mogen setten

3
ende leydenn dat water uutter statgraven indenn putt met eenen goten. Ende off sij enich water vandenn hofstedenn vurseit inder statgravenn leydenn woldenn dat sullenn sij oick mogenn doin, mit eene gotenn gelijck sij nu hebbenn in oeren cloester dat ham in voirtijdenn van onsen raitsvrundenn gegont is. Voirt soo loven wij voir ons ende onsen burgeren, inwoeners ende nakomelingen dat die vurseide susteren ende oeren nakomelingen voirtan gebruyckenn sullenn al alsulkenn privilegie, vordel ende recht als wij onse burgeren ende inwoeners inn eeniger manierenn hebbenn ende gebruyckenn moghenn ende coopenn ende vercopen, uuytgenomenn dat sij geen huysinge meer in onser stat copenn en sullenn. Ende gebuerdet tot enigenn tijt dat dat vurseide convent meerder vestenisse hier aff begeerden, die loven wij hem te doin tot oeren gesijnnen, weert oock saken dat den vurseide convente nu offt hier namaels enige deser puncten verss bespeert worden, ende sij daer hynder off schade bij haddenn, denn hynder ende schade loven wij voir ons ende onsen nakomelingenn denn vurseide convente ende oeren nakomelingenn op te rychten ende te betaelenn tot oers selves simpelenn seggenn sonder argelist in oirkonde der waerheit, soo hebben wij der stadtsegell vander Elborch voer ons, onser burgeren, inwoeners ende nakomelingenn ter middenwegenn benedenn an desenn openen brieff doin hangenn. Ende want wij alle dese vorwerdenn ende puncten vurseit stede vaste ende onverbreckelicke holdenn willenn ende geholdenn willen hebbenn, so hebbenn wij des tot eenen getuge der waerheit ende bij der meerrer vestenisse willenn gebedenn vyer goeder mannenn uut onsen rade met namenn Heindrick de Voss van Steenwijck, Arent toe Bocop, Gerijt Drullinck ende Gerijt vander Eket desenn brieff mede vor ons onsen burgeren, inwoeners ende nakoemelingenn te bezegelenn, dat wij Heindrick, Arent, Gerijt ende Gerijt vurseit bij bedenn willenn der burgemeisteren, scepenn ende rait der stat vander Elborch vurseit ende mede voir ons selvenn gadaenn hebbenn, ende hebbenn unse segel vur aen desen

3v
openen brieffe gehangen. Desgelickes hebbenn wij tosamenn vyer goeder mennenn uut onser gemeinte gebodenn als Albert ter Brake, Johan Frankenzoin, Johan Boese, Bernt Murre desenn brieff mede vor ons onsen burgerenn, inwonderenn ende nakomelinghe te bezegelenn, dat wij Albert, Johan, Johan ende Berent vurseit om bedenn wille der burgemeisteren scepenn ende rait vurseit voir hem ende voir ons oock gedaen hebbenn, ende hebbenn onse zegele nae aen desenn openen brieff gehangen. Gegeven indenn jaer onss heeren duysent vyer hondert vyre ende tsoeventigh op sunte Jacopsavont des heiligen apostels.
Gecollationis ende ansculurit mit ende tegens die originael bezegelde brieff ende is bevonden daermede van woirde to woirde accordierende durch mij, Claes van Urck gezwoerne secretaris der stadt Campen […].


4
Regestnummer 433
27 Oktober 1474.
Verkoop van een stuk land.
Copia
Wij Tijmann Bolle ende Jacop ter Braken inder tijt scepenenn ter Elborch doin kont aleenn ludenn ende bekennenn mit desenn openenn bieve dat voir ons gecomen sijn scepen dom Johann Johanszoin die jonge ende Geertruyt sijnn echte wijff, Gerijt Hoppenbrouwer ende Eeffe sijn echte wijff ende bekennen tzamenlikx dat sij voir hem ende hoer erffgenamen in eene rechten stedenn vastenn ewigenn erffcoop vercofft hebbenn heer Tijlman vann werdenn tot behoef der susteren des beslotenn convents Sunte Agnietenn vander derder oerdenn Sancti Francisci binnenn der Elborch ende haer nakomelinghenn eenn kampkenn lants gelegen binnen der stat vrijheit aen dessijt der Eeckter wijck ende is omtrent derdehalff ossen gress groit daer aen die zuytsijde Aelt Johanszoin cum peuten naest lant is, an die noirtsijde Heinrick Gerijtszoin strekkende oistwert aen lant dat Gerijt Benenn sijns erffgenaemen to behoirt westwert an lant dat Jacop Witte ende Arent vander Eket toe plach te hoeren voir een zomme gelts die hem tot hoer willen voll ende all well betaelen is. Voirtmeer soo loffdenn Johan Geertuyt Gerijt ende eeffe vurseit voir hem ende hoer erffgenaemen den vurseide susterenn ende hoer nakomelingenn dit vurseide campken lants te vrijen ende te warenn ende allenn voir kommer daervan aff te doin als erfcoepsrecht is. Ende bekanden voirt dat sij ende hoer erffgenaemen daervann onterfft sullenn wesenn ende dat kampken lants vurseit mit sijnenn to behoir sal den vurseide susteren ende hoer nakomelingenn ten lantrechte stede ende vaste blijvenn, erfflick ende ewelick te besittenn, costelick ende vredelick te gebruyckenn tot alders lichter not sonder argelist in oirkonde der waerheyt soo hebbenn wij Tijmann Bolle ende Jacop ter Brake als scepenn elck onse zegel an desen openen brieff gehangenn.
Gegeven int jaer onss heeren duysent vyerhondert vyer ende tsoeventich in profesto Sijmonis et Juda apostolorum.


Inventarisnummer 1303, fol. 4v
Zie inventarisnummer 1348.
Regestnummer 649

8 Mei 1500.
Verkoop van een stuk lant. Burgemeesteren, schepenen en raad zijn aan de zusters 35 rijnsche gulden schuldig wegens geleend geld, waarvoor ze 7 oert rijnscheguldens 'sjaars betalen terwijl het klooster een deel van de voorweide op de grote meden zal hebben.
Copia
Wij burgemeisteren scepenn ende rait der stat vander Elborch doenn kont allenn luydenn ende bekennenn met desenn openenn brieve voir ons ende onsen nakomelingen dat wij van rechter witlicker schult als van goedenn gheleenden ghelde schuldich sijnt onsenn susterenn cloester vanden Sunte Agnietenn ghelegenn bynnenn onser stat vijffendartych enckele goldenn rijnschen guldenn off der rechte weerde daer voir aen anderenn guedenn gelden, dwelcke wij voert in onser stat orber ende versijt gelecht ende gekeert hebbenn voir welcke somme gheldes vurseit wij ghelovenn denn selvenn cloester vorseit jaerlix thoe ghevenn ende wel tho betaelenn soevenn oert golden rijnss guldes off de rechte werde daervoir myt vurwerdenn dat die selve onss susterenn vandenn vurseide cloester aller jaer weyden ende gebruyckenn sullenn eenn vyerdendel vander vurweydenn vandenn groottenn medenn ghelegenn buytenn dijkes vur alsulkenn penninghen als elckes jaers een vyerdendel vandenn anderenn drie vyerdendelenn der medenn vurseit ghelt ende verpacht wart, waerom wij denn sevenn cloesteren vurseit die soevenn oert golden rijnss gulden elckes jaers kortenn sullenn aen hoer vyerdendeel vurseit. Ende wes dan daer aen ghebecket dat dan in elcker tijt dat vyerendeel vurseit na beloip des jaers meer gegoldenn heefft dann die soeven oert golden guldens sullenn sij unser stat voert opleggen ende betaelen. Ende tot dat tijdenn wij ofte onse nakomlingen den cloester vurseit die vijffendartich goldenn rijnschen gulden vurseit oft die rechten weerde daervor wederom gheven ende betaelenn, soo sal dat vurseide vyerdendeel vandenn meden vurseit kommer vrij werden komenn aldinck sonder argelist in oirkonde der waerheit soo hebben wij burgemeisteren scepen ende rait der stat vander Elborch vurseit vor ons ende onsen nakomelingen onser stat secreet segel hieronder an desenn openenn brieff gehanghenn. Gegeven indenn jaer onss heeren duysent vijffhondert des vrijdaghes nae maydach.
Gecollationnis ende ansculurit mit ende tegens die originael bezegelde brieff ende is bevonden daermede van woirde to woirde accordierende durch mij, Claes van Urck gezwoerne secretaris der stadt Campen.


Inventarisnummer 1303, fol. 5.
Regestnummer 646
15 Juni 1499.
Zusters krijgen toestemming tot het betimmeren van de hofstede.
Copia
Wij burgemeisters, schepenn ende raet der stat vander Elborch doenn kont allen luydenn ende bekennenn mit desenn openenn brieve vor ons ende onsen nakomelinghenn dat wij bij consenten onser meentenn ghemenenn burgerenn ende inwoenners die dat sonderlinghe mede belieft ende consenteert hebbenn ghegont ende tho ghelatenn hebbenn den susterenn convent van Sente Agnietenn bynnenn onser vurseide stat gelegen, ende dat omme ene vruntschap ende ghave de selve vorgenoemde susteren onser stat ende gemenenn burgerenn ghedaenn hebbenn in onsenn noedenn, dat sij de hofsteden dwelcke salighenn Albert Aertsoin ende Alijt Joisten sijn suster toe plach toe hoeren achter ende voir betymmert ende bemuhren moegenn tot hoeren orber profijt ende schoenstenn gelijcker na ende in allenn manyerenn als hem dat in voirtijden ghegeven ende tho ghelatenn is gewesen van onser stat vurseit nae […] onsen seghel ende breve die sij daer vann hebbenn. Beheltlikenn dath dat aen die Voirstrate daer Alijt Joisten ter tijt inne woent altijt ende tenn ewighenn daghenn eene woeninghe blijven sal daer werltlicke luyden in woenenn sullenn die daer ene waeke uut holdenn sullenn, voert scattinghe menewerke ende alle ongeldenn mede gheldenn ende ghevenn sullenn ghelick onse anderenn burgherenn.
Aldynck sonder arghelist in oirkonde der waerheyt soo hebbenn wij burgemeisteren scepenenn ende raet vander Elborch vurseit onser statsegel hieronder aen desenn openen brieff doenn hanghenn.
Gegevenn inden jaer onses heeren duysent vyerhondert neghen ende tnegentich op Sente Vitus ende Modestusdach der hilligher martelaren.


Inventarisnummer 1303, fol 5v
Regestnummer 428
17 Maart 1474,
Burgemeesteren, schepenen en raad geven de zusters toestemming voor het bouwen van een boog.
Copia
Wij burgemeisteren scepenenn ende rait der stat vander Elborch doin kont allenn ludenn ende bekennenn met desenn openenn brieve dat wij bij consent ende volbert onser meentenn gemenenn burgerenn ende nakomelingen der menstersch ende denn gemenen susteren besloten convents Sunte Agnietenn vander derde oerdenn Sancti Francise bynnen onser stat Elborch geoerlofft ende gegunt hebben, oerlovenn ende gunnenn mit desenn tegenwoirdigenn brieve dat sij ende hoer nakomelingen eenenn boge tymmerenn mogenn aen hoer huysinghe dwers overdat Achterstratken, soo breet recht uut als die selve huysinge lang […] deen boge voirt bovenn ende teyndes daeraen … betymmerenn als hoer dat mit ende orber duuckenn sal vervoerdenn dat denn boge soo hogge wesen sall dat menn daer ruym mit een voedersaets offt hoys duer vorenn mach. Sonder argelis in oirkonde der waerheyt soo hebbenn wij burgemeisteren scepenen ende raet vurseit onser statzegel vor ons onse burgeren, inwoeners ende nakomelingen aen desen openen brieff doin hanghenn.
Gegeven int jaer onss heren duysent vyerhondert vyer ende tsoeventich op Sunte Geertrudedach.
Gecollationis en ansculurit mit ende tegens die originael bezegelde brieff ende is bevonden daermede van woirde to woirde accordierende durch mij, Claes van Urck, gezwoerene secretaris der stadt Campen […].


Inventarisnummer 1323
Regestnummer 1152, 1153
31 Augustus 1562

Akte waarbij Peter van Apeldorn c.s. verklaren het geschil bij te leggen, dat zij hadden met het Sint Agnietenconvent te Elburg, aangaande enige landerijen onder Doornspijk.
Peter van Apeldorn, Gerrit Gerritss en Gerrit Franckenss enerzijds en de conventualen van Sint Agnieten te Elburg anderzijds, stellen hun geschil over de nalatenschappen van Arntgen Franckenss en Grietgen Toyers in handen van scheidslieden.

Alsoe sych soeckere onverstandt und twist een tijdtlanck herwertz onthalden heft tuschen Peter van Apeldorn, Gerrit Gerritss und Gerrit Franckenss ther eender und pater mater procuratersche und gemene conventualen des conventz van Sanct Agnieten binnen der stadt Elburgh ther andere zijden, belangende seeckere versterff und erffnisse naegelaten bij zelige Arntgen Ffranckenss und Grietgen Toyers, conventualen vurgenoemde conventz. So yst dat nae langhe disputatie hinc inde tuschen parthien vurseid durch oere daghalderen vuergenoemdt then lesten averkhoemen, dat sie oere vurseide schelungh und onverstant geheell und all uuth der handt gecompromitteert und verbleven hebben an vier seggeslueden hiernae beschreven; tweten van wegen Peter van Apeldornn mit sijnen adherenten vurseid anden eerbaren und vursichtigen Jan van Haerst, camener der stadt Swoll und Gerrit Mauriss, schepen der stadt Harderwijck und van wegen des paters und conventz vurseid den erntfesten und vroemen Johan vanden Holt und Cornelis Bigghe, allent in manieren hiernae volgendt. Nemtlicken dat die vier vurseide seghslueden macht und auctoriteit uuth kraft deses hebben sullen eenen entlicken uuthspracke tdoon van vijffhundert gold gulden verwonnen pennynckgelt und gerichtelicken kosten und schaden dairop verloepen inder vrundtlicheit, dan sullen die vurseide Peter van Apeldorn cum suis hebben und behalden die vijff molder roggen erffrenthe to Epe als sie hierbenevens mit recht ingewonnen hebben und van in besitt sinnen, des sullen sie wederom verlaeten und affstahen oere actie und anspraeck als sie tegens den vurseide convent tho Dornspijck op vier mudde roggelandtz und twe campgen gresslandtz geintentieelt und begonnen hebben tot behooff des vurseide conventz und aen naekhoemelingen und ofte sych die vurseide seghslueden inden vurseide uuthspraecke niet vergleicken kunnen, alsdan sullen sie tsaemen eendrechtelicken sonder tho doon der parthijen vurseid tot sych nemen eenen onpartijeghen super arbiteren ofte avernemen welcker zijdt de bijvellich wurdt sullen sich parthien vurseid then byeden zijden sadigen laeten ende daermede oeck in alle oere schelungh und onverstandt herkhoemende vanden vurseide versterff und erffnisse eens vuer all stede vast und onwederropelicken ouck lieffelick und vrundtlick gescheyden sijn und blieven, well verstaende die vurseide Peter van Apeldorne mit sijne consorten vuer hem und vanden erffgenaemen und dat convent vurseid vuer hem und den naekhoemelingen. Und wie van beyden parthien vurseid mit alsodane vurseide uuthspraeck niet to vreden sijn wolde, sall peenwellich sijn in de summa van vijff hondert gold gulden und de to gaen nae penenrecht alst alhyr int quartier van Veluwe gebrueckelick is.
Sonder alle bedroch ofte argelist, ourkunde der wairheyt, hebben parthien als hier under benoempt staen dit compromiss behandteykent,
Actum the Elburgh den lesten dagh oustz anno XVc twe ent sestich,
Ingevall die parthien haeren seghlueden vurgenoemd niet ther plaetzen op dagh lamberti naestkhoemende, welcke dagh dairto angestalt brengen en kunde, sall dieselve parthie eenen anderen seghsmen muegen kiesen und die vurseide dagh thalden yemant ongelegen were, sall die parthie an wiens sijdt des gebrecke den anderen sulx verwittigen und opschriven und beraemen eenen anderen bequemen dagh […].
Actum ut supra.

Gerrit Gherrytss ffoer mijn sselff ende ffolniech mijn addrenten.

Item yck her Arnt Pennynck van Doesburch paeter van Sinte Agnytenconvent, bekenne dyt met mijn eygen hant dyt als dus geschijt te weesen und te bekennen, ende avergegeven te hebben, vermytz sijn zekeren und togelaten mombar in diesen, tweten Johan Marrisson.
Actum ut supra, voor Arendt Heymanss, Lambert Franckenss, schepenen binnen der stadt Elburgh.


Inventarisnummer 1354
Regestnummer 614
5 Maart 1491

Karel, hertog van Gelre, wijst aan de magistraat 75 gulden uit de bieraccyns toe, wegens door het klooster hem voorgeschoten gelden, en de accynsmeester beveelt het geld aan het klooster te betalen.

Kaerle hertoige van Gelre ind Gulich, ind greve van Zutphen.

Wij doen kondt, doe onse lieve getrouwen burgemeisteren, schepenen ind raed der stat vanden Elborch, nu naden affgescheyt tot behulp der kosten ind […] der ambassaten die na den kurfursten geschickt solden weerden, vijffendtsoeventich gulden vanden cloister bynnen onser stat aldaer opgebracht. Ind dieselve pennyngen ons nu tot onsen begeerten voirt avergedaen und gehantryckt hebben tot quyten van onser ruyteren bynnen onser stat Arnhem. Ind as et dan myt bekalt is dat wij deselven cloisteren sulcke pennyngen aen onsen byerassysen weder bewijsen sullen bekennen wij hertoich vurseit mytz desen dat wij derselvert onser stat Elborch in behoeff der vurgenoemde cloisteren sulcks vijffendtsoeventich golden gulden weder bewesen hebben ind mytz desen onsen brieff bewijsen aen sulcken pennyngen as ons vanden byerassyzen bynnen onser stat aldaer verschynen ind fallen sullen bevelen hyromb u Wolter Cracht onsen assyssmeister bynnen onser stat Elborch mit desen onsen brieff ernstelick, dat gij denselven cloisteren die dye vurseide pennyngen verschaten ind geleent hebben, van onsen wegen uyt uwen ontfanck derselveren assyzen vanden yrsten ind gereydtsten pennyngen gij ontfangen weerdt vernuegh und betailt, nemen oeren behowlick quytancien omb ons sulcx myt desen onsen brieff ind oeren quytancien voirt to rekenen so dat behoeren sall dat sall u aen ons quede betalinge sijn ind versien ons dess gantze tot […] sonder vorder enich gebot off verbot dairaff aver to warden.
Oirkonde onss secreet segels hyrop gedruckt des donresdages post Esto michi anno Domini etc. XCV°.

Dese vurseide pennyingen hebben die maeirschalck ende […] van bevell mijns genadige heren van Jan van Niekerken ontfangen ende dairaff wytenhaest betaelen vijfftich golden gulden ende Cornelis van Ravensteyn ende […] vijffenttwynyich, opten sessden dach in meert.


Inventarisnummer 1355
Regestnummer 640
1 December 1498

Karel, hertog van Gelre beveelt Mr. Bartolt, accijnsmeester, tien enkele guldens aan het klooster te betalen, welke Goessen van Bemmel geleend had.

Karle hertoch van Gelre ind van Gulich ind greve van Zutphen.

Lieve getrouwe, wij verstain van onsen rait inde lieven getrouwen Goessen van Bemmel, dat hij bij tijden hij onse cueckenmeyster geweist is van onsen wegen, ende beveell geleent hefft vanden cloister bynnen onser stat aldair thyen enckele gulden nae vermogen sijnre quytantie die zij dairaff hebben ind sijn tot gegeve betalingen kamen, om dat hij kortz dairnae van onsen wegen Aelbert vanden Lauwyck dairam bewesen hefft hondert enckele gulden ende dairnae eyn jairlanck am onsen rentmeyster Hendrick Bentynck, want onse rekenmeyster dan int seker vynden dar Goessen vurseit auff dye thyen enckele gulden in sijnen op bueren ind ontfanck gerekent hefft. Bevelen wij u mijt desen onsen brieve, dat sij den quent vurseit dye thyen enckele gulden betailt nu vanden yrsten to komende jair eer gij ymant anders eynige pennyngen uitricht ende betailt om enych bevell wij u voirder muchtten doyn geven, want die pennyngen tot onsen dagelixschen kost gekomen sijn. Inde neempt dess andere quytantie ind rekent ons sulcx voirt myt desen onsen brieff, dess versien wij ons tot u begeren onser stat Arnhem op saterdach post Andree 1 december anno Domini etc. XCVIII°.

J. Fischer.

Dorsaal:
Unsen lieve getrouwen meister Bartolt secretaris ende zyssmeyster etc.


Inventarisnummer 1356
Regestnummer 1215
Circa 1575

Bevel van de pater van het Sint Agnietenconvent aan Jan Huuszen om Lambert Janson diens koeien ongestoord te laten weiden.

Heer Gerryt pater van het Sint Agnyetenconvent in Elburch, beveelt Jan Huuszen om Lambert Janson ongestoord diens koeien te laten weiden in die Helle, liggende in Dornspijck.

Dye pater doet en erfflijken bevellende van wegen dye drost van Elburch Jan Huuszen dat y Lambert Janson sijn koene yn dye Helle lyggende yn Dorspijck, onbespyrtt weyden laten oft gij moegen sulves 6 voeder woll sullyxs wachten vanden waeren daer moget gij en nae weten toe reguliren.

Heer Gerryt pater van Sint Agnyetenconvent t Elburch.


Inventarisnummer 1357

Lijst van verscheidene regelen en voorschriften, te observeren door de minnebroeders van de 3e order van Sint Franciscus ende de susteren conventualen van Sint Agnieten.
Door den lantrentmeister Gideon van der Hoeve gezonden 1569.

Dorsaal.
Item yck heer Arnt Pennyck van Doesboerch, pater van sunte Agnite convent bynnen der Elburch hye beken dat dit vurseide aldus durich Gedeon vander Hoeve lantrentmeister gheschit sij.

  1. Extinctio offitiorum generalis et visitatorum de ordine fratrum tertii ordinis sancti Francisci.
  2. Submissio eiusdem ordinis ministro generali et provincialibus fratrum minorum de observantia.
  3. Capitulum provinciale quotannis celebrabitur presidente generali aut provinciali ministro fratrum minorum de observacitia aut commissario quos tanquam patres et superiores suos eorumque monita et mandata humiliter et devote recipiant et ni re ipsa inplere procurent, alioqui contra dicturos rebellis sententiae sensure pene volumus subiacere.
  4. In capitulo provinciali fiet electio visitatoris de idoneis fratribus tertii ordnis per secreta suffragia qui confirmabiter per ministrum generalem ordinis minorum.
  5. Electus et confirmatus visitator potest quatannis renovari vel continuari uaque ad triennium, et deinde per sexennium debet vocari.
  6. Dictus visitator tanquam vices gerens ministri provincialis ordinis fratrum minorum, habebit plenariam potestatem in suos subditos tertii ordinis visitandi predicandi, confessiones audiendi, et absolvendi, ac alium vel alios sue regule sacerdotes substituendi.
  7. Nullus frater aut sororum tertii ordinis habebit quicquam proprium sub pena furti
  8. Sorores prosesse omnes sub perpetua clausura manebunt.
  9. Nullus frater aut confessor earum vel quicumque prelatus ad domos monasteria vel alia loca sororum huisusmodi igredi audaet, nisi quibus ex officio incumbit et in casibus necessariijs a iure permissis et tunc cum uno vel duobus sociis provectis et honestis, sub pena carceris, et destitutonis ab officio.
  10. Confessores et concionatores sororum per generalem vel provincialem ministrum approbentur.
  11. Statuta a Rodolpho Cardinali et Episcopo Ostiensi, anno 1549 edita observentur.
  12. Dubia regule ordinis a Nicolao quarto approbate non statutorum predicti Rodolphi per determinationem generalis, et provincialis ministri ordinis declarabunter.
  13. Bulla omnino servetur non obstantibus privilegiis quibuscumque cui resistere nemo potest.
  14. Privilegiis minoritaren uti et gaudere possunt etiam fratres et sorores tertii ordinis.
  15. Bulla humiliter recipiatur et firmiter observetur.
  16. Executores bulle et statuendorum in capittulis provicialibus vel extra illa a generali, et provicialibus ministris minoritarum deputantur Carolus sancte Braccedis Cardinalis Borreneus ordinis minoritarum protector et generalis eiusdem ordinis.
  17. Contradicentes et rebelles ac etiam protestantes et reclamantes consilium vel favorum publice vel occulte directe vel indicecte quovis quesito colore ingenio prestantes, tam ecclesiastice quam laici cuiuscunque dignitatis vel gradus ordinis vel condicionis fuerint opportuna, appelatione postposita, qualescumque excummunicantur aut auxilio brachii secularis coarcebuntur non obstantibus quibuscuque.
  18. Hispani a bulla excipiuntur.
  19. Copie bulle attendice dabitur fides, bullam violanti maledicitur.


Inventarisnummer 1366
10 mei 1561

Akte waarbij de collatoren van het Sint Jacobs-vicarie in de kerk te Elburg aan de proost en aartsdiaken van Sint Pieter te Utrecht heer Bernhardus Lutteke als vicaris voordragen.

Regestnummer 1144.
Heer Gerardus van Wachtendonk, pater van het klooster in Monte Cristi Hieronimi bij Hattem, heer Arnoldus Doesburgh, pater van het klooster van Sint Agnes te Elburgum en de magistraat der laatste stad dragen aan Frederick Schenck, genomineerden en geconfirmeerden aartsbisschop van Traiectum en proost en aartsdiaken der kerk van Sint Petrus aldaar, wegens de dood van heer Hermannus Lutteken, als vicaris van het Sint Jacobus-vicarie in de kerk te Elburgum heer Bernardus Lutteken voor.

Reverendissimo in Christo Patri ac domino domino Frederico Schenck ex liberis barombus a Tautenburgh, Dei & apostolicae sedis gratia nominato & confirmato archiepiscopo Traiectensis necuois ecclesiarium sancti Plechelmi Aldenzalen[.] ac Beati Petri Traiectensis preposico et archidiacono etc. domino nostro clementissimo salutem pater nos dominus Gerardus a Wachtendonck, presbiter et pater monastery in monte sancte Hieronimi prope Hattem.
Dominus Arnoldus Doesburgh presbiter & pater monastery (doorgehaald: in oppid) sancte Agnetis in oppido Elburgensis, consides & genatores oppidi eiusdem modo dicti, ad vicariam sancti Jacobs manoris apostoli in ecclesia sancti Nicolai oppidi Elburgensis, Traiectensis]diocesis ob obitum domini Hermannes Lutteken ultimi rectoris & possessoris vacantem, cuius collatio, presentatio, sen quaevis alia dispositio totiens quoties vacaverit ad nos vatione inrispatronatus attmere dignoscitur. Dilectum nobis dominum Bernhardum Lutteken presbiter [.]ostensore[.] presentium cui dictam vicariam pure a simpliciter propter Deum contulimus & conferimus perpresentes.
Vobis in Dei no[.]e duximus oresentandum necrio[.] tenore presenin[.] presentamus requirentes & exhortantes imo rector & canonicus oestram studiose & diligenter supplicantes ut predictum dominum Bernhardum ad dictam vicariae[.] admittere & muestire velitis cum soleumtatibus in talibus fieri solitis & consuetis.
In cuius rei cestirnonium sigilla nostra diximus appendenda presentibus datum anno incarnationis dominice millesimo quingentesimo sexagesimo primo decima die mensis may.

Dorsaal:

Presentacibrieff van den pater toe Hulsbergen ende pater van Elburch mit de stadt van Elburch aen den bisschop van Utrecht voer Berent Lutticken, tot sint Jacobs-vicarie te erlangen. Anno 1561.


Inventarisnummer 1432
13 Mei 1595.

Deductie inzake beheer kloostergoederen.

1
Edle erntfeste sehr versichtige gunstige here und gude vrundt.

Die hern rahden handlen verganger tijtt an unss geschreven, unse kloister guderen tho oirer edle und des rekenkamers directie tho kommen lathen, sunst musten dei edele mit beslagh tegen vurseide vortfaren und off wes wij darup dienstlick geantwordt, insistieren doch oir edle nochmals derselven schrijven in allen sijnen puncten nagekomen muege werden. Darmit oir edle ungeorsaket blijven idt gemelte tho slagh tho bevelen, wijdern inholdens uwe edele schrijvens derhalven, gunstiger frundt, wij tgene tho deser instantien bij vursiede guidt gevonden, bij einander gevoeght und u edle hebben moeten thoschicken. Frundlick begerende u edle darmit, wen idt derselven guidt dunckt, den hern richden getrau tho bejegenen, wen wij sulcks vergeliken kunden, wullen dartho bereidt sijn.

Der Almechtigen Godt, gunstige frundt, erholde u edle in sijne beschirming.
Am 13 may anno 95.

Uwe, dienstlicke frundtwillige burgemeisteren, schepenen und rahdt der stadt Elburg.

3
Deductie, dienend vor memorie dem edle Wilhem van Huckelum, gedeputierden des Veluwschen quartiers, belangende den kloistergudern der stadt Elburg. Angeteikent bij burgmeisteren und rahdt genanter stadt.

Naden hoogwijse hern cantzler und rahden des Gelderschen Hoves gemelten magistrat angeschreven die vorseide kloistergudern tho koumen lathen tho einer […]nd des rekenkamers directie, vemie.. inholdens geruerten schrijvens; und sulckes […] landtdages recessen.

Seggen vorerst genante magistat, dat oir ehrsame sodanes bij dem lest tho Nimegen geholdenen landtdages resessen niet bevinden: mehr die quartieren nochtertijtt sich darin niet vergeleken; und also niet sekers darin vorgenomen, und weiniger affgedahn.

Und wen schoon enige andere steden dartho muchten geholden wesen; prætendieren oir ehrsame sekere prærogertive und erfgerechtigheit am gemelten guderen uns dieselve tho gebrucken und genieten; doch darvan predigern, schoelmeisteren, den conventualen und sunst nerbehoren tho versorgen.

3v
Tho welckem umb oir ehrsame exhibieren copio sekers besegelten accordts und transports mit denn conventualen gemelter stadt upgerichtt, alleher bij der landtschap offt enigen steden van denn giestliken guderen iedtwesz gedahn gewest. Vid. Literam A.

In welcken accordt under anderen tho consyderieren, dat niet ein ehrsame rahdt idtselve gern ingetreden, mehr durch grote instantie van denn conventualen dartho sind versocht, alleher oir ehrsame tselve mit hen angegahn.
Dan also tselve accordt durch enige guedtwillige nachmals einiger maten tho buten getreden werden: hebben burgmeistern und rahdt sodanes dienstlick gelangen lathen an dem Gelderschen Hove: die oir ersame authoriteit dar interponieret; denn conventualen durch inhibitie des richters int Oldebroeck, schulthessen tho Epe und Dornspijck die handt gesloten, und also idt vorseide accordt in effectie bestediget. Wie sulcks tho syen uth bijgefeugter copien eines besegelten placats under der letter B.

Und darmit idt vorseide accordt und transport

4
hinvorth van nymandt tegengesproken solde werden muegen, mehr bestendig und unverbreecklick blijven, hebben oir ehrsame den welgeboren hern, hern Johan graven tho Nassou, stadtholdern, darumb versocht welcken ined gelick gelieft hefft, tselve tho ratificieren bij afschrift sub lit C hieran gehecht.

Wie dan ockk wolgemelter here stadtholder nahmals den hern drosten Henrick Benting geordonnieret, umb den vorseide magistrat in wercklicke possession tho stellen und holden, tho ersyen uth angehechten appointemant up seker request gegeven. Vide D.

Eindlick exhibieren oir ehrsame sekere besegelde approbatie bij dem welgeboren hern hern Adolff stadtholder hoger gedachtniss gegeven: darum nochmals alles vorseit bestediget; und denn Veluwschen amptluden belastet werdt, oir ehrsame in possession tho handthaven.

Uth welcken allen oir ehrsame concludieren, niet geholden tho wesen die possession der guderen tho verlaten; dan gerechtigt tho wesen, dieselve erflick tho genieten: doch darvan tho doen, wie vor verhalet und in dem accordt begrepen.

4v
Wovern overst boven allein thoversicht deser vorseit mit guden reden kunde tegengesproken werden; erbieden sich gemelte magistrat tho generale ordonnantien der landtschap; also nemlick wen ridderschap, hoofdt und kleine steden oire kloisterguideren gehadt uth oiren handen stellen; ander steden verlaten, dat hen van dem welgeboren hern Johan van Nassouw oder sunst geaccordiert und thogelaten; und also alles tho directie des Hoves gestellet werdt: willen sich volgens oir ehrsame als wesende die jungste stadt und leste stemme, dem anderen conform holden, und doen na behoren.

Solden dergestallt aldan versucken, erstlick, dat de administratie bij denn stadtrenthmeisteren mucht blijven, und darvan jahrlick an dem Hove offt rekenkamer rekening gedahn werden.
d[..] van denn guderen jahrlick gulden
Vor twe predigern 700
Dem rectoren 200
Dem undermeister 100
Dem francoischen schoelmeister 100
Den alimentatien 50
Drie mudde roggen, twe mudde boeckweiten

5
Denn armen jahrlick vijfftig mudde roggen
Und nadem idt convent vormals geholden acht bollwerckens, vier wachten; ruters, kneghten, se[…]gsten und sunst na adinenant; ind nu die burgerie sulcks verliesende, dardurch sehr geswecker werdt: dat men darvor jahrlick mucht genieten 150

Endlick, dat die verkoffte und verpande guideren als wesende die penningen in viands tijden tho noodtwerdiger fortificatien der stadt angeleght blijven in tegenwohrdigen state, und die contracten darvan bij der landtschap geratificiert werden muchten.

6
20 Juli 1578.

Copia.

Wij Stijne Slewers matersche, Stijnken van Tungeren procuratorsche, Lumme van Huekelum, Agnes van Huesen, Stine Nagge, Mette Pundtsteins, Gerrit Noletss, Stijnken Roelofs, Ailtgen tho Boekops, Griete Roelofs, Hanneckgen, Gerrit Arnts, Geisken Henricks, Lijsbeth van der Strate, alle conventualen van Sinte Agnieten kloister ther Elburg, angemerckt ende betrachtt hebbende die genahelikheit deser turbulanten tijden, in welcke wij und unse Convente geraken ten groten achterdiel, ende ock besorgen tselve daglicks in mehrer schade ende hinder solde muegen koemen: So ist, dat wij mit guden ripen rade ende unser allen eigen wille den ehrsamen und vromen burgmeisteren, schepenen und rahdt deser stadt Elburg, umb alle unrahdt und wijder schade tho verhueden unde vorthokoemen, gebeden und tho verscheiden malen up idt aller uterste versocht heben, off deselve solde willen gelieven unss, unse convent, conventualen, mitsgaders alle inkomsten und renthen tonsen convente gehorende tho willen acceptieren, annemen end untfangen in haerluden protectie, defensie und beschirming; tweten hoewel wij burgmeisteren vorseid niet gern gedahn,hebben nochtans des convents ende conventualen vlitige bede unde versueck vor billick achtende uth beweeglicken oorsaken haerluden tselve niet weigeren kunnen. Hebben wij matersche, procuratersche und vorth alle conventualen giene darvan uthgesundert, in aller bester bestendigster frommen ende manieren van rechte tselve solde geschieden, overgelevert, getransportiert ende upgedragen, overleveren, transportieren ende updragen mits desen den burgmeisteren, schepenen und rahdt vorseid tho Godes ehr ende stifting guder politie unse convent, unses convents, unde tho unsen convente behoerende tegenwohrdige ruerende und liggende have ende gudern, beweeglick und unbeweeglich, geniedt ende ungeniedt, alle brieff ende segelen, ende vorth alles wat wij hebben, gienes uthgesundert vorbeholden, also unse medesuster Eeffe Greveb durch afsterven van haer suster, umb derselven kinderen tho onderholden, van unss gegaen is, sall men deeselve ein vreedlike afsoening doen. Hiertegen hebben wij burgmeisteren, schepenen und rahdt vorseit die materche, procuratersche und tsementlike conventualen vorseit

6v
wedrumb up idt krefftigste ende bundigste belooft ende thogeseght, beloven ende thoseggen, bij desen dese achtervolgende puncten ende vorwerden tho whervieren, ende to underholden. Inden ersten tot die dertien vorbenoemde personen, den welcken wij beloven iehrlick tho betalen ein ieder van huer tho lijffpensie vijftig gulden tho 20 stuvers gerekent, mit noch drie mudde clare, gude, droge winterrogge, Elburger mate. Ende noch ein mudde gude boeckweite alle jare up Martini in dem winter verschinende offt veirtien dagen darna unbevangen, welcke vorseide rogge ende boeckweite sie sullen mugen untfangen in affslagh van haer summo van Dries Henricks ende Schuirtges Johan int Oldebroek woenende mit her ooft up denselven wessende. Ende sullen der vorseide vijftig gulden up vier termienen des jahrs betalet werden alle vierendiel jahrs ein gerecht vierdeparts welverstahnde, so haist die vorseide matersche, procuratersche ende vorsegde conventualen hares kloisters muren, dat alsden haerluden betalet sall werden, het erste vierdepart ande vorseide iehelike renthe. Beloven ock wij burgmeisteren vorseit, desen vorsiede dertien personen intfor[…]en het baginenhuiss bij der kercken gelegen, allwar sieluden haer woenplaitze nustlick und vredelick sonder einige beswarniss van soldaten, wachten offt schattingen in alle vrijheit ende versekertheit sullen hebben, und haer levendlang beholden. Vorbeholden, dat Menso Wolters woening hierin niet en sall begrepen wesen. Ende also vor dese tijtt noch twe baginen int selve baginenhuiss sind woenende, als Ursule Naggen und Hilleken Louwen, sullen deselve einen kamer vor haer mugen beholden. Ende sall ock Anne Mommen woeninge hierin niet gerekent werden, dewelcke haer uthgangk na de stadtmure sall hebben und niet na idt baginenhoff. Ende sullen ock die vorgesegde matersche, procuratersche ende conventualen einen koolhoff die beste vor haer gebrucken. Die turf, so vor deser tijtt up idt kloister bevonden werdt, sullen sie muegen genieten, und tho haer noodtrufft gebrucken. Angahnde dem inboel und huissgerahdt allthans noch up idt kloister wesende darvan all ein inventaris gemaickt werden, und wat vandien

7
tho huissradt ende noodtruft hares huissholdens van noden sall wesen, tselve sall haerluden vergunt werden. Welverstahnde, dat tselve tho samen vorseit na doodtliken afgangh wederumb erven ende vallen sall up die burgmeisteren, schepenen und rahdt vorseit. So ock iemand van dese genominierde personen in enige unbehorlike untucht bevonden werde, dieselve sullen van burgmeisteren vorseit naer behorlickheit gestrafft werden. Ende so iemandt van dese vorseide personen, hem in den echten staht wilde begeven, offt elders mit der woening vertrecken, tselve sall haer geconsentiert werden, mits dien sie malckanderen beloofft hebben gerack ende handtrecking tho doen, dat hen van dese renthe vorseit afgeslagen sall werden, na guidtduncken van denn burgmeisteren vorseit, sullen ock malckanderen alsulcke handtreking und gemack doen, dat tselve sall strecken tho gude eindraght, ende so hierin faute bevonden worde, sullen de burgmeisteren, schepenen und rahdt hierin muegen versyen na behoren. Also ock tot idt convent vorseit summige gudern gegeven sind tho behoef van den armen, wartho alle weke wes ein mudde roggen uthgedielt is, beloven wij burgmeisteren, schepenen und rahdt vorseit hiervor alle jare den armen tho geven twee und vijftig mudde roggen. Sullen ock die vorseide burgmeisteren, schepenen und rahdt up henn namen alte lasten ende beswahrnissen, handt gelden und bewijslike schulden tho desen dagh tho gemaickt. Welck vorseide puncten, vorwerden und articulen wij matersche, procuratersche ende conventualen, mitsgaders burgmeisteren, schepenen und rahdt vorseit beloven respectivelick unwederroepelick tho achterholden, dartegen niet tho doen offt iedt gehengen geschieden tho lahten. Sonder begeven uns alle hulpen ende middelen van rechte hoe desend oft einen nahm hebben muchten giestlick offt weltlick die men hiertegen solde meugen gebruken. Aldus sonder arg oft list. Orkundt der wahrheit so hebben wij matersche, procuratersche ende tsementlike conventualen unse convent segel underup spacium doen drucken. Aldus gedahn in unse convent up den acht ende twintigsten july XVc LXXVIII. Was underdrucket mit einen segel in grunen wass und underschreven Jan Petersz secretaris. 1578.

Na collatie accordieret dese copie mit oirene original in papier geschreven, besegilt und betekent wie boven bij mij, Johan van Holte, Elburgschen secretaris.

8
24 April 1579.

Afschrift.

Wij verordente rahden des forstendumbs Gelre und graffschaps Zutphen doen kund und bekennen mits desen unsen openen placaite, also unss bij burgmeisteren, schepenen und rahdt de stadt Elburg tho erkennen gegeven, dat die conventualen van Sinte Agnieten binnen derselver stadt niet tegenstahnde seker verdragh, als tusschen de vander stadt und den vorseide conventualen mit vorweten des wolgeboren unses gnedigen hern stadtholders upgericht is, dan undermehr tho affbrueck desselven solden understahn alle meublen als koejen, pehrden und ander dingen tho verkopen und unnuttlick umb tho brengen, als ock die pachten, die Martini erstkoemende verschinen sullen, allvorendts upmercklicke schade in tho vorderen, und tontfangen, wie sie den ock allsulcke pachten ock thom diel all ingebuert solden hebben, dardurch dan geschapen is, dat alle des convents gudern inwendig kurten tijtt tho undergangh solden geraden, dewile unss dan in sulcker und dergeliken saken uperlaghten officy wegen gebuhrt gebuhrlike insohung tho dragen, und darin vorthosyen, dat allsulcke undergangk in tijtts vorgekomen werde: Dernna ist es an dem, dat wij in krafft deses unses openen placaits gecommitiert hebben und commitieren mits desen, Henricken Joachimss gesworen gahnde bode die cantzelerij in Gelderlandt, umb sich tho verfuegen bij die personen van Gerrit then Holthe schulthes tho Epe, Wilhem van Huekelum schulthes tho Dornspijck und Simon van Cleve richter int Oldebroeck, und denselven sampt und bijsunder wel scherpelick und up ein pene van hondert golden croenen

8v
tho befelen, umb anstundt alle behindring, idt were dan durch publicatie in der kercken, oft mit ander allsulcke midlen, als sie elcks bijsunder sullen het bequeemste tho sijn, tho behindern, dat de vorseide conventualen van allsulcke guder, als sie under derselven ampten hebben liggen, giene verkoping noch upneming van penningen offt upboering van enige pachten, die noch erst up Martini verschenen sullen sonder vorgahnde bewilliging deses Hoves en doen op pene, dat alsulcke verkopingen, upnemingen van penningen und upboeringen van pachten vor vull und van unwehrden sullen geholden werden. Deses tho waren orkunde der Koeniglicke Majestat secretsegel hierunder upt spacium gedruckt.
Gegeven tho Arnhem den 24 april 1579.
Was underdruckt mit einen segil in roden wase und underschreven W. Luyssken.
Werdt mit sijnenn original gelijck ludende bevonden bij mij, Johan van Holthe, Elburgsche secretaris.

10
2 Augustus 1579.

Copia.

Wij Johan graff tho Nassaw, Catzelelbogen, Vianden und Dietzs, heer tho Bilstein etc. stadtholder und capitein generael des forstendumbs Gedern und grafschap Zutphen doen kund und tho weten hiermede also tho beschirming der steden und des gemenen vaderlandts und resistenth van de Spainsche tyranie then hoogsten nodig is, dat de steden mit fortification dermaten vorsyen und gebauwt werden, dat sie sich vor des viandts overvall des tho weiniger tho besorgen hebben, und den burgmeisteren, schepenen und rahdt der stadt Elburg hoere und ietzbemelter hoirer stadt wolfahrdt und sekerheit bedenckende unss tho kennen gegeven hebben, hoe dat sie ungevehrlik vor ein jahr up versucken und begerens van die matersche, procuratersche und semptlike conventualen van Sinte Agnieten kloister binnen haren stadt, vor dese itzige gevehrlike tijtt bevrest sijnde, und van ein ehrlike competenth und alimentatie versekert tho sijn begerende mit itzgedachten conventualen ein verdragh und accordt gemaickt hebben, also dat sie elcke person ein sekere iehrlike alimentation handtreiken, und dartegens alle des convents guderen, liggende und ruerende luidt der verdrags tho sich nemen solden, biddende, dat wij sulck verdrag tuschen hen und den conventualen vorseit gemaickt, confirmieren und bewilligen wulden, dat sie dem rest van den kloisterguderen die boven de jahrlicke alimentatie averschieten muchte, tho fortification und bevestiging van harer

10v
stadt vorseit gebruken und amplojeren mugen. Dat wij denselven der burgmeisteren, schepenen und rahdt der stadt Elburg billike begeerte anmerckende, ende niet alleen genieght, mehr ock amptshalven schuldig wesende die verbetering und fortificatie van den steden mit muegliken vlijth tho bevorderen, den boven ruerten verdragh tuschen den magistrat der stadt Elburg unde den conventualen van Sinte Agnieten kloister vorseit mit beidersijdts guden vrijen willen gemaickt, und upgericht, geratificieret, confirmieret und bestediget hebben, als wij deselvigen nochmahls in krafft deses ratificieren, confirmieren, und bestedigen. Gevende den burgmeisteren, schepenen und rahdt der stadt Elburg vorseit vullkommen macht unde authoriteit, dat fur vermueg dickgenoemden conventualen van Sinte Agnieten begeren die administratie van den kloisterguderen muegen annemen, und mits uthreikende denselver conventualen jahrlick einen gewissen penning tho hoere alimentatie, den overschott harer stadt then besten tot fortificatie vande selve anwenden muegen. Bevelende allen den genen, die dit enigsins angahn magh, dat sie den magistrat van der Elburg vorseit daran gien letzel noch verhindringh doen willen. Des tho oorkunde hebben wij unss mit eigner handt underschreven, und unse segel up spacium drucken lathen. Datum den 2 augusti etc. 1579.
Was onderdruckt mit einem segil in roden wasse und underschreven; Johan graff, Nassaw, Catzenelbogen.
Accordiert mit sijnen originale, bij mij, Johan van Holthe.

12
3 Maart 1480.

Copia.

Der herr stadtholder ordonnieret dem ernvesten Henrick Benting, drosten up Veluwe, dat he amptshalven desen supplianten die handt bieden, up dat het verdragh tuschen den magistrat und dem convente ther Elburg upgericht, und sijner gnaden rectification darup gevolgt ter behorlike execution gebraght, und de supplianten in de wercklike possession gestallt werden, biss ther tijtt und wijle tho, dat bij sijn gnade anders darin werdt geordonniert. Actum ter Elburg den 3 marty 1580.
Was underschreven: Johan graff zu Nassaw.
Ludt wie idt original orkund mij underschreven, Johan van Holthe, Elburgsche secretaris.

13
4 Februari 1587.

Copia.

Sijne gnade van Nuwenar, Meurs und Limburg, stadtholder und capitein generael des forstendumbs Geldren, grafschap Zutphen etc., gesyen hebbende ein verdragh tuschen de magistrat der stadt Elburg und den sementliken conventualen van Sinte Agnieten kloister allder gemaickt und de ratificatie van graeff Johan van Nassouw, als diertijtt stadtholder darup gedahn, gemerckt ock de hoognodige fortification derselver stadt, willen dat sulck verdragh vorthan gecontinuert werden. Gelijck sijne gnade tho sulcke, ende bevelen dem drosten van Veluwen, Johan van Scherpenziel und andere richtern und schulthen, darunder de gudern gelegen sijn muegen, den magistrat darin tho maintineren ther tijtt sijne gnade anders darin sullen geordonniert hebben. Actum Elburg den 4 february 1587, stilo veteri.
Was underschreven, Adolff graff zu Neuwenar und underdruckt mit einer pitzschafft in roden wasse.
Geconferieret tegen dem original werdt darmede alleinss ludende bevonden bij mij, Johan van Holthe, Elburgsche secretaris.

14
13 Mei 1587.

Deductie, dienende vor […] dem edele Wilhem van […] gedeputierde den kloistergudern in der stadt Elburg, angeteikent bij burgmeister und rahdt gemelter stadt, am 13 may 95.
Nadem hoogwijse hern canzler und rahden des Geldersche Hoves gemelten magistrat angeschreven, des vorseide kloistersgudern tho koumen lathen, tho oire edele und des rekenkamers directie, vermeren inholdens gemeltes schrijvens; und sulcks vermeug geholdren landtdages recessen.

Seggen vor erst genante gistetet dat oir edele sodanes bij den lesten recess tho Nimmegen niet bevinden, mehr quartieren noch hoctijtt […] niet vergelecken […] dess mit vuel weiniger sekers darin sijn[…] afgedahn.

Und wen schoor enige andere steden dartho muechten geholden

14v
wesen; prætendieren oir ehrsamen sekere præcogatien und erfgerechttigheit an gemelter guderen, unde deselve tho gebruken und genieten, doch darvan betalende predigern, schoelmeisteren, conventualen und sunst na behoor.

Tho welcken ende oir erhsamen exhibieren copie sekers besegelen accordts mit denn conventualen gemelter stadt upgericht alleher bij der landtschap offt einigen steden van denn giestliken gudern iedtwes gedahn gewest.

In welcken accordt under anderen tho consydereren, dat niet ein ehrsamen rahdt idtselve gern ingetreden, mehr durch grote instantie van den conventualen dertho sind versocht, allhier oir sulckes mit den sustern angegahn.

Dan also tselve accordt durch enige quadtwillige nahmahls, winiger mathen tho buten getreden worden,

15
hebben burgmeistern und rahdt sodanes dienstlick geb[…] an dem Gelderschen […] oir ehrsamen authoriteit dar interponiert, den conventualen durch inhibitie des richters int Oldebroeck, schultschen tho Epe und Dornspijck de handt gesloten, und also idt vorseide accordt in effect bestediget, wie sulcks tho sijn bij den bijgefuegter copie enes besegelde placaths, und darmit idt vorsiede accordt und tranport hinverth van nymandt solde tegengesproket wezen muegen, mehr bestendige und unverbreecklick blijven muechte, hebben burgmeisteren und rahdt den wolgemelte hern hern Johan graven tho Nassou, stadtholder darumb versocht welcker gnediglick gelieft hebben tselve tho ratificeren, und in allen sijnen puncten tho bestedigen, blijkende bij afschrift sub litor C hierangehecht under den letter B.

Wie dan ock wolgemelte her stadtholder nahmahls den hern drosten Henrick Benting geordonnieret, umb den vorseide magistrat in wercklike possessio tho stellen und holden, blijkende bij angehechte appointement up sekere request gegeven sub lit.

Endlick exhibieren oir ehrsamen sekere besegelde approbatie bij den […] hern hern Adolff graven tho Neuenar, stadtholder hoger gedachtnis gegeven, darin nochmahls alles vorseit bestediget, und den amptluden Veluwschen belastet werdt, oir ehrsamen in possessio tho handthaven.

15v
Uth welcken allen oir ehrsamen sluten niet geholden tho wesen, de possessio der gudern tho verlaten, dan gerechtigt […].

Wovern overst boven allem tho versicht desen vorseide mit guden noden, kunde tegengesproken worden, erbieden sich gemelte magistrat tho genirerde ordonnantie der landtschap; also nemlick, wes ridderschap, hoofdt und kleine steden und nadem idt convent vormahls geholden acht bolwerkens, vier wachten, soldaten, se[…]gsten und sunst na advinant; und nu die burgere sulcks verliesene, dardurch stehe geswecket werdt, oire kloistergudern gehiel uth oiren handen stellen, und andere steden tgene verlaten dat hen van den hern grave Johan van Nassou oder ons geaccordiert und thogelethen, also alles tho directie des hands gestellet werdt, willen sich volgens oir ehrsamen alwesende de jungste stadt und leste stemme, om den anderen conform holden, und doen na behoren.

Versueken erstlick dat die administratie mucht bij den stadtrentmeister blijven, und darvan jahrlick an den Hove offt rekenkamer rekening gedahn werden.

Marginaal: Solden alsdan dargestelt der guderen

16
Darna van den guderen […] twe predigen jahrlick genieten
Vor en rector 200 gulden
Dem undermeister 100 gulden
Dem francoischmeister 100 gulden
Dem alimentatien 50 gulden
Und 3 mudde roggen
Und 1 mudde boekweit
Den armen jarlick 50 mudde roggen
Dar men darvor inhelick mucht gebruiken.
Endlick, dat die verkoffte und verpande guderen als wesende de penningen inn viands tijden tho noodtwendige fortificatie der stad angeleght blijven in tegenwohrdigen staht, und de contracten darvan bij de landtschap geratificiert werden.

17
[…] unde meister . van Huekelum […] tho dienen, belangende de sake des convents in deser stadt Elburg.

Erstlick, off niet muegelick were den eigendumb der kloistergudern tho verdedigen.

Tho welcken ende tho vertonen die besegelde acte und accordt mit den conventualen geholden.

Item den placatt der Hoves.

Item gevolgte ratificatie des wolgeboren hern hern Johan graven tho Nassou, stadtholdern.

Item de approbatie hern Adolfs grave tho Nijwener stadtholdern.

17v
[…]
Darvan tho verrichten vor predigers 700 gulden
Dem rector 200 gulden
Den undermeister 100 gulden
Den francosenmeister 100 gulden
Den armen 50 gulden
Die alimentatie 50 gulden
Vor wachten, bolwerck, soldate holde 150 gulden
Bij verpandschap den gudern tho confirmieren und bestedigen.
Und also idt gasthuiss verbrandt, und de kloisterhuising meist van den armen bewoenen werden, dat durch und sumst getimmer blijven mucht tho […]ndel de stadt und armen.

Wen juncker und ander stads tselve dah sall Huekel geanthoriziert wesen […] van wegen der stadt Elburg tselve nakomen.

19v
Den edlen ehrnfeste, und sehr vorsichtgen hern Wilhem van Huekelum, gedeputierden van Huekelum, gedeputierden van Veluwen, unsem sehr gunstigen und guden vrundt tho Arnhem.

Hier is ingelacht de […] secretario.


Inventarisnummer 1438
28 Juli 1578.

Overeenkomst tussen de conventualen van het Sint Agnietenconvent en de magistraat der stad Elburg, aangaande de opheffing van het convent in 1578, en akte van bevestiging door de stadhouder Jan van Nassau in 1579.


Wij Stijne Schleivers matersche, Stijntgen van Tongeren procuratersche, Lumme van Hueckelom, Agnies van Huessen, Stine Naggen, Mette Ponsteins, Gerrit Nolssen Stijngen Roleffs, Aeltgen te Boechop, Griete Roleffs, Henrickgen Gerrit Aers, Geisgen Henricks, Liesbet van der Straten (doorgehaald: ende voert) alle convintualen van Sanct Agnieten cloester ter Elburg, angemerckt ende betracht hebbende, die gevaerlickheit deser turbulenten tidt in welcke wij ende onse convente geraken, ten groten achterdeel ende oeck besorgen, 't selve daechlicks in mehrer schade ende hinder soude muegen komen;soe is dat wij met guiden riepen raede ende onser aller vrijer wille, den eersamen ende vroemen burgemeisteren, schepenen ende raeth deser stadt Elburg om alle onraeth ende widere schade te verhueden ende voer te komen, gebeden ende to verscheiden malen opt alleruterste versorcht hebben, of deselve soude willen gelieven ons onse convent, conventualen mitsgaders alle incomsten ende renten 't onsen convente gehoerende, te willen acceptiren, annemen ende ontfangen, in haerluider protectie, defensie ende bescerminge 't welck, howel wij burgemeistere vorseit niet gern gedaen hebben, nochtans des convents ende conventualen vlitige bede ende versoecken voer billick achtende, uuyt beweechlicken oersaecken heurlueden tselve niet weigeren kunnen.
Hebben daeromme wij matersche, procuratersche ende voert alle conventualen, geene daervan uuytgesondert, in aller bester, bestendichster formen ende maniere van rechte, 't selve soude muegen gescheen, overgelevert, getransportiert ende opgedragen, overleveren, transportieren ende opdragen, mits desen den burgemeisteren, schepenen ende raet vorseit tot Godes ehre ende stifftung guide politie onse convent, onses convents ende tot onse convent behoerende tegenwoerdige ruerende ende liggende, haeff ende guideren, beweechlich ende onbeweechlich, gereedt ende ongereedt, alle breeff ende segelen ende voert alles wat wij hebben geenes uuytgesondert, voerbeholden, also onse medesuster Eeffse Greven, deur affsterven van haer suster om derselve kynderen te onderhouden van ons gegaen is, sal men deselve een vredelike affloeninge doen.
Hiertegen hebben wij burgemeisteren, schepenen ende raeth vorseit die matersche, procuratersche ende sementlike conventualen vorseit wederomme opt crefftigste ende bundichste beloeft ende togesecht, beloven ende toseggen bi desen, dese achter volgende puncte ende voerwarden te observiren ende te onderhouden.
In den eersten; tot die dertien voerbenoemde personen, den welcken wij beloven jaerlicks te betalen een ider van haer tot lieffpense, vijfftich gulden, ider gulden tot 20 stuver brabants gerekent. Met noch dre mudde clare guide droege winterrogge, Elburger mate ende noch een mudde guide boeckweyte, alle jaer op Martini in den winter verschinende, of veertien dagen daernae onbevangen, welcke vorseide rogge ende boeckweite sielueden sullen muegen ontfangen in affslach van haer summe, van Drees Henrickszoon ende Schuertges Jan, int Oldebroeck wonende, met het oefft op deselve erve wassende.
Ende sullen die vorseide vijfftich gulden op die vier terminen des jaers betaelt werden, alle vierdendeel jaers een gerecht vierdepart. Welverstaende, so haeste die vorseide matersse, procuratersse ende voerseide conventualen haeres cloesters ruimen, dat alsdan haerluiden betaelt sal worden, het eerste vierde part van de vorseide jaerlickse rente.
Beloven oeck wij burgemeisteren vorseit dese voergeseide dertien personen in te ruymen het bagijnenhuys bi der kercken gelegen, alwaer silueden haer woenplaetse rustelick ende vredelick, sonder enige beswaernisse van soldaten, wachten ofte schattingen, in alle vrijheit ende versekertheit sullen hebben ende haer levenlanck behouden, voerbeholden dat Mense Wolters woninge hierin niet en sal begrepen wesen.
Ende also voer dese tijt noch twe bagynen int selve baginenhuys sint wonende, als Ursele Nagge ende Hillichgen Lewen, sullen deselve eene kamer voer haer beide muegen beholden, ende sal oeck Anne Mommen woninge hierin niet gerekent worden, die welcke haer uuytganck nae die stadtmuere sal hebben ende niet naet baginenhoff.
Ende sullen oeck die voergeseide materesse, procuratersse ende conventualen eenen koelhoff die beste vor haer gebruicken.
Die turff, so voer dese tijt opt cloester bevonden wordt, sullen sie muegen genieten ende tot haer nodurft gebruicken.
Angaende den imboell ende huisgeraeth, althans noch opt cloester wesende, daervan sal een inventarium gemaeckt worden ende wat van dien, tot huisraeth ofte nodurfft haeres huisholdens van noeden sal wesen.
't Selve sal heurlueden vergunnet worden welverstaende dat 't selve te samen vorseit naer doetliken affganck wederomme erven ende vallen sall op die burgemeisteren, schepenen ende raeth vorseit.
Soe oeck imandt van dese genomineerde personen in enige onbehoerlike ontocht bevonden worde, deselve sullen van den burgemeisteren vorseit naer behoerlickheit gestraefft worden.
Ende so imandt van dese vorseide personen hem in den echten staedt wilde begeven ofte elders metten woninge vertreden, tselve sal heur geconsentiert worden, mitsdien sie beloefft hebben malcanderen gemack ende handtreikinge te doen. dat hem van dese rente vorseit affgeslagen sal worden naer guitduncken van den burgemeisteren vorseit.
Sullen oeck malckanderen alsulcke handtreikinge ende gerack doen, dat tselve sal strecken tot guide eendracht ende so hierin enige faute bevonden worde, sullen die burgemeisteren, schepenen ende raeth hierinne muegen versien naer behoeren.
Also oeck tot het convent vorseit summige guideren gegeven sindt tot behoeff van den armen, waertoe alle weke well een mudde roggen uuytgedeelt is, belove wij burgemeisteren, schepenen ende raeth vorseit hiervoer alle jaer den armen te geven twe ende vijfftich mudde roggen.
Sullen oeck die vorscreven burgemeisteren, schepenen ende raeth op hem nemen alle lasten ende beswarnissen, hantgelden ende bewijsslike schulden tot desen dach to gemaeckt.
Welcke vorseide puncten, voerwarden ende articulen wij matersse, procuratersse ende conventualen, metsgaders, burgemeisteren, schepenen und raeth vorseid beloven respectivelick onwederropelick t achterhouden, daertegen niet te doene off yet gehengen gesceen te laeten, sonder begeven ons alle hulpen ende middelen van rechten hoe die sint ofte eenen naem hebben muchten, geestlick of wertlick, die men hiertegen soude muegen gebruicken, alles sonder arch ofte list.
Oirconde der waerheit so hebbe wij mattersse, procuratersse ende sementlike conventualen onse convent segel onder op spatium doen drucken.
Aldus gedaen in onse convent opten acht endetwintichsten julii anno etc. XV LXXVIII.

Jan Peterszoen, secretaris.
1578.


Inventarisnummer 1438
28 Juli 1578.

Conventualen van het Sint Agnietenconvent en de magistraat der stad Elburg sluiten een overeenkomst aangaande de opheffing van het convent in 1578.

Wij Stijne Fletoers materssche, Stijntgen van Tongeren procuratorsse, Lumme van Hueckelom, Agnies van Huessen, Stijne Nagge, Mette Ponsteins, Geirit Nolssen, Stijntge n Roleffs, Aeltgen te Boecop, Greite Roleffs, Henrickgen Gerrit vuerseid, Geisgen Henricks, Lijsbet van der Straten, alle conventualen van Sanct Agnietencloester ter Elburg, angemerckt ende betracht hebbende die gevaerlickheit deser turbulenten tiden in welcken wij ende onsen convente geraken, ten groten achterdeel ende oeck besorgen t selve daechlicks in mehere schaden ende hinder soude muegen komen, soe is dat wij mit guiden riepen rade ende onser aller vrijer wille, den eersamen ende vromen burgemeistern, schepen ende rath deser stadt Elburg om alle onraeth ende widere schade te verhueden ende voer te komen, gebeden ende to verscheyden malen opt aller uterste versocht hebben of deselve soude willen gelieven ons onse convent, conventualen, mitgaders alle incomsten ende renten t onsen convente gehoerende te willen acceptiren, annemen ende ontfangen, in haerluiden protectie, defensie ende bescerminge, twelck howel wij burgemeistere vorseid niet gern gedaen hebben, nochtans des convents ende conventualen vlitige bede ende versoeken voer billick achtende, uuyt beweechliken oersacken, haerlueden tselve niet weigeren kunnen, hebben daeromme wij materssche, procuratorsse ende voert alle conventualen, giene daervan uuytgesondert, in aller bester bestendichster soemen ende manieren van rechten tselve soude muegen gescheen, overgelevert, getransportyrt ende opgedragen, overleveren, transportieren ende opdragen mits desen burgemeistern, schepen ende rath vorseid tot Godes ehre ende stifftung guide politie onse convent, onses convents ende tot onse convent behoerende tegenwoerdige ruerende ende liggende, haefff ende guideren, beweechlick ende onbeweechlick, gereedt ende ongereedt, alle breeff ende segelen ende voert alles wat wij hebben geenes uuytgesondert; voirbeholden also medesuster Eeffse Greven deur affsterven van haer suster om derselver kynderen te onderhouden van ons gegaen is, sal men deselve een vredelike affsoeminge doen. Hiertegen hebben wij burgemeistern, schepen ende rath vorseid die materssche, procuratorsse ende sementlike conventualen vorseid wederomme opt crefftichste ende bundichste beloefft ende togesecht, beloven ende toseggen bij desen dese achtervolgende puncten ende voerwarden te observeren ende te onderhouden;
In den eersten, tot die dertyen voerbenoemde personen, denwelcken wij beloven jaerlicks te betalen een ider van haer tot lieffpensie vijfftich gulden, ider gulden tot twintich stuvers brabants gerekent, mit noch dre mudde clare guide droege winterrogge, Elburger mate ende noch een mudde guide boeckweyte, alle jaer op Martini in den winter verschinende of veertien dagen daernae onbevangen, welcke vorseide rogge ende boeckweite sielueden sullen muegen ontfangen in affslach van haer summe van Drees Henrickszoin ende Schuertges Jan int Oldebroeck wonende, mit het oefft op deselve erve wassende. Ende sullen die vorseide vijfftich gulden op vier terminen des jaers betaelt werden, alle vierdendeel jaers een gerecht vierdepart, welverstaende so haeste die vorseide materssche, procuratorsse ende vorseide conventualen haeres cloesters ruimen, dat alsdan haerluiden betaelt sal worden het eerste vierdepart van die vorseide jaerlicksse rente.
Beloven oeck wij burgemeistere vorseid dese voergeseide dertyen personen interuimen het bagijnenhuys bij der kercken gelegen, alwaer sielueden haer woenplaetse rustelick ende vredelick, sonder enige beswaernisse van soldaten, wachten ofte schattingen,in alle vrijheit ende versikertheit sullen hebben ende haer levenlanck beholden, voerbeholden dat Mense Wolters woninge hierin niet begrepen sal wesen.
Ende also voer dese tijt noch twe bagijnen int selve bagijnenhuys sint wonende als Ursela Nagge ende Hillchgen Lowen, sullen deselve eene kamer voer haer beiden muegen beholden, ende sal oeck Anne Mommen wonige hierin niet gerekent worden die welcke haer uuytganck nae die stadtmuyre sal hebben ende niet naet bagijnenhoff.
Ende sullen oeck die voergeseide materssche, procuratorsse ende conventualen eenen koelhoff die beste voer haer gebruycken, die turff so voer dese tijt opt cloester bevonden wordt, sullen sie muegen genieten ende tot haer nodurfft gebruycken.
Angaende den imboell ende huysgeraeth, althans noch opt cloester wesende, daervan sal een inventarien gemaeckt worden ende wat van dien tot huysraet ofte nodurfft haeres huysholdens van noeden sal wesen, tselve sal huerlueden vergunnet wesen, welverstaende dat tselve tsamen vorseid naer doetliken affganck van haer wederom erven ende vallen sall op burgemeistern, schepen ende rath vorscreven.
Soe oeck ijmandt van dese genomineerde personen in enige onbehoerlike ontocht bevonden worden, deselve sullen van burgemeistern vorseid naer behoerlickheit gestraefft worden.
Ende so ijmandt van dese vorscreven personen hem in den echten staedt wilde begeven ofte elders mitter woninge vertrecken, tselve sal hoer geconsentijrt worden, mitsdien sie beloefft hebben malcanderen gemack ende handtreckinge te doen, dat hem van dese rente vorscreven affgeslagen sal worden nae guidt duncken van die burgemeistern vorscreven, sullen oeck malcanderen alsulcke handtreckinge ende gerack doen, dat tselve sal strecken tot guide eindracht ende soe hierin enige faute bevonden worde sullen die burgemeistern, schepen ende rath hierinne muegen versien naer behoeren.
Also oeck tot het convent vorseid summige guideren gegeven sindt tot behoeff van den armen waertoe alle weeke wel een mudde roggen uuytgedeelt is, beloven wij burgemeistern, schepen ende rath vorseid hiervoer alle jaer den armen te geven twe ende vijfftich mudde roggen.
Sullen oeck die vorseide burgemeistere, schepen ende rath op hem nemen alle lasten ende beswarnissen, handtgelden ende bewijsslike sculden tot desen dach toe gemaeckt.
Welcke vorseide puncten, vorwarden ende articulen wij materssche, procuratorsse ende conventualen, mitsgaders, burgemeistern, schepen ende rath vorseid beloven respectievelick onwederropelick tachterhouden, daertegen niet te doen, off yet gehengen gescheen te laeten, sonder begeven ons alle hulpen ende middelen van rechten , hoe die sint off eenen naem hebben muchten, geestlick off werltlick, die men hiertegen soude muegen gebruycken, alles sonder arch offte list.
Oerconde der waerheit, so hebbe wij materssche, procuratorsse ende sementlike conventualen onse convents segel onder an desen witentlick doen hangen.
Aldus gedaen op den acht ende twintichsten julii, anno vijfftienhondert acht und tsoeventich.

Jan Petersz., secretaris.


Inventarisnummer 1439

Stukken betreffende het geschil tussen de magistraat van Elburg en de pater van het convent aangaande de uitvoering van de overeenkomst over de opheffing van het klooster. 1578-1580.

8 November 1578.

1
Notulus craminus restium.
In sachenn der stadt Elburg contra das closter daselbst, 1578.
Elburch.

2
Notulus examinis testium etlicker tuigen in commission sacken so tusschen der stadt Elburg, und denn convent aldaer, durch den ehrenthafftenn und hochgelheerden Reinhardten van dem Sandt, der rechtenn doctorenn wegenn beider deelen irrongen, donnertags den 30en octobris anno LXXVIII verhoort und upgenhommenn.

Folgt inhaldt der commission.

Wij Johan Philips freyhers tot Hogensayen, herr to Say unnd Vorsteck doen kundt hiermede naedem een erbar raedt der stadt Elburgh met denn convent aldaer unlangst eeren verdrag gemaeckt daeraver, als wij verstaen, itzundt ichtwes irrungen und misseur standtz vorfallenn mag, so committeren und verordune wij hiemede enn erenthafftenn und hochgelheerden Reiner van dem Sande, dero rechtenn doctorenn und raedt ediewelike om dat annderer oersacken halven naer Elburg uyt unnserenn bevell verreysett,

2v
dat hij in eenen weg oock dissfals information nheme, unnd sulcke personen als hem der rhaet vorseit nomineren, unnd oeren kundtschappen schrifflich verfaten late und davan uns tot sijner wederkopst relation te doen, up dat wij nae befindingh die billicheit darin vescheidenn mogenn. In urkundt hebbenn wij unns met eigenen handt underschreivenn, unnd wallermeltes herrenn stathellders segel up spacium drucken latenn.
Datum Arnem den acht unnd twintichsten dagh octobris anno LXXVIII.
Philips freyherr zu Hogensayen.

Inhaldt deren durch den raet tot Elburg dem commissario vorbrachter, und den gezeugen vorgehaldter artycull folgt hernach.

  1. Dat vann wegen eines erbaren raets der stadt Elburg mit den conventualenn tot Sinte Agneten daselbst up oere bitte unnd begertte ein vurdrags handlunng

3

      den acht unnd twintigstenn dag july lestleden sij vorgenhommen unnd beschlotenn.

 

  1. Item dat bij desem verdrag van wegen berurtz conventz gewest sijndt Stijne Schlewars matersche, Stein vann Tongeren procuratersche, Lumme van Hueckelum, Stijn Naggen, Mette Pontsteins, Gerrit Nolssen, Stijntgen Roloffs unnd Griet Roloffs
  2. Item dat vorgemelte conventualen vor Agniess van Heussen unnd Alitgen tho Bockop gelofft, dat sie den verdrag mit genhiem haldenn unnd bewilligen sollden.
  3. Item dat der verdrag mit des conventz segell sey bestediget, unnd bevestiget worden.
  4. Item dat die conventualen uyt navolgenden ursaeckenn tot dem upgerichtem verdrag beiregt wordenn, nemblich dat sie sich im cloester nit langer underhalden mogtenn.
  5. Item dat oer pater nicht bequaem where

3v

    oer convent unnd dessen gueder to regieren.
  1. Item dat oer convent in groten schadten gekommen unnd noch wijders besorgdenn het mogte van dage to dage in mehrder schadtenn geraeden.
  2. Item dat derhalvenn die conventualen tho mehrmalen vor dem verdrag sich irer beschwerung beklaget unnd derwegenn einen erbaren raeth vorgemelter stadt Elburg (um allen verhadt unnd schadten tho verhoeden) uyt aller vlijtigst gebeden, sie die conventualen in iren schut unnd schirm nemen wolden.
  3. Item dat die conventualen allein ein lijffpension, als ein jede vifftig gulden tot 20 stuver brabantz denn guldenn gerekent, drij mud roggenn und ein mudt boeckweitz Elburgsche matenn in dem verdrag angenhomenn, unnd denn inhaltz desselbenn.
  4. Item dat die conventualen mit irem frijen willen einem erbaren raeth tot Elburg

4

      alle unnd jede ires conventz goeder ind bester formen rechtenns transsportirt und upgedragenn hebbenn, nichtes darvan aff noch uitgescheidenn.

 

  1. Item dat na dem verdrag des anderen dags etlicke conventualen sich beklaget dat etlicke oerer vrundt, ahn dem upgerichten verdrag gein gefallenn gedragenn, unnd sie darvan af to stain vermant hebbenn.
  2. Item dat dartegenn die conventualen denn burgermeister Lambert Francken gebeden, hij wolde ilens na Zutphenn tot meinen genedigenn heren stathellder reisen, unnd bij irenn edele umb bestettigung des verdrags anhaldenn.
  3. Item dat die conventualen als sie vornhommen dat mein gnediger herr stathellder den vorseide verdrag bestedigt, sich dessenn erfrewett und daran ein gefallens gedragenn.


Der eersten teuginnen kundtschap

4v
Steintgen vann Tongerenn procuratorsse Sinte Agnetenn cloesters binnen der stadt Elburg zu desent verhoer die erste vorgestelte teuginne, durch den vorgemeltenn herren commissarien vor den meineidt, und desselben schware straff unnd ungnadt, mit allen vlijtt trewlich avisirt und gewarnet, und volgends up alle vorgerurtte articull vyannirt unnd verhoert, segt und teugt den eerstenn whair sein.
Den tweedenn articull segt teuginne whar sein.
Teuginne up den derden artucull met vlijtt verhoert, segt den selven unbewost sein.
Den vierten articull bekent teuginne whar sein, ursaeck ires wetens angevende, dan die moder int convent hebbe den segell halen latenn, welckes sie in oeren bewaringe gehadt und sij gerurtt segell hiebovor in etlicken des conventz sacken gebruickt worden.
Teuginne up den 5,6 und 7 articull

5
verhoert segt dieselve whar sein.
Teuginne up denn achtenn articull vurhörtt segt denselven whar, uitbescheiden dat in teit des verdrags unnd nit tevorens sulcke ansoeckung bij dem rhaet tot Elburg geschehen.
Den 9e articull segt teuginne whar.
Der 10e articull is oer unbewost.
Up denn 11e articull sij sie teuginne nit designirt.
Teuginne folgendtz up den 12e articull verhoert, segt um alleen schaden to vermijden hadden sie conventualen begert, dat obgemelter verdrag durch mijnen edele herren stathelder mogte besettigt werden.
Teuginne ten leste up den 13e articull verhoert teugt, als sie conventualen vernhommen, dat ire edele den upgerichten verdragh besteddiget hadden, were inen sulcks leidt gewesen, dan sie gedaen als arme

5v
wichten besorgenet, dat die arme dardurch sollenn verkurt sein.
Als nun teuginne hiermit der kunetschap geschlotenn ist haer ein gewonnlick stillschweygenn upgelacht unnd ingebonden, und is willig dese ire kundschap inderteit mit irem leiblichenn nide to bekrefftigen.

Der 2e teuginnen uitseggungh oder kundtschap.
Gerrit Nolssenn die twede teugnisse, vor den meinneidt getrouwelick gewarnet und folgendtz up denn eersten und tweeden articull mit vlijt verhoert, segt dieselvige whair sijnt.
Up den derden articull teuginne verhoert segt sie hadden sich vertroest die benante personen sollen darmit to freden sijn.
Teuginne up den veirden, 5, 6, 7, 8 und 9 artickell vlijtig examinert und verhoert, segt die selvigen waar sijnt.
Up den 10 artickell teuginne underfragt segt, dat die updragt das cloestergoeder halven tempore imti contractus nit beschehen

6
sonder hadden einen monat uitstellungh gebeden.
Den 11 artickell segt teuginne oer unbewust sijn.
Den 12 artickell bekendt teuginne whar sijn.
Up den 13 und lesten artickell deponirt teuginne wie die vorige, dat het inen geruhet hebbe und damit oere kundtschap geschloeten.

Kundtschap der dritter teuginnen.
Lumme van Hoeckelum die derde teuginne, vor den meineidt unnd dessen straff treiwlick avisirt, darnae up den eersten und 2e artickell verhoert, segt die selven ires inhaltz whar sijn.
Up den derden artickell segt teuginne, die conventualen hedden sich verschen, dat die twe affwesende susteren mit den verdragh to vreden sollen gewest sijnn.

6v
Den veirtenn articull bekent teuginne whair, dan hebbe gesehen dat het segell daran gehangen sij.
Den 5, 6, 7, 8 und 9 artickell segt teuginne whar sijn.
Ingelijcken bekant teuginne den 10e artuckell waar sijn, Dan sij hedde oere goeder vermog des verdrags dem rhaet to Elburg upgedragenn.
Up denn elffdenn artickell deponirt teuginne unnd segt, sie hebbe wal gehoert dat Benting daran gein gefallens droege aver des dags seye oer vergeten.
Den 12 und 13e articull bekent teuginne whar sijnn.
Waedem nu teuginne wijders in deser saeckenn to teugen nit gewist, sonder hiemit oere kundtschap wo recht beschloeten, is oer dit ir geteugnus int gehiem to halden, een gewoenlick stilschwijgenn

7
uperlacht unnd ingebonden.

Der vierden teuginnen kundtschap.
Mett Pontsteins up den eersten und tweeden articull verhoert, segt die selve whar sijn.
Den derden artickell bekent teuginne whar, ursaeck oeres wetens seggendt dan Leissbeth van der Straetenn gesegt, darvor stae ick in.
Den 4e artickell segt teuginne whair, dan die moder dat segell gehadt.
Den 5, 6 und 7 artickell segt teuginne whar sijn.
Den achten artickell gloeft teuginne whar sijn, behalven dat sije nit den gantzen raets inhalt des articuls, sonder Lambert Francken burgermeisternn allein darom gebeden.
Den 9e artickell segt teuginne whar sijn.
Den 10 artickell belangendt segt

7v
dat sie conventualen der updrachten halven einen monat uitstellungh begert.
Up den 11, 12e unnd lesten articull segt teuginne oer unberrust sein und damit oere kundtschap geschloten.

Kundtschap der viffden teuginnen.
Steintgen Naggenn segt den 1 und 2e articull whar sijnn.
Den dritten nescit.
Den 4e articull segt wair.
Den 5, 6 und 7e articull segt teuginne dat wil seldigen schadens halven sie conventualen geleden unnd wijder to lijden sich besorgdenn, daher in den upgerichten verdrag sich ergeven.
Den achden nescit.
Den 9 glaubt whar.
Up den 10, 11 und 12e artickell teuginne verhoert, segt ir unbewust sein und alss baldt ire kundtschap geschlotenn.

Der 6e teuginnen kundtschap.

8
Giesgen Henrichs ires alters 21 jahr, segt den ersten 2, 3, 4, 5 und 6 articull whar sein.
Den 7e articull segt sie whar sein, und die vorseide procuratersse Tongeren, heb selbst tot ir gesagt dat het ir cloester langer nit also kundte staendt gehalden.
Den achtenn artickell bekent teuginne whar sein, dan sie hadden den raedt to Elburgh vor dem verdragh wall ersucht.
Den 9e artuckell bekent sie whar sein, unnd wie es den conventualen also gefallenn hadde, kondten derwegen dem raet mit ungoetlichs to meten, sonder hadten t' all mit vrijen willenn gedaen.
Den 10 und 11 articull nescit.
Den 12e geloefft whar.
Den 13e nescit umme damit ire geteugnuss geendiget.

Verslag der 7 zeuginnen.
Henrichssgen Gerritzeun segt den ersten 2e

8v
und dritten artickell whair sein uitgenhommen, sovil Agniessen van Huessen belangt, hefft sie geine wetenschap.
Den 4, 5, 6 und 7 articull gloefft whair sein, unnd segt sie hebbe den burgemeister Lambert Francken angesprocken.
Den achtenn und 9e articull bekendt teuginne whar sein.
Up den 10e examinirt nescit.
Den 12e gloefft whar sijnn.
Up den 13 articull deponirt teuginne wie sie gehoert, darup gerichter verdragh van meinen gnedigenn herren stathelder sey bestettigt unnd ratificirt, hetten sij conventualen sich deswal etlicker maten erfrewet aver destomehr bedrofft, dat man denselven nit underhalden wolle, sovil daran gein gefallens gehadt.
Sagt schiesslich man kunne van rechtz und billigheit wegen gerurtz burgermeisters wort nit straffen, dan hij der saecken gans vurschuldig were.

9
Unnd is hiermede der teuginne uingewoenlijck stilschwigen upgelacht.
Deposition der achten teuginnen.
Griet Roloffs bekent den 1, 2e und 3e artickell whar seinn, segt aver sie hadden des to doen gein macht gehadt.
Den 4e articull bekent teuginne whar sein, dann sie alle darbij gewest.
Up den 5, 6 und7 artickell sagt teuginne dat die grote gefhar unnd boess geschrey, als dat man die cloester verwijlen, unnd die conventualen uitjagen woll, sie tot dem verdrag benoegt.
Up denn achtenn artickell segt teuginne uit itzgemelter ursaecken hadden sie gemelten raets tot mehrmalen umbschut unnd schirm angeroepen. Den 9e articul segt teuginne whar sein.
Den 10e unnd elfften segt nit whar sein.

9v
Den 12e segt whar mit dem vorbehaldt dat sie nit gewist wilgemelter burgemeister Lambert Francken na wolgemelten unseren gnedigen herrenn stathelder ghen Zutphenn reysenn und umb bestedigung vilaneregtes verdrags anhaldenn, sonder heb gemaeint, datt eine andere bei iren edele ansehenlicke person dat selve verrichten soll.
Den 13 und lesten artickell nescit, und darmede ire getuignus geschloten.
Kundtschap der 9e teuginnen.
Leissbet vann der Straten bekent den erstenn, tweeden, derden, und vierden artickell whair sein, dan sie teuginne darbei wer und angewest.
Up den 5, 6 und 7e artickell teuginne verhoert, deponirt darup wie die negste.
Den achtenn articull nescit.
Den 9e artickell segt teuginne whar sein.
Den 10, 11 und 12 artickell nescit.
Damit ire kundtschap schluitende.

10
Den 30e und 31e octobris obgemelte teuginnen verhoert, so alle ire geteugnus mit oiren eiden in teit der noot to bewheren sich angeboden.
Den eerstenn novembris nhafolgende geteugen tom derdemall durch den heren commissarien verhoert.
Eeffe Greven burgersche der stat Elborg die 10e teuginne, meineeden und desselven straff trowelick erinnert unnd geavisirt und folgenden up den 9e artickell insonderheit examinirt und verhoert, teugt dat Mett to Pontsteins ein gerhunne teit vor den verdrag gekhommen sij tot des burgemeisters Lambert Francken huiss und begert er wolle doch ein gunstigs einsehen doen, und den convent raeden helpenn, wie sie sich fortan inn closter underhalden moghenn, dan sie musten fortan oires cloosters goeder verkoepen ofte versetten.
Teugt ferner dat na der teit suster Tongeren procuratorsse vorseit tot ir teuginnen kommen, sie gefordert unnd van wegen Mett to Ponsteins, Griet Roloffs unnd Gerrit Nolssen irenn

10v
mit conventualinnen begert, sie teuginne mit oir int cloister kommen wolden, welcks sye dann oeck affgeschlagenn.
Item dat gemelte suster Tongerenn domals dese oersack berurtter irer bitt vermeldet, die burgemeister wollen doch ein gunstiges einsehen doenn, undd mit inen allso handelenn, dat die armen nit verkurttet, und sie conventualen ir notturfftig underhaldt bekommen mogten.
Bekent weider wie die conventualen sie teuginne folgendtz nochmals tot sich gefordert, wie sie aber nu int clooster gekommen, hette sie teuginne obgemelte dry gesusterenn neben Leissbetenn van der Stratenn bei einander befonden, diewelcke tot haer gesegt. Sie wollden dem burgemeister Lambert Francken angeven, haer pater where des conventz gueder to regieren nit bequaem. Nha der tijt where sie teuginne uit rath Ottens van Heteren int clooster gegaen, und mit denn conventualen underreddung gehadt, van einer lijffpension van vijfftig kaysers gulden

11
unnd vann einer jerlicker rog renthen, tho weten dry mudd roggenn, und ein mudt boeckweitz, darto die armen jarlichs 52 mud roggenn Elburger maten hebben sollen, und dat alles mit diesenn geding. Dat sie conventualenn uit den convent ins begijnenhuyss, bei denn kerckhoff gaen, unnd drei und drei bei ein anderen ire wonung anfangen wolden. Up solckes der conventualen begert aver where obgemelter burgemeister Lambert Francken up einen mondag vormiddag int cloister khommen, unnd mit deir convent vann wegenn eines erbarmen raetz die saeck na form und weiss wie boven gemeldt vordragenn, Iedoch den sembtlichen susteren ir berodt und bedencken biss up den middag gegeven, allso der verdrag schrifftlich verfat den conventualen drymals vorgelesen, oeck durch suster Leissbet van der Straten mundtlich verholet, alsspaldt mit des convetz siegel in irer aller gegenwerdicheit versiegelt, unnd darup tot irer tien der conventualen dem burgemeister vorseit die handt gegeven. Wie nu

11v
etliche dage nha ufgerichten verdrag die conventualen vurnhommen, dat drost Henrich Bentinck nha Zutphenn bei meinen gnedigenn herren stathelder vrij sen wolle, hetten sie gedachten burgemeister Lamberten gebeden, sij wolle sich haesten, umb nha Zutphen tot iren edele tho reisen, dat hij fur dem drosten (sovillicht den verdrag umstoeten, und anders iren edele vorbrengen mochte) daselbst anqwiem, damit ire kundtschafft geschloten willig sinde imfall der noot mit einen gewonlichem eide to bekrefftigen.
Tot afflhenung des gerurtten conventz unnutzes und hochbeschedelichen achterklappens (als dat gemelter burgemeister Lambert Francken sie mit geinen listen tot dem verdrag gebracht, sondeer sie hem offtmals darumb gebeden, und bitten laten) designirt der burgemeister noch to geteugen. Namblich Reiner Derickxsen, Jan Meijen, Peel Hulman, Egbert Hullman, Anna Derixssen, Hannich van Putten, Jacob Janssen und Jacob Lubberssen.

Des elffde geteuge.

12
Reiner Dericxsen teugt, dat hij nha dem verdrag met suster Metten Pontstein van dem bemelten verdrag gesprocken, und nit anders van ir berichtenen mogen dan dat sie mit dem selben vor het eerst wall tho freden wheren, und vor vier dagen ungeverlich hette er teug mit suster Giessken Henrichs in bei sin Geeson Veelings, und Bertgen Knijpers gesprocken, waher sie den burgermeester so ovel naredten, als weren sie durch hem tot dem verdrag gebracht, hedde sie geantwort, dat man hem ein sulkes nareden wolle, geschehe hem unrecht. Dan hij inen conventualen eerlich darvan nit gesegt, sonder sie hadden hem burgermeesteren tselve eersten angegeven.
Obtulit se ad juramentum und is dem teugen ein gewoonlich styllschwijgen uperlacht und ingebonden.
Kundtschap des 12 geteughe
Jan Meijen teugt, hij hebbe van suster Tongeren procuratorssen eigentlich gehoert, dat sie bekandt hedde, wo der verdrag tuschen einen erbaren raedt, und den conventualen were mit irer aller freier wille (behalvenn

12v.
twe susteren, so domals nit inheimsen) upgericht und besteddiget. Edoch dweill sie die eersten die in deesen furstendum Geller die veranderung gemaickt, wollden sie wal, dat sulkes nit geschehen where, want sie sich tho befruchten hedde, daer don Jan dat landt verderumb inkriege. Dat sie alssdan van dem iren verdrieben und verjagt werden sollen, sonst bekennendt, dat sie gemelten burgemeister darumb tot mehrmalen angesucht und gebeden, dat sulken verdrag tuschen inen mochte gemackt werden. Der thoversicht, der burgemeister, als een frommer man inen wall hallden solle, wat hij hunluiden gelofft und versprocken hedde, und damit seine kundtschafft geschloten.
Obtulit juramentum pro confirmatione sull depositionis.

Des 13 geteuge deposition.
Peel Hulman der 13 geteug avisatus peruerij eiusqz poen[.] teugt, ime kundig unnde bewost syn, ho die voorseide procuratorsse ungeverlich vor acht dagen, vor synen hauss gewest

13
do hadde hij underanderen des gerichten verdrags underredung mit oer gehadt, fragende ho sie conventualen tot deesen verdrag qwemen hadde sij geantwort, het is met unser allen freien wille geschien. Darup hadde hij teuge gesagth, tot den avergeven is nochtans gein raet, so antworden sie teuginne alspaldt, wij hebben gedaen als ein hoep gecken, und hij teug sagte darop, gij hebt nochtans mit geenen gecken tho doen. Obtulit.

Der 14 geteug.
Egbert Hullman teugt voir der negste teug, und sagt sonst hij hebbe darbij gestanden, und sulcks gehort. Obtulit se ad furamentum.

Der 16 geteug.
Anna Derixsen teugt, ho ungeverlich vor drij weecken sie ter Gerrit Nollssen in oer huiss tot ir gekommen where, domals sie beide van der vorseide verdrags handelung geredt,

13v
und hadde sie teuginne hemelte Gerrit Nolssen gefragt, wo sie darto qwemen off der burgermeister Lambert Franck, sie darto gebracht oder wie es geschiedt, und thogangen where, hedde Nolssen vorseit geantwort, etliche seggen dem goeden man tselve nha, aver sie doen hem ungelijck. Wij hebben hem darum gebedenn, unnd is der verdrag mit unser aller wille geschehen, maer hebben gedaen als ein hoep gecken, het berhuert uns nu gnug, und wollen dat idt uitgeschehen were. Teugt ferner, wie suster Nolssen vorseit gesagt, dat irer dry Lamberten vorseit tho huiss gesucht, aver nit fonden hedde, om hem daraff tho sprecken. Obtulit se ad juramentum.

Des 16 geteugen ussage.
Henrich van Putten teugt, het sij ungeverlich sijnen weken nha dem verdrag geleden, dat hij mit der procuratorssen suster Tongeren na Zwol gefharen, so hedde sie ungefordert sijner gesagt, lieve Jacob mij is so lieff, dat ick tin nju geseggen en kan. Wij hebben durch

14
underhandelungh Eeffsenn Greven, mit dem burgemeister Lambert Francken wegen unsers conventz eenen verdrag gemackt, alsdat wij nu rust hebben sollen, als ick hoep, und sall eine jede suster ein ehrlich und erhalt krijgen, datt overloopt wil ick den armen geven, und beger idt lenger nit dan een jhar. So ick bij mijne vrunden reisen wil. Der burgemeister hefft uns seer lieff gedaen, dat er uns desen dienst und frundtschap beiwesen hefft, dan ons kloester liep in groote schuldt. Die jungen treckent al na haer, und wij allde stock krijgen nit darvan, hebben oeck sulke rentmeisters gehadt, die tsamen in oeren sack trecken. Obtulit.

Des lesten und 17 geteuge kundtschap.
Jacob Lubberssen teugt, wie hij van de procuratorssen Tongeren und Gerrit Nolssen in dat convetzkerck nha dem verdrag sij gefordert worden, van van hem teugen

14v
begerende hij wollde tot dem burgemeister Lambert Vrancken gaen, und hem dahin vermogen, dat sie in oeren cloester blijven, und thogesegter lijffpension sicher sein mogtenn. Mit underanderen verklarende, dat man gedachtem burgermeister woll nha seggen, als dat hij ir cloester mit listichheit tot dem upgerichtenn verdrag bracht hedde, daran dede man oevel, dan sie conventualen den goden man etlicke mal darum gebeden hadde.
Hiermede der teug sijnn kondtschap geschloten, willeg sijnde in tijt der noot, dieselve mit sijnem leifflicken eede, wo recht, tho bekrafftigen, darup hem oeck ein gewoenlick stijlschwigen uperlacht und ingebonden.
Und dweill ich Lambertus Haerenius von Dalen diser commission sachen adiungirter notarius bei furstellung, ufnhemung und abhörung aller obgemelter gezeugen gewesen

15
ire aussagh uf des obgemelten herren commissarij genhomene information, beschrieben, und sonst allen anderen vorgelauffenen sachen beigewhönt, als hab ich in urkundt der warheit, iegenworttigen notulum examinis testium in dise form redigirt, und denselben mit eigener handt geschrieben und underschrieben, den 8e monatz dag novembris anno etc. 78.
Lambertus Haerenius.

17
24 April 1579.

Wj verordenthe rhaden dess furstendombs Gelre und graiffschap Zutphen doin kondt und bekennen mytz desen unsen apenen placait, alsoe uns bij burgermeisteren, schepenen und raidt der stadt Elborch tho erkennen gegeven, dat die conventualen van Sinte Agniten binnen der selver stadt niet tegenstainde seker verdrach als tusschen die vander stadt und den vurgenoemde conventualen, mit vorweeten des wollgebaren unsers genedigen heren stadthelder op gericht is, dan vilmeer tot affbruick desselves solden understain alle ire meubelen, als koyen, peerden und andere dingen tho vercopen und omuittelicken omthobrengen, als oick die pachten die Martini ierstkommende verschinen sullen, albereitz op mercklichen schaden inthoforderen,und tontfangen, wyr sij dan oick alsulcken pachten oick thom deel al ingeboirtt solden hebben, dair durch dan geschapen iss, dat alle des conventz guederen inwendich korter tijt tot undergainck solden geraden. Dweil uns dan in sulcke und derglicken saken operlachtes offitij wegen geburt, geburliche inscheungh tho dragen. Und dairinne vurthosien dat alsullcken underganck in tijtz vurgekommen werde. Demnae ist es an dem, dat wij in craffte deses unses apenen placaitz gecommittiret hebben und committiren mitz desen Henrichen Joachims gesworen gainde bade der cantzelrijen in Gelderlant, um sich tho verfuegen bij die personen van Gerrit then Holte, scholtis tot Epe, Wilhem Heuckel, scholtis tot Dornspick und Sijmon van Cleeff richter int Oldenbroick. Und den selven sampt und besonder wail scherpelicken und op peene van hondert golde cronen, tho befelen om anstondt alle behinderungen het were dan durch publication under kercken offte mit andere alsulcke middelen als sij elcx besonder sullen het bequaemst tho sijn tho behinderen, dat die vurgenoemde conventualen van alsulcke guederen als sij onder der selver ampteren hebben liggen geene vercopinge noch enige opneminge van penningen offte opboringe van enige pachten die noch yerst op Martini verschienen sullen, sunder voirgainde verwilligungh deses hoves, an doin op peene dat alsulcke vercopingen, opnemingen van penningen und opboiringen van pachten vur nul und van onweeredn gehalden sullen werden. Deses tho warer oirkondt der Coninklijck Majesteits secreer segell hieronder opt spatium gedruckt.
Gegeven to Arnhem den 24en aprilis XVc LXXIX.
M.W. Luijssken.

Dorsaal:
Het contract tusschen de stadt ende convent wordt van den edele Hove tegengesproken, anno 1579.

18
3 Maart 1580.

Marginaal:
Dir her stadtholder ordoniert dem ernvesten Heinrick Bentick drosten up Veluwen, dat he ambtshalbe desen suppliant die handt bieden, up dat hett verdrag tuschen den magistratt und den convent ter Elburch upgericht, und seiner […] ratification daerop gefolgt ter behorliken execution gebrocht, unnd die suppliant in die werckelike possission gestellet werden, biss ter tijt und wijlen to,dat bij seiner […] anders darin werde geordoniert. Actum ter Elburch den 3 marty 1580.
Johann zu Nassau Catzenelnbogen.

Aen hooge und wolgeboren hern, hern Johan, graven tho Nassow, Catzenelbogen, Vianden und Diest, hern tho Bijlstein, stadtholdern und capitein generael des furstendumbs Gelre und grafschap Zutphen, unsen genedigen hern.

Geven gar underdeniglick tho erkennen burgmeisteren, schepen und raidt der stadt Elburg, […]el sie supplicanten vur ein jar geleden mit den conventualen deser stadt ein verdrag ingegen und upgerichtet, warin genante conventualen all oire guideren den burgmeisteren vurseit upgedragen und versegelet; und volgend van j.g. darup ratification gnediglick erlanget; dat doch lijkewel sie supplianten tho noch niet hebben muegen in der sulven gebruick und possess koemen. Darher dan idt guidt vast tho groten nadiel der stadt verbraght und van etliken olden conventualen (welke geruerte verdragshandling wal solden willen holden, overst van summigen jungen verhindert werdt) groot gebreck geleden werden.
Hadden dan dess guideren meistendiel in dem drost ampt van Veluwen gelegen; und sie supplicanten sunder dessulven drosten niet recht in der guideren gebruick kunnen koemen;
Langger mit desem na j.g. gantz underdenige beden dersulven gelieve van deser saken mit dem durchlichtig hooghgeboren fursten und hern, hern Wilhem, prince tho Uranien tho spreken, dat ir f.d. gelievede den drosten Benting tho untbieden, und sijn lieve ernstlick

18v
bevelen, dat desulves ex officio dese supplicanten in dersulven possessionen und gebruick wulde stellen und darin handhaven: up dat einsdiels die guideren tho wolfarth deser stadt und dersulven armen, anderdiels tho underhaldongh der gemenen conventualen meugen angewendet werden.

19v
Dorsaal:
Elborch bitt or excetion des verdrags um den conventualen alhier ufgericht.

20
Den edelen erentfeste fromen ersamen beste ende vorsichtigen ritterschapen und gesanten der steden deses furstendombs Gelre und graeffschaps Zutphen.

Verthonen ende gheven in aller oetmodicheit to kennen heer Gerrit Heckins pater, mit sampt die mater procuratorsche ende gemene conventualinnen van Sinte Agnieten binnen der stadt Elborch, wellicher gestraft und sich onlancx reden heeft toegedragen, (met dat den raedt derselven stadt was verandert) dat ettelicke hem heben onderstaen, onder die gemeente to verspreijen, als wold men oer voerseide convent plunderen, beroeven, hun supplianten wech jaegen ende folgents hun goederen benemen ende dergelijck gewalt mit hunluyden aenrichten. Derhalven dat deselve susteren beanxtet ende bevreest zijn worden, vuermits desen grouwelicken, benauwden, ende oproerisschen tijden iegenwoerdich zijluyden als onnoesele onvervarens, soe sdeels alde, schier buijten oeren tijt, sdeels jonge, besorgende zij dergestalt solden worden verjaecht, waerdurch dat zij hun soeverre hebben laeten verleyden, dat eene van oer raedt heefft gesecht aen eene vanden burgemeisteren aldaer, ende denselven gefraecht, het sij supplianten sullicke ellende souden moegen ontgaen ende vermeyden. Waerop hij haer bejegents, zij solden met een jaerlicxe lijffpense hun behelpen.

Waernae dat id voerst gebuerden, dat twee vanden burgemeisteren mitten secretarij in id voerseide convent gecomen sijn geweest, dit wellicke die voernoemde conventualen hebben doen vergaderen, daer den voerseide pater ende eenige olde susteren, tom deel oick ettelicke jonghe susteren nitt tegenwoerdich hebben geweest, ende derselven susteren voergehalden dat oere ersaeme die geprosesside persoenen met een zekere jaerlicxe rente wilden verwissen uuyt des voerseide convents goederen tot oere nootrufft ende onderhalt, und id averentzige gantz ende geheelick, den armen to goede to willen latten comen. Waermede dat zij desselffs convents zegel hebben becomen gehadt, dat zijluyden sullicx versochten, hun verbiedende hiervan niemanden to sullen melden. Waerop die voernoemden burgemeisteren vanden wolgeboren heeren Johan graven tho Nassouwen Catzenellenboge, stadtholder zeker approbatie van bewilligonge unde consent (doch sub ende opreptrelick (als in soe grooten ende wichtigen saecke to geschien wel behoert hedde), geconsenteert, erhalden ende verkregen hebben. Sijn voerts daernae ettelicke derselven burgemeisteren in id selve convente gecomen, ende boven ende beneden versocht, ende folgents alle die goederen geinventarizeert, ende eenen budel mit gelt gehadt, twellick sij denselven conventualinnen elcx hebben willen toetellen, ten eynde dat sij id selve convent solden verlaeten. Edoch die daerinne begeerden to blijven, wolden zij hun daerinne een woeninge op eenen oert wijsen, dan hebben die voerseide supplianten tgheen gelt willen ontfangen, want zij tgeenssins der meinonghe en waeren, oer convent to willen verlaeten.

Edoch soe eenige van hun waeren, die sich muchten ontgaen hebben, oder yetwess geconsenteert sullicx waere om oirsaicken vurseit durch oere onnosel onwetenheit geschiet, dess zij groot leetwesen hedden. Boven desen hebben die voerseide burgemeisteren in id selve convent eenen predicant gefuert, die ter weecke twee oder driemael compt prediceren, alsoe dat die vurseide supplianten durch den oeren diensten hebben moeten laeten staen. Die wijle dat die voernoemde supplianten niet en weesen, off zijn genade van dese saecke eijntlicken berichtet, und (allet ende underdanige correctie) off zijn genade alleen buyten oere gheestelicke overicheit ende buyten consent des aertszhertoughen Mathias van Oostenrijck als gouverneur ende capitein generael van alle dese Nederlanden, reprecenterende Coninklijke Majesteit als fursten tho Gelre unnd graven tho Zutphen) sullicx mechtich geweest. Mede geconsidereert wess bij die parificatie van Geindt ende der Provincien Union, daerop gevolcht, yeder soe gheestelick als wertlick in sijnen stadt wess tot bijkomst der Generaele Staten van alle die provencien tho sullen laeten verblijven, als uwer edele ersame lieve ende goede ongetwijvelt wael bewust is.

Soe hebben zij arme desolate personen niet kunnen onderlaten, uwer edele ersame lieve ende goede,dese tot zijn weerdigen saicke zeer oidtmoedelicken tho kennen tho geven. Om Godts will biddende, tot conservation des voerseide convents, daerinne soe voel goede luyde kinderen zijn, ende voerhin oick hoichlofflicker gedachten hertoch Kaerls van Gelre mueye geweest, noch onlancx verstorven, ende degelicx veele aelmissen den rechten armen gegeven zijn, des man sich totten armen wichteren binnen ende buyten der selver stadt gerefereert will hebben, dat uwe edele ersame lieve goede believen will onsen genadige heer den stadtholder daertoe to berichteget id voerseide approbatie alss sub ende obceptijs, durch sinistere ende ongegrunte informatie gegeven, to niette to doen ende aff to stellen, ende id selve convent in sijne voergaende olde religie ende dienst inder kercken, mit oick in id gebruyck oerer goederen (sonderlinge soe id gheene wat hierinne misgrepen ende mishandelt niet (alst behoert) eensamentlick ende eenhellich mit gemeinen consente geschiet) verblijven to latten.

Immers ter tijt ende wijlen toe, dat t achtervoligende die pacificatie van Gendt, bij die Generale Staten deser Nederlanden, anders geordonnert sall zijn. Mit oick achtervolligen den am junghsten bezworenen Union, ende religions vrede op ten selve pacificatie gevollicht. Edoch indien men eenige predicanten der gereformeerde religion toe laeten will, dat dieselve oere predication halden in anderen plaetzen ende oerteren daer id bevonden sall worden to tbehoeren, ende hun arme supplianten tegen die up pacificatie ende ordennantie, in deser gestalt niet to bedroeven. Hebben oick mede die voernoemde burgermeisteren ongeveerlick veerthien daghen herwerts denselven pater buytten de voerseide stadt doen keeren. Mede dienstelick biddende, dat oere ersame geordonneert mach worden, denselven pater vrij ende onbespiert soewel inde voernoemde stadt Elburch, als in sijnen convente to doen ende laeten comen sonder hem diensthalven in eenigerley wijsss tho molesteren. Sullicx doende

21
Den edelen erentfesten fromen ersamen discreten unnd zeer voersichteigen ritterschappen und gesanten dess furstendomes Gelre ende graeffschaps Zutphen.

Verthoenen ende gheven in aller oidtmodicheit te kennen heer Gerrit Herkins, pater mit sampt mater, procuratorsche ende gemeine conventualen van Sinte Agnieten binnen der stadt Elborch, wellicher gestalt id onlancx is geleden, woe dat den raedt binnen der selver stadt was verandert, dat aldaer sich hebben onderstaen gehadt onder dit gemeinte te doen verspreyen als wolde men oer convent plunderen,beroven ende folgents die susteren wech jaegen, die goederen benemen, ende dergelijcke gewalt mit hunluyden aenrichten.

Derhalven dat deselve susteren beanxtet ende bevreest zijn worden, vermits desen ellendighen grouwelicken benauwden ende oproerisschen tijt iegenwoerdich zijluyden, als onnoeselen onvervarens, soe sdeels alde schier buyten oer tijt, sdeels jonge, besorgende zij dergestalt solden worden verjaecht, waerdurch dat sij hun soe verre hebben laeten verleiden, dat eene van hun raedt gesocht heefft gehadt aen eene vanden burgermeisteren aldaer, und gefraecht hoe zij sullicke t ellende souden kunnen vermijden ende ontgaen, waerop hij haer geandtwoert, zij solden met een jaerlicx lijffspence hun beholpen. Waernae dat id voerts gebuerden, dat twee vanden burgermeisteren mitten secretaris derselver stadt in oere voerseide convente gecomen sijn geweesen die wellicke die susteren hebben doen vergaderen, waer dat die vurseide pater, ende eenige olde susteren tom deel ick ettelicke jonghe susteren niet tegenwoerdich in hebben geweest, und deselven voergehalden, dat oere ersamen ene geprofesside persoenen met een zekere jaerlicxe rente wolden doen verwissen uuyt des voerseide convents goederen tot oere noottrufft und onderholt, und id andere overentzige convents goet gantz unde geheelick den armen to goede laeten kommen.

Waermede dat zij desselffs convents zegel hebben bekomen, dat zijluyden sullicx versochten ende hun verbiedende hiervan niemanden to sullen doen vermelden. Waerop deselve burgermeisteren vanden edelen und wolgeboren heeren Johan graven tho Nassouwe, Catzenellenboge, statholder, zeker consent van bewilligonge (doch sub ende obrepticelick, dewijle die vurseide pater, nog dat gantze convent niet daerinne openbaer (als in soe groote ende wichtige saecke wel behoert hadde gehadt ende noodich to doen geweest waert) geconsenteert, erhalden ende verkregen hebben. Sijn voerts daernae ettelicke derselver burgermeisteren inden selven convente gecomen boven ende beneden binnen versocht, ende folgents alle die gereede goederen geinventariseert, ende eenen budel mit golt gehadt. Derhalve dat sij den voerseide susteren ellicx wat hebben willen toetellen, ten eynde dat sij id selve convent alsoe souden verlaeten. Edoch die daerinne begeerden tho blijven, wolden zij hun een woeninge daerinne op eenen oerdt wijsen. Dan hebben die selve voerseide susteren tgheen geldt willen ontfanghen, want zij der meinonge tgheenssins geweest, oer cloester to willen verlaten.

Edoch soe eenige van hun waeren, die hun mochte ontgaen hebben, oder yetwes hebben geconsenteert, sullicx waerom oirsaicken vurseit durch oere onnoeselheit ende onwetenheit geschiet, des zij groot leetwesen hadden. Boven desen hebben die voerseide burgermeisteren in oer convent eenen predicant gefuert, die des weecke twee offte driemael kompt prediceren, alsoe dat die voerseide supplianten durch dien oeren dienst hebben moeten laeten staen. Diewijle dat dese voernoemde supplianten niet en weten, off zijn genade deser saecken halven eyntelicken berichten, und (allet onder onderdanighen correctie) off zijn genade alleen buyten ore gheestelicke overicheit, ende buyten consent des aertzhertouge Mathias van Oostenrijck als gouveneur ende capitein generael van dese Nederlanden

representerende Coninklijke Majesteit als fursten to Gelre ende graven to Zutphen sullicx mechtich geweest oick nog is. Mede geconsidereert, wes bij die pacifficatie van Gendt ende der Provincien Union daerop gevolcht, yeder soe gheestelick als wertlick in sijnen staet wes tot bijkompst der Generael Staten van alle die provincien tho sullen laeten verblijven, als uwer edele ersame genade ongetwivelt alles wel bewust. Soe hebben sij arme desolaten uwer edele ersame lieve ende goede dese tegenwoerdige saicke zeer oidtmodelick to kennen to geven. Om Godts willen biddende, tot conservation des voerseide convents, daerinne soe voele goede luyden kinder zijn ende voerhin oick hoichlofflicken gedachten hertouch Kaerls van Gelre moeije geweest noch onlancx verstorven, den dagelicx veele aelmissen den rechten armen gegeven sijn, des men sich totten armen wichten binnen ende buiten derselven stadt gereferirt will hebben. Dat id uwer edele ersame lieve ende goede believen will onsen goede heere den stadtholde daertoe tot berichten, id selve approbatie van consent als sub ende opreptijss durch sinistere ende ongegrunte informatie gegeven, to niette tho doen ende aff te stellen, ende deselve convent bij sijne voergenoemde olde religie ende dienst der kercke rait gebruyck oerer goederen, (sonderlinge soe id gheene wat hierinne misgrepen ende mishandelt niet, als id behoert , eynsamentlick ende eynhellich meer gemeinen consente geschiet) vorblijven to laeten.

Immers tot tijt ende wijlen toe dat achtervoligende de pacificatie van Gendt bij die Generaele Staten deser Nederlanden anders geordonneert sall zijn. Mit oick achtervolgende den am junghsten bezworenen union ende religions vrede opte selve pacificatie gevoegt. Edoch indien men eenighe predicanten der gereformeerde religion toe to laeten is gemeint, dat dieselve alsdan oere predication doen ende halden. In anderen plaetsen ende verteren daer id bevonden sall worden to behoeren, ende hun arme supplianten tegen die voerseide opgerichte pacifficatie ende ordonnantie in deser gestalt niet to bedroeven. Hebben oick mede die vurseide burgermeisteren ongeveerlick veerthien daghen herwerts deser voerseide pater uuyt dye voerseide stadt vander Elborch doen keeren, twellick alsoe niet en behoert nede dienstelick biddende, dat oer erfgenamen geordonneert moege worden, denselver pater soe wel binnen die voerseide stadt, als in zijn convente, vrij ende onbespiert te laeten komen, sonder hen in eenighe deele tho molesteren. Sulcx doende.

23v
Los vel:
Een supplicatie vande pater und conventualen dat sie gedreecht binnen geweest om te plonderen waer over dinge olde busterij verbaest, und den burgmeister gevraecht ho se het maecken solden und hij gesecht huer mit alimentatie to sullen behelpen, om dat sulcx gescheet is buiten kenisse vande pater und jonge susteren versoecken supplianten dat die ridderschap und steden haer edele gelieven anden stadtholder tho verstercken, dat die ratificatie vercregen doer op sinistere informatie to niete mach gedaen worden.

24
Aen den edelen erentfesten fromen ersamen discreten wijsen und seer voersichtigen ritterschappen, und gesandten der steden deses furstendoms Gelre und graeffschaps Zutphen yetzonder alhier bynnen Arnhem versamelt.

Gheven in alle behoerlicke reverentie und oetmoedicheit to kennen die pater mater unde samentlicke conventualen van Sinte Agneten bynnen der stadt Elborch, woe dat am lesten die burgemeisteren der selver stadt etlicke der selver conventualen bijden anderen hebben doen vergaderen, ende mitten selven enen accoordt geholden, sonder dat die pater voerschreven daerbij geroepen offte aen offte over geweest sijn. Und is Lambert Franckensz als burgemeister bij den selven pater in idt bowhuijs des voerschreven convent gecoemen, ende heefft die selve pater totten voernoemde burgemeister gesproecken ende gesacht, wilt gij die susteren bedriegen, wanneer ghij nu idt seegell van onsen eerwaerde heere den stadtholder heb verworven he wolt gij dan idt segell van onse geestelicke overheit den generall bekhoemen, waerop hij geswegen.

Sijn daerneffens die voerseide susteren egewerlt der meinonge geweest, dat sij in idt vermeinte verdrach hebben willen consertieren, allet nae verder inhalt sekere hyer bij gevoechde certificatie und op dat die voerseide supplianten wederomme in oeren voerigen possessie end verbruycke gestelt souden moegen worden, hebben tot dien eynde opten 27en dach deses loependes maents octobris sekere requaete aen u voer edele ersame lieve ende goede overgegeven, waerop all noch niet en is geordonniert. Bidden daeromme gantz oetmoedelicken, dat idt uwer edele ersamen lieve ende goede (om boven verhaelde redenen, end oeck om idt gene inden selve requeste wyders staet verhaelt) gelieven weijll indersaecken alsoe to ordinieren ende doen versehen als uwer edele ersame lieve ende goede bevinden sullen to behoeren. Dit doende etc.

25
Heeren Gerrit Heckens, pater van Sinte Agneten convent bynnen der Elburch tuycht und affermiert voer die waerheit, dat verleden tijt doen die burgemeisteren der selver stadt etlicke synes conventual susteren bijden anderen hadden doen vergaderen, und daermit den accordt hielden bijden secretaris doen schrijven, und met conventz segell besegelt, hij pater daer niet bij geroepen noch over geweest en is. Sulcxs geschiet sijnde was der burgemeister Lambert Francksz bij hem getuyge in heur bowhuys gecoemen. Doen hadt hij tegens Lambert gesacht, burgemeister, wilt gij die susteren oeck bedriegen wanneer ghij om idt segell van onsen edele heer stadtholder hebben verworven, so woll gij idt segell bekhoemen van onse geestelicke avericheit die conventualen, waerop dselve Lambert had gezwegen van hem getuyge affgegaen.

Aver etlicke dagen daernaer waeren Jan van Wijnbergen, Lambert Franckensz met etlicke vanden scepenen oeck den secretaris met den stadtdienar Jacob Janss in des pater kaemer gecoemen, seggende, pater wijlt gij nu well, so willen wij u helpen, wilt ghij oeck niet, wel soe konnen wij u onthelpen. Waer hij getuyge antwoerde sulcx was in sijnder macht niet buyten sijn averheit. Hadden hem die burgemeisteren soe voell woerden gegeven, dat hij van daerop sijn slaepcamer gegaen, was daer soe hem heden gevolcht, hem aldaer int lange angesproecken. Edoch konden van hem getuygen anders geen antwordt bekhoemen. Dan begeertden hij getuyge men soude sijn convent laeten bij olde privilegien nhae vermoegens oer verschrijvongen end die pacifitatie van Ghendt, doen had die stadtdienar Jacob Janss gesacht, men kan van den pater anders geen antwordt bekoemen, wat wijl dy hem mehr quellen, hij mocht daerduer ein plage opt lijff krijgen. Doen hadden sye idt gerede guedt opter kamer wesende beschreven und daermit affgegaen. Verclaert oeck mede hij getuyge dat hij van suster Agnes van Huessen und oeck van den anderen conventuaell susteren verstaen hefft, dat dselve Agnes in dit verdrach niet en heefft willen consentieren noch daerbij noch daeran geweest is, ende die eerste reyse doen tvoerseide verdrach worde gemackt, geschreven und besegelt

Was suster Aeltyen to Boeckop to Campen, und niet to Elborch geweest
Suster Aeltyen to Boeckop verclaert bij oer waerheit dat der tijt als die burgemeisteren met etlicke der conventual susteren een verdrach hadden beschreven end besegelt, dat sie der tijt bynnen Campen und niet bynnen der stadt Elborch geweest is, dan aver etlicke tijt daernhae doen sie weder in oer convent was, waren wederom deselve burgemeisteren in den convent gecoemen hebbende die burgemeister Bartolt Veege een buydel gelt, wolden jeeder suster een penninck op handt geven vermoegens oer verdrach. Had die burgemeister Lambert Franckensz verscheyden woerden voertgebracht, waerop sye getuige had geantwordt, mijn vrunden dese dingen staen mijn geensins aen, und en will voer mijn persoen daerin niet consentieren.

Und sie had conscientzij als solde men den elendigen armen soe voeill to cort doen die daegelicxs voer dueren oiren aelmisen haelden. Waerop die burgemeister Lambert Franckensze antwoerden, laet mij daervoer sorgen, dat neme ick op mij. Daerop sye getuijge sachte, dat moech dy op u nhemen soe gij des verstaedt. Seggende sye getuyge wijders, ick begeer in dit convent (volgens mijne geloffte) to leven und to sterven, soe waer mij dat Godt Almechtich und goede luyden vergunnen willen. Edoch so het ons niet mach gebueren begheer ick van des cloesters niet want idt hoert mijn niet toe, dan allene tgene ick daerin gebracht heb ende meer niet, daervoer will ick los ende ledich daeruuyt gaen. Verclaert oeck mede, doen dese punctatie der penningen geschiede dat daer suster Agnes van Huessen niet tegenwoerdich en was, oeck int beginsell vant verdrach niet tegenwoerdich geweest en is, soe sye getuyge van die selve Agnes als van die andere susteren verstaen heefft. Und dat ter selve tijt suster Stijntgen Maggen op die plaetze groete krenckte van begavinge avercoemen is, also die sie oer daervan hebben opgeboert und grote elende daeran gesien.
Suster Gryte Roeloffsche tuycht dat Agnes van Huessen bij dat verdrach voer noch nae daran noch aver geweest en is, und heefft geensins daerinne willen consentieren und dat dselve Agnes van Huessen durch dit verdrach verstoert is worden, und dat

Aeltynn to Boeckop die eerste reyse, doen dat verdrach geschreven end besegelt worde to Campen was, und dat int schrijven desselven verdrachts Lambert Francxss sachte, leest noch eens van voern an elck van die susteren willen to hoeren off daerto weynich offt to voeill in waere, waerop sye getuyge had geantwordt, wij verstaen dat schrijven nyet, ghij moecht idt schrijven soe het u goetduckt. Daerop Lambert Franckess sacht, ick sall bij die susteren doen gelijck een vader bij sijn kinderen doet. Doer sulcke oersaecken hadden sye tverdrach durch onwetenheit doen bezegelen.
Ende wij getuijgen voerschreven to samen hier in der stadt synde bynnen orboedich tallen tijden tgene hier voerschreven is mit onsz eedt to bestendigen und voerden aenwesenden ritterschappen und eenen yederen aldus geschiedt to sijn gestandt te doen etc.

27
Aenden Hove van Gelderlandt.
Voor 24 april 1579.

Verthonen zeer dienstelick to kennen gevende die burgtmeisteren schepenen und raeth der stadt Elborch, hoe dat zij supplianten zeecker tijt geleden mit voorweeten van zijn genade een accoort mitten conventualen van Sinte Agnieten binnen der selver stadt gehalden und opgericht hebben, waermit zij supplianten alle de goederen vanden convente aen haer hebben und den conventualen een zeeckere penninck taectice daer voor uuytrichten solden. Dat zijn durch tot doen van sommigen wezgerich gevallen dselve goederen tot behoeff van oir supplianten to ruymen, is nu zoe hoe dat zij supplianten en gewisse ervaronge zijn gekommen, dat die conventualen vanden selven convente niettegenstaende tselve accoortz alle oeren meubels als koeyen, peerden und andere dinghen vercoepen und onnuttelick ombringen, als oick die pachten die Martini eerstkommende eerst verschinen zullen algereets ontfangende und opboerende sulcx dat geschapen is dat alle de goederen vanden selven convente binnen corten tijde, (soe veere egen versiehongh daertegens en geschiet) onnutelick omgebracht willen worden. In consideratie vanden bidden und verzoeken zij supplianten zeer dienstelick dat u weledele und lieve gelieven willen haer supplianten mit to deylen zeeckere opene placaetz baeve wae amt den drost Bentinck den scholtissen tot Eep, Dorenspijck, und den richter int Oldenbroeck sampt allen officeren daer under die goederen gelegent zijn bevolen worde egene vercopinge der selver goederen opnemongh van penningen, offte opbeurongh van enige partien to gestaden, und dat voorts den selven zonder octanz deses hooffs, und dat nu voortaen u weledele und lieve geleiven veillen een van hair supplianten daer toe to committeren die dselve goederen administreert mitz doende taeclich reekenende und reliqua, ter tijt toe anders up 2 vorige verdrach geordonneert zall zijn. Op dat dselve goederen alzoe ommittelick niet verbracht und egene andere inconvenienten daer uuyt en spruyten dit doende etc.

Dorsaal.
Supplianten der stadt Elburg an cantzeler und raidt overgegeven van den guideren der conventz en dat haer edele gelieven wil, daer over een rentmeyster den harer te stellen.

29
Am 4 january anno 80 sind burgmeisteren und raidt up idt kloister gegan, und den gemeinen conventualen vurgeholden, nadem sie vast grote swarige hadden, und van vuelen behulduern (als ihe ersame wel dencken kunnen) niet kundig krijgen, wie der halve nodigh were, dat ghij ein guet renthmeister gestellet wurde: Und darum sie up den raidthuse solden koemen, und aldar vur den schepen ihe schuldt und unschuldt untdecken.

Erschinet darup am volgenden vijftien dage in der gemeinen conventualen nahm der pater, und seget, wie sich de conventualen mit den ander beraden und gesloten sind, dat sie tho gelegender tijtt sullen einen guiden burger oft twe enwelen muchten tho renthmeisteren, darmit die guider recht muchten regiert werden.

Am maindage den 25 januar hebben burgmeisteren und raidt den diener Dirreck Jacobss in geschickt an den kloister, um der procuraterschen Lijsebeth, Ailtyn tho Boekop, Gerrit Koldtijs, Griete Rodulphs und Mette Pundsteinss anseggen laten, dat sie an volgenden wunsdage dem 27 dersulven maindt vur den gemeinen schepen solden koemen und aldar ihe rekenschap doen van untfangh und uthgift, darmit de schepen muchten weten hoe idt mit den kloisterguideren stunde, und war sie gebleven.
So nu genanter Dirrick am gesetten dage dan weder hin geschicket um sie tho halen heft he aldar nymand gevonden dan Grietken van Tungeren und Johanniken Johanss van Dorenspijck: want

di dueren gesloten weren dat he bij nymandt mege kunde koemen: wardurch de schepen niechts hebben kunnen utrichten.

Am vurgemelter dage is de pater vur den schepen erschienen, und den burgemeisteren up sijner rede geantwordt, dat he van des convents guideren nichts gebueret, derhalven darvan gien rekenschap doen kunde.

Secht wijder, dat he van der procuraterschen gehoret hebbe, sie wullen wel na older gewuenheit nakumschap doen vur den pater und gemeinen conventualen; doch wulde men ein guidt man darbij hebben, darmit weren sie wel tho vreden.

Der schultheiss Arnt van Holthe und der secretaris Johan van Holthe sind am dage underschreven uth begerend und bevel der gemeinen schepen hin gegan an dem convent, und den susteren Mette Pundsteinss, Ailtgen tho Boekop, Grietken van Tongeren, Griete Roduphs, Henrickgen van Wessingen, Lijsebeth van Straten und Gerrit Noldts vurgeholden und gevraget, off sie bij denn mit den schepen geholden verdragh begeren tho blijven. Warup der schutheisser und Gerreth vurseit van ihn gien eigentlick bescheidt hebben kunnen bekoemen mehr begeren vier dagen uth stellingh.
Actum […] january.
[na den vier dagen is nichts daruth gevolget].

Am dage underschreven hebben burgmeister und raidt mit den ander geordonneert und gesloten, dat de gemeine conventualen van Sinte Agnieten sich vermuegen den geholden verdragh twe und twe tho samen in ein kamer int baginenhuiss sullen geven: aldar willen ihr ersamen ihn guidt underholdt bestellen, und einen guiden disch holden.
13 Martij anno 80.

Burgmeisteren und raidt sind mit einander gesloten dat men Ailtgen tho Boekop, Lijsebeth van Straten und Griete Rodulphs mit punder sal beden, dat sie sullen koemen und rekenschap doen van ihren untfang und uthgift.
Am 24 aprilis anno etc.

Dirrick Jacobss gerichtdiener gichter, dat he gisteren mit Albert Gerritss sijnem gesalen uth bevel de burgemeisters sij gewest an dem convente, und Ailtgen tho Boekop, Lijsebeth van Straten und Griet Rodulphs geboden vur den gemeinen schepen tho koemen und rekenschap tho doen bij ein libra.
Am huidigen dage weder Lijsebeth van Straten und Griete Rodulphs geboden bij twe pundt, und ihn bevolen, sie solden datsulve Ailthen tho Boekop anseggen. Idt welcke sie belovet tho doen.
26 Aprilis.

Up der bodingen vurseit sind vur dem gerichte erschienen Lijsebeth van Straten, Gerrit Noldts, Griete Rodulphs und Ailtken tho Boekop, welken

30v
die gemeinenschepen vurgeholden, dat die procuratrix van ihnem untfang und uthgift rekenschap doen. Andtwordt darup dat sie rekenschap gedan hebben na older gewuenheit vur den gemeinen conventualen, und twe loffwerdigen luiden nemlick Gerlich tho Water und meester Albert Boldt; und darna ihre rekenschap durgeschreven, vertogen und verplucket: derhalven sie gien rekenschap weder vur den schepen darvan doen kunde.
Geschehen an 27 april anno etc.

Am 27 aprilis Dirrick Jacobss na sijner giechungh de vurseide conventualen gebodet bij 3 libra.

Am 4 may gichten de dieners vurseit wie sie bovengenanten susteren ondentlick na ein ander geboden, und de leste boding gescheidt sij bij 100 libra.

Am 8 may gichtet Albert sie gebodet tho hebben bij ihr burgerschap.
[darup sie uth der stadt geweken]

Ex protocollo Elburgæ per me Johannes Holthenum ibictem á secretis.

Los vel:
Verbael van procedure der stadt mit den conventualinnen des cloosters om reeckenschap van de goederen te hebben conform het contract onder partijen obgericht.

31
Aenden Hove van Gelderlandt.

Verthonen u wel edele und lieve zeer dienstelicken to kennen gevende die burgemeisteren, schepenen und raeth der stadt Elborch, hoe dat sij supplianten den 21en may deses, verleden maents u wel edele und lieve hebben gedemonstreert gehadt, welcker gestalt sij unlancx leden mitten convente van Sinte Agnieten binnen der selve stadt, durch den edelen und erentfesten Bartolt van Denth, heer tot Loenen und Sander Bentinck als daer toe verordente commissarien deses hooffs zijn verdraegen worden, als nementlick datt sij supplianten, conventualen jaerlicx tot alimentation yeder uuyt richten solden vijftich carolus gulden, drie molder roggen und een mudde boeckweyts, und die vanden conventualen aver die 70 jaeren olt waren noch twyntich gulden meerder. Mitsgaders noch vierhondert daler jaerlicx tot onderhalt twee predicanten, und tot onderhalt van twee schoolmeisteren tweehondert daler. Und solde die overige rest tot behoeff der stadt aengelacht worden, tot welcken eynde voorts een rentmeister tot admnistratie der selver goederen zolde gestalt worden (als sulx die selve requesten aen u wel edele unde lieve gepresenteert breder vermelden is, tot dien eynde hierbij geexhibeert. Und alzoe dan sij supplianten woe sij oock bij den voorseide requeste to kennen gegeven hebben, tot fortificatie der stadt well van noden hadden den somma van drieduysent carolus guldens. Daerop zij consent versochten omme enige landen tot Dorenspijck den convente competerende to moegen verpanden oft vercopen.) Soe ist dat u wel edele und lieve daerop geordonneert hebben die saecke bij advys to halden tot dat die staet des convents goederen gemaeckt und volgentz mijn edele heeren overgelevert solde zijn, als uuyt die apostille breder to sien is. Und tselve nu alzoe geschiet zijn, verzoecken sij supplianten derhalven alnoch mijn

edele heeren consent und acte van ratificatie in forma omme die landen tot die voorseide somme toe to moegen verpanden ofte vercopen.
Verzoeckende tot dien eynde, op dat die fortificatie der stadt te bequamen, und ten minsten costen moege geschien. Dat die patenten hier to bevorens aen Dorenspijck und Oldenbroeck gedepescheert ten eynde dat zij sich binnen der selver stadt zolden ersuegen, omme aen die fortresse to arbeyden etc. morgen gerenoveert worden, dit doende etc.)

Los stuk.
Versoeck anden here van Gelderlandt, dat magistraet vander Elburch enige cloesterlanden tot behoeff van fortificatien souden moegen verpanden. Derwijl de magistraet het overschot boven de alimentatie to quam, gelijck doer die gecommitteerden vanden raet gelijck hier in to sien is was to gestain.

33
3 Maart 1580.

Marginaal:
Der herr stadtholder ordoniert dem erntfesten Henrick Benting drosten up Veluwen, dat he amptshalven desen suppliant die handt biede, up dat idt verdrag tuschen dem magistrat und dem convente ther Elburg upgericht, und O. G. ratificatien darup gevolgt ter behorliken execution gebragt, und die supplianten in die werckelike possession gestalt werden, biss ther tijtt und wijlen tho dat bij sijn G. anders darin werde geordonniert.
Actum thoe Elburch den 3 marty 1580.
Johan Graff zu Nassaw Catzellenbogen.

Copie.
Hoogh und wolgeborenen hern Johan grave tho Nassauw etc.
Geven gar und underdeniglick tho kennen, burgmeisteren, schepen und raidt der stadt Elburgh, wiewel sie supplianten vur ein jar geleden mit den conventualen deser stadt ein verdragh ingegan, unde upgerichtet, warin genante conventualen all oir guideren den burgmeisteren vurseit upgedragen und versegelet, und volgendt van j.g. ratification darup gnediglick erlanget: dat doch likewol sie supplianten tho noch niet hebben muegen in der sulven gebruick, und desselves koemen dacher den idt guidt vast tho groten nadiel der stadt verbraght. Und van etliken olden conventualen (welcke geruerte verdragshandling wel solden willen holden, averst van summigen jungen verhindret werdt) groet gebreck werdt geleden. Nadem den dese guider in den drost ampt van Veluwen meistendiel gelegen; und sie supplianten sunder dessulven drosten niet recht in recht in der guideren gebruick kunnen koemen: langet an j.g. in gantz underdenige bede dersulven gelove van deser saken mit den durchluchtigen hooghgeboren fursten und heer printzen tho Uranien etc. tho spreken, dat ihr f.d. gelievene den drosten Benting tho untbieden und sijn e.l. erustlick bevelen
dat desulve nu officio dese supplianten in dersulven possession und gebruick wuld stellen, und darin handhaven: up dat einsdiels die guideren tho wolfarth deser stadt und dersulven armen, anderdiels tho underholding der gemeinen conventualen muegen angewendt werden.
Copiert bij mij Johan van Holten, secretaris der stadt Elburg.

Los stuk:
Supplicatie vanden magistraet an grave Johan van Nassauw dat haer edele inbroeck geschiet vanden drost Bentinck, der het contract tusschen haer edelen und conventualen , dewijl de goederen meest onder sijn gebiedt waren, liggende daer bij apostille anden vurseide drost van den heer stadtholder, dat he sal ampts halven die supplianten de handt bieden. Dat het verdrach tusschen die magistraet und begijnen opgericht und bij sijn edele geratificeert, tot behoerlicken executie mach gebracht worden.

34
28 Maart 1580.

Copia.
Matthias von Gottes gnaden, ertzhertzogh zu Ostereich, hertzog zu Burgunde, Steyer, Karndten, Crayn etc., grave zu Habsspurg und Tyroll etc., gubernator und capitein generael der Niederlandenn.

Wolgeboren, edle, ernveste, ersamb elarth und weise liebe besondern, was unss weghen pater, mater und sambtlichen convents junckhfrawen Sinte Agnesen in Elburgh, supplicando demutighst angelanght unnd was sie darrauff an uns flehelich gebetten, das habt ihr aus beyverwartten scrifften nach der langhe zuvernemen. Weill dan der sachen halber hirbevor die supplicantynnen bey mich auff vergangenen in octobris gehaltenen landtag doch in Arnhem suppliciert, ihr auch domaels daruff appostilliert. Unnd nuch die egenschafft unnd geschrift der sachen bisher dan alhir bewust, alss haben wir nuch dise sache darumb hirmit zu schicken wollen. Und ersuechen demnach nuch guedig, tragenden gubernanientz halber aber ernstlich bevelende, das ihr hier dermassen auf ietzychen landtag disponiert und ordiet. Wie solchs die gebur und redlicheit hinschet, damit beiderseitz soe wil mochlich die billigkait gehalten, die suppliantentynnen daruber niet beschwert werden, unnd voir weittern anclagens geubrycht sein werden. Daran geschicht unser gnedigher will unnd maynung, unnd seind euch in gnaden und allem guiten wolgewoghen.
Datum Antorff denn 22en marty anno etc. 1580.
Matthias.
Noch legher stondt Johan van Langen.

D'opscrifft was dese.

Genedige, wolgebornen, edele, ernfeste, ersamb, glarth, und weisen unsern lieben besondern statthaltern, bannerhern, ritterschafft und stedten des furstenthumbs Gelre und graffschafft Zutphen alder derselben deputierten an yrtze zu Arnhem auff dem landtag versamblet, zampt und sonnder.

Los stuk:
Die pater, mater, end conventualinnen, suppliacoren an sijn hoicheit dat sie magistraet, howel haer edele vande landtschap was belast haer to sullen laten bij haer olde possessio, noch leten puliceren haer goederen to willen verpachten, und alwede gedan, waer op dit is gesonden anden heren stadtholder, end anden Staten des Landts, om op het inhouden van dien versehen to worden na behoer.

34v
22 maart 1580.

Marginaal:
Sijn gesonden annden heren statholder ende staten des furstendombs Gelre ende graeffschap Zutphen, om op dinhouden van dien versehen to worden naer behoeren.
Gedaen tAntwerpen den 22 marty 1580.
N.Gille.

Copia.
An sijne Hoicheit.
Begeren gantz oidtmoedelicken, ende in alle behoerlicke reverentie tho kennen die pater, mater, ende sementlicke conventualynnen van Sinte Agnieten bynnen der statt Elborch, woe dat inden voerleden jaere van 79 die burgermeisteren, schepenen ende raedt derselver stadt der meynonghe gantzen waeren, ter cause van een vermeint onbestendich verdrach (waer inne die voernoemde supplianten niet en hadden gecosenteert) hun van oire goederen (totten vurseide convent gehoerende toe willen ontsetten ende frustreren, sonder datt sij dieselve vortaen tot oeren meesten oirboir souden khummen offte moegen gebruicken, twellick gehelicken contrarie die opgerichte ende alhier gepublicierde parificatie, ende oick daer op gefollichte religions vrede was streckende, waeromme dat die vurseide supplianten uuyt hogher indringen der noot tenselven tijde veroersaeckt sijn worden. Idt selve der ritterschappen ende gesanten der steden deses furstendoms Gelrhe ende graffschaps Zutphen (opten 29 dach in octobri lestleden bynnen der stadt Arnhem versamelt) clachten bij requeste to kunnen toe gheven. Ten einde dat alsullicke onbehoerlicheit affgestalt, ende sij folgentz bij oiren olden gebruicke ende prossesie oirer goederen gehalden, ende gehanthavet souden mogen worden, waerop dat bij oire edele, erntfeste, lieve ende gunsten den voergeruckten heren burgermeisteren, schepenen ende radth scrifftelicken ende mit ernste bevolen is gewest, den voernoemde supplianten in oeren convente ende possessie derselver goedern rustelicken ende vredelicken to doin ende laetten verblieven, ter tijt toe dat bij die alinghe lantschap daer inne anders geordonneert soude wesen. Wie uwe Hoicheit idt selve uuyt sekere gegevene approbatie ende daer op gevollichten bevelen der voerseide ritterschappen ende stedegesanten (waervan copien hierbij gevueght) verteickent mit die l.ren, A ende B opt genedighst sall hebben tho vernhemen. Unnd soewell die vurseide supplianten gantzlick verhaept hadden, dat dieselve bevelen ende ordonnantie bijden voornoemde regierders derselver stadt onverbreckelick souden hebben worden naegeleefft ende vollentogen

sonder ytwes contrarie van dynen vorder to attenteren offte voer te nhemen, hebben evenwaell oere ersame nu wederomme ende opnieuwes sich wel tenieren laetten lusten 1 opten lesten dach nu in januario lestvergangen bynnen derselver statt Elborch, ende oick ter Oesterwolde openbaerlicken doin affworpen. Datt sij alle desselffs cloosters landen ende goederen (soe well buyten als bynnen der vriheit derselver stadt gelegen) opten doen tercompstigher woensdach wollen doen verpachtenn, ende verhuyren, allet van inhalt der cedulen waervan affschrifften signiert mit C ende D oick hierbij gelacht sijn. Uuyt cracht van wellicke voergenoemde opworpingen, sijn alle oere goederen ende landen aen verscheiden persoenen ende bisunder ann tween vande vurseide burgermeisteren die eene genant Bartolt Vegen, ende de ander Mariss ende oick bij twee derselver stadtdienars gepachtet gewest. Daerbeneffens hebben oire ersame des paterscamer, mit sampt derselver suppliantinnen werff ende slachthuiseren bynnen idt selve cloester doen toemetselen ende verschijden duyren daerann (responderende ende aende straett) laetten maecken, waerinne datt zij oick diverse personen mit voele kinderen beladen zijnde gestalt, ende tot oere woninghe toegelaetten hebben. Hebben oick mede die porte van oire bouwhuis doen toesluyten, sonder datt zij supplianten dieselve tot oiren willen mochhen doin openen, dan moten voer eerst daervann consent annden selven burgermeisteren verwerven. Worden oick bovendynn die voornoemde supplianten noch dagelicx mit thien ofte twinttich soldaten zeer hoichlicke bezweert ende averfallen, ende dat boven die ghoene die hun toegelacht worden diewellicke sij dagelicx oick tot derthien personen, groot ende cleyn, mit cost ende dranck onderhalden moeten, die evenwall anders niet en arbeiden, dan id selve clooster tho vernielen, mede inde gront to bederven ende tho devasteren. Alsoe datt

35
dieselve soldaten tegenwordelick oeren vrijen ganck daerdurch hebben ende nhemen, derhalven datt zij bedruckte supplianten niet en weten, alwaer datt sij sijch mit vrijer harten (soe verre dae inne bij uwe Hoocheit als die hoochste honnericheit en sonder worden verschen) langher sullen hebben to erhalden, twellick (leider Gott) to beclaghen staet. Unnde deweile id dan gantz onbehort dar weder alle billicheit is strecknde yemanden in sijne hebbende olde gewoente ende rustelicke ende vreedsame possessie tho verkorten offte toe vernaedeilen, wie ietzonder well contrarie van dien teghens hun supplianten bijden vurseide […]gierders derselver stadt Elborch wordt vorgenomen. Dwelcke alsoe to verschien niet en behoirt. Angemerckt sij sich in alles (als die gehorsame) id sie mit schattingh offt leeninghen tho gheven, offte ennighe contributien to doin, to allen tijdengoet ende bereitwillich nae oere gelegenheit hebben doin ende laetten ervinden, soner alnoch enich gebreck daer inne toe hebben laetten vallen. Unnd sunst allet doende, twelck hun ennigsins moegelick is. Zo dem sijn die vornoemde supplianten langhe der meinonghe gewest, wie oick noch, tot vordell des vurseide conventz, een offte twee goeden rentmeisteren tot administratie van oire goederen te hebben willen stellen, diewellicke dieselve verpachten ende folgentz alle jaer van oiren ontfanck ann hun supplianten offte andere (des verstande hebbende) gehalden souden wesen, rekeninghe ende bewies ende reliqua to doin. Want indien dieselve verpachtongen (soe nu bijden vurseide burgermeisteren is geschiet) soude worden toegelaettenn, souden in sulcken gevalle alle desselffs conventz goederen veralieniert, ende folgentz hun ende denselven convente nu ende ten ewighe daghen affgetoghen sijn ende blijven. In considiratie van dien, unnd op datt hier inne behoerlicker weyss bij uwe Hoocheit versehen, ende folgentz derselver ritterschappen ende gesanten der steden opgerichte ordonnancien

35v
ende bevelen, onverbreckelick naegeleefft ende geobediert, ende sij supplianten oick bij oere goederen ende convente in conformiteit des tractaetz vur Venloe ende andere notoire deser landen, privilegien, rustelicken ende vredelicken moegen worden gehalden ende gehanthavet. Iss daeromme hun supplianten zeer oetmoedelick bidden ende begeren, dattet uwe Hoecheit (tot conservatie derselver supplianten gerechticheit) gelieven will aenden voernoemde burgermeisteren, schepenen ende raeth derselver stadt Elborch to doin scrieven, daerbij oire ersame mit ernste bevolen ende geordonneert moigen worden, anstont ende sonder vertreck alle die onbehoerlicke verpachtongh vander supplianten guederen toe casseren ende to niet doen. Ende folgentz oick denn pachteren, soe bynnen der statt ende derselve vrijheit sijn wonende, to bevelen, sich mit oere verpachte landen niet toe bekroeden, dan gelicken daer van affstant to doin ende folgentz dieselve tot vordell van hun supplianten to ruymen ende hun daer mede als mit oer eigen goet to doin ende laetten bewerden, als sulcx van oltz gebruickelick is. Ende daerbeneffens hun supplianten mit id toeleggen der knechten vortaen niet hogher toe belasten, dan wie sullicx nae billicheit, recht ende equiteit bevonden sall worden toe behoiren, ende hun oick mede vann die dagelicxe aencomende soldaten toe vrijen, ten eynde datt sij supplianten in oer cloester rustelick ende vredelick verblijven moeghen. Unnd oick id ghoene bij oere ersame in id selve cloester is toegemaeckt, id selve anstont tot ordell ende behouff van hun supplianten to doin openen, sonder hun vorder toe bedroeven, unnd datt oick mede aen Henrick Bentinck drost van Veluwen, ende aenden richter int Oldebroick, Sijmon van Cleve (onder wiens ampten derselver supplianten verpachte goederen sijn gelegen) gescreven moeghe worden. Den pachters mit ernste daer toe te halden ende tee bevelen, sich derselver

36
suppliantynnen goederen niet toe bekroeden offte toe onderwinden, dan hun deselve to doin ende laetten volghen sonder sich des ennichsins weigerich toe maecken bij pene die ongehorsame daer vur ann to sehen. Een eynde datt sij supplianten offte oere renthmeisters daer mede moghen doen, soe tot vordell van hun, ende denselven convente bevonden sall worden te behoiren. Unns sunst hier inne toe ordonneren, als woe Hoocheit tot behoeff vann hun supplianten bevienden sal toe behoeren, op datt dieselve bevelen ende ordonnancien der vurseide ritterschappen ende stede gesanten, mit sampt die tselve pacificatie, ende daerop gevolchte religions vrede niet illusoer, dan in oeren puncten vollencomelick naegeleefft wordenn moeghen. Unnd dit alles ter tijt ende wijlen toe, dat bij bannerheren, ritterschappen ende steden des furstendombs Gelrhe ende graeffschaps Zutphen anders geordonneert sall wesen. Dit doende etc.

37
voor 29 Oktober 1579.
Marginaal:
Soe die ersamen vander Elborch affscrifft vergoust van die gisteres daghes overgegevene supplicatie, dat dieselve tijt sullen genieten die supplicatie to beantworden, doch dat midler tijt die pater ende conventualen blieven sullen inden vurseide oiren convent. Ende die goederen desselven in oeren gebruick behalden, wire biss anher gedaen ter tijt toe anders bij der lantschap sal worden ordoniert. Actum Arnhem bij verordente ritterschappen ende stedegesanten der drier quertieren, Nijmegen, Ruremunde, ende Arnhem, den 29 october 1579 onderstont uutth bevelh derselver onderteickent. Wetten secretaris.

Copia.
Ainden edellen, erntfesten, fromen, ersamen, discreten, wiesen unnd seer voersichtighen ritterschappen unnd gesanten der steden deses furstendombs Gelrhe ind graeffschaps Zuthen, ietzonder bynnen Arnhem vursamelt.

Gheven in alle behoerlicke reverentie ende oitmoedicheit toe kennen, die pater, mater ende sementlicke conventualen van Sinte Agnieten bynnen der statt Elborch, woe dat ahm lesten die burgermeisteren derselver stadt ettelicke derselver conventualynnen bij den anderen hebben doin vergaderen ende mitten selven een accord geholden, sonder dat die pater vurseit daer geropen offte aen offte over gewest zie. Unns is Lambert Franciss als burgermeister bijden selven pater in id bowhuis desselves conventz gecomen, ende hefft dieselve pater totten voirnoemde burgermeister gesproken ende gesacht, wilt ghij die susteren bedrieghen, wanneer ghij nu id zegel van onsen here den stattholder hebt verworven, soe wold ghij den idt zegell van onse geestelicke oevericheit den generael becomen. Waerop hij gesweghen etc. Sijn daerbeneffens die vurseide susteren niewerlt der meinonghe gewest, datt zij in id vermeinte verdrach hebben willen consenteren, allet nae verner inhalt zeeckere hierbijgefuighte certificatie. Unnd op datt vurseide supplianten wederomme in oere vorighe possessie ende gebruicke gestelt souden moghen werden, hebben tot dien einde opten 27 dach deses lopendes maendz octobris zeeckere requeste aen uwer edelen, ersamen, lieven ende genadighen avergegeven, waerop alnoch niet en is geordonneert, bidden daeromme gantz oetmoedelicken, dat id uwer edelen, ersamen, lieven ende genadighen (om boven verhaelte redenen ende oick om id ghoene inde selve requste widers staet verhaelt) gelieven will inder saecken alsoe to ordonneren ende doen versahen, als uwer edelen, ertfesten, lieven ende genadighen bevinden sullen to behoiren. Dit doende etc.

38
30 Oktober 1579.

Copia.
Ersame, wijse unnd vursichtighe gunstighe goede frunden, wellicher gestalt die pater ende conventualen van Sinte Agneten bynnen der statt Elborch residierende aen ons gesupliciert hebben, iss utthen hierinne verwarte supplicatie unnd daerbijgefuichte stucken tho vernhemen, soe wij dan oere versuick redelich erachten iss onse fruntlich begheren unnd niettmin van weghen der lantschap ernste gesinnen datt u ersame achtervolgende tapp[…] in margine van oere supplication gestalt sult laetten verblijven in oeren convente unnd derselver goederen, ter tijt toe bijder alinghe lantschap anders daerinne geordonneert sal wesen, u ersame in schutz des tselve bevelende. Gescreven onder tsecreet segell der statt Arnhem, datt wij deser tijt daertoe gebruicken, den 30en octobris XVc LXXVIIII onder stont gescreven.

Verordente ritterschappen ende gesanten der staden der drie quartierenn Nijmeghen, Ruremunde ende Arnhem. Itz bynnen Arnhem versamelt.

39
Copia.

Burgemeister, schepen und raedt der stadt Elborch laetten weten, datmen naestcomende wensdaghe to twaelff urhen op den raedthuise verpachten sall, alle des cloesters landen ende goederen, soe well buitten als in der vrijheit. Soe derhalven iemandt aen einighe dinghen gaedinhe hefft, de mach alsdan koemen ende huyren goeden koop. Onderteikent G.H.

31 Januari 1580.

Alia copia.

Burgmeister, schepen unnd raidt der stadt Elburgh laetten weten datman naestcomende woensdaghe to twaelff uren opden raedthuyse verpachten sall alle des cloosters landen ende goederen, soe well buyten der vriheit als in der vriheit, soe derhalven yemandt gadinghe hefft, de mach alsdan komen ende huyren goeden coop. Onderteickent G.H.
Ende noch daer beneden anno 80 den 31en januari pullicatum ist in Oesterwolde per me Geraldus Hasszelt.

40
Los stuk.

Clacht vande pater vander Elburch over die magistraet ande ritterschap und gesanten der steden, dat Lambert Franckess verlochte had het segel vant cloester und den pater geandtwoerdet, of hij dat al hadde, hoe hij krieget wolde, het segel vande overheit der hooftlickheit end dat daer over die vurgenoemde ritterschap und steden gesanten ordonneren wilden […] behoeren.

41
Los stuk.

Hertoch Matthius belast grave Johan van Nassouw ritterschap und steden dewijl die pater und conventualen van Sinte Agnieten eerst and lantschap hadden gebuppliceert, dat die vurseide grave und ritterschap solden disponeren und ordoneren als die redelick tusschen de magistraet ende conventualen vereissent stonde.

42
14 April 1580.

Wij burgermeisteren, schepenen und raidt der stadt Elburgh doen kund und betuigen opentlick durch kraft deses, also unser stadt conventualen van Sinte Agnieten gesuppliciert und dem f. durchluchtiger des ehrthartog klaglick tho kennen gegeven, wie twe unser raidtsverwanten und stadtdieneren vurnemlick van uns na vurgander publication ihm landen gepachtet, dat van unsen raidtsfrunden niet mehr dan van einen acht gresen, und einen anderen ein mudde landts thom halven tho seien gepachtet sind, und wyder nichts, idt welcks wij darmen van uns unser warheit certificieren, darmit nymandt bedars tho dencken, dat wij uns mit den guideren sulken tho wijken, dan diesulven an leggen tho gemeinen nutz und wolfarth. In orkund der warheit hebben wij tegenwordiges mit onsen secrett segel withlich doen underdrucken. Am 14 aprilis anno 1580.

43
16 Mei 1580.

Wij burgmeisteren, schepen und raidt der stadt Elburgh doen kund und certificieren und der warheit, nadem wij van hooghwiesen her, raden des furstendombs Gelre und grafschap Zutphen tegen den 17 itziger maindt in der stadt Arnhem bescheiden mit schyn und bescheidt, so wij van Sinte Agnieten conventualen und anders hebben tegen sie comparieren; dat wij dartho ins in unsen nahm tho erschinen committieret hebben, wie wij ock constitueren in kraft deses den ehrsamen unsen mede raidtsvrund Lambert Franckenss, um am gesetten dage sich aldar laten, als sijn lieve raidtsam werdt bevynden mit den vurbehaldt, so vere vollicht sijn lieve iedtwess mucht vurkoemen, darin dessulve sich tho sehr besweren vinde, dat de gestelt sijn lieve uns als sijnen principalen sulcks verwittige um volgents geburlick darin tho handelen. War also in form vurseit van gemelten unsen vulmechtigen in dese handlingh magh gedan offt vurgenomen werden. Beloven wij in allen sijnen puncten gar unverbroken also achtervolgen und nakoemen, oft wij datsulve in eigner person mit imandt uthgericheit hadden. Sonder arglist am orkund ende warheit hebben wij burgmeisteren, schepen und raidt vurseit dit tegenwordiger mit onsen secrett segel withlick doen underdrucken. Am 16 may anno 1880.

Dorsaal.
Volmacht voor Lambert Francken over het anschrieven vande heren raden inder questie tusschen die stadt und conventualen.

44
Marginaal:

tHoff hefft vur visitatie deser supplication die saken om daerop tho ordonneeren in advys gehaldenen, ut dat die staat des conventz guederenn ondentlicken gemaeckt unnd desen Hove aver geschickt sall sijn om nae gelegenheit desselven op des suppliants versoeck in qualiteit alls sij tselve doende is the ordonneeren, doch siet het Hoff vurredich unnd radsam […] dat die magistraet opt forderligst vann die qualificatie, beqwaemheit und ersaemheit des pressorus van Mauris Greve desen hove versten dage, und oick denselven Greve alhier mit den und tho staet der guederen aver ghicke om volgens alss dan opt versoeck dags geordeniert ihr worden vur behoeren.
Actum Arnhem den 21e may XVcLXXX. M.W. Luijssken.

An die provincial rhade diesses furstendombs Gelder.

U edel weerden und lieve gifft diennstlich tho erkennen Lambert Franckenssen ons convents tho Sinte Agnaten in der stadt Elburg mit dem magistrat hier bevoren einen accordt gemaickt, gestalt datt sie oere alimentation van des convents guederen, die armen averst 52 mudde roggen hebben, und watt dan averig were tho der stadt besten angelagt werden solden, und dan vurmoge deszelven accordes fur den edlen und erntfesten Bartholt van Gendt hern tho Lohve, und Sander Bentinck dienszes haffs rhede beide parthien verhoert, und die saeck op diesse puncten vurglecken werdenn, dat gemelte conventualen personlicke 50 gulden, 20 stuivers fur den gulden, drie mudde roggen, und 1 mudde boeckwieten jharlichs hebben solden. Idoch den selven, welcke deur die 70 jharen olde sindt noch 20 gulden jharlichs mehr van den beidern uthgericht werden solde, ihnn dat ein rentmeister tho administration des convents guder gestalt und tho diessen ampt Mauris Greven geordert solde werden. Als dan oick in des lest gehaltenen landtdags recess verdiffscheidet, dat kercken und scholen van den geistlicken guderen tho underholden, so biddet die suppliant datt tho underhalt twier rendmeister 400 daler und dem rectori der schoelmeister 200 carolusgulden, den undermeister averst 100 carolusgulden jharlichs, und wonungen in dem closter tho geordert mogen werden, diewijl oick die stadt Elburg tho fortificieren van notten und dan tho Dornspick ettliche landen dem convent tho gehorig gelegen, welcke tho der fortification der stadt mitweder verpandet, oder verkofft werden muchten. So biddet die suppliant dat dem magistrat und rentmeisteren diesulve verpanding oder verkoping tho doen. Idoch op retification diesses Gelderischen Hofs, bevahlen werden mogen, und dat durch diessen contract die stadt Elburg der summa van 3000 carolusgulden tho der fortification genieten mogen, und van gemelten puncten allen ein versegelde urkundt uth der cantzelie der stadt Elburg gegeven werde dat doende etc.

tHoft gesien die staat vandenn renthen unnd innekommen des conventz tho Sinte Agnieten ther Elburch hefft geordonneert und ordonneert mitz desen, dat die rendtmeister Mauris Greven ther onderhullt kerckend[…]
Marginaal.
und schoelmeisteren nemblich vierhondert dalder vur twe predicuuren twehondert carolusgulden vur den doctoir und hondert gulden vur den vedermeister jarlix bij provisie betalen und uthrusten sall, wat averst die reparation der stat Elburch unnd wat daertho geboden wort, belanghe hefft t Hoff tselve noch ter tijt geholdenen. In advys tot datum des conventz geuderen und derselver gelegenheit beter erfaren sall hebben.
Actum Arnhem denn 1e juny XVc LXXX.
M.W. Luijssken.


Inventarisnummer 1440
18 augustus 1579.

Inventaris van de goederen en inboedel van het Sint Agnietenconvent, opgemaakt door de magistraat 1579. Inventaris van het convent ter Elburg.

Clooster rente der stadt Elburg.

Die pater, mater und conventualen suppliceren an ridderschap und steden gesanten dat die magistraet mit enigh conventualen buiten kennisse van den pater een accoort hebben geholden, und versoecken dat die landtschap haer in haer olde porsensie (dewijl het haer leet is) stellen wilden.

Item onsen convent heft 23½ gres int Goer gelegen, noch 2 gressen in Lammenmaete, noch 4 horenche gulden uit Henrick van Holtens huis, noch 2 horenche gulden uit 3[…]huis, noch 2 horenche gulden van de stat, noch uit Hendrick Reefs huis 2 horentges gulden, noch 12 vuirrijsers uit Ari Garngens huis, noch 1 horentges gulden van Hannesgen Roelift, noch 1 horentges gulden uit Aeltgens Bolle huis, noch uit Jan Mommen huis enen gulden van 36 olde wuichchingen voer de gulden, noch 3 oert gols van Bette van Holten van buitendijck lans, noch een mudde rogge van Henryck Bigge, noch een halliff mudde roggen uit Jacop Hercks huis, noch een scepel uit Toene Mullers huis, noch een scepel uit Winne Tols huis, noch 5 scepel garsten uit Henrick Frankens kamp, noch een mudde garste van Wollif Tijmanss, noch een hallif mudde garste van de paeter.
Bagynenhuijsgelden vijff oirt.

Up dato heuden den achtheinden augusti sind gekomen schepenen und raidt der stadt Elburg in dat convent ther Elburg, um ein inventarium tho maken van den klosterguideren und inboedel, als dar magh gevonden werden.
In den siekenhuiss.
In den eirsten in den siekenhuiss bevonden: ein hail mit ein lanckhail, ein roister, twe tangen, twe pottgens, und ein klein potgen, dre tinnen coppen, ein scheppert groot, ein ketel, dre stenen kannen, ein brandrade, ein quarte pott, twe schobellen, sess stolen.
Darbauven vier bedden, seven dekenen, ieder bedde ein wit wullen laken, seven dekenen, negen orkussenen, 9 stoelkussenen, ein handvatt mit ein potdeckel, ein kandeler, twe tinnen schottelen mit ein becker, twe tinnen schottelen mit ein tinnen mergels, wijnkannen, dre kortgeen, ein vijsel met ein ketelken.
In des patershuss gevonden: twe tinnen schotels, ein tackte kannen, vier wijnkannen, ein soltvat, ein mostertpot, ein vuirpanne, ein beker, ein vuirsteun, twe kranssen, ein bleker, ein roister mit ein brandrade, vijf stolen, ein glasskasken, ein tinnen quartkannen, negen stoelkussenen.
In den anderen kamer: ein lavoer, ein tafel, ein tresoir.
Up des paters slaepkamer gevonden: ein bedde mit twe dekenen und ein orkussen, ein stoelkussen, twe koeperen kandelers.
Boven des paterskamer: twe bedde mit spullen wen, ein kortgen, ein kiste thogesloten, ein stol mit ein kussen.
In einen kamer dar bij genendt: ein bedden mit ein deken, ein stol mit ein kussen.
Up den slapsolder gevonden: seven bedden mit einen thobehoren, einen grote ketel under de gote.
Sess lakenen tho den bedden, tien grote ketels in den waschhuss.
In den gastkamer: twe bedden, twe dekenen, twe orkussenen, twe stoelkussenen, 6 grote tinnen schottelen, vijf tackte kannen, ein watervat, ein quarte byerkannen, twe kandeleren, ein koeperen stoven, ein klein tinnen schottelken, 6 stoelkussenen, ein brandrade mit ein tange, ein hangijsern, ses stoelen.
In den kuehuiss beschreven: derthien melckoenen in der kueweide und drie kafferen.
In den twintigh gresen, twe vette koenen, drie kalferen, vijff runderen, vier ocksen.
Noch vier peerden und meryvullen, vijff vette schapen, sess sweynen und ein beir.
Im kuehuiss: twe bedden, twe ketelen, ein vierendiel botteren, drie harnaschen mit ein helbardt und ein spietse.


Inventarisnummer 1441
4 februari 1587.

Akte waarbij de stadhouder Adolf, graaf van Nieuwenaar de overeenkomst, door de magistraat met de conventualen van het Sint Agnietenconvent gesloten.

Regest.
Het verdrag dat tussen de magistraat van de stad Elborch en de conventualen van het Sint Agnetenclooster is gesloten wordt gecontinueerd.

Sijne genaden van Nuenar, Meurs ende Limburch, stadthouder ende capitain generael des furstendoms Gelre, graefschaps Zutphen gesien hebbende den verdrach tuschen die magistraet der stadt Elborch ende den samentlicken conventualen van Sint Agnetenclooster aldar gemaeckt ende die ratificatie van Ernest Johan van Nassouw, als dier tijt stadtholder daerop gedaen. Gemerckt oick die hoochnoodige fortificatie derselver stadt, willen dat zulck verdrach voortaen gecontinueert werde, gelijck zijne genaden tot zulcken eynde bevelen den drosten van Veluwe, Johan van Scherpenzeel ende andere richteren ende scholtissen daer die goederen ondergelegen zijn moegen, den magistraet daerin te maincteneren, ter tijt toe zijne genaden anders duer in sullen geordonneert hebben.
Actum Elburch den vierden february 1587 stilo veterij.

Adolff graff zu Nuewenar.


Inventarisnummer 1442

Overeenkomst tussen de magistraat en Lijsebeth van der Straten, voormalig conventuale van het Sint Agnietenklooster, krachtens welke zij tegen een geldelijke uitkering alle zegels, brieven e.d., betreffende het convent aan de stad afstaat.

Also Lijsebeth van der Straten vormails conventualinnen van Sint Agnietenkloister binnen der stadt Elburg, sich verscheiden jaren geabsantieret, und nochtans pretendierde van gemelten convente sekere alimenta tho genieten, sind burgemeisteren, schepenen und rahdt gemelter stadt und de vorseide Lijsebeth then overstaen van Lambert Gerritsz hierin hare gekoren momber der vorseide alimenten halven mit einander in der frundschap verdragen, dat Lijsbeth vorseit geriedelik sall untfangen (die sie in krafft deses bekendt then vullen untfangen tho hebben) hondert karolusgulden tho twintig stuvers und noch derdehalff hondert gelike karolusgulden,in vijff gelike terminen (wovern sie deselve belooft und anders niet) tho betalen van des convents pachter; idt ersten am erste februar 1604, und vorth vier jaren na einander volgende. Hiermede sullen vorgemelte magistrat und Lijsebeth mit einander verdragen sijn, sonder den anderen verners darvan tho bemoejen.
Bij desen accorde hefft Lijsebeth vorseit overgelevert alle segel, breven und anders, den convente angaende, verklarende geenen mehr tho hebben noch tho wethen.
In orkund sind hiervan twe gelicke acten verfertiget und beteikent am ersten februar 1603.
Uth bevehl eines erfrechtes, Johan van Holte, secretaris.
Is ondertekend door Lijsebeth vander Straet en Lambert Gerritss.


Inventarisnummer 1443
Juli 1580.

Verpachtingscondities van enige stukken land door de rentmeester van het Sint Agnietenconvent.

Verpachtingscondities van een kamp bij de Nijenstadt, een akker op Puttener oirken en een half gewest aan de Kreienkamp door Greheve rentmeester van het Sint Agnietenconvent.

Den vurwerden hierna beschreven wil Moritz Greheve renthmeister van Sint Agnietenconvent verdaen ... gewest up den kamp bij den Nijenstadt vur guide klare garste, dartho idt halve gewest aen den Kreienkamp, und den acker up Puttener Orcken, einen iederen sijne geding, noch de helfte van den vijf schepel bij de muelen, welcker einige partiel beholdt, sal van stunden (doorgehaald: th) twe guide geerfde burgen stellen, darmit der renthmeister thovreden is [...]wen overst enigh claghelde sodane burgen net kunde bekoemen, sal men datsulve weder verdoen unde wat idt eniger geldt, sal he upleggen und betalen.

De renthmeister sal sich muegen holden tho sijnen kuer an den principal an enen iederen sijne burgen, an einen vur allen.

De betaldagen stellen wess Michaelendach veirthein dagen darna unbegrephen.

Dorsaal:
Voerwarden van verpachtingen.


Inventarisnummer 1445

Verkoopcondities van de kloosterwoningen in de Bloemstraat.

Juli 1611.
Vorwerden denen de kloisterwoeningen in de Bloemestrete sullen verkoft werden.
Werde verkoft bij dele tho dertig stuver.
Ein ieder sall de helfte betalen vanden komstigen pachtsum als sie de woeninge antasten. Die reste up renthe then holden.
Elck huiss sall achteran hebben so beneden hores, als syn huiss beneden is wyge nemen Wychman Stevenss sall bij langh Egbert koppendregers und Henrick Gerrits enen gemenen gangk lijden, und solangk und Jannik Thonis gelyckeden nu werden gebruiken als idt is uthgepalet.
Die insetters verdienden eine dele van thien delen tegens eine dele, were na advenant tho laste des slegholderen, heldende schepe ind wesen an sich, sall enen darvan genen verdienste genieten.
In Wychmans huiss sall de steden up haren kiste an de andere sijdt eine stechtien und eine gangk tho hare kiste.
In idt rosmuelenhuiss sall de reden de noendigheit, de umb den gangk vant refede vanden te make is weder reht maken leth.


Wolter Klensshuisken daler werdt upgefangen
Vee 250
Werdtgenumen van hem 104
Gehoget 5
  115
   
Lijsbeth van Holtsz
Wychman Stevenss 250
Item ingesett 94
Gehoget  
Peter Ailtss 120
¼ Paistten Martin ¼ idem noch up renthe frey
Lijsbeth van Holtsz (325) leis 1617 af
Abraham Airntss 150
Gehoget 10
Dirrick Holtenman 10
Item 16
  186
   
Joest Brunen 300
Ingesett vor 150
Gehoget 10
Joest 12
  172
   
Wilhem van Suren 300
Andries Greve 150
Gehoget 20
  170
   
Henrick Dirr 200
Johan Wolterszoon gekofft vor 110
De gevels tusen beiden huisken hele und half
Jan Schutt  
Janneken Thoeniss 250
Item ingeset 105
Gehege 5
Gerrit Schutt 5
Klaus Alberts 5
Gerrit Schutt 4
  124
   
Henrich Gerritss 200
   
Egbert Koppendreyer 200
Arnt Jacobss inde rossmuelenhuiss vor  

Die rossmuelenhuiss
200
Wolter Arnss 100
Geheget 5


Ingeset up den rahdthuse am 17 july anno 1601.


Inventarisnummer 1452
16 April 1583.

Akte van belening van de stad Elburg, door de proost van Sint Marie te Utrecht, met een made land te Oosterwolde.

Burger Eernst Reefszoen gemachtigd door de magistraat van Elborch, in tegenwoordigheid van Mauris Greve rentmeester van het Sint Agnietenconvent, geeft na overlijden van broeder Gerrit van Swol pater van het voornoemde convent, in leen een made land gelegen binnen de kerspel Oostenwolde.

Rodolph Straetmans canonick der kercke van Sunte Marien tUtrecht, vicaris ende stadtholder derselver kercke, proostyes lenen bijden capitelaer der voorseide kercke hiertoe gesath sijnde, doe condt en kenlick allen luyden dat op huyden date deses in tegenwoirdicheyt der voorseide proostyes, leenmannen hier naebeschreven gecomen is, die eersame Eernst Reeffszoen, borger als hiertoe specialick gemachticht vanden eerentfesten, eerbaren ende voorsinnigen burgemeistern schepenen unde raedt der stadt Elborch ende heef overmits dode van broeder Gerrit van Swoll, leste gewesene pater des convents van Sunte Agnieten binnen der stadt voorschreven, in cracht sijnre volmachte ter goeder tijt versocht eene maede lants gelegen binnen den caspell van Oostenwolde buyten den Somerdijck daer suytwert weleer Geertruyt ende nu ter tijt Wichmont Stickers naestgelant is noortwert Bartolt Vege, oostwert streckende aenden Somerdijck ende westwert inde see.

Als dit geschiet was soe verlijden ende verleenden wij verlijen ende verlenen mits desen bryeve conservatie van des convents voorseide goederen als die mannen van leen wesen dat recht was bij gebreke des paters Eernst Reeffszoen als volmechtiche voorseid ende dit in tegenwoordicheyt van Mauris Greve gestelde rentmeister des opgemelte convents goederen die voorseide maede lants wesende des voornoemde proostyes leengoet, soe die hier vorens bepaelt staet die te houden und voornoemde proostye in lene tot eenen goeden onversterffelicken erffleen in allen den selven manieren ende rechten als broeder Gerrit van Swoll laeste gewesene pater te houden plach met sulcke voorwerden dat wanneer Eernst Reeffszoen genomineerde volmachte ende tegenwoordige hulder afflijvich geworden sall sijn.

Soe sall binnen sjaers ende ses weecken wederom eenen nyeuwen hulder geseth worden, die des voorseide proostyes, prooste ofte stadtholdere huldt ende eedt doen, ende dit voorseide leengoet weder versoecken ende verheergewaerden sall mit gewoentlicke heergewaet nae ouder gewoente, soe sulcx die alde bryeven vanden convente die men, seyt overmits desen trouwe uuyten lande verbrocht te sijn ofte der voorseide prostye leenregistratie sullen innehouden ende evenverre die oude leenbryeven ende leenregistien van geen heerwaeden en vermelden, sall men altoos betaelen int verheffen sulcken heergewaet als anderen der voors eide proostye vasallen betaelen voor haer heergewaet.

Daer heir bryeven nyet aff en vermelden ende soe voort euwelick ende erfflick, alsoe dicke alst verschijnen ende versterven sall.
Ende hier op heeft ons huldt, eedt ende manschap gedaen Eernst Reeffszoen voornoemt als die mannen van leen naebeschreven wesen dat recht was ende men schuldich was te doen hier waeren over ende aen, daer dit geschieden onser proostye leenmannen Aelbert Hoock, Joachim van Schadenbroeck ende Willem Willemszoen van Rossum ende meer goeder luyden gevore. Ende dese verlijdinge is gedaen onvercort altoos der opgemelte proostije ende yeder malcke sijns goets rechts des toorconde hebben wij desen brieff met der selver proostye leensegelen beneden uuythangende besegelt.

Gegeven int jaer ons Heeren XVc drie ende tachtich opten sesthienden dach der maent aprilis.

Verhuel […]

Dorsaal.
Int jaer ons Heeren XVc vier ende tnegentich opten vijffthienden dach augusti stilo antiquo voor meister Roedolph Straetmans, canonick capitelaer als stadthouder vanden edel joncheer Joost van Wijtsenhorst, proost der karcke van Sunte Marien tUtrecht in tegenwoerdicheyt der selver proostye leenmannen hyer naebenaempt, erschene die eersame Ernst Reeffs, ende heeft (als gemachtich vanden eernfesten eerbaren ende voorsinnigen burgermeisteren schepenen ende raedt der stadt Elborch conservatiens des convents van Sunte Agnieten goederen binnen der stadt vurseid volgende seeckere procuratie onder des vurseide stadtssecreetsegel voorden eersame Harmen Brinck leenmannen der welgeboren vrouwe van Elten und Henrick van Putten, leenman des edel eerntfeste Otto van Haeften, heer tho Putten bij gebreck der proostye leenmannen, opten sevenden augusti XVc vier ende tnegentich gepasseert) inder qualite metter leger handt versocht het leengoet int Witte desen geroert ende diens volgende heeft die voornoemde volmachtigen des behoerlijcken eedt gedaen.

Geschiet tUtrecht ten huyse vanden voornoemde stadthouder, in tegenwoerdicheyt van Mauris van Besweyde ende Splinter van Jamersfurt leenmannen der proostye vurseid mij tegenwoerdich.

Antho Verhuel […] capli[…].

1594
Beleninge van een maede Mehenlandts gelegen in Oosterwolde buyten dijcks slaende op Eernst Reeffs te leen onder Sint Marien te Utrecht anno 1583.


Inventarisnummer 1469
Regestnummer 1178
27 Juni 1569.

Volmacht, door de officiaal der proostdij van St. Pieter te Utrecht verleend aan de magistraat van Elburg, tot het houden van toezicht op de gestelijke goederen enz.

Johan Bogardt in beiden rechten licentiaet officiael der proestije van Sinte Peters tUtrecht begere versoicke ende bevele den eersamen raide der stadt vander Elborch dat zij goede toesicht op allen geestelicke goederen tzij van beneficien officien, gasthuysen, weeshuysen ende gilden hoe die genomineert mogen wezen, voert van doden te begraven, kraemvrauwen te kercken te gaen, sacramenten tontfangen van haer gemeente, te sullen dragen dselve goederen bij enige farite na luyt der fundatie te fequestreren ende arresteren ende voerts dselve gearresteerde ende gefequestreerde goederen tot profijte ofte ter armen, ofte fabrijck der kercke van vander stadt vander Elborch, ofte anders als mijn heeren dat oerbaerlicxte bevinden sullen to behoeren, te leggen ende dit al na luyt ende inhanden der fundatien.
Gevende dselve voerseide eersame raidt hier mede omme tgeen voernoemt te volbrengen volcomen macht ende commissien oirconde van desen hebbe ick op spacium van desen tzegel der proestye doen drucken, gadaen ter Elborch den seven ende twijntichsten dach juny anno 1569.


Inventarisnummer 1484
1565.

Memorie voor Henrick Rees over de afscheiding tussen Elburg en Doornspijk op kerkelijk gebied.

De gezamelijke parochie van Elborch en Doernspijck wordt gescheiden en beide gemeenten krijgen een eigen pastorie.

Memoriael voor Henrick Rees.

Inden eersten zoo zall van node weesen om te geraecken tot separatie ende scheydinghe […] tusschen die vander Elborch ter eenre ende die van Doernspijck ter andere zijden, te weeten dat partijen ten beyden zijde zellen al vorens voor commissarijs die daertoe geordineert zall worden verclaren; dat door merckelicken reden ende oersaecken die men zall uutdrucken het oerbaerlix te weesen zall dat zij gesaperert ende een yder eenen parochie mach erlangen.

Item mede perfectelick in te brengen den z[…] incompst ende profijte, die tot die voernoemde pastorie als nu es ende hoe voel dat zelve in die separatie zolde blijven.

Item aengaende die incorporatie […] vander vicarie zallmen oeck moeten die jaere incompst ende lasten van dien moeten over brengen.

Item zall mede int separeren […] ende int incorporeren vant ghene voerseit is moeten erlanghen expres consent, zoe vanden ghifte […] ende patronen als oeck den possessuers mitsgaders vanden gerichte ende overicherst des zelve plaetse representerende die meeste deel ofte corpus vanden ghemeenten.

Oeck mede brengende behoerlicke procuratie om deese separatie ende incorporatie te doen expedieren.


Inventarisnummer 1485
22 Maart 1565.

Akte waarbij de magistaat van Elburg enerzijds en de bezitters van de pastorie te Doornspijk met de kerkmeesters anderzijds overeenkomen, dat de kerspelen Elburg en Doornspijk voortaan elk een eigen pastoor zullen hebben.

Regestnummer 1162.
Burgemeesters, schepenen en raad der stad Elburg enerzijds en heer Jacob Peterszoin en heer Egbert van Huecklum, bezitters der pastorie te Dorenspijck, met Franck van Huecklum, scholtis Lambert Kree en Lambert Top, kerkmeesteren aldaar anderzijds, komen overeen dat de kerken van Elburg en Dorenspijck die tot nog toe èèn geheel zijn geweest, voortaan elk een eigen pastoor hebben

Wij burgermeistere, schepen und raidt der statt Elburg eins, und wij herr Jacob Peterszoin und herr Egbert vann Huecklum verwesers und inhebbers der pastorien und kercken tho Dorenspijck Franck van Huecklum, schulthiss Lambert Kree und Lambert Top kerckmeistere dairselffs in der tidt anderdeils, doin sementlick kundt, liden und bekennen mitz desem voir uns und unsen nackomelingen. Also tuschen uns van der Elburg uns van Dorenspijck hierbevor tho mermalen voir handen gewest, die deecken und pastorien van der Elburg und Dorenspijck (die biss tho dessem dage tho ein corpus gewest und nicht mehr dan einen

pastoir gehadt hebben) tho separieren. So sijn wij burgermeistere, schepen und raidt vurseid van wegen unser statt Elburg und wij her Jacob Peterszoin, herr Egbert van Huecklum, Franck van Huecklum, Lambert Kree und Lambert Top vurseid van wegen der van Dorenspijck mit consent wethen und wille unser burgeren und kerspelluiden eindrachtlick in der frundtschap overkomen voir uns und unsen nakomelingen, dat ein ieder kerspel Elburg und Dorenspijck vurseid van nu voirt an sijnen eigenen besunderen pastoir sall beholden, und dat in vorwarden und manieren hierna beschreven.

Und in den ersten sint vorwarden, dat wij burgermeistere, schepen und raidt vurseid und unse nakomelingen unsen pastoir in unser statt Elburg erfflick und ewichlick sullen moegen hebben und holden. Und na des einen sterven offt affgang einen anderen ansetten sonder besperung bekruenen offt inseggen des pastoirs tho Dorenspijck offt sijne nakomelingen. Und diewile die pastoir van Dorenspijck also der moederkercken, in fall van praesentatie offt institutie offt anders den pastoir van der Elburg biss her tho altidt verdedinge hefft und beide pastrien mit einer presentatien und institutien verworven, so sall oick die pastoir van der Elburg van gemelter praesentatien, institutien und allen beswairnissen voirtan vrij wesen und in gienen wege dairmede tho doin hebben. Sonder der pastoir van Dorenspijck und sijne nakomelingen sullen oir und sijnen nakomelingen dairvan und van allene dat darin voirvallen mach vrij und schadeloss holden. Jedoch is verdedinge, dat der pastoir tho der Elburg in der tidt dem pastoir van Dorenspijck (van oim up sijne praesentatie, institutie tho Utrecht tho verwerven nodich is und anders niet) uitrichten und tho volesten geven sall elcke mail so vaker des gebueren ein Hollandisch pundt groth offt sess gulden van twintich Brabandische stuver voir dem pundt groth.

Wider sint vorwarden dat die pastoir van den Elburg under sijn kerspel und pastorie hebben sall die statt und stattvrijheit van der Elburg und mehr niet, und die pastoir van Dorenspijck sall hebben ijder kersel Dorenspijck und allent wat dair under behoret offt wat hie buiten der stattvrijheit van der Elburg verdedingen kan. Und daran sall sich ein ieder begnuegen lathen und mit sijnen limiten thovreden sijn. Die ein sall oick den anderen mit sepulturen sacramenten anthorichten offt mit anderen kerckendiensten in sijnen kerspel niet turbieren. Ydt were dan dat beide pastoren in der tidt ein ander contract ad tempus und doch niet ewichlick uprichteden und makeden des sie thovreden wesen mochten. Und so viele nu den guideren tho beiden pastorien gehorende antreffe sijn wij averkomen, dat die pastoir tho der Elburg tho sijnen pastorien alleene hebben und beholden sall alsodane guderen als in voirtiden allene und eigentlick tho der pastorien offt recht tho seggen, tho der Wehme binnen der Elburg gegeven sint, als nemlick [..] gulden jairlicks tho lossen mit hundert gulden uth der stattkisten van der Elburg. Item uit die stattkisten vurseid twee gulden van vijff und twintich Brabandsche stuver jairlicks ydt welcke des pastoirs recht offt praesentie genant werdt. Item vierdehalff voeder grondts up die grothe Meente in der Vrijheit der statt Elburg vurseid gelegen. Item van Sint Agnietenconvent binnen der statt Elburg einen halven olden schildt und vijffthien olden butgens jairlicks. Item van den gasthuse binnen der Elburg einen halven olden schilt jairlicks. Item van Berent Gerritszoin offt Bolle ein halff molder roggen jairlicks tho erffhuise. Item van Senne, Thijss Lambertszoins weduwe entweder ein halff schepel offt ein spint garsten jairlicks uit oir camp bij dem Baginendijckgen voir der Elburgh gelegen. Und hiermede sall die pastoir van der Elburg van allen der guderen tho beiden pastorien gehorende erfflick und ewichlick affgescheiden wesen und bliven.

Jedoch sall die pastoir van der Elburg voir sich beholden alsulcke dagelicksche accidentalia als dem in der stattvrijheit vervallen moegen. Und alle andere guderen, renthen, thinsen und erffgrunden hierin niet benoemet und oick alle die accidentalia die in dem kerspel van Dorenspijck offt buiten der stattvrijheit vurseid vervallen, sall die pastoir van Dorenspijck tho sijner pastorien hebben und beholden. Und hiermede sullen wij burgermeistere, schepen und raidt vurseid und van herr Jacob, herr Egbert Franck van Huecklum schulthis und kerckmeistere vurseid so viele dessen twee kercken angeet, voir uns und all unsen nakomelingen, erfflick und ewichlick gescheiden sijn. Und alle andere verdragen und handlungen die in roirigen tiden tuschen uns dessenthalven einichsins upgerichtet sijn sullen mitz dessen cassiert doit und tho niete sijn, allet sonder arg und list.

Und wij burgermeistere, schepen und raidt der statt Elburg vurseid eins, und wij herr Jacob Peterszoin, herr Egbert van Huecklum, Franck van Huecklum, Lambert Kree und Lambert Top in qualiteit als boven anderdeels bidden und ersueken mitz dessen up ydt aller demuedigest und frundtlickst sampt und besunder den ehrwirdigen in Gott, vader und heren Hermanus van Godes genaden der sijnen keysergifften werden und helmsteden abt. Dat sijne genade und ehrer als rechter patron und collator der vurseide pastorien, dessen unsen billicken und niet allein nutten, sonder oick nodigen verdrach sich wolde gelieven lathen und die selve mit sijnen ende genade ehrer siegel confirmieren und bestendigen, ydt welcke wij alle sampt und besunder umb sijne ende genade ehre na unsem kleinen vermoegen mit allen vlijth gern willen verschulden, oirkunde der wairheit hebben wij burgermeistere, schepen und raidt der statt Elburg vurseid unser stattsiegel und wij herr Jacob Peterszoin, Franck van Huecklum ein inden sijn siegel und wij Lambert Kree und Lambert Top vurseid unser kercken siegel an dessen brieff (dem twee sint eine tho der Elburg und eine tho Dorenspijck alleins luidenden) voir uns und unsen nakomelingen gehangen und doin hangen.

Und ick herr Egbert van Huecklum vurseid diewile ick selffe noch gien siegel gebrucke, hebbe gebeden und bidde mitz dessen Wilhem Nagge, coper tho Dorenspijck dessen brieff voir mij und mijnen nakomelingen tho besiegelen. Und ick Wilhem Nagge vurseid hebbe umb beden wille hern Egberts vurseid mijn siegel mede an dessen brieff gehangen.
Gegeven am donderdach na reminiscere na onses Heeren Jesu Christi im vijffthien hundertsten vijff und sestichsten jair.


Los stuk.
De pastory van Elburch ende Doerspijck is een corpus geweest sijn gescheiden anno 1565.
Een ieder carspel, Elburch en Doernspijck sal also sijn eygen pastoir hebben.
Doerspijck is de moederkerck geweest, die het recht der presentatie ende pastory binnen Elburch sal den pastor doe Dornspijck uutrichten ses gulden tot sijne institutie.
Volgen oock eenige speciale goederen der pastorien binnen Elburch aengeteickent den abt van werden en helmstadt is patron ende callatoir der beyder voerseide pastorien.
Anno 1565.
Een francinen brieff sonder segelen van burgemeestern ende sholtis etc.


Inventarisnummer 1486
18 mei 1570.

Akte waarbij Everardus Swaer pastoor van Nijkerk en deken van Veluwe, de pastoor van Elburg en Oosterwolde enige inwoners uit laatst genoemde plaats voor hem te dagen.

Regestnummer 1185.
Evererdus Swaer pastoor van Neoclesiæ, deken van Velua, draagt aan de pastoor in Elburch en Oesterwolde op om ten verzoeke van het klooster van Sint Briggida te Campen enige inwoners van Oesterwolde, die weigeren hun zuster in genoemd klooster een legaat uit te keren, voor te dragen.

Copiæ.

Evererdus Swaero, pastore Neoclesiæ decanus et jude ordinarius
ecclesiastiæ jurisdictionis Veluwæ, pastori in Elburch et
Oesterwolde ac alijs universis et singulis presbyteris clericis
notarys et tabellionibus publicis quibuscumqem nobis subditis ac
specialitere cursori nostro vobis et cuilibet vestrum in vetute
sancte obedientiæ districte precipiendo mandaenus quatenus ad
instantiam venerabilis patris et abba tisse conventus dive
Briggide in Campen, su eius legittimi procuratoris citetis coram
nobis noecclesiam ad domuni nostre solite recidentiæ ad sextum
diem junij proxime sequentem horam audientiæ causarum solitam
Johanne Eijberti alias schrijver Johan Rijcksoen, Claes
Dircksoen alias Valen Claes, habitantes in Oesterwolt, heredes
ubi ipsi asserunt Henrici Theodori et Annæ ligittime uxoris eius
de et supere eo quod piinij legatum et donatiquem testamentaliter
factam crutum aureorum denegant forori eius legittime eiusdem
convertitus Sancte Bregittæ Campis fimilitere et fimili modo
citetis honestos et discretos Lubbert Zandersoen ten Hoeff et
Theodorum Baex als burgen des erffhuyses Henric Theodori defuncti
et Annæ uxoris eius ad audiendam inpetitionem patris abbatisse
conventus presati seu eius legitimæ procuratoris idqem sub pena
quinquaginta aureorum ac vlierius videndum ac audiendum disponi
et oddinari prout juris ordo dictaverit cum intimatione debita
atqem tali quod cetere executiones aliorum fortassis mandatorum
necessariorum contra eosdem fient in valuis nostre ecclesie
Neoclesiane easqem tam validas fore ac fi in epsorum presentia
facte essent decernimus reddite litteras ut debite executas vos
presentum executores.
Datum Neclesiæ nostro sub sigilo decimo octavo die maij anno XVcLXX.


Inventarisnummer 1570
22 Oktober 1568.

Commissarissen onderschgreven van wegen Coninklyke Majesteits onsers aller genedigen heere, bevelen u burgermeisteren inder tyt van der stadt Elburch mits desen hierop versocht, dat uwe eersame op donredach den 21en idt loepende maents oktobris, bij edicte ende clockluydinge voir uwer stadthuys aff, citeren ende verdachvaerden Lambert Franckensz., Franck Henricxss. Henrick van Holt zecretaris, Johan Thijssen wever, Jacob Arnss halffpaap, een weerdt zijnde, Herman Brick, Herman Dismers, Johan van Putten, Henrick ten Velde, Jonas Feyt, Rijck Reeffs, Albert Dieppe, Herman Scherpinck, Henrick Scherpinck, Jacob Jans ende stadtdienaer Gerridt Piether, Wilhelm Dircxss. Kinnegilde, Johan Feyt, Henrick Reeffs die jongen, Johan toe Water, ende Timan Lakeij, te comen ende erschijnen selve in persone voer den durchluchtigenende hoochgeboeren heeren ende furst hertouch van Alva, marcgrave van Coria, ridder vanden oirdre des gulden vlies, stadtholder gouveneur ende capitein generael van Coninklijke Majesteits erffnederlanden, ofte voir die ghene die zijne excellentie ende frome genade dairtoe geordonnerdt ende gedeputerdt heeft.

Opten 26en des naestcomendes maents novembris, om ieder aldaer sich te purgeren ende ontschuldigen van hoire absenteringe, verloepinge of sich bedeckt houwdinge, op pene dat den zelven tydt overstreecken zynde, men bij gebreke van oire comparitie off erschinonghe zeghens hun procederen sal, zoe in sulcke saecken sal bevonden worden te behoeren, met den aenhanck, dat indien zij ten voirsiede daghe aldair compareren, erschinen ende sich purgeren ende onschuldigen vanden lasten, die men ieder van hun sall willen opleggen ofte opgeseit sal hebben. In sulcken gevalle hun hantlichtinge van alle oire guederen, die toegeslagen, aengetast ende in seynester hant gestelt zijn, off noch sullen moegen worden, costloes sall verleent worden, gelyck in sulcke saecken bevonden sall worden, nae recht ende redenen tot behoeren, denuncierende ende vercuningen duer uwer geswoeren ende gewoontlijcken dienair ofte boode desen exploick, citatie ende verdachvaerdinge respective ende onderscheijdentlijck ter plaetsen dair die voirseide vluchtige ende sich bedeckt houdende personen voer oerer laesten vertreck, domicilium ende woonstadt binnen deser stadt Elburch gehadt hebben, ende aldair ande doere van huere huijsen oder woensteden respective, mitsgaders ander portalen vander groten kercke ende vanden stadthuijs tselffde uwen exploict ende verdachvaerdinge affigerende ofte opslaende, ten eijnde tselve tot hoerluyde kennisse comen mach, ende zij eghenen oorsaecke en hebben, omme hieraff te pretenderen juste ignorantie ende onwetenschap. Ons mitten ieersten relaterende ende verwittigende bij geschriffte van uwen wedervaeren, ende tghene uwe eersamen dese aengaende gedaen sullen hebben. Gedaen binnen ter Elborch den 22 octobris anno XVc acht ende zestich.
Henrick te Goir, schoelt van Elboercht.


Inventarisnummer 1570a

Na de namen:
binnen deser stadt Elburch ende der selver vriheyt off schependomb liggende ende hun toebehoeren, egheen uuytgesondert, bevelende dairomme in stadt ende van wegen der selver Majesteits allen und yegelycken besunder der besitteren, pachteren, gebruyckeren, detentatoren, debitoren, schuldenaeren der voirseide personen, voert allen anderen dient aengaen mach, und ieghens die welcke die voirseide personen eenige gerechticheijt oft actie competeert, zich daernae te reguliren, und dair iegens oft in prejuditio van dien directelick oft indirectelijck niet te doen in eeniger manieren, op pene van dairvoer angesien ende gestraft toe worden naar behoeren.
Henrick te Goir, schoelt van Elboercht.


Inventarisnummer 1570c
17 Oktober 1568.

Na de namen:
Wyder vermoegens ende uuytblijfens der cedulle hierbij gelacht ende bij ons commissarijen onderteijkent die uwe eersamen in zijnen forme ende tenoir opten 21en ietz loependes maents octobris, ten eijnde voirseit, bij edicte, clockluydinge ende oopenbaere uuytroepinge voer uwen stadthuys off publiceren sullen, doende oeck bij ymant uuyt uwer eersamen raeden met mij scholtis voirseit annoteren, opteijckenen ende inventariseren, die guederen, gerechticheyden ende actien der selver personen binnen der selver stadt, vriheyt off schependomb Elborch gelegen, zoo verre eenige bevonden worden alnoch ter tijdt niet geannoteert, opgeteijckent ende inventariseert te zijn. Ons mitten ieersten relaterende ende verwittigende bij geschrifte van uwen wedervaeren, ende tghene uwe eersamen dese aengaende, gedaen sullen hebben. Gedaen binnen der stadt vander Elborch den 17 octobris anno XVc acht ende zestich.
Henrick te Goir, schoelt van Elboercht.