Bezoekersinfo

Functionarissen / functies

Functionarissen in protocollen van vrijwillige rechtspraak 
P. Zunderman

De volgende functionarissen komen voor:

Aelmoesiers:
een geestelijk ambt. Het gaat om uitdelers van aalmoezen. Wij zouden zeggen diakenen. Soms is een aelmoesier het hoofd van het armenbestuur.

Burgemeester:
wanneer de burgemeester in zijn functie wordt genoemd, is hij in de index van functionarissen opgenomen. Wordt aan zijn naam het beroep toegevoegd, bijvoorbeeld bij het aangeven van de ligging van een perceel land (oostwaert aengelendet burgemeester Bigge), niet. Indien bekend, wordt achter de naam de plaats vermeld waar de desbetreffende persoon burgemeester was.

Dedingsluiden / Dedingsmannen: (= Magescheidsvrienden)
Een dedingsman trad op bij het opstellen van een akte van een boedelscheiding (= Magescheid). Als zij optraden als getuigen bij een huwelijk, werden zij 'huwelijksvrienden' genoemd. Zij waren ook getuigen bij het opstellen van de huwelijksvoorwaarden. Een dedingsman trad op bij het opstellen van een akte. Dit kan gaan om een huwelijksakte (huwelijksvoorwaarden) of een akte van een boedelscheiding (= magescheid).

Dijckschriever:
een secretaris van een heemraadschap of waterschap

Drost van (Neder)Veluwe:
Een drost was oorspronkelijk, bij de Frankische koningen, het hoofd van de hofhouding. Later trad hij ook op als hoogste gerechtsambtenaar ter vervanging van de landheer. Toen zijn ambt uitgroeide tot een erfelijke titel, gingen de naam en de functie over op een door de vorst aangestelde ambtenaar.

Geërfden op de Veluwe / Geërfde gerichtsluiden / Gerichtsluiden / Keurgenoten:
Deze vier namen van functionarissen komen vaak door elkaar voor. De functie is meestal dezelfde, maar de naam die eraan gegeven wordt, verschilt. Geërfden zijn landeigenaren in het desbetreffende gebied. Zij hebben hierdoor bepaalde bevoegdheden gekregen. Zij kunnen in hun woongebied meebesturen en zij kunnen meewerken bij de rechtspraak. Gerichtsluiden en keurgenoten komen voort uit de geërfden. Zij zijn de gekozen vertegenwoordigers bij de rechtspraak.

Gerichtsdienaar:
Dit was de assistent van de richter. Hij moest bv de gedaagden ophalen.

Gildemeester:
het richterambt kende enige geestelijke gilden, het Lieve Vrouwengilde en het St Anthoniusgilde. De gildemeesters vormden het bestuur van deze gilden.

Heimraden:
raadslieden die de bijzondere belangen van een heim (dorp of kerspel), ook van dijken en afwateringen, enz, behartigen. Hier was het een functionaris van het polderbestuur.

Kerkmeesters:
beheerders van kerkelijke goederen, nu kerkvoogden geheten.

Landdrost:
Zie Drost

Ontvanger:
De ontvanger van een ambt of een gemeente had tot taak, net als nu, de inkomsten en de uitgaven te beheren. Hij zorgde o.a. voor het innen van de belastingen (50ste, 40ste en mindere penningen). Bij het benoemen van een ontvanger werden ook borgen benoemd. Zij stonden er borg voor dat de ontvanger de gelden goed beheerde en voldoende aan de landsheer afdroeg.

Protocolhouder / Secretaris van het Richterambt:
De protocolhouder had mede tot taak de protocollen van het Richterambt te registreren. Van deze registratie is aantekening gemaakt op alle protocollen onder vermelding van de datum van registratie en de naam van de protocolhouder. Protocolhouder ibid[em]
betekent protocolhouder op dezelfde (genoemde) plaats, hier dus Oldebroek.

Richter:
De richter gaf leiding aan de rechtspleging. Hij had zelf geen stem. Aan het tot stand komen van het oordeel werkte hij niet mee. Een richter had hiernaast ook een taak bij het besturen van het ambt namens de landheer.

Sandtgreef (Sandgraaf):
De verantwoordelijke voor de ontginning van het gebied.

Schepenen:
De functie van de schepenen is te vergelijken met die van de gerichtsluiden. Benoemd door de richter, leden van het gericht. Uit hun midden werd de oudste schepen gekozen die fungeerde als plaatsvervangend richter.

Schout: (Scholtus):
Een schout was van de middeleeuwen tot het einde van de achttiende eeuw in de Nederlanden een ambtenaar in dienst van de vorsten, grote heren en abdijen. Zijn taak was vooral van gerechtelijke aard. Hij was de voorzitter van de plaatselijke schepenbank (in een ambacht, stad of dorp) en maande de schepenen om recht te spreken. Na de uitspraak zorgde hij voor de tenuitvoerlegging van het vonnis. Daarenboven waren hem administratieve, politiële en financiële taken opgedragen, zoals toezicht op het onderhoud van wegen, waterlopen en dijken, handhaving van de orde, aanhouding van misdadigers, controle op drankhuizen, lichting van weerbare mannen, publicatie van plakkaten en ordonnanties. De schout van het Richterambt Oldebroek werd 'geautoriseerd' door de Baljuw of de Drost van Nederveluwe.

Sluismeester:
beheerder van de sluis, niet de sluiswachter.